← België

Arrest 192691 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.691 Rolnummer: A. 131377/X-11245 Zaak: Arrest 192691 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:02 Fiche Arrest nr 192.691 van 27 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.691 van 27 april 2009 in de zaak A. 131.377/X-11.

  1. In zake :
  2. Michel VAN DEN BALCK,
  3. Joëlle KENNES, die woonplaats kiezen bij advocaat J. NOLMANS, kantoor houdende te 1500 HALLE, Bergensesteenweg 54 tegen :
  4. de gemeente BEERSEL, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3,
  5. de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32, bus
  6. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michel VAN DEN BALCK en Joëlle KENNES op 3 januari 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  7. de beslissing van 22.05.2001 van het College van Burgemeester en Schepenen houdende intrekking van de vergunning verleend op 02.05.2001 tot wijziging van de verkavelingsvergunning van 25.04.1989 voor een perceel gelegen Beukenplein 7, te 1652 Alsemberg, kadaster sectie A, nr. 48 a, (...);
  8. de beslissing van 22.05.2001 van het College van Burgemeester en Schepenen houdende intrekking van de bouwvergunning verleend op 02.05.2001 voor de uitbreiding van de woning op het perceel gelegen Beukenplein 7, te 1652 Alsemberg, kadaster sectie A, nr 48 a, (...);
  9. de beslissing van de Bestendige Deputatie van 08.10.2002, (...), houdende het niet inwilligen van het beroep ingesteld door verzoekende partijen tegen respectievelijk de beslissing van 16.08.2001 van het College van Burgemeester en Schepenen van Beersel waarmee de vergunning wordt geweigerd tot wijziging van de verkavelingsvergunning voor een verkaveling gelegen X-11.245-1/10 Beukenplein 7, te 1652 Alsemberg, kadaster sectie A, nr 48 a (de beslissing vermeldt bij vergissing Boesdalveldweg te 1650 Beersel), en de beslissing dd. 22.05.2001 tot intrekking van de wijziging van de verkavelingsvergunning;
  10. de beslissing van de Bestendige Deputatie van 08.10.2002, (...), houdende het niet inwilligen van het beroep ingesteld door verzoekende partijen tegen respectievelijk de beslissing van 22.05.2001 van het College van Burgemeester en Schepenen van Beersel waarmee de vergunning werd geweigerd voor het uitbreiden van een woning gelegen Beukenplein 7, te 1652 Alsemberg en het uitblijven van een beslissing omtrent de bouwaanvraag”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 1 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. BRICHAUX, die loco advocaat J. NOLMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. HONNAY, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat M. VAN BEVER, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.245-2/10 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  11. Feiten 1.
  12. Op 20 maart 2001 (datum van het ontvangstbewijs) vragen de verzoekende partijen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel een wijziging van de verkavelingsvergunning van 25 april 1989 voor het perceel gelegen aan het Beukenplein 7 te Alsemberg voor wat betreft de verkavelingsvoorwaarden voor kavel 2, meer bepaald “het verbreden van de bouwzone tot op 2 m van de zijdelingse perceelsgrens”. 1.
  13. Het college van burgemeester en schepenen verleent op 2 mei 2001 de gevraagde verkavelingswijziging, onder meer omdat “de gevraagde wijziging (overeenstemt) met de geldende stedenbouwkundige voorschriften horende bij het bijzonder plan van aanleg” nr. 5 “Ingendael”, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 18 januari 1962 en gewijzigd bij besluiten van 27 december 1962 en 25 augustus
  14. 1.
  15. Op 2 mei 2001 (datum van het ontvangstbewijs) vragen de verzoekende partijen aan het college van burgemeester en schepenen een bouwvergunning voor “een uitbreiding van 12 m² van het gelijkvloers” van de woning gelegen aan het Beukenplein 7 te Alsemberg, zijnde de voornoemde kavel
  16. Dezelfde dag nog verleent het college van burgemeester en schepenen de bouwvergunning. 1.
  17. Op 22 mei 2001 trekt het college van burgemeester en schepenen enerzijds de voormelde wijziging van de verkavelingsvergunning in “met het oog op het nemen van een regelmatige beslissing” omdat “bij besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 (...) werd bepaald dat onderhavig bijzonder plan van aanleg niet wordt weerhouden in het plannenregister van de gemeente Beersel” en anderzijds de voormelde bouwvergunning “met het oog op het nemen van een regelmatige beslissing” omdat “het ingediende project niet in overeenstemming is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften, horende bij de verkavelingsvergunning dd. 25 april 1989 (ref. V 3/89)”. Dit zijn respectievelijk de eerste en de tweede bestreden beslissingen. X-11.245-3/10 Met op 31 mei 2001 ter post aangetekend verzonden brieven worden de verzoekende partijen van die intrekkingsbeslissingen in kennis gesteld. 1.
  18. Op 30 juli 2001 geeft de gemachtigde ambtenaar ongunstig advies over de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning, gesteund op onder meer de volgende gronden: “De gevraagde wijziging voorziet op kavel 2 de vermindering van de linkerzijdelingse bouwvrije strook tot 2,00 m ipv 4,00 m. De gevraagde wijziging heeft tot doel een opslagplaats aan te bouwen, met plat dak. Door de reeds bestaande bebouwing en de reeds aanwezige infrastructuur, is de structuur van het gebied bekend. (...) Het aanbouwen van een opslagplaats met een bebouwde oppervlakte van 12,00 m² tot op 2,00 m van de linkerperceelsgrens is stedenbouwkundig onaanvaardbaar in een woonpark. De gevraagde wijziging brengt de openheid en de goede uitvoering van de verkaveling in het gedrang. Er zijn voldoende mogelijkheden voor een betere inplanting aanwezig”. Met een besluit van 16 augustus 2001 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning. De verzoekende partijen worden hiervan in kennis gesteld met een ter post aangetekend verzonden brief van 29 augustus
  19. 1.
  20. Op 25 september 2001 stellen de verzoekende partijen twee administratieve beroepen in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Enerzijds tegen de voormelde beslissing van 16 augustus 2001, alsmede tegen het collegebesluit van 22 mei 2001 waarbij het besluit van 2 mei 2001 houdende verlening van de wijziging van de verkavelingsvergunning van 25 april 1989, wordt ingetrokken. Anderzijds tegen het voormelde collegebesluit van 22 mei 2001 houdende intrekking van het besluit van 2 mei 2001 waarbij aan de verzoekende partijen een bouwvergunning werd verleend, alsmede “tegen het uitblijven van een beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Beersel omtrent hun aanvraag tot het bekomen van een stedebouwkundige vergunning nà de beslissing tot intrekking dd. 22 mei 2001”. 1.
  21. Op 8 oktober 2002 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoekende partijen tegen de collegebeslissing van 16 augustus 2001 niet in. Dit is de derde bestreden beslissing. Eveneens op 8 oktober 2002 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoekende partijen tegen X-11.245-4/10 de collegebeslissing van 22 mei 2001 houdende weigering van de vergunning voor het uitbreiden van een woning niet in. Dit is de vierde bestreden beslissing.
  22. Ontvankelijkheid 2.1.
  23. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoekende partijen onder meer tegen de eerste twee bestreden besluiten een afzonderlijk administratief beroep hebben ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant en dat de respectieve beroepen hebben geleid tot de laatste twee bestreden besluiten. 2.1.
  24. De aanvrager van vergunning tot wijziging van een verkavelingsvergunning en van een stedenbouwkundige vergunning kan krachtens artikel 53, § 1, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), bij de bestendige deputatie beroep instellen tegen de beslissing waarbij het college van burgemeester en schepenen over zijn aanvraag uitspraak doet. De toestand die voor de vergunningaanvrager ontstaat tengevolge van de intrekking van een eerder verleende vergunning door het college van burgemeester en schepenen, moet, zoals de verzoekende partijen zelf voorhouden, gelijkgesteld worden met die welke voortvloeit uit de weigering van de gevraagde vergunning door dit college. Het administratief beroep waarin artikel 53, § 1, eerste lid van het gecoördineerde decreet voorziet, heeft voorrang op het beroep bij de Raad van State, ook al steunt het enkel op de onrechtmatigheid van het intrekkingsbesluit. Beslissingen waartegen een georganiseerd administratief beroep openstaat, zijn bijgevolg niet vatbaar voor vernietiging. Bovendien treedt, ingevolge de devolutieve werking van dit administratief beroep, het besluit dat in beroep wordt genomen in de plaats van het besluit van het college van burgemeester en schepenen en moet dit laatste besluit bijgevolg worden geacht niet meer te bestaan. 2.1.
  25. Uit wat voorafgaat volgt dat op grond van artikel 53, § 1, eerste lid van het gecoördineerde decreet tegen de beide thans bestreden intrekkingsbesluiten van 22 mei 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel telkens een beroep openstond bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, dat de verzoekende partijen bovendien dit administratief beroep daadwerkelijk hebben ingesteld en dat die beroepen hebben geleid tot de laatste twee thans bestreden besluiten. X-11.245-5/10 Het beroep tot nietigverklaring is derhalve onontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de eerste twee bestreden besluiten van het college van burgemeester en schepenen. 2.
  26. De exceptie van de eerste verwerende partij wat betreft de laattijdigheid van het beroep tot nietigverklaring voor zover het is gericht tegen de eerste twee bestreden besluiten, heeft derhalve geen voorwerp meer. 2.3.
  27. De eerste verwerende partij betoogt dat “de beslissingen van Uw Raad omtrent de wettigheid van de beslissingen inzake de verkavelingsaanvraag enerzijds en inzake de stedenbouwkundige aanvraag anderzijds, onmogelijk (kunnen) leiden tot tegenstrijdigheden”, dat “de juridische discussie (...) in beide zaken (...) duidelijk verschillend (is)” en dat “de loutere vaststelling dat de aangevochten beslissingen betrekking hebben op eenzelfde perceel (...) niet (kan) verantwoorden dat de beslissingen die Uw Raad zal nemen, tot tegenspraak kan leiden”. 2.3.
  28. De eisen van een goede rechtsbedeling verantwoorden te dezen dat de beroepen tegen beide besluiten samen worden behandeld aangezien er niet alleen een verband bestaat tussen deze bestreden akten, maar ook moet worden vastgesteld dat de beide besluiten éénzelfde weigeringsmotief hanteren en de verzoekende partijen tegen die besluiten dezelfde middelen ontwikkelen. De exceptie gesteund op het gebrek aan samenhang tussen de twee laatste bestreden besluiten wordt verworpen. Het beroep is in zoverre ontvankelijk.
  29. Ten gronde 3.
  30. Het eerste en het tweede middel zijn uitsluitend gericht tegen de bestreden intrekkingsbesluiten van het college van burgemeester en schepenen. 3.2.
  31. De verzoekende partijen stellen in het derde middel dat de bestreden besluiten van de bestendige deputatie onwettig zijn omdat de intrekkingsbesluiten van het college van burgemeester en schepenen onregelmatig zijn. In het vierde middel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden besluiten van de bestendige deputatie niet afdoende gemotiveerd zijn waar X-11.245-6/10 gesteld wordt “dat het niet aan (haar) was ‘om de intrekking te beoordelen op haar geldigheid’”. In het zesde middel voeren zij aan dat de bestendige deputatie zich in haar besluiten ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om de intrekking te beoordelen op haar wettigheid en dat zij “zich derhalve in de plaats (diende) te stellen van het college van burgemeester en schepenen, alles opnieuw (diende) te onderzoeken en zo nodig een nieuwe beslissing (diende) te nemen”. 3.2.
  32. Uit de bestreden besluiten van de bestendige deputatie blijkt dat deze laatste de aanvragen naar aanleiding van de in randnummer 1.6 bedoelde beroepen van de verzoekende partijen, na onderzoek heeft geweigerd te vergunnen. Deze weigeringsbesluiten zijn in de plaats gekomen van de besluiten van het college van burgemeester en schepenen waartegen die beroepen waren gericht. In die omstandigheden hebben de verzoekende partijen geen belang bij het derde, vierde en zesde middel. Deze middelen zijn derhalve onontvankelijk. 3.3.
  33. In het vijfde middel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden besluiten van de bestendige deputatie niet afdoende gemotiveerd zijn door de vergunningen te weigeren op grond van de overweging dat “het niet verantwoord (is) om de bouwvrije strook naast het hoofdgebouw op twee meter terug te brengen” en op grond van “algemeen gangbare regels van de stedenbouw” naar luid waarvan een bouwvrije strook van 3 meter een minimum zou zijn. 3.3.
  34. De eerste verwerende partij repliceert dat de bestendige deputatie geen rekening kon houden met het BPA bedoeld in randnummer 1.2, dat deze motivering afdoende is, dat de “verzoekende partijen (...) geen belang (hebben) bij het inroepen van andere motiveringsgebreken” en dat er “bovendien (...) geen andere motiveringsgebreken (zijn)”. 3.3.
  35. De tweede verwerende partij repliceert dat zij terecht geoordeeld heeft dat “rekening houdend met de stedenbouwkundige voorschriften, (...) de goede plaatselijke aanleg geschaad wordt” omdat de verkaveling volgens het gewestplan gelegen is in een woonpark, de oorspronkelijke verkaveling werd vergund op 25 april 1989 en uit twee kavels bestaat met een bouwvrije strook van vier meter, “bij de oorspronkelijke verkavelingsaanvraag in 1989 (...) drie meter zijdelingse bouwvrije stroken (werd) gevraagd maar deze (...) niet (werd) toegestaan”, het BPA X-11.245-7/10 nr. 5 “Hingendael” niet meer van toepassing is, “rechts van het perceel (...) zich een eengezinswoning in open bebouwing (bevindt), links van de woning (...) zich een bos gelegen in groengebied volgens het gewestplan (bevindt)”, “volgens de algemeen gangbare regels van de stedenbouw (...) een bouwvrije zone van drie meter een minimum (is)”, “naast een kwetsbare zone, zijnde een groengebied, (...) het wenselijk (is) om een grotere afstand tot de naastliggende gebouwen te voorzien” en het “in ieder geval (...) niet verantwoord (is) om de bouwvrije strook naast het hoofdgebouw op twee meter terug te brengen”. 3.3.
  36. Na de niet-bestreden vaststelling dat de betrokken kavel 2 volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse gelegen is in een woonpark en de evenmin betwiste overwegingen dat de verkavelingsvergunning van 25 april 1989 de gevraagde zijdelingse bouwvrije strook van drie meter niet heeft toegestaan en een bouwvrije strook van vier meter voorziet en het BPA nr. 5 “Hingendael” niet meer van toepassing is, bevatten de beide bestreden besluiten van de bestendige deputatie nog de volgende overweging: “Rechts van het perceel bevindt zich een eengezinswoning in open bebouwing, links van de woning bevindt zich een bos gelegen in groengebied volgens het gewestplan. Volgens de algemeen gangbare regels van de stedenbouw is een bouwvrije zone van drie meter een minimum. Naast een kwetsbare zone, zijnde een groengebied, is het wenselijk om een grotere afstand tot de naastliggende gebouwen te voorzien. In ieder geval is het niet verantwoord om de bouwvrije strook naast het hoofdgebouw op twee meter terug te brengen”. 3.3.
  37. De ingeroepen schending van de motiveringsverplichting wordt geacht te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Naar luid van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet dienen beslissingen in beroep over verkavelingswijzigings- en bouwaanvragen “met redenen (te worden) omkleed”. Aan de door deze bepaling voorgeschreven motiveringsplicht is voldaan wanneer de uitspraak over het beroep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het voor de aanvrager mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, X-11.245-8/10 of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. 3.3.
  38. De bestreden beslissing van de bestendige deputatie met betrekking tot de verkavelingswijzigingsaanvraag steunt in essentie op het feit dat de verkaveling gelegen is in een woonpark, de verkavelingsvergunning van 25 april 1989 de aangevraagde zijdelingse bouwvrije strook van 3 meter niet heeft toegestaan maar een bouwvrije strook van vier meter heeft voorzien, het oudere BPA nr. 5 “Hingendael” niet meer van toepassing is, naast een kwetsbare zone als een groengebied dat te dezen een bos vormt, het wenselijk is om een grotere afstand dan de stedenbouwkundig gangbare bouwvrije strook van 3 meter tot de naastliggende gebouwen te voorzien en het in ieder geval niet verantwoord is om de bouwvrije strook naast het hoofdgebouw op minder dan drie meter, te dezen twee meter, terug te brengen. Deze, deels niet betwiste, overwegingen, die onmiskenbaar de ruimtelijke ordening betreffen, zijn gesteund op correcte gegevens, zijn afdoende en niet kennelijk onredelijk. 3.3.
  39. De bestreden beslissing van de bestendige deputatie met betrekking tot de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag is in essentie gesteund op de strijdigheid van de aanvraag “met de geldende verkavelingsvoorschriften van de verkaveling waarin het perceel gelegen is”. Dit weigeringsmotief wordt niet bestreden door de verzoekende partijen. 3.3.
  40. Het vijfde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  41. Het beroep wordt verworpen. X-11.245-9/10 Artikel
  42. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.245-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.691 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.