id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.598 Rolnummer: A. 178570/VII-36748 Zaak: Arrest 192598 - Milieuvergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.598 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.598 van 23 april 2009 in de zaak A. 178.570/VII-36.748. In zake : de BVBA NIFRA-VAN CAMP, die woonplaats kiest bij advocaat M. SCHOUPS, kantoor houdende te ANTWERPEN, De Burburestraat 6-8 tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen, die woonplaats kiest bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Roderveldlaan 3. tussenkomende partijen : 1. Katrien DE VLAEMYNCK, 2. Kris MINNE, 3. Gilbert BAETENS, 4. Isa SUETENS-CALDERS, 5. Dorine VAN DE SANDE, die woonplaats kiezen bij advocaat C. VALLET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Oudaan 22-24. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA NIFRA - VAN CAMP op 16 november 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 24 augustus 2006 waarbij het beroep, ingediend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout van 3 april 2006 waarbij haar een milieuvergunning werd verleend voor het veranderen van een zaadhandel, gelegen aan de Lange Kroonstraat 173-175 te Boechout, wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 170.451 van 25 april 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-36.748-1/14 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 29 juni 2007 ingediend door Katrien DE VLAEMYNCK, Kris MINNE, Gilbert BAETENS, Isa SUETENS-CALDERS en Dorine VAN DE SANDE; Gelet op de beschikking van 6 juli 2007 die de tussenkomst van Katrien DE VLAEMYNCK, Kris MINNE, Gilbert BAETENS, Isa SUETENS- CALDERS en Dorine VAN DE SANDE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. LEMMENS die, loco advocaat M. SCHOUPS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Ph. VAN WESEMAEL die, loco advocaat C. SERVAIS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-36.748-2/14 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat zaden en granen behandelt en verpakt. 1.2. Volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen ligt het bedrijf deels in een woongebied en deels in een woonuitbreidingsgebied. 1.3. Op het ogenblik dat zij de milieuvergunningsaanvraag indiende die aanleiding gaf tot de thans bestreden beslissing, beschikte de verzoekende partij ingevolge een ministerieel besluit van 10 mei 1996 over een vergunning voor "de opslag van 1.000 ton granen en zaden voor een termijn van 20 jaar, vanaf 24/01/1991". Hetzelfde ministerieel besluit weigerde evenwel de vergunning voor "mengmotoren, elevators, zeefmachines en dergelijke met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 10,24 kW". 1.4. Op 21 november 2005 dient de verzoekende partij een milieuvergunningsaanvraag in om haar inrichting verder te exploiteren en uit te breiden. 1.5. Op 3 april 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout de gevraagde vergunning, voor een termijn die eindigt op 24 november 2011 "samenvallend met de einddatum van de vergunning afgeleverd door de Gemeenschapsminister dd. 10.05.1996". 1.6. Tegen dit vergunningsbesluit worden bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen diverse administratieve beroepen ingesteld door derden-belanghebbenden. 1.7. Na het inwinnen van de nodige adviezen, wordt op 24 augustus 2006 het thans bestreden besluit genomen. Het beroep wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de milieuvergunning wordt geweigerd. VII-36.748-3/14 2. De ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij niet van een wettig en geoorloofd belang doet blijken. Zij wijst er op dat de verzoekende partij haar belang zelf kadert in het verplicht stopzetten van haar activiteiten, maar zij beschikt nog steeds over een milieuvergunning voor het opslaan van zaden ingevolge het ministerieel besluit van 10 mei 1996. Dat besluit laat haar niet toe zaden te mengen, zodat zij die activiteit onwettig heeft uitgeoefend en de dreigende sluiting van de inrichting dan ook voortvloeit uit het eigengereid handelen van de verzoekende partij zelf. Voorts beschikt de verzoekende partij ook niet over de vereiste stedenbouwkundige vergunningen, en kan zij haar toestand op dat vlak niet regulariseren omdat de inrichting gedeeltelijk in een woonuitbreidingsgebied ligt. De milieuvergunningsaanvraag strekt er dan ook toe om te mogen uitbaten in niet vergunde en niet te vergunnen constructies, hetgeen geen wettig belang is. 2.2. Ook de tussenkomende partijen werpen op dat de verzoekende partij niet van een wettig en geoorloofd belang doet blijken. Hun exceptie stemt inhoudelijk overeen met deze, opgeworpen door de verwerende partij. 2.3. De verzoekende partij heeft er uiteraard belang bij de beslissing waarbij haar vergunningsaanvraag voor de uitbreiding van haar activiteiten niet wordt ingewilligd, vernietigd te zien. Dat zij tot nog toe over geen vergunning beschikte voor het mengen van granen en zaden en toch die activiteit zou hebben uitgeoefend, ontneemt haar dat belang niet, aangezien het haar niet onmogelijk mag worden gemaakt om haar activiteit te conformeren aan de regelgeving. De verwijzing naar de gebrekkige stedenbouwkundige situatie van de verzoekende partij ontneemt haar evenmin dat belang, aangezien het niet absoluut uitgesloten is dat zij zich voor de beoogde activiteiten nog stedenbouwkundig in regel kan stellen. Waar in de exceptie wordt verwezen naar een onwettig belang omdat het bedrijf wil uitbreiden in een woonuitbreidingsgebied, hangt zij samen met de grond van de zaak, aangezien de verzoekende partij zich op het standpunt plaatst dat haar inrichting vanuit stedenbouwkundig oogpunt wel degelijk vergunbaar is. De excepties zijn niet gegrond. VII-36.748-4/14 3. De gegrondheid 3.1.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 23, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I). Zij stelt dat de verwerende partij geen rekening mocht houden met het laattijdig ongunstig advies van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM), nu dit advies, omwille van de laattijdigheid ervan, als stilzwijgend gunstig had moeten worden beschouwd. 3.1.2. De verwerende partij betoogt dat de vergunningverlenende overheid rekening mag houden met de feitelijk juiste en in redelijkheid aanvaardbare gegevens uit laattijdige adviezen en dat het zelfs getuigt van behoorlijk bestuur om rekening te houden met gegevens uit laattijdige adviezen. Te dezen zijn de gegevens uit het advies van AROHM feitelijk juist en in redelijkheid aanvaardbaar aangezien de inrichting wel degelijk is gelegen in een woonuitbreidingsgebied. 3.1.3. De tussenkomende partijen voeren, in essentie, een gelijkluidend betoog als de verwerende partij, waarbij zij ook nog verwijzen naar het arrest van de Raad van State nr. 116.559 van 27 februari 2003. 3.1.4. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij nog dat in de door de verwerende en de tussenkomende partijen aangehaalde arresten door de overheid niet louter werd gesteund op laattijdige maar ook op tijdige adviezen. De feiten in die zaken verschilden substantieel van deze in de voorliggende zaak. 3.1.5. Artikel 23, § 2, van Vlarem I heeft betrekking op de procedure bij de Provinciale Milieuvergunningscommissie en luidt als volgt : "De in artikel 20 vermelde adviesverlenende overheidsorganen verlenen hun advies over het in § 1 bedoelde dossier en maken dit binnen de gestelde termijn na ontvangst van het dossier over aan de provinciale milieuvergunningscommissie. De secretaris van deze commissie stuurt een afschrift van de ingezonden adviezen onmiddellijk door aan de diverse leden van de commissie. Bij gebrek aan advies binnen de gestelde termijn wordt aangenomen dat bedoeld(
- e)adviesverlenend(
- e)overheidsorgaan(
- en)een gunstige beoordeling over de door haar te onderzoeken aspecten met betrekking tot de ingedeelde inrichting heeft (hebben) uitgebracht". VII-36.748-5/14 3.1.6. Die bepaling verplicht de Provinciale Milieuvergunnings- commissie en de vergunningverlenende overheid niet om een advies, dat wegens het overschrijden van de termijn geacht wordt gunstig te zijn, te volgen. Zij verhindert ook niet dat de geraadpleegde overheid na het verstrijken van de haar toegemeten termijn nog een advies formuleert en dat, wanneer dit het besluitvormingsproces niet vertraagt, het bestuur dat advies in zijn beoordeling betrekt. 3.1.7. In ieder geval heeft de vergunningverlenende overheid de verplichting om de overeenstemming van de inrichting met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften te onderzoeken en moet zij, in geval van planologische onverenigbaarheid, de milieuvergunning weigeren. Een vermoed gunstig advies vertoont te dien aanzien geen enkele relevantie. Het middel is niet gegrond. 3.2.1. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 30, § 1, 4/, van Vlarem I. Zij verwijt de verwerende partij niet te motiveren waarom het laattijdig ongunstig advies van AROHM wordt gevolgd, en geen rekening te houden met het laattijdig gunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen. 3.2.2. Zowel de verwerende als de tussenkomende partijen repliceren dat artikel 30, § 1, 4/, van Vlarem I niet van toepassing is op de voorliggende beslissing en dat het bestreden besluit voldoet aan het bepaalde in artikel 50, 3/, b), van Vlarem I. 3.2.3. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij nog dat een orgaan van het actief bestuur niet het recht heeft om zich selectief op één advies te steunen en de andere adviezen te negeren. 3.2.4. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat artikel 30, § 1, 4/ en 5/, van Vlarem I betrekking heeft op de motivering van een beslissing waarbij in eerste aanleg over een vergunningsaanvraag wordt beslist terwijl de adviesverlening en de motivering van de beslissingen die de deputatie in graad van beroep neemt worden geregeld in artikel 50, 2/ en 3/, van Vlarem I. De verzoekende partij geeft aan haar middel een verkeerde juridische grondslag. VII-36.748-6/14 3.2.5. De verwerende partij heeft in het bestreden besluit uiteengezet waarom de exploitatie niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften. Zij heeft daarvoor een eigen motivering uitgewerkt en ook verwezen naar het formeel advies van AROHM, dat weliswaar laattijdig was, maar dat zij -zoals uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel- niet hoefde te negeren. Aangezien de gemaakte vaststellingen de verwerende partij tot het besluit brachten dat de milieuvergunning om stedenbouwkundige redenen moest worden geweigerd, moest zij geen standpunt meer innemen ten overstaan van het formeel gunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen -dat advies heeft immers enkel betrekking op de milieu- technische en -hygiënische aspecten van de zaak, los van de stedenbouwkundige- en kan haar thans niet worden verweten dat zij nu eens wel rekening heeft gehouden met een laattijdig advies -van AROHM- en dan weer niet -het advies van de afdeling Milieuvergunningen. Het middel is niet gegrond. 3.3.1. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van de formele en de materiële motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De argumentatie komt, samengevat, neer op wat volgt: - het bestreden besluit neemt het laattijdig ongunstig advies van AROHM over; de argumentatie opgenomen in dat advies is evenwel niet correct want er wordt gesteld dat de aangevraagde vergunning een grootschalige uitbreiding van het bedrijf in een woonuitbreidingsgebied impliceert, terwijl enkel het perceel 343/a3 in het woonuitbreidingsgebied is gelegen, er op dat perceel enkel containers worden geplaatst voor de opslag van graan en zaad overeenkomstig de vergunning verleend bij ministerieel besluit van 10 mei 1996 en de activiteiten waarvoor de gemeente in eerste aanleg een milieuvergunning heeft verleend, gebeuren op de percelen 343/z2, 343/y2 en 343/t2, die alle in woongebied gelegen zijn; de verwerende partij stelt in navolging van dat advies dan ook ten onrechte dat het woonuitbreidingsgebied op onaanvaardbare wijze wordt aangesneden; - de verwerende partij houdt geen rekening met het gunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen, dat haar toch toeliet het advies van AROHM in een ander perspectief te plaatsen; zij had moeten uiteenzetten waarom dat advies niet kon worden gevolgd en de pertinente argumenten uit dat advies weerleggen. VII-36.748-7/14 3.3.2. De verwerende en de tussenkomende partijen antwoorden dat de aanvraag van de verzoekende partij wel degelijk betrekking heeft op een vestiging in het woonuitbreidingsgebied. Zij verwijzen daarvoor naar de bijlage 12 bij de vergunningsaanvraag waarin de verzoekende partij zelf aangeeft dat de machines -waarmee ontegensprekelijk de mengmachines worden bedoeld- zich bevinden op 60 meter van de straat, terwijl het woonuitbreidingsgebied begint op 50 meter van de straat. Zij wijzen voorts op de verschillende motiveringsverplichting die geldt voor jurisdictionele en administratieve overheden. Aangezien een bestuur niet moet antwoorden op elk advies dat in het dossier is opgenomen en aangezien de vergunning wegens een stedenbouwkundige onverenigbaarheid moest worden geweigerd, kan aan het bestreden besluit niet worden verweten dat er niet is ingegaan op het voor de verzoekende partij gunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen. 3.3.3. In de memorie van wederantwoord verduidelijkt de verzoekende partij nog dat haar milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een inrichting voor het behandelen van zaden, granen en peulvruchten met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 22 kW. Deze inrichting bevindt zich in een loods die werd vergund bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout van 21 oktober 1959. Het woonuitbreidingsgebied werd pas in het gewestplan van 3 oktober 1979 vastgelegd. Dat deze loods, waarin de granen en zaden worden behandeld, zich nu ten dele in het woonuitbreidingsgebied bevindt, belet niet dat zij vergund is. Daar de loods is vergund, kan het vergunnen van de inrichting die zich hierin bevindt, niet als een onaanvaardbare aansnijding van het desbetreffende woonuitbreidingsgebied worden beschouwd. 3.3.4. Blijkens het ongunstig advies van AROHM, dat als zodanig in het bestreden besluit is opgenomen en waarvan de inhoud de verwerende partij ook tot grondslag voor het bestreden besluit heeft gediend, is de aangevraagde zaadhandel grotendeels gelegen in een woonuitbreidingsgebied en zijn in dat gebied -"achter het magazijn"- constructies opgetrokken zonder stedenbouwkundige vergunning, maar is een "verdere aansnijding van het woonuitbreidingsgebied door een grootschalige niet-vergunde uitbreiding van een zaadhandel (gelet op de bestemming van een dergelijk gebied) (...) onaanvaardbaar", zodat "een verdere ingreep in het woonuitbreidingsgebied (...) geenszins aanvaard (kan) worden" en de VII-36.748-8/14 reeds gerealiseerde constructies in dat gebied niet in aanmerking komen voor een bouwvergunning. Volgens de verzoekende partij is de activiteit die in het woonuitbreidingsgebied wordt ontplooid, beperkt tot het plaatsen van containers met graan en zaad overeenkomstig een vergunning die in 1996 is verleend en gebeurt de behandeling van de granen en zaden op percelen die gelegen zijn in het woongebied en in gebouwen die stedenbouwkundig zijn vergund. Zij betwist aldus de feitelijke gegevens waarop het bestreden besluit steunt. Zij betwist niet dat de activiteit, verbonden met haar zaadhandel, waarin nu een inrichting voor het behandelen van de granen en de zaden met een drijfkracht van 22 kW centraal staat, niet verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift woonuitbreidingsgebied; zij stelt enkel dat zij in dat gebied alleen maar goederen opslaat en dat haar activiteiten zijn geconcentreerd in het woongebied en in vergunde constructies. 3.3.5. De milieuvergunningsaanvraag van de verzoekende partij heeft betrekking op de kadastrale percelen 343/a3, 343/z2, 343/y2 en 343/t en vermeldt de volgende activiteiten : "- (
- de)opslag van granen, zaden en peulvruchten (...); - (een) i(n)sta(l)latie voor het opzakken van dezen, tevens te gebruiken voor (...) ambachtelijke samenstellingen; - het stallen van : 1 kamion + 3 vorkliften; - opslag van : 2 x 200 lit(
- er)plantaardige olie (...); - opslag van : milieugevaarlijke stoffen". Uit het door de auditeur-verslaggever gevoerd onderzoek betreffende de precieze ligging van de installaties volgens het gewestplan is gebleken dat de percelen van de verzoekende partij, voor een strook van 50 meter diepte langs de Lange Kroonstraat, een woongebied vormen en dat de daarachter gelegen oppervlakte een woonuitbreidingsgebied is. Hij komt tot het besluit dat, aangezien de verzoekende partij zelf in de bijlage 12 bij haar vergunningsaanvraag aanduidt dat de machines zich 60 meter achter de straat bevinden, deze machines voor het mengen van graan en zaad dus in het woonuitbreidingsgebied zijn gelegen en dat derhalve, nu de opslag van de granen en zaden -een vergunde activiteit die in het woonuitbreidingsgebied gebeurt- en het mengen het centraal gegeven vormen van de aangevraagde inrichting, AROHM terecht heeft aangenomen dat de inrichting zich grotendeels in het woonuitbreidingsgebied bevindt. Hij vindt die conclusie bevestigd door de vaststelling dat blijkens de bijlage bij de vergunningsaanvraag alleen de parking in het woongebied zou liggen. VII-36.748-9/14 3.3.6. De verzoekende partij heeft in haar laatste memorie de conclusie van de auditeur-verslaggever niet betwist noch heeft zij feitelijke argumenten aangebracht die aan de juistheid van zijn vaststellingen kunnen doen twijfelen. Met die gegevens voor ogen kan dan ook worden besloten dat het bestreden besluit op goede gronden heeft kunnen aannemen dat de inrichting van de verzoekende partij grotendeels in woonuitbreidingsgebied is gelegen. 3.3.7. De verzoekende partij verwijst naar de vergunning die zij in 1959 heeft gekregen voor de bouw van een loods, die later, bij de invoering van het gewestplan, gedeeltelijk in het woonuitbreidingsgebied is ingedeeld. De verwijzing naar het bestaan van een bouwvergunning is evenwel te dezen niet relevant en rechtvaardigt op zich het toekennen van een milieuvergunning niet. Een hinderlijke inrichting kan immers slechts worden vergund wanneer zij, wegens de hinder die zij veroorzaakt, verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften. Dat noodzaakt een apart onderzoek van elke vestigingsaanvraag. 3.3.8. Afgaand op die gegevens dient te worden besloten dat de verwerende partij deugdelijke redenen had om te stellen dat het belangrijkste deel van de aangevraagde inrichting in een woonuitbreidingsgebied ligt en dat zij daarmee onverenigbaar is. Dat motief volstond om de milieuvergunning te weigeren, zonder dat het bestuur moest aanduiden waarom het het gunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen niet wenste te volgen. Het middel is niet gegrond. 3.4.1. In een vierde middel wordt de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aangevoerd. De verwerende partij zou geen rekening hebben gehouden met het feit dat de vergunningsplichtige activiteiten niet plaatsvinden in een woonuitbreidings-, doch wel in een woongebied. 3.4.2. De verwerende en de tussenkomende partijen stellen dat de desbetreffende percelen wel degelijk zijn gelegen in een woonuitbreidingsgebied en verwijzen in dit verband naar hun verweer ten aanzien van het derde middel. VII-36.748-10/14 3.4.3. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij nog dat de loods waarin de activiteiten plaatsvinden, reeds werd vergund vóór de inwerkingtreding van het gewestplan Antwerpen, zodat er geen onaanvaardbare aansnijding van het woonuitbreidingsgebied is. 3.4.4. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt voor de overheid de verplichting in haar beslissing zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Zoals bij de bespreking van het derde middel is gesteld, heeft de verwerende partij op grond van de concrete ligging van de inrichting wel degelijk correct kunnen vaststellen dat de activiteit zou worden uitgeoefend in het woonuitbreidingsgebied. Het middel is niet gegrond. 3.5.1. In een vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat zij er, ingevolge de op 10 mei 1996 verleende vergunning voor de opslag van granen en zaden, mocht op vertrouwen ook een vergunning te zullen verkrijgen voor de installaties voor het verpakken van deze granen en zaden en voor een stalplaats voor transportmiddelen om deze te vervoeren of te verplaatsen. 3.5.2. De verwerende en de tussenkomende partijen stellen hiertegenover dat er maar een schending kan zijn van het vertrouwensbeginsel indien een rechtmatig opgewekt vertrouwen niet wordt ingelost. Zij wijzen er op dat met de vergunningsbeslissing van 10 mei 1996 reeds een gedeelte van de aanvraag van de verzoekende partij -met name het gedeelte dat betrekking had op de maalderij- werd afgewezen, omdat dit tot onaanvaardbare hinder zou leiden. Volgens hen wist de verzoekende partij dat het door haar gevraagde onvergunbaar is. 3.5.3. Het vertrouwensbeginsel houdt voor de overheid de verplichting in om rechtmatig gewekte verwachtingen in de mate van het mogelijke te honoreren. Zoals de verwerende en de tussenkomende partijen terecht betogen, werd met een ministerieel besluit van 10 mei 1996 aan de verzoekende partij wel een vergunning verleend voor de opslag van 1.000 ton granen en zaden, VII-36.748-11/14 doch werd tegelijkertijd de vergunning geweigerd voor "mengmotoren, elevators, zeefmachines en dergelijke met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 10,24 kW" omdat er onaanvaardbare hinder zou zijn voor de bewoners van de omliggende huizen. Gelet op deze eerdere weigering kon er bij de verzoekende partij geen enkele verwachting ontstaan dat de vergunning haar nu wel zou worden toegestaan, temeer daar de huidige vergunningsaanvraag betrekking heeft op machines met een drijfkracht die meer dan het dubbele bedraagt (22 kW). Het middel is niet gegrond. 3.6.1. In een zesde middel wordt de schending aangevoerd van het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij verwijst in een eerste onderdeel opnieuw naar de op 21 oktober 1959 afgeleverde stedenbouwkundige vergunning voor de loods en naar het pas op 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen en besluit dat de verwerende partij "de mogelijkheden inzake het toekennen van een milieuvergunning in woongebied (had) moeten onderzoeken", nu haar inrichting met deze bestemming verenigbaar is. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij met toepassing van de regeling inzake de zonevreemde bedrijven had kunnen afwijken van de bepalingen van het gewestplan. Bovendien bestond er een mogelijkheid om een vijfjarige vergunning af te leveren met verplichting tot herlokalisatie. 3.6.2. De verwerende en de tussenkomende partijen antwoorden dat de aanvraag betrekking heeft op percelen die zijn gelegen in een woon- uitbreidingsgebied, "zeker wat de machines betreft". Voorts stelt de verwerende partij dat de goede ruimtelijke ordening zou worden geschaad door af te wijken van het gewestplan. Bovendien werd een herlokalisatie en een beperkte vergunningsduur niet aangevraagd door de verzoekende partij. De herlokalisatiemogelijkheid bestaat overigens enkel voor een vergund bedrijf, terwijl de verzoekende partij op onregelmatige wijze haar inrichting verder is blijven exploiteren. Dergelijk onrechtmatig handelen komt niet in aanmerking voor een herlokalisatievergunning. Vermits de verzoekende partij overigens zelf aangeeft niet te kunnen verhuizen, valt volgens de verwerende partij niet in te zien welk belang zij heeft bij dit onderdeel van het middel. VII-36.748-12/14 3.6.3. Uit de bespreking van het derde middel blijkt dat essentiële onderdelen van de inrichting liggen in een woonuitbreidingsgebied, en niet in een woongebied. Daar is ook aangestipt dat de stedenbouwkundige vergunning voor de gebouwen in de woonzone en in het woonuitbreidingsgebied niet volstaan voor het toekennen van de milieuvergunning. 3.6.4. De verzoekende partij geeft voorts zelf aan dat overheden over de mogelijkheid beschikken om toepassing te maken van de regeling inzake de zonevreemde bedrijven, doch zulks betreft geenszins een verplichting. Het bestuur is dan ook niet verplicht systematisch een afwijking te overwegen. Het blijkt ook niet dat de verzoekende partij om de toepassing van de regeling inzake zonevreemde bedrijven heeft gevraagd, noch dat zij om een herlokalisatievergunning heeft verzocht. Bovendien stelt de verwerende partij terecht dat het verlenen van een vergunning op grond van de regeling inzake zonevreemde bedrijven, opgenomen in het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, afhankelijk is van de voorwaarde dat de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op gebouwen, constructies of installaties die vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening hoofdzakelijk zijn vergund of geacht worden te zijn vergund. Aangezien in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt overwogen dat het bedrijf van de verzoekende partij vanuit stedenbouwkundig oogpunt slechts zeer beperkt is vergund en de verzoekende partij zulks niet weerlegt, kan de regeling inzake zonevreemde bedrijven te dezen niet worden toegepast. Het middel is niet gegrond. 3.7.1. In een zevende middel wordt de schending van het gelijkheidsbeginsel aangevoerd doordat serres die eveneens in een woon- en een woonuitbreidingsgebied zijn gelegen wél werden vergund. 3.7.2. De verwerende en de tussenkomende partijen stellen hieromtrent dat de verzoekende partij haar beweringen niet staaft met concrete elementen zodat niet kan worden nagegaan of er sprake is van vergelijkbare situaties. VII-36.748-13/14 3.7.3. De verzoekende partij brengt geen concrete gegevens bij die een beoordeling van de vergelijkbaarheid van de situaties mogelijk moeten maken. Zij toont bovendien ook niet aan dat de situatie, waarmee zij haar inrichting vergelijkt, steunt op een regelmatig verleende vergunning. Het middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 625 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor een vijfde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-36.748-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.598 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div