← België

Arrest 192597 - Milieuvergunningen - 23/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.597 Rolnummer: A. 177048/VII-36575 Zaak: Arrest 192597 - Milieuvergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.597 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.597 van 23 april 2009 in de zaak A. 177.048/VII-36.

  1. In zake :
  2. Frederik MAJOIE,
  3. Josephus VERSTEIJNEN, die woonplaats kiezen bij advocaten S. RONSE en D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  4. tussenkomende partij : Kees SCHELLEKENS, die woonplaats kiest bij advocaat V. VEKEMAN, kantoor houdende te GERAARDSBERGEN, Pastorijstraat
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frederik MAJOIE en Josephus VERSTEIJNEN op 22 september 2006 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juli 2006 waarbij de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 26 januari 2006 houdende, enerzijds, het gedeeltelijk verlenen van een milieuvergunning aan Kees SCHELLEKENS om een nertsenkwekerij, gelegen aan de Steenweg op Baarle 45 te Ravels (Poppel), verder te exploiteren, en anderzijds, de aktename van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de door de tussenkomende partij gevraagde milieuvergunning wordt verleend mits toevoeging van een bijkomende bijzondere voorwaarde; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 28 november 2006 ingediend door Kees SCHELLEKENS; VII-36.575-1/15 Gelet op de beschikking van 1 december 2006 die de tussenkomst van Kees SCHELLEKENS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoekers en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 4 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RONSE, die verschijnt voor verzoekers, van advocaat F. TEMMERMAN die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. OFFERMANS die, loco advocaat V. VEKEMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De feiten 1.
  7. Op 3 september 1987 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de tussenkomende partij, voor een termijn van 20 jaar, een exploitatievergunning voor een nertsenkwekerij gelegen aan de Bedafse Heide te Ravels (Poppel). De vergunning heeft betrekking op maximum 1.200 VII-36.575-2/15 moederdieren en 7.200 gespeende jongen. De inrichting wordt later verplaatst naar de Steenweg op Baarle 45 te Ravels (Poppel). 1.
  8. Blijkens de -niet tegengesproken- uiteenzetting van de tussenkomende partij voldeed haar bedrijf in 1993 niet aan de voorschriften van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet) en heeft zij dit probleem opgelost door het mestquotum over te nemen van een stop te zetten varkensbedrijf van Emmanuel STASSEN te Riemst. Aldus wordt bij de gemeente op 26 augustus 2004 een aanvraag ingediend voor de stopzetting van het bedrijf te Riemst, de verplaatsing ervan naar Ravels en de omvorming van een varkensbedrijf naar een nertsenkwekerij op naam van de tussenkomende partij. Bij de vergunningsaanvraag is een verklaring gevoegd van 13 augustus 2004, waarin de tussenkomende partij het volgende stelt : "Ondergetekende Schellekens Kees (...) Verklaart hierbij dat hij afziet van de verleende vergunning voor nertsen van 3 september 1987 voor het houden van 1200 moederdieren en 7200 gespeende jongen indien de verplaatsing, die nu aangevraagd wordt, verleend wordt". 1.
  9. Op 27 december 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels de gevraagde verplaatsingsvergunning voor een termijn lopend tot 27 december
  10. Er wordt ook gesteld dat "vanaf de datum van de realisering van de veranderingen, (...) de lopende vergunning van 3 september 1987 (...) op naam van de heer Cornelius Schellekens (wordt) ingetrokken". 1.
  11. Op 18 januari 2005 delen de tussenkomende partij en Emmanuel STASSEN aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels mee dat zij de vergunning van 27 december 2004 niet in gebruik zullen nemen en dat zij er afstand van doen. Immers, de nieuwe reglementering zou toelaten dat het bedrijf van de tussenkomende partij toch nog als een bestaande inrichting kan worden beschouwd, wat haar een voldoende nutriëntenhalte oplevert om zelfstandig, zonder overname van een mestquotum, voort te bestaan. 1.
  12. Op 19 juli 2005 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor het verkrijgen van een milieuvergunning klasse 1 om haar nertsenkwekerij verder in bedrijf te houden en te veranderen door uitbreiding zodat ze, na het verplaatsen van stalplaatsen voor 120 grote zoogdieren van een bedrijf te Boutersem, VII-36.575-3/15 uitgebreid wordt met plaatsen voor 543 moedernertsen en 1.515 gespeende jongen (dus in totaal 1.743 moederdieren en 8.715 gespeende jongen). 1.
  13. Op 26 januari 2006 beslist de deputatie van de provincie Antwerpen een vergunning te verlenen voor het in bedrijf houden van de nertsenkwekerij, met name het uitbaten van stallen met plaatsen voor 8.400 nertsen waarvan 1.200 moederdieren. Er wordt akte genomen van een aantal klasse 3- inrichtingen. De vergunning voor het veranderen door uitbreiding wordt geweigerd. 1.
  14. Tegen deze beslissing wordt door omwonenden, onder wie verzoekers, een administratief beroep ingediend. In het beroepschrift wordt onder meer gesteld dat de tussenkomende partij op het ogenblik van de milieuvergunningsaanvraag niet langer over een geldige vergunning beschikte aangezien zij daar op 13 augustus 2004 "op bijzonder duidelijke en ondubbelzinnige wijze" afstand van had gedaan. 1.
  15. Nadat een aantal adviezen werden uitgebracht, neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur op 27 juli 2006 het bestreden besluit, waarbij de door de tussenkomende partij gevraagde milieuvergun- ning wordt verleend mits toevoeging van een bijkomende bijzondere voorwaarde.
  16. Ten gronde 2.1.
  17. In het eerste middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, artikel 33ter van het meststoffendecreet en het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van artikel 33ter van het meststoffendecreet en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning. Verzoekers stellen, samengevat, dat de "basisvergunning" van 3 september 1987 niet langer uitvoerbaar was op het ogenblik van de bestreden beslissing. Van die vergunning werd immers door de tussenkomende partij op 13 augustus 2004 uitdrukkelijk afstand gedaan, op voorwaarde van het verkrijgen van een milieuvergunning voor de verplaatsing en de omvorming van de inrichting van Emmanuel STASSEN en dat geschiedde op 27 december
  18. Hoewel VII-36.575-4/15 verzoekers hierop uitdrukkelijk wezen in hun beroepschrift, is de verwerende partij hier compleet aan voorbij gegaan en levert zij met het bestreden besluit, maar met miskenning van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, in wezen een milieuvergunning af voor het uitbaten van een nieuwe inrichting. De verwerende partij motiveert niet waarom met de afstand van de "basisvergunning" geen rekening moest worden gehouden. Zij stelt alleen dat de modaliteiten voor de intrekking van de vergunning van 3 september 1987 niet zijn vervuld door de niet-ingebruikname van de vergunning van 27 december 2004, maar daarmee haalt zij volgens verzoekers -die in dit verband verwijzen naar het arrest van de Raad van State nr. 80.592 van 2 juni 1999- de begrippen "afstand" en "intrekking" door elkaar. 2.1.
  19. In de memorie van antwoord wordt, samengevat, betoogd dat verzoekers vertrekken van een verkeerd uitgangspunt door te stellen dat de milieuvergunning van 3 september 1987 niet langer uitvoerbaar zou zijn wegens de afstand van deze vergunning door de tussenkomende partij. De verwerende partij meent voorts dat de duidelijkheid in het rechtsverkeer vereist dat een afstand van een vergunning door het bevoegde bestuur wordt geformaliseerd, hetzij door een aktename van de verklaarde afstand, hetzij door de intrekking van de verleende vergunning. Volgens haar moet de schriftelijke verklaring van de tussenkomende partij van 13 augustus 2004, in het licht van de context van het dossier en het doel van deze verklaring, worden begrepen als een voorwaardelijke afstand van de basisvergunning van 3 september 1987, die pas definitief wordt vanaf de voltrekking van het resultaat dat daarmee wordt beoogd. De verwerende partij mocht er redelijkerwijze van uit gaan dat de "basisvergunning" op het ogenblik van de milieuvergunningsaan-vraag nog steeds bestond en uitvoerbaar was. 2.1.
  20. Ook de tussenkomende partij betoogt, in essentie, dat de verwerende partij op basis van de elementen van het dossier correct kon oordelen dat de vergunning van 3 september 1987 nog geldig was. Zij verwijst in dit verband onder meer naar artikel 1, § 2, van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 27 december 2004 waarin wordt gesteld dat de lopende vergunning " vanaf de datum van de realisering van de veranderingen wordt (...) ingetrokken". Zij meent voorts dat uit haar verklaring van 13 augustus 2004 niet zonder meer het verval van de "basisvergunning" van 3 september 1987 kan worden afgeleid en verwijt verzoekers de begrippen "verval", "afstand" en "intrekking" te verwarren. Ten slotte rijst de vraag naar het belang van VII-36.575-5/15 verzoekers bij het aanvoeren van het verval van de milieuvergunning van 3 september 1987, nu zij desgevallend opnieuw een vergunning voor de exploitatie van de inrichting zou kunnen verkrijgen met toepassing van artikel 33ter, §1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet. 2.1.
  21. In hun memorie van wederantwoord beklemtonen verzoekers nog dat de verwerende partij de in artikel 1, § 2, van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 27 december 2004 geformuleerde voorwaarde voor de intrekking van de vergunning van 3 september 1987 koppelt aan de verklaring van de tussenkomende partij van 13 augustus
  22. Zij herhalen dat de in deze verklaring uitgedrukte afstand door de tussenkomende partij enkel gebeurde onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een vergunning tot verplaatsing van de inrichting van Emmanuel STASSEN, en dat deze voorwaarde werd gerealiseerd op 27 december
  23. 2.1.
  24. In hun laatste memorie expliciteren verzoekers nogmaals dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels op 27 december 2004 heeft beslist de verplaatsing en de omvorming van de vergunning van Emmanuel STASSEN toe te staan en dat die beslissing, minstens tot aan de afstand ervan op 18 januari 2005, uitwerking heeft gehad zodat de opschortende voorwaarde voor de afstand van de basisvergunning, vermeld in de verklaring van 13 augustus 2004, is gerealiseerd. De afstand van de vergunning van 27 december 2004 heeft uiteraard -omdat een afstand alleen naar de toekomst toe gelding heeft- niet tot gevolg dat deze vergunning ex tunc uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat de opschortende voorwaarde uit de verklaring van 13 augustus 2004 plots niet langer zou zijn vervuld. Zij wijzen er ook op dat de formele intrekking van de basisvergunning op het ogenblik van de realisatie van de verplaatsing en de omvorming, waartoe ook op 27 december 2004 werd besloten, niet belet dat de tussenkomende partij voordien uitdrukkelijk afstand had gedaan van de basisvergunning. Zij benadrukken nog dat de reglementaire context waarin de handelwijze van de tussenkomende partij moet worden geplaatst er alleen maar op wijst dat zij a posteriori, nadat de afstand van de basisvergunning gerealiseerd was, heeft ingezien dat de afstandsverklaring niet wenselijk was. 2.1.
  25. Verzoekers betwisten dat de verwerende partij bij het treffen van het bestreden besluit nog rekening mocht houden met de basisvergunning van 3 september 1987, aangezien de tussenkomende partij van die vergunning afstand VII-36.575-6/15 zou hebben gedaan. Zij stellen voorts dat in het bestreden besluit niet afdoende wordt geantwoord op de desbetreffende grief uit hun beroepschrift. 2.1.
  26. In het bestreden besluit wordt onder meer het volgende gesteld : "Overwegende dat in een schriftelijke verklaring van 13 augustus 2004 de heer Kees Schellekens afziet van de verleende vergunning voor nertsen van 3 september 1987, indien de verplaatsing van 120 varkens van een bedrijf te 3770 Riemst, Trinellestraat 19 naar 2382 Ravels, Steenweg Baarle 45, gekoppeld aan de stopzetting van het bedrijf te 3770 Riemst, Trinellestraat 19, verleend wordt; dat de exploitant deze verklaring heeft opgesteld omdat de inrichting te Ravels destijds als niet-bestaande inrichting werd beschouwd door de Mestbank, daar in de referentiejaren 1992 en 1993 geen dieren werden aangegeven aan de Mestbank; dat zodoende de exploitant genoodzaakt was om elders een vergunning te kopen en naar Ravels te halen; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels op 27 december 2004 de vergunning verleende, aan de heer Emmanuel Stassen, Peperstraat 24, 3770 Riemst, om een veeteeltinrichting te verplaatsen en om te vormen met als voorwerp: • de verplaatsing van 120 varkens van een bedrijf te 3770 Riemst, Trinellestraat 19, naar 2382 Ravels, Steenweg Baarle 45, gekoppeld aan de stopzetting van een bedrijf te 3770 Riemst, Trinellestraat 19; • de omvorming van 120 varkens naar 640 gespeende nertsen te 2382 Ravels, Steenweg Baarle 45; dat artikel 1, §2 van voormeld besluit stelt dat: 'Vanaf de datum van de realisering van de veranderingen wordt de lopende vergunning van 3 september 1987 voor de exploitatie van een nertsenkwekerij met 1.200 moederdieren en 7.200 gespeende jongeren te 2382 Ravels, Steenweg Baarle 45, op naam van de heer Cornelius Schellekens, ingetrokken'; Overwegende dat via een schrijven van 18 januari 2005 van de cvba DLV Milieuconsult (in twee exemplaren, waarvan één ondertekend door de heer Schellekens en een ander door de heer Stassen) aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels meegedeeld wordt dat zij afstand wensen te doen van de verleende milieuvergunning van 27 december 2004 omwille van het feit dat er een wetswijziging verwacht wordt op het gebied van de definitie van 'bestaande veeteeltinrichting' en zodoende de nertsenkwekerij van de heer Schellekens wel als een bestaande veeteeltinrichting beschouwd zou worden; Overwegende dat van voorgaand schrijven kennis werd genomen door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels op 1 februari 2005; Overwegende dat zodoende kan gesteld worden dat de vergunning van 27 december 2004 niet in gebruik zal genomen worden; dat derhalve de voorwaarde van de verklaring van 13 augustus 2004, waarin de heer Kees Schellekens afziet van de verleende vergunning voor nertsen van 3 september 1987, niet vervuld wordt; dat tevens artikel 1, §2 van het besluit van 27 december 2004 van het college van burgemeester en schepenen in acht genomen moet worden, dat stelt dat vanaf de datum van de realisering van de veranderingen de lopende vergunning van 3 september 1987 ingetrokken wordt; dat de veranderingen nooit zullen worden uitgevoerd, daar de vergunning van 27 december 2004 nooit zal worden in gebruik genomen; dat zodoende de basisvergunning van 3 september 1987 nooit zal worden ingetrokken; dat VII-36.575-7/15 derhalve de aanvraag weldegelijk het verder exploiteren van de inrichting inhoudt en niet het exploiteren van een nieuwe inrichting". 2.1.
  27. Bij de aanvraag van 26 augustus 2004 om de vergunning voor het varkensbedrijf te Riemst te verplaatsen en te integreren in de nertsenkwekerij was de volgende verklaring van de tussenkomende partij gevoegd: "SCHELLEKENS Kees (...) verklaart hierbij dat hij afziet van de verleende vergunning voor nertsen van 3 september 1987 voor het houden van 1200 moederdieren en 7200 gespeende jongen indien de verplaatsing, die nu aangevraagd wordt, verleend wordt. De vergunning voor de nertsen is verleend en ook in gebruik genomen, maar door het (...) uiteindelijk toch niet aangeven van dieren aan de Mestbank in de referentiejaren 1992 en 1993 heeft de inrichting de stempel van niet-bestaande veeteeltinrichting opgekleefd gekregen. Daarom is de exploitant nu dus genoodzaakt om elders een vergunning te kopen en naar Steenweg Baarle 45 te halen om zodoende de inrichting in orde te stellen naar vergunning voor dieren". 2.1.
  28. Niemand betwist dat de tussenkomende partij het verzaken aan de basisvergunning rechtsgeldig afhankelijk kon maken van de voorwaarde dat zij de vergunning van een ander bedrijf zou kunnen overnemen. De tussenkomende partij heeft in haar voorbehoud ook duidelijk laten blijken dat de afstand van de basisvergunning niet betekende dat zij overwoog de exploitatie op de huidige plaats stop te zetten, maar dat zij een regeling wenste te vinden om niet langer als een niet- bestaande veeteeltinrichting te worden beschouwd. Zij plaatste aldus de afstand van de basisvergunning in dat bepaald kader, dat niet onredelijk is. 2.1.
  29. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels heeft op 27 december 2004 de vergunning voor de verplaatsing en de omschakeling naar 640 gespeende nertsen verleend. Het heeft daar aan toegevoegd dat "vanaf (...) de realisering van de veranderingen (...) de lopende vergunning van 3 september 1987 (...) (wordt) ingetrokken". Volgens verzoekers heeft deze beslissing uitwerking gekregen en heeft zij rechtsgevolgen gehad, zodat de ontbindende voorwaarde, die de tussenkomende partij had geformuleerd om van haar basisvergunning af te zien, werd vervuld en er niet meer regelmatig naar die basisvergunning kon worden verwezen om de exploitatievergunning van de tussenkomende partij te vernieuwen. 2.1.
  30. De bepaling, in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 27 december 2004 waarbij de VII-36.575-8/15 basisvergunning van 3 september 1987 wordt ingetrokken, kan zeker niet tegen de tussenkomende partij worden uitgespeeld, omdat er uitdrukkelijk wordt verwezen naar de realisatie van de veranderingen, wat neerkomt op het daadwerkelijk gebruik van de vergunning tot verplaatsing. Dit daadwerkelijk gebruik heeft nooit plaatsgevonden. 2.1.
  31. Het bestuur heeft aan de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 27 december 2004 geen enkele uitvoering gegeven. Immers, met een brief van 27 december 2004 heeft de tussenkomende partij haar vergunningsaanvraag waarover toen werd besloten, ingetrokken. Deze brief, die op 28 december 2004 op het gemeentebestuur toegekomen is, luidt als volgt: "Omwille van een nakende wijziging van het begrip 'bestaande veeteeltinrichting' in het mestdecreet is er (...) beslist de huidige milieuvergunningsaanvraag in te trekken. Immers, indien de nertsenkwekerij van dhr. Schellekens door de wijziging van het mestdecreet plots wel als een bestaande veeteeltinrichting wordt beschouwd, zal de huidige aanvraag op een andere manier ingediend moeten worden (als samenvoeging bij het vergund bedrijf van dhr. Schellekens). Indien (het) mestdecreet toch niet gewijzigd wordt zoals momenteel het voorontwerp opgesteld is, zal de huidige aanvraag opnieuw ingediend worden". Nadat de tussenkomende partij vervolgens door het gemeentebestuur werd ingelicht dat de vergunning op 27 december 2004 toch was verleend, heeft de tussenkomende partij met een brief van 18 januari 2005, waarvan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels op 1 februari 2005 akte heeft genomen, ook nog aan het gemeentebestuur het volgende geschreven: "De vraag tot intrekking van de aanvraag werd door ons (...) verzonden omwille van het feit dat er een wetswijziging verwacht wordt op gebied van de definitie van 'bestaande veeteeltinrichting'. Zodoende zou de nertsenkwekerij (...) plots wel als een bestaande veeteeltinrichting beschouwd worden, en werd de aanvraag tot verplaatsing van de milieuvergunning onnodig ingediend. In afwachting van een definitieve goedkeuring van het wetsvoorstel hebben wij besloten de op 27/12/2004 verleende vergunning niet in gebruik te nemen en brengen wij jullie bij deze op de hoogte van het feit dat wij afstand wensen te doen van de verleende milieuvergunning". 2.1.
  32. Met de brief van 27 december 2004 heeft de tussenkomende partij aan het voordeel van haar aanvraag verzaakt vooraleer de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 27 december 2004 haar was betekend of vooraleer er op een andere wijze enige uitvoering aan kon worden VII-36.575-9/15 gegeven. Met de brief van 18 januari 2005 heeft de tussenkomende partij, in het verlengde daarvan, formeel aan het gemeentebestuur meegedeeld dat zij de vergunning tot verandering niet in gebruik zou nemen. Daarmee heeft de tussenkomende partij duidelijk aan het gemeentebestuur ter kennis gebracht dat zij verzaakte aan het voordeel dat zij oorspronkelijk wenste te verkrijgen. Zulks herleidt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 27 december 2004 tot een akte zonder materiële inhoud die de toestand van de inrichting van de tussenkomende partij en haar rechtsverhouding met het bestuur niet wijzigt en die overigens als gevolg van de uitdrukkelijke wilsuiting van de aanvrager zelfs niet ten uitvoer zal worden gelegd. 2.1.
  33. De verzaking, door de tussenkomende partij, aan de vergunning om een andere vergunning in haar inrichting te integreren, wijzigt op zich de situatie van verzoekers, omwonenden van de inrichting, niet in ongunstige zin. De eerder bestaande toestand blijft gewoon voortduren. Dat de voorwaardelijke afstand hen uitzicht bood op een betere situatie, betekent niet dat zij zich tegen de verzaking van de tussenkomende partij kunnen verzetten en dat zij rechten kunnen putten uit een beslissing die op geen enkele wijze uitvoering heeft gekregen. De louter formele beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ravels van 27 december 2004 heeft geen invloed op de ontbindende voorwaarde geformuleerd door de tussenkomende partij. 2.1.
  34. Aldus bezien, kon de verwerende partij terecht stellen dat de ontbindende voorwaarde niet was vervuld. Zij heeft dat in het bestreden besluit op afdoende wijze uiteengezet. 2.1.
  35. Het middel is niet gegrond. 2.2.
  36. In het tweede middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 24, § 4, en 28, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het redelijkheidsbeginsel. Tevens vragen zij de toepassing van artikel 159 van de Grondwet. Verzoekers voeren, in essentie, aan dat zij noch door de Provinciale Milieuvergunningscommissie noch door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werden gehoord, hoewel zij zulks in hun beroepschrift VII-36.575-10/15 nochtans uitdrukkelijk hebben gevraagd. Dat de tussenkomende partij wel werd gehoord, maakt volgens hen een ernstige verstoring uit van "de rechtsgelijkheid (...) tussen beide procespartijen". Bovendien wordt in het bestreden besluit louter met een stijlformule, en dus niet afdoende, gemotiveerd waarom zij niet werden gehoord. In ondergeschikte orde vragen verzoekers de Raad van State artikel 28, § 4, van Vlarem I met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten, nu zij in dit artikel een schending ontwaren van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel waar een beroepsindiener slechts kán worden gehoord en een aanvrager móet worden gehoord. In "nog meer ondergeschikt(e)" orde, en voor zover deze ongelijkheid zou voortvloeien uit artikel 13, § 3, derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), vragen verzoekers om in dit verband een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 2.2.
  37. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij, kort samengevat, dat uit de relevante bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I blijkt dat de aanvrager van de vergunning moet worden gehoord indien hij dit vraagt, dat het horen voor de andere partijen slechts facultatief is en dat zij in hun bezwaar- en beroepschrift hun argumenten uiteen kunnen zetten. De verwerende partij verwijst in dat verband naar de arresten van de Raad van State nrs. 55.941 en 130.669 van 19 oktober 1995 respectievelijk 27 april
  38. Verzoekers kregen te dezen bovendien expliciet de kans om schriftelijk of telefonisch nog nadere argumenten naar voor te brengen. In het bestreden besluit mocht beknopt worden gesteld dat het horen om materiële redenen beperkt was tot de aanvrager van de milieuvergunning. De Provinciale Milieuvergunningscommissie stelt geen bestuurshandelingen en diende geen formele motivering te geven omtrent het niet horen van verzoekers. De aanvragers en de beroepsindieners betreffen volgens de verwerende partij onderscheiden categorieën van personen, die in het kader van de milieuvergunningsaanvraag andere belangen hebben. Zo heeft de aanvraag grote financiële gevolgen voor de exploitant, terwijl zij de omwonenden verplicht de exploitatie te tolereren. Een onderscheiden behandeling is dan ook niet kennelijk onredelijk. De artikelen 24, § 4, en 28, § 4, van Vlarem I vormen slechts de uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 13, § 3, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet. VII-36.575-11/15 2.2.
  39. De tussenkomende partij sluit zich aan bij het standpunt van de verwerende partij. 2.2.
  40. Verzoekers voegen in hun memorie van wederantwoord nog toe dat tijdsgebrek geen reden kan zijn om de ene partij wel te horen en de andere niet, dat hinder net zo belastend is als een financieel nadeel en dat een mondeling verhoor een interactief surplus uitmaakt in vergelijking met een louter schriftelijke argumentatie. 2.2.
  41. In hun laatste memorie stellen verzoekers nog dat het bestreden besluit niet afdoende uiteenzet waarom zij niet werden gehoord, want de verwijzing naar "redenen van materiële aard" is een stijlformule die niet voldoende precies en ook niet afdoende is. Zij voegen daaraan opnieuw toe dat artikel 28, § 4, van Vlarem I een ongelijkheid invoert. Wat de vergelijking tussen de aanvrager en henzelf betreft, stippen zij aan dat het belang dat zij nastreven evenveel bescherming geniet als dat van de aanvrager en dat ook zij een economisch belang nastreven, met name de waarde van hun woning, dat niet minder behartenswaardig is dan dat van de tussenkomende partij, zeker nu wordt erkend dat het horen een "interactief surplus" vormt ten aanzien van een geschreven argument. 2.2.
  42. Artikel 13, § 3, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet bepaalt: "Op zijn verzoek wordt de aanvrager gehoord door de (Provinciale Milieuvergunningscommissie en de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie)". Artikel 24, § 4, van Vlarem I, waarin de procedure voor de Provinciale Milieuvergunningscommissie is geregeld, bepaalt: "Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een milieuvergunning door de commissie gehoord. (...) De commissie kan ook andere partijen horen". Artikel 28, § 4, van Vlarem I, waarin de procedure voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie is geregeld, bepaalt: "Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een milieuvergunning door de commissie gehoord. (...) De commissie kan ook andere partijen horen". 2.2.
  43. Verzoekers, omwonenden van de inrichting, hebben in hun beroepschrift uitdrukkelijk gevraagd om te worden gehoord. Zij hebben die vraag VII-36.575-12/15 herhaald in een brief van 6 april 2006 aan de afdeling Milieuvergunningen. Daar is op 10 april 2006 negatief op geantwoord omdat Vlarem I alleen de verplichting instelt om de aanvrager te horen en het verhoor van de andere partijen herleidt tot een mogelijkheid, zodat "om reden van materiële aard (...) het horen (wordt) beperkt tot de aanvrager". De tussenkomende partij, aanvrager van de vergunning, is harerzijds op 22 mei 2006 door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gehoord. Zij heeft daar een toelichtende nota overgelegd en een mondelinge uiteenzetting gegeven. 2.2.
  44. Voor de Raad van State kan niet nuttig worden ingeroepen dat de hoorplicht geschonden is in de loop van de procedure in eerste aanleg. Door de devolutieve werking van het administratief beroep moet de bevoegde minister immers het aanvraagdossier in zijn geheel opnieuw onderzoeken en er over waken dat de reglementair georganiseerde inspraakmogelijkheden, die op zijn niveau zijn neergelegd in artikel 28, § 4, van Vlarem I, zijn nageleefd. 2.2.
  45. Het bestreden besluit bevat de volgende uiteenzetting over de vraag van verzoekers om te worden gehoord: "Overwegende dat de beroepindiener tevens aanhaalt dat door de Provinciale Milieuvergunningscommissie niet werd ingegaan op de vraag van hun cliënten om gehoord te worden en dit zonder enige motivatie; dat de beroepindiener tevens had gevraagd om gehoord te worden op de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; dat hierop negatief werd geantwoord door de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, via een schrijven van 10 april 2006 omwille van het feit dat artikel 28 van titel I van het VLAREM voorziet dat enkel de aanvrager op zijn verzoek moet gehoord worden en dat andere partijen kunnen gehoord worden; dat om reden van materiële aard het horen beperkt wordt tot de aanvrager". 2.2.
  46. Die uiteenzetting is duidelijk. Zij kadert in artikel 28, § 4, van Vlarem I. Er wordt verwezen naar de reglementaire verplichting om alleen de vergunningsaanvrager te horen en naar de faculteit om de andere partijen te horen om dan te stellen dat het horen van andere partijen dan de aanvrager niet gebeurt. Er wordt verwezen naar een materiële reden. Gelezen in het verlengde van de brief van 10 april 2006, waarin het bestuur de raadsman van verzoekers heeft ingelicht dat het, gelet op de mogelijkheid die artikel 28, § 4, van Vlarem I hem bood, om materiële redenen geen VII-36.575-13/15 andere partijen dan de aanvrager hoort -een algemene en principiële stellingname dus-, heeft de verwijzing naar de "reden van materiële aard" geen betrekking op de concrete gegevens van de onderhavige zaak en is zij, als een algemene stellingname, wel helder geformuleerd. Dat het bestuur een aanvraagdossier niet nodeloos wil bezwaren met hoorsessies die niet reglementair zijn voorgeschreven, is ook -inzonderheid gelet op de korte beslissingstermijnen- een begrijpelijk en zeker niet onredelijk standpunt. 2.2.
  47. Dit verhindert zeker niet dat het bestuur er, in het kader van een zorgvuldige besluitvorming, wegens de concrete omstandigheden van de zaak toe genoopt kan zijn bepaalde partijen te horen, maar dat veronderstelt dan dat de betrokkene het bestuur overtuigt van de noodzaak of minstens van het nut van een dergelijk verhoor. Verzoekers tonen niet aan dat zij, vanuit dat perspectief, hun vraag om gehoord te worden, hebben gemotiveerd. Dus kon de bevoegde minister volstaan met een verwijzing naar de reglementaire bepaling en de principiële opstelling van het bestuur in het licht van artikel 13, § 3, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 28, § 4, van Vlarem I. 2.2.
  48. Verzoekers achten artikel 28, § 4, van Vlarem I zelf in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel omdat het bestuur daarin enkel wordt verplicht om de aanvrager te horen en de belanghebbenden die garantie niet hebben. Zij vragen om artikel 28, § 4, van Vlarem I buiten toepassing te laten. Het buiten toepassing laten van artikel 28, § 4, van Vlarem I heeft evenwel niet tot gevolg dat voor het bestuur de juridische verplichting ontstaat om de belanghebbenden te horen, hetgeen verzoekers vastgesteld willen zien. Het betekent alleen dat daarin niet meer de verplichting kan worden gelezen om de aanvrager te horen maar zulks wijzigt niets aan de situatie van de andere partijen, voor wie dan nog altijd geen verplichting tot horen geldt. De vraag naar de overeenstemming van artikel 24, § 4, van Vlarem I met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel dient dan ook niet te worden onderzocht. Om dezelfde reden dient evenmin te worden onderzocht of artikel 13, § 3, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet, waarin alleen de verplichting is opgenomen om de aanvrager te horen, het gelijkheidsbeginsel miskent en moet er ook geen prejudiciële vraag worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof. 2.2.
  49. Het middel is niet gegrond, VII-36.575-14/15 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  50. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  51. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-36.575-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.