← België

Arrest 192692 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.692 Rolnummer: A. 128117/X-11155 Zaak: Arrest 192692 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-08 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:02 Fiche Arrest nr 192.692 van 27 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.692 van 27 april 2009 in de zaak A. 128.117/X-11.155. In zake : Jan CREVE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STORME, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 28 tegen : 1. de gemeente BEVEREN, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiezen bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. tussenkomende partij : de n.v. VAN WELLEN, die woonplaats kiest bij advocaat C. DE WOLF, kantoor houdende te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan CREVE op 16 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 12 augustus 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente BEVEREN waarbij aan de n.v. VAN WELLEN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van een asfalt- en betoncentrale met steenslagbehandeling op een perceel gelegen te Beveren-Doel, langs Blikken-haven 1748, kadastraal bekend sectie E, nrs. 209/2, 243/2, 243/3, 243/4 en 243/5; Gelet op het arrest nr. 120.599 van 13 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-11.155-1/21 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 26 juni 2003 ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 8 augustus 2003 ingediend door de n.v. VAN WELLEN; Gelet op de beschikking van 4 september 2003 die de tussenkomst van de n.v. VAN WELLEN toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VANHERCK, die loco advocaten M. STORME en I. ROGIERS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partijen, en van advocaat C. DE WOLF, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK, daartoe gemachtigd bij besluit van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.155-2/21 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De wet van 19 juni 1978 betreffende het beheer van het linkerscheldeoevergebied ter hoogte van Antwerpen en houdende maatregelen voor het beheer en de exploitatie van de haven van Antwerpen (hierna : linkeroeverwet) heeft het linkeroevergebied van de haven van Antwerpen aan een bijzonder bestuurlijk statuut onderworpen. Binnen het linkerscheldeoevergebied voorziet de linkeroeverwet, naast zones voor algemene infrastructuur, voor groenvoorziening en wonen, in een havengebied en een industriegebied. 1.2. Het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, legt de bestemming van het linkeroevergebied vast. 1.3. Bij besluit van 17 oktober 1988 van de Vlaamse Executieve tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Richtlijn 79/409/E.E.G. van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna : vogelrichtlijn) wordt, in uitvoering van die richtlijn, vogelrichtlijngebied nr. 13 “Schorren en polders van de Beneden-Schelde” aangeduid als speciale beschermingszone. Binnen dit gebied duidt de Vlaamse regering verder habitats aan, ten aanzien waarvan speciale beschermingsmaatregelen genomen dienen te worden, met name de habitat “slikken en brakwaterschorren, dijken, kreken en hun oevervegetatie”. De slikken en schorren van de Beneden-Schelde worden door de Vlaamse regering tevens voorgesteld als speciale beschermingszone in uitvoering van artikel 4, lid 1 van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna : habitatrichtlijn). 1.4. Na de bouw van de Europaterminal langs de Schelde ten zuiden van de Berendrechtsluis, in de periode 1987-1990, en tijdens de bouw van de Noordzeeterminal (1994-1997) ten noorden van de Zandvlietsluis, wordt het noodzakelijk geacht de containerfaciliteiten in de haven van Antwerpen verder te ontwikkelen. X-11.155-3/21 Met de ingebruikname in 1997 van de Noordzeeterminal kan de verwachte groei in de haven tot het jaar 2000 worden opgevangen. Op de rechteroever is evenwel geen locatie meer beschikbaar voor verdere capaciteitsuitbreiding. Alleen op de linkeroever is er nog plaats voor een derde terminal juist ten zuiden van Doel. Als gevolg van de wens om de concurrentiële positie van de haven van Antwerpen te bestendigen en van het streven om nieuwe goederentrafieken aan te trekken, voorzien het Vlaamse Gewest en het gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen in de verdere uitbouw van het linkerscheldeoevergebied. De uitbouw van de Waaslandhaven op de linkeroever zou op efficiënte wijze moeten inspelen op de directe noden van economische en maritieme ontwikkeling. 1.5. Met het oog op het inschatten van deze noden wordt door een samenwerking tussen de Administratie Waterwegen van LIN en het havenbedrijf Antwerpen, met medewerking van diverse instanties, onder andere het Instituut voor Natuurbehoud, studiediensten, enz..., in september 1995 een startnota “Containerkaai/dok-west” uitgebracht. In deze nota worden onder meer de verschillende varianten onderzocht voor de aanleg van een containerdok of kaai in de Waaslandhaven, afgestemd op de toekomstige vijfde generatie schepen. Uit deze varianten wordt uiteindelijk het project Deurganckdok geselecteerd. Het project Deurganckdok bestaat uit de volgende onderdelen: S de bouw in drie delen van kaaimuren met een lengte van 5,3 km gelegen omheen het dok; S de verdere ophoging van de haventerreinen met specie en zand afkomstig van de baggerwerken van het getijdendok en de verdiepingsspecie van de Schelde tussen het getijdendok en de zogenaamde Europaterminal; S het aanleggen van bedieningswegen en doorgaande verkeerswegen omheen het dok aansluitend met de huidige wegen en de aanleg van een grondzate voor spoorwegaansluitingen; S de aanleg van de aansluiting van de oevers van het dok met de bestaande oevers langs de Schelde; S de ophoging van de terreinen ten westen van Doel met de specie afkomstig van latere delen van de uitbaggeringswerken van het dok; deze terreinen worden MIDA 1 en MIDA 2 genoemd en zijn toekomstige industrieterreinen; S de verdere inrichting van de omgeving; S allerlei randactiviteien als de verplaatsing van leidingen en kabels, aanpassingen van het radarsysteem op de Schelde, enz...; X-11.155-4/21 S het uitrusten van de oevers van het Doeldok om het te integreren in het aan- en afvoerwerk van lichters en feederschepen voor de containerterminals. De bouw van het dok zal in drie fasen gebeuren: S een eerste fase betreft de uitvoering aan de noordzijde van 1250 m kaaimuur voor containerschepen en de ophoging van een aantal terreinen die zone A genoemd worden; S een tweede fase betreft de verlenging van de reeds gebouwde kaaimuur met 400 m en de aanleg van 1400 m kaai aan de zuidzijde van het dok en de ophoging van een tweede zone terreinen (zone B); S een derde fase betreft de bouw van de resterende lengte kaaimuur en de ophoging van een derde zone terreinen (zone C). 1.6. Op 14 februari 1996 keurt de Vlaamse regering een lijst met speciale beschermingszones in uitvoering van de habitatrichtlijn goed die aan de Europese Commissie wordt overgemaakt. De door de Vlaamse regering goedgekeurde lijst bevat een gebied nr. 6 “Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent”. Dit gebied omvat langs de Scheldeoever ten zuiden van Doel een strook van ongeveer 800 m lang en 100 m breed ter hoogte van het “Groot Gat”. 1.7. Door het Vlaamse Gewest wordt opdracht gegeven voor het opstellen van een milieueffectenrapport dat de directe en indirecte effecten op het milieu van de voorgenomen inplanting moet onderzoeken. In het MER van november 1996 wordt de gekozen locatie A 7 op grond van meerdere parameters als “de meest aangewezen compromisoplossing” aangeduid en wordt het volgende gesteld: “Deze locatie is de enige waar voldoende ruimte beschikbaar is voor een nieuw getijdedok, zonder het woongebied van de kern van Doel en het directe landbouwgebied eromheen in belangrijke mate aan te snijden. Bovendien worden door de initiatiefnemers volgende argumenten ten voordele van deze conceptwijziging aangehaald: -de industrie blijft in belangrijke mate tussen de Schelde en de dokken; -de andere alternatieven hebben ruimtelijk gezien een grotere impact; -de aanleg van een getijdedok realiseert een enorme tijdswinst voor het containerverkeer hetgeen op termijn een concurrentiële noodzaak is voor de haven van Antwerpen; -uit het voorontwerp Masterplan voor de concurrentiële haven blijkt dat de industriële ontwikkeling tot 2015 volledig kan opgevangen worden door intern aanwezige oppervlakten binnen de dokken; -het dok heeft geen inname van havenuitbreidingsgebied, wel worden ongeveer 460 ha van dit havenuitbreidingsgebied opgespoten”. X-11.155-5/21 1.8. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, dat door het Vlaams parlement bij decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, werd bekrachtigd, worden een aantal bindende en richtinggevende bepalingen in verband met het linkeroevergebied opgenomen. In het bindend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt vermeld dat de locatie Beveren in het zeehavengebied van Antwerpen wordt geselecteerd als “internationaal georiënteerd multimodaal logistiek park”. Die term wordt in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als volgt gedefinieerd: “multimodale logistieke parken waaraan hoge internationale bereikbaarheidseisen worden gesteld. Zij sluiten dicht aan bij het internationaal infrastructuurnetwerk. De multimodale logistieke parken richten zich specifiek op het marktsegment van het goederenvervoer, met name op het lange afstandsvervoer (een minimale afstand van 700 à 1.000 km onder het huidige prijsbeleid). Deze logistieke parken zijn de ruimtelijke uitdrukking van nieuwe vormen van transport en logistiek. Zij omvatten een combinatie van de volgende activiteiten: -ontvangen, opslaan en distribueren van goederen; -voorraadbeheer en conditionering; -goederenbehandeling zoals sorteren, verpakken, voorzien van labels; -kwaliteitscontrole en reparatie; -toegevoegde activiteiten als douaneformaliteiten, verzekeringen, bankactiviteiten”. In het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt gesteld dat het “internationaal multimodaal logistiek park” te Beveren- Verrebroek tot het zeehavengebied Antwerpen zal behoren. Verder wordt in het richtinggevend deel het volgende voorzien: “In het ruimtelijk uitvoeringsplan voor het zeehavengebied en de omgeving wordt de afbakening, de ruimtelijke inrichting en de reservering van gebieden vastgelegd. De bestemmingen aangegeven op de vigerende gewestplannen worden in het ruimtelijk uitvoeringsplan voor de zeehavens zodanig gedifferentieerd dat: -de milieuhygiënische impact naar de nabij gelegen bebouwing door een interne zonering geminimaliseerd wordt; -bufferzones worden aangeduid waarin mogelijkheden worden aangegeven en gerealiseerd; -de ontsluitingsinfrastructuur - noodzakelijk voor het economisch functioneren- wordt aangegeven; -de structurele natuurelementen (o.a. Ramsargebieden, Schelde-oevers) maximaal gevrijwaard blijven; -de ecologische infrastructuur blijft functioneren. X-11.155-6/21 De oppervlakte van de ecologische infrastructuur die niet voor zeehavenactiviteiten van nut is, bedraagt maximaal 5% van de oppervlakte van het zeehavengebied. Door de 5%-doelstelling echter niet per zeehavengebied voorop te stellen maar voor alle zeehavengebieden samen, moet het beleid beter in staat zijn om tegemoet te komen aan de specifieke karakteristieken van elk zeehavengebied. De lokalisatie van de ecologische infrastructuur moet zo gebeuren dat de havenactiviteiten niet worden gehinderd”. 1.9. De gemeente Doel bevindt zich ten noorden van het getijdendok en ten westen van de aan te leggen industrieterreinen. Door het Vlaamse Gewest wordt aan het studiebureau TECHNUM afdeling Milieutechnieken en Advies opdracht gegeven tot het uitvoeren van een leefbaarheidsstudie van de gemeente Doel. De Intercommunale van het Land van Waas en de Maatschappij voor het Grond- en Industrialisatiebeleid van het Linkerscheldegebied vragen een aanvullende studie aan die eveneens tot doel heeft de impact van de verdere industrialisatie rond de gemeente Doel te bestuderen. Beide studies komen tot hetzelfde besluit dat in de nota aan de Vlaamse regering als volgt wordt samengevat : “- het is economisch verantwoord en dringend extra containerinfrastructuur ter hoogte van Doel aan te leggen; - na grondige analyse van de verschillende milieuaspecten die de leefbaarheid van Doel beïnvloeden, moet worden geconcludeerd dat de leefbaarheid bij de inplanting van het ‘Containerdok-west’ volgens alle alternatieven en ook alternatief A 7 voor de landschappelijke effecten en de gezondheids- en veiligheidsaspecten van de bewoners van Doel in zekere mate worden aangetast; - de leefbaarheid van de woonkern Doel wordt niet in het gedrang gebracht door het aspect geluid van de terminal(s), noch door het verkeersgeluid. Dit geluidsniveau is sowieso lager dan het merendeel van de bevolking in Vlaanderen ondervindt. Voor de geluidshinder en verkeershinder kunnen milderende maatregelen een uitkomst bieden; - de mobiliteit komt niet in het gedrang, en ook hier kunnen milderende maatregelen een uitkomst bieden; - door de ingreep zal een sociaal draagvlak op de grens van het leefbare balanceren; - de aanleg van het ‘Containerdok-west’ verlaagt de leefbaarheid van Doel, doch brengt deze niet in het gedrang, mits milderende maatregelen getroffen worden; - wanneer de opgespoten gronden verder ingenomen worden door industriële bedrijven kan voor geen enkel aspect, behalve voor verkeer, nog mildering worden uitgevoerd om Doel leefbaar te houden; - door de verdere industrialisatie van de Waaslandhaven wordt het ingesloten karakter van de woonkern Doel versterkt. Eenmaal omsloten door de Schelde, de Kerncentrale Doel, het Containerdok en de industrialisatie ten westen van Doel is het evenwel niet verantwoord deze woonkern te behouden; - het zou maatschappelijk niet verantwoord zijn heden geen globale beslissing inzake de leefbaarheid van de woonkern Doel te nemen; X-11.155-7/21 - het is derhalve vereist een globaal begeleidingsplan en herlocalisatieplan daartoe uit te werken om in te staan voor de begeleiding en de al dan niet gehele herlocalisatie van de woonkern Doel”. De Vlaamse regering is dan ook de mening toegedaan dat de leefbaarheid van het dorp Doel niet langer gegarandeerd kan worden en besluit in te gaan op de suggestie om een herlocalisatieplan uit te werken. Op basis van de resultaten van de verschillende studies wordt in de loop van 1997 een werkschema voorbereid dat resulteert in de volgende beslissingen: - de beslissing van de Vlaamse regering van 20 januari 1998 inzake de aanleg van een containerdok-west, inzake de inname van de gronden, inzake de Antwerpse havenstructuur in het Waasland en inzake de deelgemeente Doel; - de hieruit voortvloeiende beslissing van 27 januari 1998 van de raad van bestuur van het havenbedrijf Antwerpen waarmee goedkeuring werd gehecht aan het bestek nr. B4/8525, omvattende de bouw van de kaaimuur met bijkomende werken van de eerste fase van de realisatie van het getijdendok en werd ingestemd met de procedure van openbare aanbesteding als wijze van gunning; - de op 23 januari 1998 aan de dijkgraaf van de Polder meegedeelde beslissing van het Vlaamse Gewest om bij toepassing van het Vlaams waterkeringendecreet van 16 april 1996 dijkwerken uit te voeren aan de dijk langsheen de linkeroever van de Zeeschelde te Beveren, deelgemeente Doel, ten zuiden van de woonkern en daarbij gronden in te nemen. De vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze drie beslissingen worden bij arresten nrs. 77.743 en 77.744 van 21 december 1998 verworpen. Inzake de beroepen tot nietigverklaring van deze beslissingen wordt met de arresten nrs. 88.810 en 88.811 van 11 juli 2000 de afstand van het geding vastgesteld. 1.10. Bij beslissing van 20 januari 1998 van de Vlaamse regering wordt aan de werkgroep Strategisch Plan Linkeroever de opdracht gegeven een strategisch plan voor de verdere ontwikkeling van het linkerscheldeoevergebied en van de Waaslandhaven in het bijzonder op te maken. X-11.155-8/21 1.11. Op 23 juni 1998 neemt de Vlaamse regering het besluit tot wijziging van het besluit van 17 oktober 1988 van de Vlaamse regering tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de vogelrichtlijn, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 juli 1998, het besluit houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Kruibeke en Lokeren, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 1998, en het besluit houdende goedkeuring van het voorstel tot aanwijzing van de speciale beschermingszone gebied nr. 6 Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Wetteren met bijbehorende kaartbladen ter vervanging van de kaarten van het gebied nr. 6 goedgekeurd door de Vlaamse regering op 14 februari 1996. De vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze besluiten worden bij arresten nrs. 87.878 en 87.879 van 7 juni 2000 verworpen. Het beroep tot nietigverklaring wordt in de eerste zaak verworpen bij arrest nr. 166.650 van 12 januari 2007. In de tweede zaak worden de debatten bij arrest nr. 166.651 van 12 januari 2007 in het beroep tegen het eerste bestreden besluit ten aanzien van de eerste verzoekende partij heropend. Het beroep wordt verworpen bij arrest nr. 191.265 van 11 maart 2009. Tegen het havenuitbreidingsproject voor de aanleg van het Deurganckdok, waarbinnen de Vlaamse regering de reeds aangevoerde beslissingen van 23 juni 1998 heeft genomen, wordt datzelfde jaar bij de Europese Commissie een klacht ingediend wegens inbreuk op de habitatrichtlijn. Op 18 januari 2001 stuurt de Europese Commissie in deze zaak een ingebrekestelling naar België. Op 4 mei 2001 keurt de Vlaamse regering een nieuwe lijst met speciale beschermingszones in uitvoering van de habitatrichtlijn goed, die aan de Europese Commissie wordt overgemaakt. De door de Vlaamse regering goedgekeurde lijst bevat een gebied “Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent”, zonder de strook ten zuiden van Doel ter hoogte van het “Groot Gat”. Het beroep tot nietigverklaring van dit laatste besluit wordt verworpen bij arrest nr. 180.544 van 6 maart 2008. Op 28 juni 2006 beslist de Europese Commissie de zaak 1998/5005 te sluiten. De redenen hiervoor worden door het Directoraat-Generaal Milieuzaken onder meer als volgt omschreven: “In het kader van de inbreukprocedure heeft de Commissie op 18 januari 2001 een ingebrekestelling naar België gestuurd. De Belgische autoriteiten hebben hierop geantwoord en hebben tevens de Commissie regelmatig op de hoogte gehouden van de stand van zaken in dit dossier. Zo hebben de Belgische X-11.155-9/21 autoriteiten informatie bezorgd over onder meer de ontwikkeling van het havengebied op de Linkerscheldeoever, de uitvoering en monitoring van compenserende maatregelen, het vaststellen van instandhoudingsdoelstellingen en over nieuwe maatregelen die voorzien zijn in het kader van het integrale ontwikkelingsprogramma voor het Schelde-estuarium (‘Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium’) en het geactualiseerde Sigmaplan. (...) In verband met de vernietiging en de verstoring van habitattypen door de uitvoering van de havenuitbreidingsprojecten (het gaat hierbij vooral over slikken en schorren, ecologisch waardevolle polder, weidevogelgebied, riet en water, strand, oevers en plassen) zijn wij van mening dat (

  1. de)Belgische autoriteiten de nodige compenserende maatregelen hebben voorzien om de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000 gebieden te garanderen. (...) Verder stellen wij vast dat het in december 2001 goedgekeurde validatiedecreet (BS 20 december 2001) een uitwerking omvat van de compensatieplicht in het Linkerscheldeoevergebied (...)”. 1.12. Op 2 maart 1999 keurt het Vlaams parlement het decreet houdende het beleid en het beheer van de zeehavens goed (hierna: het havendecreet). Het treedt in werking op 18 april 1999. Artikel 37 van dit decreet brengt een aantal wijzigingen in de linkeroeverwet aan. In artikel 2 van het havendecreet worden een aantal definities opgesomd. Onder “havengebied” wordt begrepen “elke zeehaven en aanhorigheden in het Vlaamse Gewest die een ruimtelijk, economisch of functioneel geheel vormt”. Onder “havengebied van Antwerpen” wordt begrepen “de havens en aanhorigheden gelegen op de rechter- en linkeroever van de Zeeschelde ter hoogte van het grondgebied van de stad Antwerpen, van de gemeente Beveren en van de gemeente Zwijndrecht”. Onder “kanaaldokken” worden begrepen de “dokken en geulen die toegang en doorvaart verlenen in of tot het havengebied”. Krachtens artikel 3, §1 van het havendecreet stelt de Vlaamse regering overeenkomstig de wetgeving op de ruimtelijke ordening de grenzen van de havengebieden, zoals bedoeld in artikel 2, nader vast. Voor de zeehavens gelden de in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen als zeehavengebied afgebakende terreinen. Krachtens artikel 3, §2 van het havendecreet kan de Vlaamse regering de maritieme toegangswegen en de bestanddelen van de haveninfrastructuur, zoals bedoeld in artikel 2, nader bepalen. Artikel 2 van de gewijzigde linkeroeverwet stelt wat volgt: “De begrenzing van het in artikel 1 bedoelde gebied, kan als volgt omschreven worden: X-11.155-10/21 -ten oosten, de grens van de stad Antwerpen vanaf de rijksgrens met Nederland tot de snijding met de gewestweg N49; -ten zuiden, de gewestweg N49, vanaf voormeld snijpunt tot de snijding met de provincieweg N451; -ten westen, de provincieweg N451, met uitzondering van de woonzones der deelgemeenten Kieldrecht en Verrebroek en van de langs deze westelijke grens gelegen lokale bedrijventerreinen; -ten noorden, de rijksgrens met Nederland”. Artikel 3 van de gewijzigde linkeroeverwet stelt wat volgt: “In het L.S.O.-gebied wordt naast zones voor algemene infrastructuur, agrarische gebieden, woongebieden en groengebieden een havengebied onderscheiden. De grenzen en de bestemming van deze zones worden vastgesteld door de Vlaamse regering overeenkomstig de wetgeving op de ruimtelijke ordening. De Maatschappij en het gemeentelijk havenbedrijf van Antwerpen zijn slechts bevoegd in het havengebied”. Artikel 5 van de gewijzigde linkeroeverwet luidt voortaan: “Het havengebied van het L.S.O.-gebied omvat: 1/ een maritieme zone bestaande uit: -de natte infrastructuur, welke overeenkomstig artikel 12 van deze wet door het Vlaamse Gewest aan de havenbeheerder in beheer wordt gegeven; -de daarbij aansluitende terreinen die voor de havenbeheerder noodzakelijk zijn ten behoeve van de eigen exploitatie; -de gebieden ten zuiden van het kanaaldok, alsmede ten noorden een homogene zone omheen het kanaaldok, de insteekdokken en alle andere dokken bestemd voor overslag en havengebonden opslag, alsook de stroken langsheen de Schelde, die bestemd zijn voor de aanleg van meergelegenheden van zee- en binnenschepen; 2/ een industriële zone omheen de in 1/ beschreven zone die er een ruimtelijk, functioneel en economisch geheel mee vormt. De grenzen tussen de in dit artikel genoemde zones worden vastgelegd overeenkomstig de wetgeving op de ruimtelijke ordening”. Krachtens artikel 8, lid 1 van de gewijzigde linkeroeverwet heeft de maatschappij voor het haven-, grond- en industrialisatiebeleid op de linkerscheldeoever tot doel “het grondbeleid voor het havengebied in het L.S.O.-gebied, het industrialisatiebeleid van de industriële zone gelegen binnen dit havengebied en het uitstippelen van het subregionale beleid inzake de verdere ontwikkeling en fasering van het havengebied in het L.S.O.-gebied”. De genoemde maatschappij stelt voor het L.S.O.-gebied samen met het havenbedrijf Antwerpen en de gemeenten binnen haar werkingsgebied een strategisch plan vast. X-11.155-11/21 1.13. De werkgroep Strategisch Plan Linkeroever stelt op 29 april 1999 de nota “Principes met betrekking tot het Strategisch Plan Linkerscheldeoevergebied” op. 1.14. Op 25 mei 1999 verleent de Vlaamse regering goedkeuring aan de nota “Principes met betrekking tot het Strategisch Plan Linkerscheldeoevergebied”. 1.15. Op 1 juni 1999 neemt de Vlaamse regering het besluit houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Kruibeke en Lokeren (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juli 1999) en het besluit houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Sint-Gillis-Waas en Stekene (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 augustus 1999). De schorsing van de tenuitvoerlegging van het eerste besluit wordt bij arrest nr. 87.739 van 31 mei 2000 bevolen. Bij arrest nr. 120.810 van 24 juni 2003 wordt dit besluit vervolgens vernietigd. Een andere vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van beide besluiten wordt bij arresten nrs. 87.877 van 7 juni 2000 en 126.628 van 19 december 2003 verworpen, waarna de afstand van het geding in de bodemprocedure wordt vastgesteld bij arrest nr. 131.238 van 11 mei 2004. 1.16. Bij besluit van 24 augustus 1999 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media wordt aan het gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen de bouwvergunning verleend voor het bouwen in de haven op de linkerscheldeoever (Waaslandhaven) van een nieuw havendok, omvattende in hoofdzaak het bouwen van de kaaimuren van dit getijdendok (Deurganckdok), de aansluiting ervan op de oevers van de Schelde via een met verankerde damwanden verstevigde oeververdediging, het deels opbreken van wegen (jaagpad Sigmadijk, deel Liefkenshoekstraat en “het Geslecht”), het aanleggen van beperkte weginfrastructuur (jaagpad en vervanging van de Liefkenshoekstraat), alsook de aanleg van tijdelijke dijken om een deel van het dok na het vrijbaggeren in gebruik te kunnen nemen mits voor het vrijbaggeren van de kaaimuren deel I en het verder ophogen van de haventerreinen omheen dit dok tot Sigmahoogte een afzonderlijke aanvraag in te dienen. X-11.155-12/21 De schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit wordt bevolen bij arrest nr. 87.740 van 31 mei 2000. Het beroep tot nietigverklaring van dit besluit wordt verworpen bij arrest nr. 115.556 van 7 februari 2003. Bij arrest nr. 87.741 van 31 mei 2000 worden de debatten inzake een andere vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit heropend. Deze vordering wordt vervolgens bij arrest nr. 126.629 van 19 december 2003 verworpen. De Raad van State stelt vervolgens in het arrest nr. 131.239 van 11 mei 2004 de afstand van het geding in de bodemprocedure vast. 1.17. Op 13 juni 2000 neemt de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media het voorwaardelijke besluit houdende afgifte aan het gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen van de bouwvergunning tot het bouwen in de haven op de linkerscheldeoever (Waaslandhaven) van een nieuw havendok, omvattende in hoofdzaak het bouwen van de kaaimuren van dit getijdendok (Deurganckdok), de aansluiting ervan op de oevers van de Schelde via een met verankerde damwanden verstevigde oeververdediging, het deels opbreken van wegen (jaagpad Sigmadijk, deel Liefkenshoekstraat en “het Geslecht”), het aanleggen van beperkte weginfrastructuur (jaagpad en vervanging van de Liefkenshoekstraat), alsook de aanleg van tijdelijke dijken om een deel van het dok na het vrijbaggeren te kunnen in gebruik nemen, het vrijbaggeren van de kaaimuren deel I en het verder ophogen van de haventerreinen omheen dit dok tot Sigmahoogte. De schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit wordt bevolen bij arrest nr. 93.767 van 7 maart 2001. Het besluit wordt vervolgens vernietigd bij arrest nr. 118.229 van 11 april 2003. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit ingediend door een andere verzoekende partij wordt verworpen bij arrest nr. 96.101 van 5 juni 2001. Vervolgens wordt in deze bodemprocedure de afstand van het geding vastgesteld bij arrest nr. 133.203 van 28 juni 2004. 1.18. Bij besluit van de Vlaamse regering van 8 september 2000 wordt het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Sint-Gillis-Waas en Stekene definitief vastgesteld. Bij arrest nr. 109.563 van 30 juli 2002 wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit bevolen voor zover het het grondgebied van de gemeente Beveren betreft. In de bodemprocedure worden de debatten heropend bij X-11.155-13/21 arrest nr. 166.652 van 12 januari 2007 en vervolgens bij arrest nr. 191.264 van 11 maart 2009. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit werd, evenals het beroep tot nietigverklaring, verworpen in de respectieve arresten nrs. 109.564 van 30 juli 2002 en 163.851 van 20 oktober 2006. 1.19. De decreetgever keurt op 14 december 2001 het decreet voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden (hierna: het nooddecreet) goed. Artikel 2 van het nooddecreet bepaalt dat een aantal met naam genoemde werken, handelingen en inrichtingen nodig om het Deurganckdok aan de linkeroever van de Schelde aan te leggen en operationeel te maken, van dwingend groot algemeen en strategisch belang worden verklaard. Tot de bedoelde werken, handelingen en inrichtingen worden ook een aantal compenserende maatregelen gerekend, te nemen in toepassing van artikel 6, leden 2, 3 en 4 van de habitatrichtlijn (artikel 2, 5/ van het nooddecreet). Artikel 3 bepaalt onder meer dat de Vlaamse regering bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunningen voor de bedoelde werken een uitzondering kan maken op de bestemmingen van de plannen van aanleg. Artikel 5 bepaalt dat de stedenbouwkundige vergunningen die ter uitvoering van het decreet worden verleend door de decreetgever bekrachtigd dienen te worden. Artikel 7 legt aan de aanvragers van de stedenbouwkundige vergunningen de verplichting op om alle nodige maatregelen te nemen ter verwezenlijking van de genoemde compenserende maatregelen. Artikel 8 van het decreet luidt als volgt: “De Vlaamse regering besluit tot de opmaak van de nodige ruimtelijke uitvoeringsplannen bedoeld in artikel 37 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, derwijze dat gevolg wordt gegeven aan artikel 2 van dit decreet en aan de artikelen 3 en 4 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand en artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de (habitatrichtlijn), en derwijze dat de aanvragers van de stedenbouwkundige vergunningen bedoeld in artikel 3 van dit decreet de in artikel 7 van dit decreet opgelegde verplichtingen kunnen vervullen”. Artikel 8 voorziet aldus in een opdracht aan de Vlaamse regering om ruimtelijke uitvoeringsplannen op te maken waarin de ruimtelijke bestemmingen in overeenstemming worden gebracht met hetgeen bepaald is in artikel 2, met name met het feit dat de daarin opgesomde werken en compensaties van dwingend groot algemeen en strategisch belang zijn verklaard. Artikel 11 van het decreet bepaalt dat de bijzondere bepalingen die voorzien in de mogelijkheid tot afwijking van de bestemmingen van de bestaande plannen van aanleg en in de X-11.155-14/21 bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen door het Vlaams parlement ophouden uitwerking te hebben van zodra de vergunningverlenende overheid de mogelijkheid heeft om op grond van artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening voor werken, handelingen en inrichtingen van algemeen belang af te wijken van de strijdige bestemmingen, dit wil zeggen van zodra zij kennis heeft van de resultaten van het openbaar onderzoek met betrekking tot een ontwerp van nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan waarmee de bedoelde werken, handelingen en inrichtingen verenigbaar zijn. De vorderingen tot schorsing en de beroepen tot vernietiging van het voormelde decreet van 14 december 2001 worden door het Grondwettelijk Hof verworpen bij arresten nrs. 116/2002 van 26 juni 2002 en 94/2003 van 2 juli 2003. 1.20. De Vlaamse regering verleent op 18 maart 2002 op grond van het nooddecreet aan het gemeentelijk havenbedrijf Antwerpen, de Afdeling Zeeschelde en de N.M.B.S. een achttal stedenbouwkundige vergunningen. Met de arresten nrs. 120.811 van 24 juni 2003 en 154.603 van 7 februari 2006 worden respectievelijk de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en het beroep tot nietigverklaring van deze besluiten verworpen. Deze stedenbouwkundige vergunningen worden, overeenkomstig de procedure bepaald in het nooddecreet, bekrachtigd door het Vlaams parlement bij decreet van 29 maart 2002 houdende bekrachtiging van de stedenbouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse regering op 18 maart 2002 in toepassing van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden. De vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging van het voormelde decreet van 29 maart 2002 worden door het Grondwettelijk Hof verworpen, respectievelijk bij arrest nr. 174/2002 van 27 november 2002 en nr. 151/2003 van 26 november 2003. 1.21. Op 24 mei 2002 neemt de Vlaamse regering het besluit tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1 van de habitatrichtlijn aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones. De hiervoor bedoelde strook ten zuiden van Doel ter hoogte van het “Groot Gat” maakt geen deel uit van het gebied “Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Gent”. Het beroep tot nietigverklaring van dit laatste besluit wordt verworpen bij arrest nr. 180.544 van 6 maart 2008. X-11.155-15/21 1.22. Bij besluit van 9 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beveren wordt aan de n.v. M.S.C. TERMINAL ANTWERP de stedenbouwkundige vergunning verleend voor het bouwen van een containerterminal Westkant Deurganckdok op een perceel gelegen te Beveren-Doel, Doel westkant Deurganckdok. Bij arrest nr. 118.728 van 28 april 2003 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit verworpen. De bodemprocedure is nog hangende. 1.23. De Vlaamse regering stelt bij besluit van 12 november 2004, met toepassing van het hoger vermelde artikel 8 van het nooddecreet, het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Waaslandhaven fase 1 en omgeving” vast en stelt dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bij besluit van 16 december 2005 definitief vast. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit laatste besluit wordt verworpen bij arrest nr. 166.439 van 9 januari 2007. 1.24. Op 29 maart 2002 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beveren een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een asfalt- en betoncentrale met steenslagbehandeling op een terrein gelegen te Beveren-Doel, Blikken (KIE) haven 1748, kadastraal bekend sectie E, nrs. 209/2 dl, 243/2 dl, 243/3 dl, 243/4 dl en 243/5 dl. Een openbaar onderzoek wordt georganiseerd van 5 april 2002 tot 6 mei 2002, naar aanleiding waarvan 1 bezwaarschrift wordt ingediend, met name door de werkgroep Natuurreservaten. Het bezwaarschrift wordt door het college van burgemeester en schepenen ongegrond verklaard. Op 5 augustus 2002 wordt de aanvraag gunstig geadviseerd door de gemachtigde ambtenaar. Met het thans bestreden besluit van 12 augustus 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij. 2. Ontvankelijkheid 2.1. In zijn verzoekschrift voert de verzoeker, samengevat, ter adstruering van zijn belang aan dat hij, samen met zijn echtgenote en vijf kinderen, X-11.155-16/21 woont in de -sedert 1986 gehuurde- oude hoeve “gelegen op het einde van de Oud Arenbergstraat” en “in de rand van het natuurgebied ‘De Putten’”, dat “hun woonklimaat, leefmilieu, gezondheid en veiligheid (...) (worden) bedreigd (...) door de bestreden beslissing” die “de bouw van een kolossale betoncentrale op 300 meter van de woning” op “een terrein van niet minder dan 10 hectaren (...) in natuurgebied” toelaat, dat hij “het vereiste belang (heeft) om zich tegen de verminking van zijn woongebied te verzetten” dat “nog steeds een bij uitstek landelijke omgeving (
  2. is)met een enorme schat aan natuurwaarden” waarvan “een aanzienlijk deel (direct 10
  3. ha)(...) (dat) verzoeker omring(
  4. t)(...) onmiddellijk (wordt) vernietigd en (...) dus de levenskwaliteit van verzoeker en zijn gezin, evenals hun woonklimaat (vermindert), dat “de (lager gelegen) Putten Weiden waar verzoeker woont, (...) door de betwiste bouwwerken en betonneringen (zal) opdrogen en dus in zijn natuurlijke kenmerken worden aangetast”, dat “de exploitatie van de beton- en asfaltcentrale en steenslagbehandeling enorme hinder zal veroorzaken: lawaai, zeer veel stofschade en stofhinder”, dat “de bestreden beslissing (...) een herstelbare verminking van het landschap” veroorzaakt omdat zij “toe(laat) gebouwen van in totaal vele hectaren oppervlakte op te trekken met een hoogte die varieert tussen de 3,5 en 6 meter” en installaties te plaatsen van “24 meter voor de betoncentrale en 22 meter voor de asfaltcentrale” en “transportbanden in de overslagzone (...) op een hoogte van 30 m”, dat “een dijk van ongeveer viereneenhalve meter hoogte (...) op een zekere afstand tussen het erf van verzoeker en het litigieuze gebied (...) niet (zal) verhinderen dat de installaties en de gebouwen die op nog geen 300 meter gelegen zijn zeer goed zichtbaar zullen zijn en het unieke polderlandschap zullen verstoren”, dat “de in de milieuvergunning voorziene groenomheining van 5 meter hoogte (...) slechts een schaamlapje (is)”, dat “de vergunde werken (...) de omgeving relatief onveilig en vervuilend (zullen) maken door de enorme toename van het verkeer dat onvermijdelijk zal ontstaan” en dat “dus een ganse metamorfose dreigt, zowel visueel-landschappelijk als kwalitatief”. 2.2. De verwerende partijen werpen een exceptie van onontvankelijkheid op wegens gemis aan het naar het recht vereiste belang. Zij betogen dat de verzoeker zich “precair gevestigd (heeft) sedert 1986 (...) mits betaling van een symbolische huurprijs, in een onteigende hoeve (...) gelegen in havengebied dat in het gewestplan van 1978 bestemd was als industriegebied” waarvan “de realisatie (...) volop aan de gang (was)”, dat “het nadeel dat verzoeker wenst te voorkomen (...) het gevolg (
  5. is)van de bestemming van het gebied tot industriegebied”, dat de verzoeker “zich op 20 meter van het opgehoogde X-11.155-17/21 industriegebied (bevindt)” en “kijkt (...) op de muur van die ophoging” zodat “er (...) geen enkele mogelijkheid (
  6. is)om uit de gelijkvloerse ruimten van de woning enig uitzicht te hebben op wat er zich 300 tot 500 meter verder en 6 meter afspeelt”, dat “er (...) geen hinder (zal) zijn van het bedrijf, noch geur, noch specifiek geluid dat anders is dan hetgeen er voordien was en herkenbaar in het globale havengeluid, noch lichthinder”. 2.3. De verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord samengevat dat hij de woning huurt en er met zijn gezin woont, dat de bestemming industriegebied door het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 “werd overruled”, dat het feit dat zijn vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij gebrek aan moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd afgewezen, niet betekent dat hij geen belang heeft bij zijn huidig beroep, dat de afstand tussen zijn perceel en het perceel van de projectzone klein is “gelet op (
  7. de)omvang van het project (10ha) en (...) de aard van het gebied, zijnde de bestemming SBZ-V van zowel de projectzone als de ganse Putten”, dat “een aanzienlijk stuk natuur in hun omgeving (...) door de bestreden beslissing voorgoed teniet (wordt) gedaan” terwijl “de op grond van de bekrachtigde bouwvergunning B uitgevoerde werken (...) nog herstelbaar (zouden) kunnen zijn” en “de betonnering van 10 ha (...) ieder herstel (verhindert)” zodat de “verzoeker en zijn gezin van deze plek in zijn onmiddellijke omgeving niet meer (kunnen) genieten”, dat “niet alleen (...) dieren (worden) verjaagd, doch ook de bodem en de ondergrond word(
  8. en)bedreigd waardoor verzoeker, zijn gezin en hun woning rechtstreekse risico’s lopen”, dat “er (...) verkeersoverlast (
  9. is)vanwege de aanrijdende vrachtwagens” alsook “geluidshinder, doch vooral lichthinder” omdat “niet enkel het gebied van 10 hectaren zelf verlicht wordt, doch tevens de omgeving”. 2.4. De tussenkomende partij betwist eveneens het belang van de verzoeker. Zij betoogt dat “een onderscheid moet gemaakt worden tussen, enerzijds, het nadeel dat voortvloeit uit de exploitatie van de inrichting en, anderzijds, het nadeel dat voortvloeit uit de loutere oprichting van het betreffende gebouw” en dat de beweerde aantasting van woonklimaat, leefmilieu, gezondheid en veiligheid van de verzoeker “enkel en alleen (door) de exploitatie van de inrichting” kan worden veroorzaakt, dat het terrein “in uitvoering van ‘bouwvergunning B’ (...) niet bouwrijp (werd) gemaakt om het nadien te laten liggen, zodat niet ernstig kan betwist worden dat de definitieve aantasting van tien

(10)hectaren natuurgebied haar rechtstreekse oorzaak vindt in ‘bouwvergunning B’”, en dat de woning van de X-11.155-18/21 verzoeker op een afstand van 300 m tot 500 m van de projectzone is gelegen en de gebouwen van de asfalt- en betoncentrale niet zichtbaar zijn voor de verzoeker. 2.5. De verzoeker betoogt in de laatste memorie dat aan het arrest waarin de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wegens gebrek aan moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt verworpen geen gezag van gewijsde kleeft voor wat de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring betreft, dat hij door de bouw van de dijk van 5 à 6 m hoog “geen rechtstreeks zicht meer (heeft) op de beton- en asfaltcentrale en steenslagbehandeling”, dat van een afstand van 20 m achter de woning van de verzoeker “de transportbanden in de overslagzone (...) zeer duidelijk zichtbaar (zijn) en dat “de plaatsing van de verlichting in de bestreden vergunning (
  1. is)begrepen”. 2.6. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op het oprichten van een havengebonden industrieel complex tussen het Doeldok en de bufferdijk op een terrein van ongeveer 200 m op 500 m waarbij enerzijds magazijnen, een garage, burelen en personeelsruimten met een gezamenlijke vloeroppervlakte van meerdere honderden m² en een bouwhoogte die varieert tussen 3,5 en 6,25 m, en anderzijds installaties voor de beton- en asfaltcentrale met een hoogte van respectievelijk 24 m en 22 m en transportbanden op een hoogte van 30 m in de overslagzone worden opgericht. 2.7. Verder blijkt daaruit dat een bedieningsweg onder andere zorgt voor een westelijke ontsluiting die tussen het vergunde terrein en de bufferdijk en langs de oever van het Doeldok is gelegen, dat het vergunde project zich langs de westkant van het Doeldok bevindt waar voorheen geen havenactiviteiten ontwikkeld werden en op ongeveer 300 m van het natuurgebied “de Putten” aan de andere zijde van de bufferdijk is gelegen, waar de verzoeker woont. 2.8. Het wordt niet betwist dat de afstand tussen de woonplaats van de verzoeker en het dichtste punt van de bij het bestreden besluit vergunde werken circa 300 m bedraagt. De verzoeker toont aan dat de transportbanden in de overslagzone van het vergunde terrein vanuit de Oud Arenbergstraat op zo’n 20 m van zijn woonplaats kunnen worden waargenomen. X-11.155-19/21 2.9. Gelet op de aard en de omvang van het vergunde industrieel complex moet in de gegeven omstandigheden worden aangenomen dat de verzoeker doet blijken van het rechtens vereiste belang, ook al bedraagt de afstand van zijn woonplaats, waarop hij huurrechten laat gelden, tot het betrokken complex circa 300 m en heeft hij hierop geen rechtstreeks zicht vanuit zijn woning door de aanwezigheid van de bufferdijk. 2.10. Het vereiste belang kan niet gelijkgesteld worden met de schorsingsvereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De verwijzing naar de verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging op grond van het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is dan ook niet dienend. 2.11. De exceptie is niet gegrond. 2.12. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat heeft zijn op grond van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgemaakte verslag over de zaak met toepassing van artikel 24, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt tot het onderzoek van de voormelde exceptie van niet ontvankelijkheid. Het is noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat de zaak verder door een lid van het auditoraat wordt onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. Er is reden de debatten te heropenen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-11.155-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.155-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.692 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.599 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.