id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.638 Rolnummer: A. 74029/X-7346 Zaak: Arrest 192638 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.638 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.638 van 23 april 2009 in de zaak A. 74.029/X-
- In zake : Cecile BYTEBIER, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Cecile BYTEBIER op 17 april 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 februari 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van haar beroep tegen het besluit van 30 mei 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij haar de vergunning werd geweigerd voor de oprichting van een vrijstaande woning aan de Brakelleie te Sint-Martens-Latem, kadastraal bekend sectie A, nr. 9/h; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 februari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 13 maart 2009; X-7346-1/13 Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaten Y. SACREAS en M. PLATTEAU, die loco advocaten J. GHYSELS en D. MARTENS verschijnen voor de verzoekster, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 7 augustus 1995 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekster aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem de vergunning voor het voor het oprichten van een vrijstaande ééngezinswoning op een perceel aan de Brakellei te Sint-Martens-Latem, kadastraal gekend sectie A, nr. 9/h. Het voornoemd perceel is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in een natuurgebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
- Op 29 januari 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem de vergunning. 1.
- Op 30 mei 1996 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het administratief beroep van de verzoekster tegen voormelde weigeringsbeslissing. 1.
- In het bestreden besluit wordt het administratief beroep van de verzoekster tegen het voormeld besluit van de deputatie verworpen. De vergunning wordt geweigerd wegens de strijdigheid met de bestemming natuurgebied van het gewestplan. X-7346-2/13
- Het eerste en het tweede middel 2.
- Het aangevoerde eerste en tweede middel Het eerste en het tweede middel steunen op de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, de artikelen 10 en 13bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw (hierna: de stedenbouwwet) en artikel 190 van de Grondwet. In het verzoekschrift worden deze middelen als volgt toegelicht: “Eerste middel (...) Doordat, de minister met de bestreden beslissing de bouwvergunning weigert op het enkele motief van de bestemming tot natuurgebied in het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij K.B. van 14 september 1977, hoewel dit gewestplan niet op wettige wijze werd bekendgemaakt en derhalve niet-verbindend is, nu de bekendmaking van het gewestplan Gentse en Kanaalzone in het Belgisch Staatsblad van 8 oktober 1977 slechts bij loutere vermelding is gebeurd in plaats van in zijn integraliteit, Terwijl een koninklijk besluit slechts verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald en een gewestplan gelet op het feit dat het de algemeenheid van de burgers raakt en gelet op het huidige artikel l3bis van de Stedenbouwwet (nu artikel 11 van het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 4 maart 1997), integraal moet gepubliceerd worden in het Belgisch Staatsblad, Zodat de bestreden beslissing, door als enig motief voor de weigering van de bouwvergunning de gewestplanbestemming voorop te stellen, de vereiste feitelijke en juridische grondslag mist, nu het gewestplan Gentse en Kanaalzone op onwettige wijze bekendgemaakt is, bij toepassing van artikel 190 van de grondwet niet verbindend is en niet als juridische grondslag voor het bestreden besluit kan dienen, Tweede middel, - ondergeschikt en in zoverre de Raad van oordeel zou zijn dat niet artikel 13bis, maar wel artikel 10 van de Stedebouwwet (nu respectievelijk artikel 10 en 8 van het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 4 maart 1997) de bekendmakingsvereisten van de bestaande gewestplannen zou beheersen - (...), Doordat, de minister met de bestreden beslissing de bouwvergunning weigert op het enkele motief van de bestemming tot natuurgebied in het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij K.B. van 14 september 1977, hoewel dit gewestplan niet op wettige wijze werd bekendgemaakt en derhalve niet-verbindend is, nu de bekendmaking van het gewestplan Gentse en Kanaalzone in het Belgisch Staatsblad van 8 oktober 1977 slechts bij loutere vermelding is gebeurd in plaats van bij uittreksel, Terwijl een koninklijk besluit slechts verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald en een gewestplan gelet op het feit dat het de algemeenheid van de burgers raakt en gelet op het toenmalige artikel 10 van de Stedenbouwwet (nu artikel 8 van het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 4 maart 1997), bij uitzondering bij uittreksel kon worden gepubliceerd (...) in het Belgisch Staatsblad, Zodat de bestreden beslissing, door als enig motief voor de weigering van de bouwvergunning de gewestplanbestemming voorop te stellen, de vereiste feitelijke en juridische grondslag mist, nu het gewestplan Gentse en Kanaalzone op onwettige wijze bekendgemaakt is, bij toepassing van artikel 190 van de X-7346-3/13 grondwet niet verbindend is en niet als juridische grondslag voor het bestreden besluit kan dienen, Toelichting bij het eerste en tweede middel In het arrest nr. 20/96 van 21 maart 1996 (B.S., 3 mei 1996) heeft het Arbitragehof geoordeeld dat artikel 75, §3 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, ingevoegd bij Decreet van 22 december 1993 (niet in het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 4 maart 1997 opgenomen), van onmiddellijke werking is wat betreft de bekendmakingsvereisten van reeds geldende besluiten houdende vaststelling van gewestplannen. Derhalve zou artikel 13bis van de Stedenbouwwet (nu artikel 10 van het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 4 maart 997) de bestaande regeling van artikel 10 van de Stedenbouwwet voor de bekendmaking van de gewestplannen vervangen vanaf de inwerkingtreding van het voornoemde Decreet van 22 december 1993”. 2.
- Beoordeling van het eerste en het tweede middel 2.2.
- Naar luid van artikel 190 van de Grondwet is geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur verbindend dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald. 2.2.
- Het dispositief van het koninklijk besluit van 14 september 1977 tot vaststelling van het gewestplan “Gentse en Kanaalzone” luidt als volgt : “Art. 1 Het hierbijgevoegd plan met de daarbij behorende aanvullende stedebouwkundige voorschriften vormt het gewestplan Gentse en Kanaalzone. Het plan bestaat uit 57 ortofotoplannen die de bestaande toestand aanduiden, uit 20 kaarten die de juridische toestand weergeven en uit 20 kaarten die de bestemmingsgebieden omschrijven. Art.
- Onze staatssecretaris voor Streekeconomie is belast met de uitvoering van dit besluit”. Ten tijde van het nemen van het koninklijk besluit van 14 september 1977 eisten de artikelen 10 en 13 van de stedenbouwwet de publicatie “bij uittreksel” van een besluit tot vaststelling van een gewestplan in het Belgisch Staatsblad. In het Belgisch Staatsblad van 8 oktober 1977 werd volgende tekst gepubliceerd: “Bij koninklijk besluit van 14 september 1977 is het gewestplan ‘Het Gentse en Kanaalzone’ vastgesteld. Dit gewestplan wordt gevormd door een plan met daarbij behorende aanvullende stedebouwkundige voorschriften. Dit plan bestaat uit zevenenvijftig orthofotoplannen die de bestaande feitelijke toestand, (...) twintig kaarten die de bestaande rechtstoestand en twintig kaarten die de bestemmingsgebieden aangeven. De Staatssecretaris voor Streekeconomie is belast met de uitvoering van dit besluit”. X-7346-4/13 De in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde tekst stemt inhoudelijk volledig overeen met het dispositief van het koninklijk besluit van 14 september
- Dergelijke publicatie voldoet a fortiori aan de minder strenge vereiste van publicatie “bij uittreksel”, aangezien met publicatie bij uittreksel bedoeld wordt een publicatie bij wijze van samenvatting. 2.2.
- Het in het middel ingeroepen artikel 13bis, eerste lid, van de stedenbouwwet dat werd ingevoegd bij decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, luidt als volgt: “De definitieve vaststelling van het plan door de Vlaamse Regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt waarin teven het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt opgenomen”. Uit de geciteerde bepaling kan niet de conclusie worden getrokken dat de vóór 1 januari 1994 definitief vastgestelde gewestplannen, die conform de toentertijd geldende bepalingen werden gepubliceerd, opnieuw in het Belgisch Staatsblad moeten worden gepubliceerd. Noch het eerste middel, noch het tweede middel is gegrond.
- Het derde middel 3.
- Het aangevoerde derde middel Het derde middel steunt op de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, de artikelen 12 en 13 van de stedenbouwwet en artikel 159 van de Grondwet. In het verzoekschrift wordt dit middel als volgt toegelicht: “En doordat de minister met de bestreden beslissing de bouwvergunning weigert op het enkele motief van de bestemming tot natuurgebied in het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij K.B. van 14 september 1977, hoewel dit gewestplan op onwettige wijze tot stand gekomen is, nu de kaarten met de bestaande feitelijke en juridische toestand geen volledige melding maken van de aanpalende bestaande verkaveling van 19 november 1961 en geen melding maken van de aanpalende verkaveling van 12 augustus 1955, en het openbaar onderzoek, de raadplegingen, de beoordeling en de vaststelling van de verschillende bestemmingsgebieden derhalve gebeurd zijn zonder de vereiste kennis van de juridische en de feitelijke toestand, Terwijl artikel 12 van de stedenbouwwet (huidig artikel 10 van het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 4 maart 1997) bepaalt dat het gewestplan de aanduiding van de bestaande toestand moet bevatten, en artikel l3 van de Stedenbouwwet (huidig artikel 11 van het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 4 maart 1997) een openbaar onderzoek, een X-7346-5/13 raadpleging van verschillende overheidsinstanties en een beoordeling van de bestaande en toekomstige toestand voorschrijven, en het weigeringsmotief de genomen beslissing moet kunnen dragen, Zodat de bestreden beslissing, door als enig motief voor de weigering van de bouwvergunning de gewestplanbestemming voorop te stellen, niet steunt op een motief dat haar kan dragen en aldus de vereiste feitelijke en juridische grondslag mist, nu de gewestplanbestemming op onwettige wijze tot stand is gekomen en bij toepassing van artikel 159 van de grondwet niet als juridische grondslag kan dienen”. 3.
- Beoordeling van het derde middel Met de “verkaveling van 19 november 1961” en de “verkaveling van 12 augustus 1955” blijkt de verzoekster verkavelingsvoorstellen te bedoelen waarmee de hoofdingenieur-directeur van het toenmalige ministerie van Openbare Werken en van Wederopbouw respectievelijk op 18 oktober 1961 en 21 september 1955 zou hebben ingestemd. Een “verkavelingsakkoord” van vóór de stedenbouwwet kan niet worden gelijkgesteld met een verkavelingsvergunning bedoeld in de decreten betreffende de ruimtelijke ordening en heeft op zichzelf geen verordenende waarde. Een “verkavelingsakkoord” bepaalt niet de rechtstoestand uit planologisch of stedenbouwkundig oogpunt in het door het gewestplan beheerste gebied, zodat het niet moest worden vermeld op de plannen met aanduiding van de bestaande juridische toestand. Het derde middel is niet gegrond.
- Het vierde middel 4.
- Het aangevoerde vierde middel Het vierde middel steunt op de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, de artikelen 12 en 13 van de stedenbouwwet en artikel 159 van de Grondwet. In het verzoekschrift wordt dit middel als volgt toegelicht: “Doordat de minister met de bestreden beslissing de bouwvergunning weigert op het enkele motief van de bestemming tot natuurgebied in het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij K.B. van 14 september 1977, hoewel dit gewestplan op onwettige wijze tot stand gekomen is, nu de gemeente in het kader van de raadplegingen over het ontwerpgewestplan, geadviseerd heeft een (woon)uitbreidingsmogelijkheid te voorzien voor het gehucht Baarle-Frankrijk en bouwkavels toe te staan langsheen de Brakelmeersstraat en de Regionale Commissie van Advies hierop slechts geantwoord heeft ‘ongunstig, gelegen in het waardevolle Leielandschap. Tevens drassige X-7346-6/13 terreinen’ en de gewestplanbestemming derhalve niet voldoende gemotiveerd werd, En doordat in casu de grond van verzoekende partij helemaal niet drassig is, gelet op de geïsoleerde ligging tussen huizen geen deel uitmaakt van het landschap en omsloten is door bebouwing en door niet vervallen verkavelingen en het advies van de Regionale Commissie derhalve niet overeenstemt met de bestaande feitelijke en juridische toestand en niet afdoende antwoordt op het voorstel van de gemeenteraad, Terwijl artikel l3 van de Stedenbouwwet (huidig artikel 11 van het Coördinatiedecreet Ruimtelijke Ordening van 4 maart 1997) de raadpleging van de Regionale Commissie van Advies voorschrijft als cruciale fase in de totstandkoming van het gewestplan, en de Regionale Commissie bij de beoordeling van de bestemmingsvoorschriften dient uit te gaan van de juiste bestaande feitelijke en juridische toestand (artikel 12 Stedenbouwwet - artikel 10 Coördinatiedecreet) en dient te antwoorden op de opmerkingen van particulieren en besturen, op straffe van niet-motivering van de gewestplanbestemming en onwettigheid van het gewestplan, Zodat de bestreden beslissing, door als enig motief voor de weigering van de bouwvergunning de gewestplanbestemming voorop te stellen, de vereiste feitelijke en juridische grondslag mist, nu de gewestplanbestemming op onwettige wijze tot stand is gekomen en bij toepassing van artikel 159 van de grondwet niet als juridische grondslag kan dienen, Toelichting De betrokken eigendom is niet opgenomen in het rangschikkingsbesluit van het landschap ‘De Leiemeersen’ (Besl. Vl.Reg., 25 januari 1995)”. 4.
- Beoordeling van het vierde middel Uit het feit dat het perceel van de verzoekster niet is opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 25 januari 1995 tot rangschikking van het landschap “De Leiemeersen” volgt niet dat de regionale commissie zich in haar advies van 8 november 1976 -dit is bijna twintig jaar eerder- gesteund zou hebben op een onjuist gegeven door te overwegen dat de uitbreidingsmogelijkheid voor het gehucht Baarle-Frankrijk gelegen is in het waardevolle Leielandschap. Uit de bewering in het op 17 april 1997 neergelegde verzoekschrift dat het terrein van verzoekster niet drassig is, volgt evenmin dat de regionale commissie zich in haar advies van 8 november 1976 -dit is meer dan twintig jaar eerder- gesteund zou hebben op een onjuist gegeven door te overwegen dat de voornoemde uitbreidingsmogelijkheid “eerder drassige terreinen betreft”. Het vierde middel is niet gegrond.
- Het vijfde middel 5.
- Het aangevoerde vijfde middel X-7346-7/13 Het vijfde middel steunt op de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, artikel 9 juncto 13 van de stedenbouwwet en artikel 159 van de Grondwet. In het verzoekschrift wordt dit middel als volgt toegelicht: “Doordat de minister met de bestreden beslissing de bouwvergunning weigert op het enkele motief van de bestemming tot natuurgebied in het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij K.B. van 14 september 1977, hoewel dit gewestplan op onwettige wijze is vastgesteld, nu het gewestplan, volgens de tekst van het besluit van 14 september 1977 genomen werd ‘op de voordracht van Onze Staatssecretaris voor Streekeconomie en op het advies van het Ministerieel Comité voor Vlaamse Aangelegenheden’ en dus niet na beraadslaging in Ministerraad, Terwijl volgens het toenmalige artikel 9, juncto l3 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 het gewestplan vastgesteld wordt door de Koning ‘nadat de Ministerraad erover beraadslaagd heeft’, Zodat de bestreden beslissing, door als enig motief voor de weigering van de bouwvergunning de gewestplanbestemming voorop te stellen, de vereiste feitelijke en juridische grondslag mist, nu de gewestplanbestemming op onwettige wijze is vastgesteld en bij toepassing van artikel 159 van de grondwet niet als juridische grondslag kan dienen”. 5.
- Beoordeling van het vijfde middel De verzoekster gaat eraan voorbij dat artikel 13 van de stedenbouwwet op het ogenblik van het nemen van het koninklijk besluit van 14 september 1977 tot vaststelling van het gewestplan “Gentse en Kanaalzone” als volgt luidde: “Alle bepalingen van de artikelen 10 en 11, behalve de bepaling betreffende het advies van de Ministerraad, zijn toepasselijk op het gewestplan”. Het vijfde middel is niet gegrond.
- Het zesde middel 6.
- Het aangevoerde zesde middel 6.1.
- Het zesde middel steunt op de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, de artikelen 2, 9 en 13 van de stedenbouwwet, het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de staatssecretarissen en de artikelen 88, 108 en 159 van de Grondwet. In het verzoekschrift wordt dit middel als volgt toegelicht: X-7346-8/13 “Doordat de minister met de bestreden beslissing de bouwvergunning weigert op het enkele motief van de bestemming tot natuurgebied in het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij K.B. van 14 september 1977, hoewel dit gewestplan op onwettige wijze is vastgesteld, nu de grafische voorschriften van het gewestplan enkel werden ondertekend door de toenmalige Staatssecretaris Mark Eyskens, en de geschreven voorschriften enkel door de staatssecretaris werden tegengetekend, zonder dat de minister waaraan de staatssecretaris toegevoegd heeft getekend, Terwijl het gewestplan wordt vastgesteld door de Koning, nu de Vlaamse regering, en alle voorschriften van het gewestplan dezelfde bindende kracht hebben, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet en zij ook alle op dezelfde wijze moeten worden vastgesteld, dat volgens de artikelen 88 en 108 van de gecoördineerde grondwet de Koning de koninklijke besluiten dient te ondertekenen, onder verantwoordelijkheid van een minister, en luidens het K.B. van 24 maart 1972 een staatssecretaris een reglementair koninklijk besluit niet kan tegentekenen zonder mede-ondertekening van de minister aan wie hij toegevoegd is, Zodat de bestreden beslissing, door als enig motief voor de weigering van de bouwvergunning de gewestplanbestemming voorop te stellen, de vereiste feitelijke en juridische grondslag mist, nu de gewestplanbestemming op onwettige wijze is vastgesteld en bij toepassing van artikel 159 van de grondwet niet als juridische grondslag kan dienen. Toelichting (...)”. 6.1.
- In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekster er op dat de handtekening van de Koning ontbreekt op de bij het gewestplan “Gentse en Kanaalzone” horende kaartbladen. 6.1.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekster dat het koninklijk besluit van 11 december 1975 tot bevoegdheidstoewijzing aan staatssecretaris Luc DHOORE -waarin wordt afgeweken van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de staatssecretarissen- onwettig is omdat “bij individueel besluit niet kan worden afgeweken van een reglementair besluit”; dat het koninklijk besluit van 16 oktober 1976 tot bevoegdheidstoewijzing aan staatssecretaris Mark EYSKENS behept is met hetzelfde gebrek en dat ook het koninklijk besluit van 22 juni 1977 houdende bepaling van de bevoegdheden van de staatssecretarissen met gewestelijke bevoegdheid en het koninklijk besluit van 29 juni 1977 houdende uitbreiding van de bevoegdheden van de Staatssecretaris voor Vlaamse Streekeconomie onwettig zijn omdat ze ten onrechte niet werden onderworpen aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State aangezien de dringende noodzakelijkheid waarop het bestuur zich beriep steunde op een vroegere onzorgvuldigheid in hoofde van het bestuur. X-7346-9/13 6.
- Beoordeling van het zesde middel 6.2.
- Krachtens artikel 104, derde lid van de Grondwet bepaalt de Koning de bevoegdheid van de federale staatssecretarissen en de perken waarbinnen zij het recht van medeondertekening kunnen krijgen. De artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de staatssecretarissen luiden als volgt: “Artikel
- Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 2, 3, 4, heeft de Staatssecretaris, in de aangelegenheden die hem zijn toegewezen, alle bevoegdheden van een Minister. Art.
- Benevens de medeondertekening van de Staatssecretaris is die van de Minister waaraan hij is toegevoegd vereist voor : 1/ koninklijke besluiten waarbij een ontwerp van wet bij de Wetgevende Kamers of een ontwerp van decreet bij de Cultuurraad wordt ingediend; 2/ de bekrachtiging en afkondiging van wetten en van decreten; 3/ reglementaire koninklijke besluiten; 4/ koninklijke besluiten houdende oprichting van een betrekking van de rangen 15 tot 17 in een ministerie of van dezelfde belangrijkheid in een instelling van openbaar nut, of houdende benoeming in een zodanige betrekking”. Artikel 3 van hetzelfde besluit bepaalt dat de verordenende bevoegdheid door de staatssecretaris niet wordt uitgeoefend dan met instemming van de minister aan wie hij is toegevoegd. Luidens het koninklijk besluit van 2 augustus 1972 was de handtekening van de minister waaraan de staatssecretaris was toegevoegd niet verplicht voor het vaststellen van streek- en gewestplannen. Dat besluit, dat uitwerking had met ingang van 28 maart 1972, is later opgeheven bij koninklijk besluit van 17 december
- Bij koninklijk besluit van 11 december 1975 wordt de heer L. DHOORE, staatssecretaris voor streekeconomie en voor ruimtelijke ordening en huisvesting, toegevoegd aan de minister van Vlaamse aangelegenheden, met ingang van 11 april 1975, belast met de uitoefening, in het Vlaamse Gewest, van de bij het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de staatssecretarissen bepaalde machten inzake de materies opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 april 1975 tot afbakening, binnen het raam van de bevoegdheden van het ministerie van openbare werken, van de aangelegenheden waarin een verschillend regionaal beleid, geheel of gedeeltelijk, verantwoord is. In “afwijking van de artikelen 2, 3/, en 3, van voormeld koninklijk besluit van 24 maart 1972”: - medeondertekent hij alleen de reglementaire koninklijke besluiten in verband met de streek- en gewestplannen en met de gemeentelijke plannen van aanleg; X-7346-10/13 - ondertekent hij alleen de reglementaire ministeriële besluiten betreffende de ontwerpen van gewestplannen. Bij koninklijk besluit van 16 oktober 1976 wordt de heer Mark EYSKENS benoemd tot staatssecretaris voor streekeconomie en voor ruimtelijke ordening en huisvesting en wordt hij, met onmiddellijke ingang, belast met “de bevoegdheden die aan de heer L. DHOORE werden toevertrouwd bij het koninklijk besluit van 11 december 1975 met als opschrift ‘Staatssecretaris-Bevoegdheden’, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 januari 1976”. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 1977 houdende bepaling van de bevoegdheden van de staatssecretarissen met gewestelijke bevoegdheid bepaalt : “In ieder van de drie gewesten, is de Staatssecretaris voor Streekeconomie belast met de uitoefening, onder het gezag van de Minister aan wie hij is toegevoegd en volgens de modaliteiten bepaald bij het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de Staatssecretarissen, van de bevoegdheden inzake de hierna vermelde materies die geregionaliseerd werden door de wet van 1 augustus 1974 tot oprichting van de gewestelijke instellingen, in voorbereiding van de toepassing van artikel 107quater van de Grondwet, alsmede door haar voormelde uitvoeringsbesluiten : - beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw met inbegrip van het grondbeleid, de stadsvernieuwing en de gezondmaking van verlaten industriële oorden; - (...)”. Voormeld besluit had uitwerking vanaf 3 juni 1977 (artikel 3 van het besluit van 22 juni 1977). In artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 juni 1977 houdende uitbreiding van de bevoegdheden van de Staatssecretaris voor Vlaamse Streekeconomie is ten slotte het volgende bepaald: “Bij afwijking van de artikelen 2, 3/, en 3 van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de Staatssecretarissen, mag de Staatssecretaris voor Streekeconomie, toegevoegd aan de Minister van Vlaamse Aangelegenheden, - de reglementaire koninklijke besluiten in verband met de streek- en gewestplannen en met de gemeentelijke plannen van aanleg alleen medeondertekenen; - de reglementaire ministeriële besluiten betreffende de ontwerpen van gewestplannen alleen ondertekenen”. Die regeling had eveneens uitwerking met ingang van 3 juni 1977 (artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 juni 1977). 6.2.
- Het valt niet in te zien waarom de Koning bij het nemen van een besluit in uitvoering van artikel 104, derde lid, van de Grondwet -zoals de X-7346-11/13 verzoekster in haar laatste memorie voorhoudt- “bij individueel besluit niet kan (afwijken) van een reglementair besluit”. Gelet op het hoger vermelde koninklijk besluit van 11 december 1975 was Mark EYSKENS reeds van bij zijn aantreden als staatssecretaris bevoegd om een koninklijk besluit houdende vaststelling van een gewestplan alleen mede te ondertekenen. Het hoger vermelde koninklijk besluit van 29 juni 1977 heeft die bevoegdheid bevestigd. In het laatstgenoemde besluit wordt overwogen dat er “gelet op de dringende noodzakelijkheid” geen voorafgaandelijk advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd ingewonnen. De door de verzoekster in haar laatste memorie aangevoerde argumentatie ter weerlegging van de ingeroepen dringende noodzakelijkheid overtuigt niet omdat niet valt in te zien over welke “vroegere onzorgvuldigheid in hoofde van het bestuur” het gaat. 6.2.
- De kaartbladen maken deel uit van het koninklijk besluit zelf houdende vaststelling van een gewestplan. Om rechtsgeldig te zijn dient niet elke bladzijde van een koninklijk besluit ondertekend te zijn door de Koning. Het volstaat dat de Koning een koninklijk besluit van één handtekening voorziet. Dienvolgens dient ook niet elk kaartblad te zijn ondertekend door de Koning. 6.2.
- Het zesde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekster. X-7346-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-7346-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.638 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div