id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.668 Rolnummer: A. 192298/XII-5794 Zaak: Arrest 192668 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 24/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:02 Fiche Arrest nr 192.668 van 24 april 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.668 van 24 april 2009 in de zaak A. 192.298/XII-
- In zake : Frederik FAINGNAERT, die woonplaats kiest bij advocaat M. D'hoore, kantoor houdende te Brugge, Dirk Martensstraat 23 tegen : de STAD HALLE, die woonplaats kiest bij advocaten D. Lindemans en F. De Preter, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Frederik Faingnaert op 21 april 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 10 april 2009 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle “waarin werd beslist om de opstelling van het marktkraam van verzoeker aanzienlijk te wijzigen vanaf zaterdag 26 april 2009”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2009, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Vermaercke, die loco advocaat M. D’hoore verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. De Preter, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; XII-5794-1/6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De bestreden beslissing
- Na de ontvangst van een “vraag plaatswijziging op de markt- zaterdag” van Dewa-Plants, beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle op 10 april 2009 om de standplaatsen op de parking achter het historisch stadhuis tijdens de zaterdagmarkt te herschikken. De 20 m langs de straatzijde, die verzoeker volledig innam, wordt opgesplitst in: 9 m voor hem, over een diepte van 7 m, wat een uitbreiding van zijn standplaats met 3 m² betekent; 9 m voor Dewa- Plants, eveneens over een diepte van 7 m, wat een vermindering van oppervlakte van 17 m² inhoudt; en 2 m die dienst doet als gang tussen beider kramen. Aan verzoeker wordt met een brief van 14 april 2009 meegedeeld dat de nieuwe opstelling vanaf zaterdag 26 (lees : 25) april 2009 ingaat. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad slechts tot een schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid besluiten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker zet met betrekking tot de eerste voorwaarde uiteen wat volgt : “
- Onderhavig verzoekschrift is uiterst dringend en noodzakelijk, aangezien het bestreden besluit in werking treedt vanaf 26 april 2009, i.e. de eerstvolgende zaterdagmarkt. De afhandeling van onderhavig geschil volgens de gewone schorsingsprocedure zou dan ook onmiskenbaar te laat komen om nog enig nuttig effect te sorteren, XII-5794-2/6 aangezien het bestreden besluit dan reeds enkele maanden in voege zal zijn en aldus sinds enkele maanden zijn volle uitwerking zal hebben.
- De verzoeker heeft pas op 16 april 2009 kennis gekregen van het schrijven van de verwerende partij, waarin hem de inhoud van het bestreden besluit ter kennis wordt gebracht (stuk 4). Hierbij dient benadrukt dat het bestreden besluit zelf echter niet toegevoegd was en onmiddellijk werd opgevraagd bij de bevoegde diensten van de verwerende partij (stuk 5a-c). Ondanks de nalatigheid van de verwerende partij, heeft de verzoeker heeft dan ook alleszins met de nodige dilligentie en spoed gehandeld, hetgeen op zich de dringende noodzakelijkheid onderstreept.
- In het feitenrelaas heeft de verzoeker reeds benadrukt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor hem een economische en financiële catastrofe betekent, die moreel ondraaglijk is gedurende een gewone schorsingsprocedure. De verzoeker - die nog maar 26 jaar is en door het overlijden van zijn vader op jonge leeftijd de zaak in handen kreeg- heeft de standplaats in Halle nog maar in februari 2009 overgenomen van Philcoby voor een bedrag van 25.000 euro (stuk 2). De verzoeker heeft deze investering gedaan enerzijds omwille van het feit dat de openbare markten voor zijn activiteit essentieel zijn en zorgen voor de grootste afzetmarkt van zijn planten en zaden, anderzijds omwille van de specifieke eigenschappen van de standplaats op de zaterdagmarkt in Halle: de standplaats stond sinds jaar en dag centraal op de markt en had een ‘uitstalraam’ van maar liefst 20 meter. Bovendien bevond de standplaats van Dewa Plants - die tevens actief is in de plantensector - zich achter de standplaats van de verzoeker, waardoor beide min of meer gescheiden stonden van elkaar.
- Het hoeft weinig betoog dat deze unieke standplaats heel belangrijk is in het kader van de verdere bedrijfsvoering van de verzoeker. Het bestreden besluit ontneemt alle economische voordelen - die geleid hebben tot de beslissing van de verzoeker om de standplaats over te nemen - waardoor de verdere volledige bedrijfsvoering van de verzoeker ernstig in het gedrang gebracht wordt en de geleverde investering in rook opgaat. Door het bestreden besluit zullen de inkomsten van de zaterdagmarkt voor de verzoeker immers aanzienlijk dalen vermits de verzoeker niet alleen volledig aan de zijkant van de markt komt te staan, maar daarenboven nog eens moet duiden dat zijn uitstalraam wordt verminderd van 20m tot 9m én Dewa-plants (n.b. een concurrent) nu naast hem komt te staan. Gelet op de verregaande financiële gevolgen van het bestreden besluit vanaf 26 april 2009 -waardoor de verzoeker regelrecht op een faillissement afstevent- kan een dergelijk nadeel nog onmogelijk -minstens heel moeilijk- hersteld worden na de een gebeurlijke gewone procedure tot schorsing. Onderhavig verzoek is dan ook uiterst dringend en noodzakelijk.
- Verzoeker benadrukt hierbij dat zijn handelsactiviteiten uitsluitend seizoensgebonden zijn en de maanden april en mei dan ook als de drukste maanden van het jaar beschouwd kunnen worden, waarin de grootste inkomsten genereert moeten worden. Een gewone schorsings- procedure kan nooit binnen deze tijdspanne afgehandeld worden, hetgeen het uiterst dringend en noodzakelijk karakter van dit verzoekschrift nogmaals in de verf zet”. XII-5794-3/6
- Een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet de verzoekende partij ervoor behoeden dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel waarvoor zij vreest, zich reeds zal hebben voorgedaan vooraleer over de vordering tot schorsing, indien ze volgens de gewone procedure berecht zou worden, uitspraak is gedaan. Met andere woorden kan alleen in het uitzonderlijke geval dat het bedoelde nadeel zich reeds op een zo korte termijn dreigt te realiseren dat een gewone schorsing te laat zou komen, een beroep op de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gerechtvaardigd zijn. Teneinde de Raad van State ervan te overtuigen dat hij effectief een moeilijk te herstellen ernstig nadeel riskeert indien een schorsing uitgesproken volgens de gewone procedure moet worden afgewacht, voert verzoeker aan dat het bestreden besluit “een economische en financiële catastrofe” meebrengt die hem binnen enkele maanden “regelrecht” naar een faillissement voert.
- Met verwerende partij, in de nota, wordt aangenomen dat verzoeker de zaken “wel bijzonder overdreven” voorstelt. Inderdaad zal verzoeker door de bestreden beslissing niet meer kunnen beschikken over een stand met een “uitstalraam” van 20 m. Wel houdt hij nog altijd een “uitstalraam” van 9 m over -volgens verwerende partij zelfs “twee ‘uitstalramen’ van 9 meter”- én wordt de hem toegestane oppervlakte met 3 m² uitgebreid, van 60 naar 63 m². Voorts moet verzoeker zijn concurrent Dewa-Plants nu naast zich dulden, maar ook al vroeger had deze een plaats in zijn onmiddellijke nabijheid, namelijk vlak achter verzoeker waardoor ze slechts “min of meer” gescheiden stonden. Overigens moet deze concurrent, die voorheen over een standplaats van 80 m² beschikte en daar volgens verzoeker zelfs nog ruim buiten ging, het thans insgelijks met 63 m² stellen. Dat verzoekers inkomsten in die omstandigheden “aanzienlijk” zullen dalen, is geenszins evident. Welke inkomsten verzoeker normaal mocht verhopen en hoe groot het verlies is waaraan hij zich verwacht, inzonderheid in de komende maanden april en mei die hij “de drukste maanden van het jaar” noemt, wordt op geen enkele manier toegelicht of gestaafd. Ook over de algemene financiële situatie van verzoeker -die volgens verwerende partij geen kleine ondernemer zou zijn en zijn standplaatsen op donderdag en zaterdag met werknemers bemant- mag de Raad van State niets vernemen. Een en ander is niet bevorderlijk voor een goed zicht op, en dito inschatting van, het aangevoerde nadeel. XII-5794-4/6 Het bedrag van 25.000 euro, ten slotte, dat verzoeker aan bvba Tuinen Philcoby betaalde, betreft niet alleen de zaterdagmarkt te Halle, maar de overname van een markthandel met viér plaatsen, alsook materialen. Hoe het bedrag precies is samengesteld en welk gedeelte specifiek verband houdt met de zaterdagmarkt te Halle is niet bekend. Alleszins lijkt het kant noch wal te raken dat -nu het bestreden besluit verzoekers standplaats op de zaterdagmarkt te Halle zelfs uitbreidt, weze het dan weer iets minder ideaal situeert- hij “alle” betrokken economische voordelen verliest, zijn “volledige” bedrijfsvoering danig in het gedrang ziet gebracht, en moet vaststellen dat zijn geleverde investering “in rook” opgaat.
- Verzoeker mag dan wel met de vereiste diligentie en spoed zijn opgetreden, hij maakt niet aannemelijk dat er sprake is van een uiterst dringende noodzakelijkheid waardoor een schorsing die slechts volgens de gewone procedure wordt bevolen, te laat zou komen om de voorgehouden economische en financiële catastrofe af te wenden. Alvast de eerste van de cumulatieve schorsingsvoorwaarden is niet vervuld. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-5794-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april 2009, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5794-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.668 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div