id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.686 Rolnummer: A. 82666/IX-1661 Zaak: Arrest 192686 - Tucht (openbaar ambt) - 27/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-08 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:02 Fiche Arrest nr 192.686 van 27 april 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.686 van 27 april 2009 in de zaak A. 82.666/IX-
- In zake : Luc VAN DEN TROOST, wonende te ANTWERPEN, Van Boendalestraat 8 tegen : de Gouverneur van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VAN DEN TROOST op 25 februari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 december 1998 van de gouverneur van de provincie Antwerpen, waarbij hem de tuchtstraf van de inhouding van zijn wedde voor een termijn van drie maanden wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de beschikking van 12 april 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-1661-1/15 Gehoord de opmerkingen van attaché I. VERREZEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker gewestelijk ontvanger van de gemeente Vorselaar, de gemeentelijke elektriciteitsregie van Vorselaar en het OCMW van Vorselaar.
- Nadat een aanzienlijke achterstand in de boekhouding wordt vastgesteld stelt de arrondissementscommissaris van Mechelen op 3 februari 1998 lastens de verzoeker een tuchtverslag op. Hij stelt voor om de verzoeker een tuchtstraf van drie maanden schorsing op te leggen, met vermindering van wedde. Op 10 maart 1998 wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, dienaangaande door de gouverneur gehoord. Op 8 mei 1998 beslist de gouverneur van de provincie Antwerpen om aan de verzoeker de tuchtstraf van inhouding van wedde voor een termijn van 15 dagen op te leggen.
- Op 27 augustus 1998 stelt de arrondissementscommissaris lastens de verzoeker een nieuw tuchtverslag op. Hij stelt voor om de verzoeker als tuchtstraf de afzetting op te leggen. Met een schrijven van 28 augustus 1998 deelt de gouverneur de verzoeker mede dat er tegen hem een nieuw tuchtdossier werd samengesteld, op grond van feiten die blijken uit het verslag van de arrondissementscommissaris van 27 augustus
- IX-1661-2/15 Aan de verzoeker worden met name de volgende tekortkomingen verweten: - hij verklaart in een proces-verbaal van het kasonderzoek dat de ontvangsten en uitgaven van het jaar 1997 juist geboekt zijn, terwijl de geboekte ontvangsten en uitgaven onvolledig zijn en niet overeenstemmen met de actuele kastoestand; - voor de gemeente Vorselaar en de elektriciteitsregie volgen de boekingen in het dag- en kasboek niet op elkaar zoals wettelijk is voorgeschreven; de boekingen en de data zijn gemanipuleerd om de boekhouding kunstmatig te laten overeenstemmen met de rekeninguittreksels die bij de kasverslagen waren gevoegd; er is een duidelijk verschil tussen het verantwoord vermogen opgegeven in de kasverslagen en dat vermeld in het dag- en kasboek; - ook wat het OCMW betreft werd de boekhouding nog ruim na het indienen van de kasverslagen van 1997 bijgewerkt; - de verzoeker heeft op ernstige wijze verwaarloosd aandacht te geven aan de beleggingen van het kasgeld voor het gemeentebestuur; - gedurende lange tijd heeft de verzoeker geen enkele werkzaamheid verricht voor de gemeentelijke belasting op het huisvuil voor de dienstjaren 1996 en 1997; - de verzoeker heeft verzuimd om regelmatig zijn post te openen; - de verzoeker heeft de opdracht om zijn taak voortaan op het gemeentehuis uit te oefenen genegeerd. Op 6 oktober 1998 wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de gouverneur gehoord. Op 18 december 1998 beslist de gouverneur om aan de verzoeker de tuchtstraf van de inhouding van zijn wedde voor een termijn van drie maanden op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Ten gronde Eerste middel 4.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet, doordat de tuchtrechtelijke vervolging niet binnen de in dat artikel voorgeschreven termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten is ingesteld. IX-1661-3/15 De verzoeker voert aan dat de termijn van zes maanden een aanvang neemt vanaf de officiële kennisgeving door de tuchtoverheid, te dezen de arrondissementscommissaris, dat men ervan verdacht wordt een tuchtvergrijp te hebben gepleegd en dat een tuchtonderzoek is ingesteld. Nu de feiten met betrekking tot de boekhouding van 1997 van zowel de gemeente, de elektriciteitsregie als het OCMW reeds op 6 februari 1998 bekend waren, is de vordering die bij brief van 28 augustus 1998 is ingesteld, manifest laattijdig voor wat betreft de achterstand in de boekhouding, de beweerde “manipulaties” in de boekhouding, het verschil tussen verantwoord vermogen in kasverslagen en dat vermeld in het onvolledig (dit is bij onvolledige uitsplitsing van tijdelijke globale boeking in definitief gedetailleerde boekingen) bijgewerkte dag- en kasboek dat te wijten is aan de bijwerking van de achterstand, en de beweerde nalatigheid bij inning van de gemeentebelastingen op huisvuil. Voorts meent de verzoeker dat de tenlasteleggingen met betrekking tot het kasnazicht van 19 februari 1998 en aangaande de feiten met betrekking tot de beleggingen die zich situeren vóór 1 april 1998, eveneens verjaard zijn. 4.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker nog aanvullend dat de arrondissementscommissaris de gouverneur reeds eerder op de hoogte had kunnen brengen van zijn intentie tot nieuwe tuchtvervolging, en dat, zo dit niet het geval is geweest, dit neerkomt op een onaanvaardbare uitholling van de verjaringstermijn van zes maanden door diegene die de plicht heeft tuchtvergrijpen te rapporteren aan de tuchtoverheid. De verzoeker wijst in dit verband op een schrijven dat hij op 13 juli 1998 tot de gouverneur richtte en waarin hij meedeelde dat de arrondissementscommissaris hem reeds bij schrijven van 27 maart 1998 had gemeld een nieuwe tuchtprocedure te zijnen laste te zullen opstellen. 4.
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker nog dat hij de stelling van de auditeur-verslaggever dat artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet niet op hem van toepassing is, niet kan bijvallen. De straffen vermeld in artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet zijn immers wél op hem van toepassing. De verzoeker wijst er voorts op dat, indien artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet niet van toepassing zou zijn, de wettelijke grondslag van de bestreden beslissing onduidelijk is. Voorts herhaalt de verzoeker dat de auditeur eraan voorbijgaat dat, indien de termijn van zes maanden wordt toegepast, de arrondissementscommissaris reeds op 27 maart 1998 aan de verzoeker gemeld had een nieuw onderzoek te starten en dat de arrondissementscommissaris de gouverneur hiervan in principe IX-1661-4/15 onmiddellijk diende in te lichten. Door dit niet te doen is de termijn voor het nemen van de sanctie op onaanvaardbare wijze uitgehold. De gouverneur werd, aldus de verzoeker, door de arrondissementscommissaris pas op 13 juli 1998 van alle feiten op de hoogte gesteld. Er moet echter worden aangenomen dat de gouverneur op 27 maart 1998 geacht wordt kennis gekregen te hebben van de feiten. Nu de uiteindelijke beslissing dateert van 18 december 1998 is deze laattijdig. De verzoeker wijst er voorts nog op dat er geen redenen zijn om te stellen dat de termijn van zes maanden niet als grens van de redelijke termijn kan gelden. 5.
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet. Ten tijde van het bestreden besluit luidde dit artikel als volgt: “Art.
- De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.” Artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet maakte deel uit van “Hoofdstuk VIII. De verjaring van de tuchtvordering”. Dat hoofdstuk maakte zelf deel uit van “Titel XIV. De tuchtregeling”. Luidens artikel 281 van de Nieuwe Gemeentewet waren de bepalingen van titel XIV toepasselijk op alle leden van het gemeentepersoneel, behoudens een aantal te dezen niet relevante uitzonderingen. Een gewestelijk ontvanger behoorde niet tot het gemeentepersoneel. Bij ontstentenis van een bijzondere bepaling die artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet uitdrukkelijk van toepassing maakte op de gewestelijke ontvangers, kan de verzoeker zich niet dienstig op deze bepaling beroepen. 5.
- Ten overvloede wordt opgemerkt dat, zelfs indien de verzoeker zich op de toepassing van artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet zou kunnen beroepen, hij niet aannemelijk maakt dat die bepaling is geschonden. IX-1661-5/15 5.2.
- Artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet voorziet immers in een maximumtermijn waarover de tuchtoverheid beschikt om, na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten, een tuchtrechtelijke vervolging in te stellen. Met de “tuchtoverheid” wordt bedoeld het orgaan dat de tuchtstraf uitspreekt. Op grond van het ten tijde van het bestreden besluit vigerende artikel 298 van de Nieuwe Gemeentewet kon de provinciegouverneur aan de gewestelijke ontvanger de tuchtstraffen vermeld in artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet opleggen. Anders dan de verzoeker voorhoudt is het aldus de provinciegouverneur en niet de arrondissementscommissaris die te dezen de bevoegde tuchtoverheid uitmaakt. 5.2.
- De tuchtoverheid, te weten de provinciegouverneur, heeft formeel kennis gekregen van de tuchtrechtelijke feiten bij wege van het verslag van de arrondissementscommissaris van 27 augustus
- Reeds op 28 augustus 1998 heeft de gouverneur de verzoeker ervan op de hoogte gebracht dat tegen hem een tuchtdossier is samengesteld. Aldus blijkt de tuchtvordering tijdig te zijn ingesteld. De omstandigheid dat de arrondissementscommissaris eventueel gedraald zou hebben met het op de hoogte brengen van de gouverneur van bepaalde feiten, doet geen afbreuk aan het feit dat de gouverneur de tuchtvordering heeft ingesteld binnen de termijn bepaald in artikel 317 van de Nieuwe Gemeentewet. Overigens blijkt uit de chronologie van de feiten niet dat aan de arrondissementscommissaris verweten zou kunnen worden dat hij niet met de nodige diligentie gehandeld zou hebben. 5.
- Het middel kan niet worden aangenomen.
- In zoverre de verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat de bestreden beslissing niet is genomen binnen een redelijke termijn, roept hij in feite een nieuw middel in. Een dergelijk middel, dat de openbare orde niet raakt, kan echter niet voor het eerst in een laatste memorie worden ingeroepen. Het nieuwe middel is onontvankelijk. IX-1661-6/15 Tweede middel
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van het beginsel “non bis in idem”. Hij voert aan dat de feiten die in de eerste tuchtprocedure beoordeeld werden ook voor de tweede tuchtsanctie in aanmerking worden genomen. De verzoeker erkent dat in de bestreden beslissing weliswaar wordt overwogen “dat de in het verslag van 27 augustus 1998 aangehaalde feiten met betrekking tot de achterstand in de boekhouding van 1997 niet zijn weerhouden”, maar is van oordeel dat uit “de hoegrootheid van de opgelegde straf” blijkt dat met deze feiten wel degelijk rekening is gehouden bij het bepalen van de strafmaat.
- Uit de motieven van het besluit van de gouverneur van 8 mei 1998 blijkt dat toen een tuchtstraf is opgelegd, met name op grond van de vertraging waarmee de verzoeker boekingen van het dienstjaar 1997 heeft uitgevoerd. Uit het schrijven van de gouverneur van 28 augustus 1998 blijkt dat, in zoverre de nieuwe tuchtvordering steunt op feiten in verband met de boekhouding van de gemeente Vorselaar, de elektriciteitsregie en het OCMW van Vorselaar, aan de verzoeker niet verweten wordt dat hij een achterstand heeft opgelopen in het uitvoeren van zijn taken, maar wel dat hij de desbetreffende taken inhoudelijk niet naar behoren heeft uitgevoerd. Het bestreden besluit van 18 december 1998 bevestigt dat, in verband met de bedoelde feiten, het opleggen van een tuchtstraf is overwogen op grond dat de geboekte uitgaven en ontvangsten niet overeenstemden met de actuele kastoestand en geen getrouw beeld gaven van de financiële situatie. In dat besluit wordt bovendien uitdrukkelijk overwogen “dat de in het verslag [van de arrondissementscommissaris] van 27 augustus 1998 aangehaalde feiten met betrekking tot de achterstand in de boekhouding van 1997 niet zijn weerhouden”. Terwijl aan de eerste tuchtstraf een formele of procedurele tekortkoming ten grondslag lag, blijkt de bestreden tuchtstraf gesteund te zijn op inhoudelijke tekortkomingen. Uiteraard konden laatstgenoemde tekortkomingen slechts worden vastgesteld nadat de door de verzoeker ondertekende kasverslagen konden worden ingezien en nadat de overeenstemming met het dag- en kasboek kon worden gecontroleerd. IX-1661-7/15 In dit verband kan onder meer gewezen worden op het tuchtverslag van de arrondissementscommissaris van 27 augustus 1998, waaruit blijkt dat diens inhoudelijk nazicht van de kasverslagen van de verzoeker slechts op 4 februari 1998, dit is na zijn tuchtverslag van 3 februari 1998 dat tot de eerste tuchtstraf van verzoeker heeft geleid, werd aangevat, en dat hij pas op 19 februari 1998 de beschikking kreeg over het dag- en kasboek. Aldus moet geconcludeerd worden dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten niet het voorwerp hebben uitgemaakt van de tuchtprocedure die geleid heeft tot de beslissing van 8 mei
- Weliswaar voert de verzoeker aan dat uit de ernst van de thans opgelegde tuchtstraf moet worden afgeleid dat mede rekening is gehouden met de feiten waarvoor hij eerder al is gestraft. Het is echter niet kennelijk onredelijk om voor “het vermelden van ongunstige gegevens in de kasverslagen”, die betrekking hebben op “foutieve verklaringen die aan de arrondissementscommissaris ter ondertekening werden voorgelegd”, een tuchtstraf van inhouding van de wedde van de betrokkene voor een termijn van drie maanden op te leggen. Uit de enkele strafmaat kan aldus niet afgeleid worden dat de bestreden beslissing, overigens in strijd met de uitdrukkelijke bewoordingen ervan, mede zou steunen op de feiten die tot de tuchtstraf van 8 mei 1998 aanleiding hebben gegeven. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 284 van de Nieuwe Gemeentewet en van de formele motiveringsplicht. Hij voert aan dat hem een straf wordt opgelegd van drie maanden inhouding van wedde, terwijl artikel 284 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat de inhouding maximaal drie maanden mag duren en niet meer dan 20% van de brutowedde mag bedragen. Volgens de verzoeker is het in die bepaling genoemde maximum van 20% overschreden. IX-1661-8/15 Subsidiair voert hij aan dat, zelfs indien vermoed zou kunnen worden dat bij stilzwijgen van de tuchtoverheid de straf geacht wordt te vallen binnen de perken zoals gesteld door de wet, vastgesteld moet worden dat de bestreden beslissing geen melding maakt van de hoegrootheid van de inhouding op de brutowedde. De tuchtoverheid is immers niet verplicht om gedurende drie maanden 20% in te houden aangezien dit enkel maximumgrenzen zijn. Volgens de verzoeker is, bij ontstentenis van enige beschouwing over de omvang van de inhouding van wedde, de formele motiveringswet geschonden nu zowel aan hem als aan de Raad van State de mogelijkheid ontzegd wordt om controle uit te oefenen op het evenredig karakter van de tuchtstraf.
- Ten tijde van de bestreden beslissing luidde artikel 284 van de Nieuwe Gemeentewet als volgt: “Art.
- De inhouding van wedde mag drie maanden wedde niet overschrijden. Zij mag niet meer dan twintig procent van de brutowedde bedragen. De gemeente garandeert aan de betrokkenen een nettowedde gelijk aan het bedrag van het bestaansminimum zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. In geval van deeltijdse prestaties wordt dit bedrag evenredig met de omvang van de prestaties beperkt.” Artikel 284 van de Nieuwe Gemeentewet maakte deel uit van “Hoofdstuk III. De tuchtstraffen”. Dat hoofdstuk maakte zelf deel uit van “Titel XIV. De tuchtregeling”. Luidens artikel 281 van de Nieuwe Gemeentewet waren de bepalingen van titel XIV toepasselijk op alle leden van het gemeentepersoneel, behoudens een aantal te dezen niet relevante uitzonderingen. Om de reden uiteengezet in het antwoord op het eerste middel kan de verzoeker zich niet dienstig op artikel 284 beroepen. Hij kan zich evenmin beroepen op de formele motiveringsplicht, begrepen in het licht van de bepalingen vervat in het genoemde artikel. Het middel faalt naar recht. IX-1661-9/15 Vierde middel
- De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Grondwet en van de formele motiveringswet. Volgens de verzoeker wordt in de bestreden beslissing rekening gehouden met de achterstand in de boekhouding van
- In zijn nota heeft hij zijn langdurige ziekte aangevoerd als verklaring van die achterstand, maar met dit gegeven wordt geen rekening gehouden.
- Artikel 149 van de Grondwet, volgens hetwelk elk vonnis met redenen is omkleed, is enkel van toepassing op jurisdictionele beslissingen. De bestreden beslissing is echter geen jurisdictionele beslissing, zodat de verzoeker zich niet op dit artikel kan beroepen. Voorts blijkt uit het antwoord op het tweede middel dat de verzoeker niet is bestraft omwille van een achterstand in de boekhouding van
- In dit opzicht gaat het vierde middel uit van een verkeerde lezing van het bestreden besluit. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel
- In een vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht. Hij voert aan dat het bestreden besluit berust op een niet correcte feitenvinding. 13.
- In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat, waar in de bestreden beslissing overwogen wordt dat hij onjuiste gegevens in de kasverslagen vermeld zou hebben, dit niet met de werkelijkheid overeenstemt. Dit blijkt, aldus de verzoeker, duidelijk uit het verhoor door de diensten van de gerechtelijke politie Turnhout. Hij wijst erop dat de gewestelijk ontvanger zijn kasverslagen dient neer te leggen bij de arrondissementscommissaris, een administratieve praktijk die door de jaren heen gegroeid is, terwijl het eigenlijk de provinciegouverneur is, of bij delegatie op grond van artikel 139bis van de provinciewet de arrondissements- commissaris zelf, die de kasnazichten dient uit te voeren. Dit is gebeurd voor de IX-1661-10/15 kasverslagen van
- Meer recente stukken konden onmogelijk worden voorgelegd, gelet op de ziekte van de verzoeker en het ontbreken van een behoorlijke computerinfrastructuur. De verzoeker laat voorts gelden dat de door hem opgestelde kasverslagen door de arrondissementscommissaris eenzijdig werden gewijzigd. De arrondissementscommissaris zou de data van afsluiting verscheidene maanden verder in de tijd hebben geplaatst en vervolgens aan de verslagen verweten hebben dat ze geen waarheidsgetrouw beeld geven van de werkelijke kastoestand. De arrondissementscommissaris heeft in dit verband in zijn verklaring aan de gerechtelijke politie van Antwerpen verklaard dat hij de kasnazichten, voorzien van zijn opmerkingen (dus gewijzigd), heeft teruggezonden aan de verzoeker. Volgens de verzoeker volgt uit deze terugzending dat de kasverslagen niet aanvaard werden en dat ze dan ook niet geacht kunnen worden te zijn neergelegd. Er valt niet in te zien hoe, enerzijds, de stukken kunnen worden teruggezonden voor aanpassing, nadat de arrondissementscommissaris er zelf eenzijdig veranderingen heeft in aangebracht, en anderzijds, die stukken als definitief neergelegd beschouwd kunnen worden en ze, inclusief de wijzigingen, gebruikt kunnen worden in een tuchtprocedure. De verzoeker besluit dat de kasverslagen correct waren voor de data die hij er oorspronkelijk op had vermeld. Hij meent dat de door de arrondissementscommissaris aangebrachte wijzigingen valsheid in geschrifte uitmaken en stelt dat de kasverslagen dan ook niet gebruikt konden worden in een tuchtprocedure tegen hem. Door die kasverslagen wel in aanmerking te nemen, is de bestreden beslissing niet gebaseerd op een correcte feitenvinding en komt ze tekort aan de materiële motiveringsplicht. 13.
- In een tweede onderdeel verwijt de verzoeker aan de bestreden beslissing dat ze geen rekening houdt met zijn gezondheidstoestand. Hieruit blijkt ook dat geen gedegen onderzoek of correcte feitenvinding aan de bestreden beslissing is voorafgegaan. 13.
- In een derde onderdeel verwijt de verzoeker aan de bestreden beslissing dat deze geen acht slaat op de “arbeidsomstandigheden”. De verzoeker voert in de eerste plaats aan dat de bestreden beslissing overweegt dat geen afdoende redenen naar voren gebracht worden waarom de verzoeker zijn taken niet kon uitvoeren op het gemeentehuis te Vorselaar, terwijl de infrastructuur inzake computers en software er ontoereikend was. IX-1661-11/15 De verzoeker voert voorts aan dat de taak om kasverslagen op te stellen en kasnazichten te doen krachtens de wet berust bij de gouverneur of, bij delegatie, bij de arrondissementscommissaris. De bestreden beslissing houdt geen rekening met het feit dat de verzoeker aanzienlijk meer opdrachten diende te vervullen dan wettelijk was voorzien. Aldus schendt de beslissing de materiële motiveringsplicht en is ze niet gebaseerd op een correcte feitenvinding. Op het verweer van de verwerende partij dat deze discretionair oordeelt of de door de verzoeker ingeroepen omstandigheden van doorslaggevende aard zijn, repliceert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij het evenredigheidsbeginsel moet eerbiedigen. De verwerende partij kan niet voorbijgaan aan de aangevoerde problemen in verband met de apparatuur en de arbeidsomstandigheden, nu uit een brief van gewestelijk ontvanger V.C. aan de arrondissementscommissaris blijkt dat de technische problemen waarmee de verzoeker te kampen heeft, wel degelijk ernstig zijn.
- Wat betreft het eerste onderdeel, herinnert de Raad van State eraan dat het hem niet toekomt om uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de feiten moet worden beschouwd. De Raad dient enkel na te gaan of de overheid rechtmatig tot haar vaststelling van de feiten is gekomen en aldus in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de feiten als voldoende bewezen voorkomen. Te dezen blijkt uit het verslag van de arrondissementscommissaris van 27 augustus 1998, dat als basis heeft gediend voor het formuleren van de tenlastelegging tegen de verzoeker, dat de door de verzoeker ondertekende kasverslagen, die deze op 4 februari 1998 ter mede-ondertekening aan de arrondissementscommissaris heeft voorgelegd, ten onrechte verklaarden dat de totalen van de ontvangen en uitgegeven sommen, opgemaakt aan de hand van de door de ontvanger gehouden grootboeken, - overeenstemden met de totalen van de inschrijvingen in het dag- en kasboek, en dat de geboekte ontvangsten en uitgaven door regelmatige justificatiestukken gestaafd waren. Nadat de arrondissementscommissaris de verzoeker op 27 maart 1998 had aangemaand om nieuwe en correcte kasverslagen te bezorgen, en nadat gebleken was dat de verzoeker daarop niet reageerde, heeft de arrondissementscommissaris de kasverslagen voorzien van zijn opmerkingen op 14 mei 1998 naar de verzoeker teruggestuurd. IX-1661-12/15 Terecht voert de verwerende partij aan dat de arrondissementscommissaris, die vaststelt dat de geboekte ontvangsten en uitgaven onvolledig zijn en dat er een duidelijk verschil is tussen het verantwoord vermogen, opgegeven in de kasverslagen, en dat, vermeld in het dag- en kasboek, daarover opmerkingen mag maken. Het enkele feit dat de kasverslagen, zoals ze door de verzoeker oorspronkelijk waren ondertekend, niet zijn neergelegd, belet niet dat de tuchtoverheid op die kasverslagen kan steunen om daaruit af te leiden dat de verzoeker “bewust [...] foutieve kasverslagen [heeft opgemaakt], die ter ondertekening werden voorgelegd”. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de kasverslagen “correct waren voor de data die [hij] er oorspronkelijk had op vermeld”, gaat het om een loutere bewering die door geen enkel concreet gegeven gestaafd wordt. Nu de verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissing, wat betreft de boekhouding van de gemeente, het OCMW en de elektriciteitsregie van Vorselaar, steunt op een kennelijk onredelijke beoordeling van de gegevens van het dossier, moet geconcludeerd worden dat het eerste onderdeel niet kan worden aangenomen.
- Wat betreft het tweede onderdeel, preciseert de verzoeker niet in hoeverre zijn gezondheidstoestand een invloed zou kunnen hebben op het feit dat hij onjuiste gegevens heeft vermeld in zijn kasverslagen. Het onderdeel is dan ook onontvankelijk wegens vaagheid. 16.
- Wat betreft het derde onderdeel, moet vooreerst worden vastgesteld dat de gouverneur in het bestreden besluit uitdrukkelijk vermeldt dat de verzoeker, als antwoord op de tenlastelegging dat hij zijn taken niet uitoefende op het gemeentehuis van Vorselaar, in zijn verweerschrift aanvoert dat hij “aldaar met heel wat problemen werd geconfronteerd, zoals o.m. een computer zonder ‘publisoft’ en dat hij zijn bureau moest delen met de verantwoordelijke van het lokale plaatselijke werkgelegenheidsagentschap”. De gouverneur overweegt “dat er geen afdoende redenen naar voren worden gebracht, waarom [de verzoeker] zijn taken niet kon uitvoeren op het gemeentehuis van Vorselaar”. IX-1661-13/15 Zoals de verwerende partij terecht aanvoert, staat het aan de tuchtoverheid om te oordelen of de verantwoording voor het niet opvolgen van de opdracht om zijn taken in het gemeentehuis te Vorselaar uit te oefenen, afdoende is. De verzoeker maakt niet aannemelijk dat de beoordeling van de feiten door de gouverneur op dit punt kennelijk onredelijk is. In dit opzicht kan het onderdeel niet aangenomen worden. 16.
- In zoverre de verzoeker aanvoert dat hij “aanzienlijk meer opdrachten dient te vervullen dan wettelijk voorzien”, preciseert hij niet in hoeverre het bestaan van eventueel bijkomende opdrachten een invloed zou kunnen hebben op het feit dat hij onjuiste gegevens heeft vermeld in zijn kasverslagen. In dit opzicht is het onderdeel onontvankelijk wegens vaagheid.
- In zoverre de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een schending van het evenredigheidsbeginsel aanvoert, roept hij in feite een nieuw middel in. Een dergelijk middel, dat de openbare orde niet raakt, kan echter niet voor het eerst in een memorie van wederantwoord worden ingeroepen. Het nieuwe middel is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-1661-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 27 april 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1661-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.686 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.