← België

Arrest 192593 - Milieuvergunningen - 23/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.593 Rolnummer: A. 180177/VII-36848 Zaak: Arrest 192593 - Milieuvergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.593 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.593 van 23 april 2009 in de zaak A. 180.177/VII-36.848. In zake : 1. Koen NUYTS, 2. Robert CAVENTS, die woonplaats kiezen bij advocaat L. SOL, kantoor houdende te TURNHOUT, Gemeentestraat 4, bus 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Koen NUYTS en Robert CAVENTS op 12 januari 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 13 november 2006, waarbij het beroep, ingediend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 6 april 2006, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de BVBA VERBEKE om een veeteeltbedrijf, gelegen aan de Kortijnen te Retie, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 170.452 van 25 april 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekers; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-36.848-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. D'HAENE die, loco advocaat L. SOL verschijnt voor verzoekers, en van advocaat I. LAUREYS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 9 december 2005 dient de bvba VERBEKE, die te Sint- Niklaas een zonevreemde kippenfokkerij uitbaat, een milieuvergunningsaanvraag in om, met stopzetting van haar kippenfokkerij, te Retie een varkenskwekerij uit te baten. Voor die nieuwe uitbating worden 59.700 kippen omgezet naar 2.882 vleesvarkens. De nieuwe uitbating wordt gevestigd in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De aanvraag betreft de uitbating van een nieuwe inrichting overeenkomstig de delokalisatieregeling vervat in artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet). De percelen waarop de nieuwe geherlokaliseerde inrichting zal uitgebaat worden, zijn eigendom van Marcel KEYSERS die zelf op de naastgelegen percelen een varkensbedrijf (zeugen) uitbaat en de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van de varkensstallen is aangevraagd door Tim KEYSERS, de zoon VII-36.848-2/11 van Marcel. Uit het aanvraagdossier blijkt duidelijk dat de nieuwe varkenskwekerij door de familie KEYZERS zal worden uitgebaat en dat, na de toestemming tot verplaatsing, de vergunning aan hen zal worden overgedragen. 1.2. Volgens het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol, is de inrichting in Retie gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, op 1.400 meter van een woongebied met landelijk karakter en op 1.700 meter van een woongebied. 1.3. Op 6 april 2006 verleent de deputatie van de provincie Antwerpen (gedeeltelijk) de gevraagde vergunning. 1.4. Het buurtcomité "Kortijnen" tekent, samen met tweede verzoeker, op 9 juni 2006 beroep aan tegen deze vergunning. 1.5. Na het inwinnen van de nodige adviezen, wordt het beroep op 13 november 2006 verworpen. Het bevat de volgende voor de behandeling van de onderhavige zaak relevante motieven : "Gelet op het feit dat (

  1. de)beroepindiener de volgende bezwaren doet gelden : het is niet de bedoeling van de heer Verbeke om zijn bedrijf om te vormen tot een varkensbedrijf en te herlokaliseren naar Retie maar dat (het) de heer Keysers en/of één van zijn vennootschappen is die het bedrijf van de heer Verbeke overneemt, omvormt en verplaatst naar Retie, zodat hij zijn reeds omvangrijk varkensbedrijf nog kan uitbreiden, wat in tegenstelling is met wat de minister meermaals heeft gesteld dat een uitbreiding van de varkensstapel niet meer kan, vermits, volgens de minister, eerst de waterkwaliteit dient te verbeteren; dat het voorgaande als volgt kan gestaafd worden: - de heer Keysers geeft op 21 november 2005 een exploitatierecht aan de BVBA Verbeke op een stuk grond te Retie dat zijn eigendom is naast een zeugenbedrijf dat ook zijn eigendom is en wat hij nodig heeft voor zijn eigen mestafzet; men geeft toch geen exploitatierecht aan een concurrent en is het verwerken nu niet meer zo duur?; - de heer Tim Keysers (zoon van) heeft op 14 februari 2006 een stedenbouw- kundige vergunning ingediend op een stuk grond van zijn vader die het exploitatierecht heeft gegeven aan de heer Verbeke, waarom?; - de heer Verbeke heeft verklaard dat zijn zoon in de landbouw zou treden; - het is geen massahysterie vermits er 3 aanvragen zijn voor in totaal 4.135 mestvarkens en allemaal op een afstand van 300 meter, waarvan 1 ten oosten en 2 ten westen van onze woningen; - de heer Keysers heeft de burgemeester meermaals aangesproken of de verplaatsing kan toegestaan worden op een ander perceel grond dat niet zijn eigendom is; - iedereen in Retie weet dat het de bedoeling is van de heer Keysers om zijn bedrijf uit te breiden voor zijn kinderen; er loopt ook nog een dossier te Dessel; VII-36.848-3/11 - het is niet moeilijk voor de heer Keysers, wanneer alle vergunningen bekomen zijn, de BVBA Verbeke over te nemen en eventueel als hoofdaan- deelhouder de touwtjes in handen te hebben, vermits een overname slechts gemeld dient te worden; - een overplaatsing vanuit een industriegebied naar Retie kan niet vermits dit een zwarte gemeente is waar geen uitbreiding van de mestproductie nog mogelijk is; dat volgens het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan de open ruimtes moeten gevrijwaard worden en er geen grondloze bedrijven mogen opgericht worden; het bedrijf is gelegen in een waardevol agrarisch gebied en niet als een agrarische bedrijvenzone; volgens het structuurplan moeten nieuwe grondloze bedrijven in een agrarische bedrijvenzone, wat evenwel in Kortijnen niet aanwezig is; Gelet op het horen op 24 juli 2006 door de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie van de aanvrager, die bij dit horen inzonderheid het volgende stelt: - het beroep heeft weinig te maken met de vergunning verleend aan de nv Verbeke; - milieutechnisch is de aanvraag aanvaardbaar; - de heer Tim Keysers zal evenwel de vergunning later overnemen; (...) Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Herentals-Mol, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978; Gelet op het feit dat de inrichting volgens het voormelde gewestplan gelegen is op een afstand van circa: - 1.000 meter van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - 1.000 meter van een woongebied met landelijk karakter; - 800 meter van een bosgebied; - 1.000 meter van een natuurgebied; Overwegende dat de afdeling Stedenbouwkundig Beleid in haar voormeld advies van 19 juli 2006 het volgende stelt : 'De voorgestelde, nieuwe inplantingsplaats is gelegen in het landschap- pelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Herentals-Mol. De 1andschappelijk waardevol agrarisch gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin, waarbij bovendien bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsont- wikkeling te doen. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarisch gebieden enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 meter van een woongebied of op ten minste 100 meter van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. Het dichtstbijzijnde woongebied betreft een woongebied met landelijk karakter, en situeert zich op ongeveer 1.4 km van het betrokken perceel. Het dichtstbijzijnde woongebied ligt op ruim 1.7 km. Er stelt zich dan ook geen probleem met de wettelijke afstandsregels. Voor de plaats in kwestie bestaat er geen goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg, noch een behoorlijk vergunde niet-vervallen verkaveling. Het blijft de bevoegdheid van de overheid om de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg van de plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan. VII-36.848-4/11 De voorgestelde inplantingsplaats is gelegen vlak naast een ander, omvangrijk varkensbedrijf op het rechtsaanpalend perceel, zodat er op ruimtelijk vlak geen bezwaren zijn tegen deze inplanting. Verderop in de straat liggen echter een tiental zonevreemde woningen, op een afstand van 80 tot 500 meter van het betrokken perceel. Het zijn de eigenaars van deze woningen, zonder uitzondering gelegen in het agrarisch gebied, die bezwaar indienden tegen de voorgestelde inplanting. Daar de bedrijvigheid in overeenstemming is met de ter plaatse geldende stedenbouwkundige voorschriften wordt gunstig advies gegeven, onder voorwaarde dat de nieuwe stallen worden opgericht op een afstand van minimaal 10 meter van de perceelsgrenzen en dat er een afdoend groenscherm wordt aangeplant langsheen de perceelsgrenzen'; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, hier verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavig beroep in hoofdzaak betrekking heeft op het besluit van 6 april 2006 van de bestendige deputatie waarbij vergunning wordt verleend om een nieuwe inrichting, na verplaatsen, stopzetting en omvorming van een bedrijf te Sint-Niklaas met plaatsen voor 59.700 leghennen, te exploiteren te Retie met plaatsen voor 2.882 vleesvarkens; (...) Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd: - de inrichting is gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en voldoet aan al de voorwaarden van zowel VLAREM als het meststoffen- decreet; - de vergunning wordt verleend aan de BVBA Verbeke; derhalve is de verwijzing naar de heer Keysers niet ter zake vermits er in dit dossier geen sprake is van een bedrijf of overname van het bedrijf door de heer Keysers; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". Dit is het bestreden besluit. 2. Ten gronde 2.1. Verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stellen in een eerste onderdeel dat de milieuvergunning werd aangevraagd door de BVBA VERBEKE, terwijl voor het desbetreffende perceel een stedenbouwkundige vergunning werd verleend aan Tim KEYSERS en het perceel eigendom is van diens vader, Marcel KEYSERS. Volgens verzoekers gaat het overduidelijk om een "uitgekiende constructie" waarbij de BVBA VERBEKE nooit enige commerciële activiteit zal ontplooien op een perceel waarvan zij geen eigenaar is en dat toebehoort aan een andere landbouwer die wel actief is in de sector VII-36.848-5/11 waarvoor de milieuvergunning werd toegekend. Er wordt volgens hen aldus een "verkapte milieuvergunning" verleend aan de familie KEYSERS. In een tweede onderdeel verwijten verzoekers de verwerende partij enkel formeel rekening te hebben gehouden met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zonder in de bestreden beslissing een afdoende motivering te geven inzake de bescherming van het landschap. Het spreekt volgens hen voor zich dat de stallen voor 2.882 vleesvarkens, de bovengrondse tank voor 7.500 liter mazout en de silo's de schoonheidswaarde van het landschap in gevaar brengen en verstoren, temeer nu het gebied zijn verzadigingspunt op dit vlak reeds heeft bereikt. De minister antwoordt evenwel niet op die kritiek. 2.2. Volgens de verwerende partij vormt het feit dat de aanvrager van de milieuvergunning niet de eigenaar is van de gronden waarop de exploitatie zal plaatsvinden en dat de stedenbouwkundige vergunning werd aangevraagd door een derde die niets met de eigenlijke exploitatie te maken heeft, maar die later de exploitatievergunning wel zal overnemen, geen belemmering om de vergunning te verlenen. Zij had zich als milieuvergunningverlenende overheid enkel te buigen over de milieuvergunningsaanvraag van de BVBA VERBEKE tot de delokalisatie van een bestaande inrichting en de omvorming ervan naar een varkenskwekerij. Het doet er hierbij volgens haar niet wezenlijk toe of en wanneer de BVBA VERBEKE de exploitatie zal overdragen aan een andere exploitant aangezien de exploitatie altijd betrekking zal hebben op het fokken van varkens. Zij beklemtoont dat de eventuele latere overdracht van de exploitatie het voorwerp zal dienen uit te maken van een nieuwe bestuurlijke beslissing. Het eerste onderdeel van het middel is daarom niet gegrond. Wat het tweede onderdeel betreft, verwijst de verwerende partij naar het gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, waarin is aangestipt dat de voorgestelde inplantingsplaats vlak naast een ander omvangrijk varkensbedrijf gelegen is, zodat er op ruimtelijk vlak geen bezwaren zijn tegen deze inplanting, en dat er verderop in de straat wel een tiental zonevreemde woningen gelegen zijn op een afstand van 80 tot 500 meter van het betrokken perceel. 2.3. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij, inzake het eerste onderdeel van het eerste middel, nog op de gunstige adviezen van de Vlaamse Landmaatschappij, die het geëigend orgaan is om de conformiteit van de aanvraag met de doelstellingen van het meststoffendecreet te onderzoeken. Bij het verlenen VII-36.848-6/11 van de vergunning zijn alle voorwaarden vermeld in het meststoffendecreet onderzocht. De verwerende partij mocht bij dat onderzoek geen rekening houden met "aanwijzingen" dat de uitzonderingen op de vergunningenstop later zouden kunnen worden misbruikt om het meststoffendecreet te omzeilen. Zij mocht alleen nagaan of de decretale voorwaarden voor de verplaatsing van de inrichting waren vervuld. Overigens zal volgens de verwerende partij in de toekomst slechts sprake zijn van misbruik, wanneer later uit de aangifte van de mestproductie door een andere exploitant dan diegene die de vergunning heeft verkregen, zou blijken dat er een verhoging van de mestproductie is gecreëerd, hetgeen het meststoffendecreet niet toelaat. De overheid beschikt niet over de mogelijkheid om een toekomstige exploitant reeds vooraf de mogelijkheid te ontzeggen de vergunning op een later tijdstip over te nemen. Het feit dat de aanvrager zelf heeft verklaard dat de vergunning later zou worden overgenomen door een andere exploitant, doet hieraan geen afbreuk. Inzake het tweede onderdeel van het eerste middel wijst de verwerende partij er opnieuw op dat in het bestreden besluit ook gewag wordt gemaakt van het feit dat er zich in dezelfde straat nog een omvangrijke landbouwin- richting bevindt en dat er in de nabije omgeving ook een tiental zonevreemde woningen staan. Daarnaast legt het bestreden besluit een groenscherm op evenals de verplichting om te bouwen op minimum tien meter afstand van de perceelgrenzen. Het is de verwerende partij onduidelijk waarom de bijkomende inplanting van een nieuwe veeteeltinrichting, in een buurt waar in de onmiddellijke omgeving reeds verschillende grote veestallen staan, een schending van de schoonheidswaarde van het landschap zou opleveren. De verwerende partij besluit dat de motieven van het bestreden besluit inzake de bestaanbaarheid van de inrichting met de bestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied een feitelijke grondslag vinden in de foto’s uit het administratief dossier en benadrukt dat de Raad van State terzake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt. 2.4.1. In het eerste onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat blijkens het bestreden besluit, dat betrekking heeft op een verplaatsing van een inrichting op grond van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet, het bestuur geen aandacht heeft gehad voor het feit dat er een constructie wordt opgezet om een bestaande uitbating van de familie KEYSERS te Retie te vergroten. VII-36.848-7/11 2.4.2. De mogelijkheid om een vergunning te verlenen voor het verplaatsen van een inrichting is, als afwijking op het principieel verbod om nieuwe vergunningen te verlenen, afhankelijk van de strikte toepassing van een aantal decretaal vastgestelde voorwaarden. In geen van die voorwaarden is uitdrukkelijk bepaald dat de aanvrager van de verplaatsingsvergunning na de overplaatsing van de inrichting de verplichting heeft om zelf te blijven uitbaten noch dat hij gedurende een bepaalde periode zijn vergunning niet mag overdragen. Dat het bestuur ook zonder uitdrukkelijke regeling die voorwaarde bij het onderzoek van een concrete vergunningsaanvraag zou moeten betrekken, kan ook niet worden afgeleid uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 28 maart 2003, dat artikel 33ter van het meststoffendecreet heeft gewijzigd en de samenvoeging en de verplaatsing van de milieuvergunningen voor veeteeltbedrijven binnen de aangegeven voorwaarden mogelijk heeft gemaakt. Tijdens de parlemen- taire bespreking van de genoemde decreetbepaling is wel gesteld dat de aanvrager van de verplaatsingsvergunning "sinds 5 jaar houder (moet) zijn van de milieuver- gunning van de stop te zetten veeteeltinrichting" en dat die verplichting werd ingegeven om te vermijden dat de inrichting zou worden opgekocht door grotere bedrijven (Parl. Doc., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1.559/1, p. 11) maar uit niets blijkt dat het de bedoeling zou zijn geweest een gelijkaardige voorwaarde in te voeren op het vlak van de overdracht, na verplaatsing, van een milieuvergunning. De verwijzing naar het algemeen opzet van het meststoffendecreet -het beheersen van de mestberg- volstaat niet om een verplaatsingsvergunning afhankelijk te maken van de bijkomende voorwaarde van de verdere persoonlijke exploitatie van de inrichting na verplaatsing. Immers, de verplaatsing van een inrichting wijzigt niets aan de modaliteiten van de originele vergunning en heeft ook geen invloed op de mestproductie. De loutere constatatie dat het decreet een leemte bevat omdat het aldus aan een inrichting de mogelijkheid biedt om te ontsnappen aan de inlevering van 25 % van de nutriëntenhalte die zij zou moeten doen in geval van samenvoeging van de exploitatievergunning na een overname, laat het bestuur niet toe, bij gebrek aan enige wilsuiting van de decreetgever op dat vlak, zelf bij het verlenen van individuele vergunningen een bijkomende voorwaarde in te voeren. 2.4.3. De verwerende partij heeft bij het onderzoek van de aanvraag tot verplaatsing van de vergunning van de BVBA VERBEKE geen belang gehecht aan de bedoeling van de betrokken actoren om, eens de toelating verkregen om de vergunning voor de kippenkwekerij te Sint-Niklaas om te zetten in een vergunning voor een varkenskwekerij te Retie, die vergunning over te dragen aan een andere VII-36.848-8/11 uitbater. Zij heeft daarmee een correcte toepassing gegeven aan artikel 33ter van het meststoffendecreet. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 2.4.4. In het tweede onderdeel van het middel stellen verzoekers dat in het bestreden besluit niet wordt uiteengezet waarom de vergunde vestiging geen afbreuk zou doen aan de schoonheidswaarde van het betrokken gebied. 2.4.5. De vergunningverlenende overheid moet bij het verlenen van een milieuvergunning onderzoeken of de inrichting, met de hinder die zij veroorzaakt, verenigbaar is met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van het betrokken gebied. In het besluit moeten de concrete gegevens worden vermeld waaruit die verenigbaarheid blijkt. Het perceel van de tussenkomende partij waarop de kwestieuze vergunning betrekking heeft, is gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarvoor de bestemmingsvoorschriften neergelegd in de artikelen 11.4.1. en 15.4.6.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit) gelden. Artikel 11.4.1. van het inrichtingsbesluit luidt als volgt : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. (...)". Artikel 15.4.6.1. van het inrichtingsbesluit luidt als volgt : "De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan land- schapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gevaar brengen". Uit de samenlezing van deze voorschriften volgt dat de toelaatbaarheid van hinderlijke inrichtingen in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst : 1) een planologisch, dat veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen inrichting in overeen- stemming is met de bestemming agrarisch gebied, en 2) een esthetisch, dat inhoudt VII-36.848-9/11 dat de inrichting in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van het landschap. 2.4.6. Op grond van het eerstvermelde criterium moet de vergunningver- lenende overheid nagaan of de inrichting, met de hinder die zij veroorzaakt, een plaats kan krijgen in een agrarisch gebied. Verzoekers betwisten niet dat dit met de geplande varkensfokkerij het geval is. Zij voeren ook niet aan dat precies de nieuw vergunde inrichting de hinder, die zij normaliter van de activiteiten in het betrokken agrarisch gebied moeten dulden, te buiten gaat. 2.4.7. Op grond van het tweede criterium moet het bestuur nagaan of de inrichting de schoonheidswaarde van het landschap niet dreigt aan te tasten. De schoonheidswaarde van het landschap heeft betrekking op de inplanting van het bedrijf in de omgeving en het desbetreffend onderzoek is beperkt tot het visueel aspect van die inplanting. In de gevallen waarin de aangevraagde hinderlijke inrichting is gelinkt aan een bouwwerk, valt die toets samen met het onderzoek dat het bestuur moet voeren voor het afleveren van de stedenbouwkundi- ge vergunning. In de gevallen waarin de hinderlijke inrichting betrekking heeft op installaties waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning moet worden verleend, zal de overheid die de milieuvergunning verleent zelf moeten onderzoeken of de inrichting de schoonheidswaarde van het landschap niet aantast. 2.4.8. Te dezen heeft de inrichting betrekking op de uitbating van een varkensfokkerij. Voor een dergelijke inrichting is naast een milieuvergunning ook een stedenbouwkundige vergunning vereist. De vraag naar de adequate visuele inpassing in het landschap hoort thuis in het onderzoek van de stedenbouwkundige vergunning. Verzoekers kunnen in de onderhavige zaak dan ook niet relevant aan het bestuur verwijten dat uit de bestreden milieuvergunning niet blijkt dat de schoonheidswaarde van het landschap een rol heeft gespeeld bij het onderzoek van de vergunningsaanvraag of dat het verzadigingspunt bereikt is. 2.4.9. Het tweede onderdeel van het middel is niet ontvankelijk. 2.5. Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Er is reden om de debatten te heropenen en het onderzoek van de zaak voort te zetten, VII-36.848-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-36.848-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.593 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.452 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.