← België

Arrest 192696 - Plannen van aanleg - 27/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.696 Rolnummer: Zaak: Arrest 192696 - Plannen van aanleg - 27/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:02 Fiche Arrest nr 192.696 van 27 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging bekendmaking Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.696 van 27 april 2009 in de zaken I. A.84.327/X-

  1. II. A.84.328/X-
  2. III. A.84.329/X-
  3. IV. A. 96.206/X-
  4. V. A.96.245/X-
  5. VI. A.96.182/X-
  6. VII. A.96.204/X-
  7. VIII. A.96.201/X-
  8. IX. A.96.183/X-
  9. X. A.96.203/X-
  10. XI. A.96.250/X-
  11. XII. A.96.246/X-
  12. XIII. A.94.919/X-
  13. XIV. A.96.200/X-
  14. XV. A.96.202/X-
  15. XVI. A.96.205/X-
  16. XVII. A.96.247/X-
  17. XVIII. A.96.248/X-
  18. XIX. A.96.249/X-
  19. I. In zake : Walter SOMERS, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen : de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  20. II. In zake : Antoon DE WISPELAERE, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-1/30 tegen : de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  21. III. In zake : Charly DELODDER, vertegenwoordigd door zijn ouders : Michel DELODDER, Daniëlle HANSMA, die woonplaats kiezen bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen : de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  22. IV. In zake : Jan WILLEMS, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  23. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  24. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  25. V. In zake : Jozef VANDERMEULEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  26. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-2/30 advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  27. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  28. VI. In zake : Hans GHYSSAERT, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  29. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  30. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  31. VII. In zake : Paul DAEMS, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  32. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  33. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  34. VIII. In zake : de n.v. EDEGEM REAL ESTATE, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-3/30
  35. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  36. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  37. IX. In zake : Frederic WILDIERS, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  38. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  39. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  40. X. In zake : Johan VERSTEYHE, wonende te 2650 EDEGEM, Onafhankelijkheidstraat 26 tegen :
  41. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  42. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  43. XI. In zake : de n.v. PABLO, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-4/30 tegen :
  44. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  45. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  46. XII. In zake : Robert DEN HARTIGH, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  47. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  48. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  49. XIII. In zake : de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat M. BOES, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen: het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat
  50. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-5/30 tussenkomende partijen :
  51. Jan WILLEMS,
  52. François HOTTLET (overleden), rechtsgeding hervat door: 1.Fabienne HENCKES, 2.Charline HOTTLET, 3.Sebastian HOTTLET, 4.Gaelle HOTTLET, 5.Thomas HOTTLET die woonplaats kiezen bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir
  53. XIV. In zake : Charly DELODDER, vertegenwoordigd door zijn ouders: Michel DELODDER, Daniëlle HANSMA, die woonplaats kiezen bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  54. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  55. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  56. XV. In zake :
  57. Maria BONJEAN,
  58. Eva TRAEY,
  59. Ludo LAUWERS,
  60. Clara VAN POUCKE,
  61. Caroline MAHIEU,
  62. Marianne STEVENS, die woonplaats kiezen bij advocaat E. EMPEREUR, kantoor houdende te 2600 BERCHEM, Uitbreidingstraat 2 tegen :
  63. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-6/30 kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  64. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  65. XVI. In zake : Raymond LANGERWERF, wonende te 2650 EDEGEM, Molenlei 207 tegen :
  66. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  67. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  68. XVII. In zake : Antoon DE WISPELAERE, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  69. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  70. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  71. XVIII. In zake : Walter SOMERS, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen : X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-7/30
  72. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  73. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  74. XIX. In zake : François HOTTLET (overleden), rechtsgeding hervat door:
  75. Fabienne HENCKES,
  76. Charlie HOTTLET,
  77. Sebastien HOTTLET,
  78. Gaelle HOTTLET,
  79. Thomas HOTTLET, die woonplaats kiezen bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 tegen :
  80. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7,
  81. de gemeente EDEGEM, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  82. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Walter SOMERS op 21 juni 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 maart 1999 van de gemeenteraad van de gemeente Edegem waarbij het ontwerp tot bijzonder plan van aanleg nr.1 “Mussenburg” - 4e herziening en het bijbehorende onteigeningsplan voorlopig worden goedgekeurd (A.84.327/X-8965);(I) X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-8/30 Gezien het verzoekschrift dat Antoon DE WISPELAERE op 25 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (A.84.328/X-8967);(II) Gezien het verzoekschrift dat Charly DELODDER, vertegenwoordigd door zijn ouders Michel DELODDER en Daniëlle HANSMA, op 25 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (A.84.329/X-8968);(III) Gezien het verzoekschrift dat Jan WILLEMS op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 juni 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende goedkeuring van het wijzigingsplan van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” - 4e herziening, van de gemeente Edegem (zaak A.96.206/X-9812);(IV) Gezien het verzoekschrift dat Jozef VANDERMEULEN op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (zaak A.96.245/X-9817);(V) Gezien het verzoekschrift dat Hans GHYSSAERT op 3 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (zaak A.96.182/X-9805);(VI) Gezien het verzoekschrift dat Paul DAEMS op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (zaak A.96.204/X-9810);(VII) Gezien het verzoekschrift dat de n.v. EDEGEM REAL ESTATE op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (zaak A.96.201/X-9807);(VIII) Gezien het verzoekschrift dat Frederic WILDIERS op 3 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (zaak A.96.183/X-9806);(IX) X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-9/30 Gezien het verzoekschrift dat Johan VERSTEYHE op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (zaak A.96.203/X-9809);(X) Gezien het verzoekschrift dat de n.v. PABLO op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (zaak A.96.250/X-9822);(XI) Gezien het verzoekschrift dat Robert DEN HARTIGH op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit (zaak.. A.96.246/X-9818);(XII) Gezien het verzoekschrift dat de gemeente EDEGEM op 28 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 juni 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende goedkeuring van het wijzigingsplan van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” - 4e herziening, van de gemeente Edegem, “inzoverre in het artikel 1 wordt bepaald ‘mits uitsluiting van de blauw omrande delen van het bestemmingsplan en van het onteigeningsplan’” (zaak A.94.919/X-9741);(XIII) Gezien het verzoekschrift dat Charly DELODDER, vertegenwoordigd door zijn ouders Michel DELODDER en Daniëlle HANSMA, op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  83. het besluit van 16 december 1999 van de gemeenteraad van de gemeente Edegem waarbij de vierde herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” definitief wordt aangenomen, en
  84. het besluit van 22 juni 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende goedkeuring van het wijzigingsplan van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” - 4e herziening, van de gemeente Edegem (zaak A.96.200/X-9794);(XIV) Gezien het verzoekschrift dat Maria BONJEAN, Eva TRAEY, Ludo LAUWERS, Clara VAN POUCKE, Caroline MAHIEU en Marianne STEVENS op 4 oktober 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-10/30
  85. het besluit van 16 december 1999 van de gemeenteraad van de gemeente Edegem waarbij de vierde herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” definitief wordt aangenomen, en
  86. het besluit van 22 juni 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende goedkeuring van het wijzigingsplan van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” - 4e herziening, van de gemeente Edegem, “in zover de bestreden beslissingen de bepalingen van het bijzonder plan van aanleg goedkeuren die een bufferzone voorzien rond het bestaande recreatiegebied aan de Molenlei” (zaak A.96.202/X-9808);(XV) Gezien het verzoekschrift dat Raymond LANGERWERF op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  87. het besluit van 16 december 1999 van de gemeenteraad van de gemeente Edegem waarbij de vierde herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” definitief wordt aangenomen, en
  88. het besluit van 22 juni 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende goedkeuring van het wijzigingsplan van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” - 4e herziening, van de gemeente Edegem (zaak A.96.205/X-9811);(XVI) Gezien het verzoekschrift dat Antoon DE WISPELAERE op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde besluiten (zaak A.96.247/X-9819);(XVII) Gezien het verzoekschrift dat Walter SOMERS op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde besluiten (zaak A.96.248/X-9820);(XVIII) Gezien het verzoekschrift dat François HOTTLET op 4 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde besluiten (zaak A.96.249/X-9821);(XIX) Gelet op het arrest nr. 83.777 van 1 december 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub I; X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-11/30 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 27 januari 2000 ingediend door de verzoeker in de zaak sub I; Gelet op het arrest nr. 96.449 van 13 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen in de zaak sub XIV; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 25 juli 2001 ingediend door de verzoeker in de zaak sub XIV; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 3 augustus 2001 ingediend door Jan WILLEMS in de zaak sub XIII; Gelet op de beschikking van 10 augustus 2001 die de tussenkomst van Jan WILLEMS toelaat in de zaak sub XIII; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 3 augustus 2001 ingediend door François HOTTLET in de zaak sub XIII; Gelet op de beschikking van 4 september 2003 die de tussenkomst van François HOTTLET toelaat in de zaak sub XIII; Gezien het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Edegem waaruit blijkt dat François HOTTLET is overleden op 2 juli 2002; Gezien het verzoekschrift van 10 november 2003 van Fabienne HENCKES, Charline HOTTLET, Sebastian HOTTLET, Gaelle HOTTLET en Thomas HOTTLET, die verklaren het geding te hervatten voor François HOTTLET in de zaak sub XIII; Gezien het verzoekschrift van 12 mei 2004 van Fabienne HENCKES, Charline HOTTLET, Sebastian HOTTLET, Gaelle HOTTLET en Thomas HOTTLET, die verklaren het geding te hervatten voor François HOTTLET in de zaak sub XIX; X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-12/30 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in alle zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET in alle zaken; Gelet op de beschikkingen van 30 maart 2004 en 31 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten in alle zaken; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij in de zaak sub XIII; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories in de zaken sub I, II, III en IV; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en de gemeente Edegem in de zaken sub V, VI, VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIV, XV, XVI, XVII, XVIII en XIX; Gelet op de beschikkingen van 28 november 2008, 8 december 2008 en 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS in alle zaken; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker in de zaak sub XVI, van advocaat P. MALLIEN, die verschijnt voor de verzoekers in de zaken sub I, II, III, IV, V, VI, VII, IX, XI, XII, XIV, XVII, XVIII en XIX en voor de tussenkomende partijen in de zaak sub XIII, van advocaat Ph. WINDERICKX, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub VIII, van advocaat W. MERTENS, die loco advocaat M. BOES verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub XIII, van advocaat I. VAN GIEL, die loco advocaat E. EMPEREUR verschijnt voor de verzoekende partijen in de zaak sub XV, van advocaat G. BERVOETS, die verschijnt voor het Vlaamse Gewest, en van advocaat H. SEBREGHT, die verschijnt voor de gemeente Edegem; X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-13/30 Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  89. De rechtspleging 1.
  90. De samenvoeging 1.1.1.
  91. In de zaken A.84.327/X-8965, A.84.328/X-8967 en A.84.329/X-8968 vragen de verzoekers in hun laatste memorie de samenvoeging met de zaken gekend onder respectievelijk A.96.248/X-9820, A.96.247/X-9819 en A.96.200/X-9794 “wegens verknochtheid”. In de zaken A.96.247/X-9819, A.96.248/X-9820 en A.96.200/X-9794 vragen de verzoekers de samenvoeging met de zaken gekend onder respectievelijk A.84.328/X-8967, A.84.327/X-8965 en A.84.329/X-
  92. 1.1.1.
  93. In de zaken A.96.245/X-9817, A.96.182/X-9805, A.96.249/X- 9821, A.96.200/X-9794, A.96.204/X-9810, A.96.247/X-9819, A.96.201/X-9807, A.96.206/X-9812, A.96.183/X-9806, A.94.919/X-9741, A.96.202/X-9808, A.96.205/X-9811, A.96.203/X-9809, A.96.250/X-9822, A.96.246/X-9818 en A.96.248/X-9820 stelt de eerste verwerende partij dat het past alle zaken die dezelfde problematiek van de vierde herziening van het BPA nr. 1 “Mussenburg” van de gemeente Edegem betreffen, met samenhang te behandelen. 1.1.
  94. De beroepen zijn dermate verknocht dat het in het raam van een goede rechtsbedeling past de zaken samen te voegen. 1.
  95. Afstand in de zaak A.96.182/X-9805 De verzoeker doet ter terechtzitting afstand van het geding. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-14/30
  96. De gegevens van de zaken 2.
  97. De verzoeker in de zaak gekend onder A.96.206/X-9812 is eigenaar van een onroerend goed gelegen te Edegem, Mechelsesteenweg
  98. Meer bepaald gaat het om een perceel dat via een dreef leidt naar een onroerend goed, zijnde een kasteel, gelegen in een binnengebied tussen de Boniverlei, de Lourdeslaan en de Mussenburglei. Dit perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen in parkgebied. Het is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg”- 3e herziening, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 27 oktober 1981, van de gemeente Edegem. 2.
  99. Op 13 februari 1985 beslist de Minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening dat het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” van de gemeente Edegem dient te worden te herzien. 2.
  100. Op 25 maart 1999 beslist de gemeenteraad van de gemeente Edegem het ontwerp tot bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” - 4e herziening en het bijbehorende onteigeningsplan voorlopig goed te keuren. Dit is het bestreden besluit in de zaken A.84.327, A.84.328 en A.84.
  101. Hierbij overweegt de gemeenteraad onder meer het volgende : “Overwegende dat het BPA nr. 1 ‘Mussenburg’, begrensd door de Molenlei, Oude Baan, Mechelsesteenweg, Hovestraat, Strijdersstraat en Oude-Godstraat, moet worden geactualiseerd en aangepast vanuit een ruimere en evoluerende stedenbouwkundige context; Overwegende dat het plangebied ingevolge het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen gelegen is in het grootstedelijk gebied Antwerpen maar tezelfdertijd zowel binnen Edegem als naar de ruimere omgeving toe een belangrijke groene functie vervult en ook grotendeels daaruit zijn kwaliteiten put; Overwegende dat men door verdichting van de dorpskern, de verweving van verschillende functies onderling, en aandacht voor open en groene ruimte, de centrumsfeer en waardevolle panden een herwaardering krijgt van de woonbuurt; Overwegende dat voor de realisatie van die stedenbouwkundige doelstellingen en de gewenste ruimtelijke structuur binnen het plangebied, de tussenkomst van de gemeente noodzakelijk zal zijn en daartoe een onteigeningsplan bij dit BPA moet worden opgemaakt”. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-15/30 2.
  102. Volgens de bestemmingsvoorschriften van dit besluit komt verzoekers eigendom te liggen binnen een parkzone met ecologische en landschappelijke waarde. De dreef die naar het perceel van de verzoeker leidt, wordt bijkomend ingekleurd als waardevolle dreef. 2.
  103. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek, dat georganiseerd wordt van 26 april 1999 tot 26 mei 1999, worden 542 schriftelijke bezwaren en opmerkingen ingediend, 1 petitielijst met 1632 handtekeningen en 8 adresloze kindertekeningen. 2.
  104. Op 24 november 1999 bespreekt de gemeentelijke commissie van advies het project met de bezwaren en brengt zij een gunstig advies uit. 2.
  105. In zitting van 16 december 1999 beslist de gemeenteraad van de gemeente Edegem tot de definitieve aanneming van het betreffende BPA. Dit is één van de bestreden besluiten in de zaken A.96.200/X- 9794, A.96.202/X-9808, A.96.205/X-9811, A.96.247/X-9819, A.96.248/X-9820 en A.96.249/X-
  106. 2.
  107. Op 9 maart 2000 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een gedeeltelijk gunstig advies uit over de vierde herziening van het BPA. 2.
  108. Op 15 mei 2000 rappelleert de gemeente Edegem de Minister. 2.
  109. Bij besluit van 22 juni 2000 keurt de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” - 4e herziening van de gemeente Edegem goed, mits uitsluiting van de blauwomrande delen van het bestemmingsplan en van het onteigeningsplan. Dit is het bestreden besluit in de zaken A.96.206/X-9812, A.96.245/X-9817, A.96.182/X-9805, A.96.204/X-9810, A.96.201/X-9807, A.96.183/X-9806, A.96.203/X-9809, A.96.250/X-9822, A.96.246/X-9818, A.94.919/X-9741, A.96.200/X-9794, A.96.202/X-9808, A.96.205/X-9811, A.96.247/X-9819, A.96.248/X-9820 en A.96.249/X-
  110. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-16/30
  111. De ontvankelijkheid 3.
  112. De ontvankelijkheid in de zaken A.84.327, A.84.328 en A.84.329 3.1.1.
  113. In de zaak A. 84.327 betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep op de volgende wijze : “III.
  114. Geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling : De procedure tot opmaak of herziening van een bijzonder plan van aanleg voltrekt zich in verschillende, nauwkeurig te onderscheiden fasen. Na de eventuele beslissing tot inherzieningstelling door de bevoegde minister, wordt de eerste fase van opmaak afgerond met de voorlopige vaststelling door de gemeenteraad, of, bij gebreke aan tijdige opmaak, door de minister die in de plaats treedt. Na het openbaar onderzoek en de vereiste adviesinwinning en het openbaar onderzoek, kan de gemeenteraad overgaan tot definitieve goedkeuring van het plan. Dit plan wordt dan ter advies voorgelegd aan de Bestendige deputatie, waarna het uiteindelijk door de bevoegde minister kan worden goedgekeurd. Vanaf dat ogenblik krijgt het verbindende en verordenende kracht. Uw Raad heeft geoordeeld dat slechts het uiteindelijke goedkeuringsbesluit op ministerieel niveau een aanvechtbare administratieve rechtshandeling uitmaakt. De definitieve goedkeuring op gemeentelijk niveau, a fortiori de voorlopige aanvaarding van het ontwerpplan door de gemeenteraad, zijn dat niet. (...) De Raad van State poneert het voorbereidende en niet-griefhoudende karakter van de ‘lokale’ goedkeuring, en derhalve de onontvankelijkheid van het ertegen ingestelde beroep, desnoods ambtshalve op te werpen. A fortiori geschiedt zulks voor de voorlopige aanname, die het openbaar onderzoek en de advieswinning voorafgaat. De definitieve gemeentelijke goedkeuring, die enkel nog ter advies aan de Deputatie en ter goedkeuring aan de minister dient voorgelegd, wordt aanzien als een op zichzelf niet griefhoudende beslissing. Voor de voorlopige aanvaarding, die per definitie precair is gelet op de afwezigheid in het dossier van enig bezwaar of advies voortspruitende uit de geijkte procedures van openbaar onderzoek resp. adviesvergaring, geldt dat des te meer. (...) Zeker gelet op de feitelijke omstandigheden van voorliggend dossier, waaruit blijkt dat honderden bezwaarschriften zijn ingediend en kritische adviezen zijn uitgebracht, is de voorlopige aanvaarding van het ontwerpplan precair. Op het ogenblik van de voorlopige aanname was het dossier van de gemeente bepaald door aan de ontwerper gebonden reflecties en beleidsideeën. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek en de adviesopvraging wordt per definitie een nieuwe invalshoek geboden. Zulks is eigen aan deze procedurefase en maakt er eenvoudig het oogmerk van uit. Het democratisch proces voltrekt zich in deze fase. Pas nadien zal de gemeenteraad zich, met volledige kennis van de relevante opinies, definitief uitspreken over het voorgestelde BPA. Eerder neemt geen betrokken overheid een bindende en uitvoerbare beslissing. Een andere stelling aankleven betekent de negatie van de uitgebalanceerde decretale procedure inzake opmaak en herziening van gemeentelijke aanlegplannen. Het voorlopige en voor wijziging vatbare aanvaardingsbesluit van de gemeenteraad is een uitgangspunt voor de opmaak-/herzieningsprocedure. In casu blijkt, gelet op het intensieve en vruchtbare openbare onderzoek, dat de definitieve stellingname door de gemeenteraad nog niet gebeurd is. Op straffe X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-17/30 van onwettigheid komt die definitieve stellingname slechts vast te liggen bij definitieve goedkeuring op gemeentelijk niveau, hetgeen geschiedt met volledige kennis van zaken en incorporatie van de gegronde bezwaren en adviezen. Een gerechtelijke procedure tegen de eerste, voorlopige aanname is dan ook voorbarig. De in het voorlopig aanvaarde ontwerpplan geopperde inzichten worden luidens het stedenbouwdecreet ter beoordeling voorgelegd binnen het kader van een openbaar onderzoek. Elke belanghebbende kan via de geijkte weg zijn grieven en opmerking uiten. De decretale procedure op zich bevat m.a.w. reeds de gepaste middelen om zijn standpunt naar voor te brengen. Die bezwaarprocedure is nuttig omdat geen definitieve beslissing voorligt. De aanvechting van de niet-definitieve beslissing langs gerechtelijke weg is daarentegen voorbarig en ontoelaatbaar. De geest van de decretale procedure en de plaats van de voorlopige goedkeuring door de gemeenteraad daarin, staat volkomen haaks op de notie van de definitieve, uitvoerbare administratieve rechtshandeling die voor Uw Raad middels een schorsings- en annulatieverzoek kan worden bestreden. Een dusdanige classificatie van de voorlopige aanvaarding van een ontwerp-BPA miskent het fundamenteel voorbereidende karakter ervan. Een procedure is voorbarig en dus onontvankelijk. BAERT en DEBERSAQUES besluiten op grond van de rechtspraak van Uw Raad terecht: ‘Een reglement of besluit dat nog in de ontwerp-fase is, kan niet aangevochten worden’. De notie ‘ontwerpplan’ geeft expliciet aan dat de voorliggende fase slechts de voorbereidende ontwerp-fase betreft. Er is nog geen definitief standpunt ingenomen. In dezelfde lijn oordelen genoemde auteurs : ‘Aan goedkeuring onderworpen beslissingen kunnen normaal slechts worden aangevochten na de goedkeuring ervan’. In casu is nog een dubbele goedkeuring vereist. Eerstens dient de gemeenteraad zich na het openbaar onderzoek en de adviesinwinning opnieuw over het plan te buigen en het zelf al dan niet, en al dan niet in gewijzigde vorm, goed te keuren. Nadien volgt het advies van de Bestendige Deputatie en gebeurlijk de goedkeuring door de Vlaamse Executieve. Kan men de initiële aanname van het ontwerpplan in die omstandigheden werkelijk als een aanvechtbare administratieve rechtshandeling aanzien ... ? Weliswaar is het zo dat luidens artikel 43, §5, eerste lid, van het stedenbouwdecreet dd. 22.10.1996 een bouwvergunning kan geweigerd worden wanneer de aanvraag in strijd is met een ‘voorlopig vastgesteld bijzonder plan van aanleg’. Ofschoon in casu de voor verzoeker relevante bouwwerken reeds vergund en gerealiseerd zijn, zouden de kansen van een eventuele (verbouwings)aanvraag in theorie beïnvloed kunnen worden door de bestreden beslissing. Hieruit leidt verzoeker af dat deze beslissing direct, zeker en definitief ingrijpt op zijn rechtstoestand. Bij nader inzien faalt deze stelling echter. Het is niet voor redelijke discussie vatbaar dat de aangevochten voorlopige aanvaarding een handeling betreft voorafgaand aan een beslissing. Een bepaalde besluitname wordt in een eerste fase door de voorlopige aanname van het ontwerpplan voorbereid. Vraag is dan of die voorbereidende handeling op zichzelf reeds aan de voorwaarden voldoet om als een voor Uw Raad aanvechtbare rechtshandeling te kunnen bestempeld worden. De rechtspraak heeft de criteria hiertoe strak omlijnd en vastgelegd : ‘Handelingen voorafgaand aan een beslissing zijn in beginsel niet vatbaar voor vernietiging, behoudens indien zij een zeker en definitief schadelijk gevolg hebben gehad (...)’. In principe zijn - aldus de vaste rechtspraak - voorbereidende handelingen niet aanvechtbaar. Uitzonderlijk kunnen ze dit wel zijn onder geciteerde voorwaarde. Bijgevolg moet enkel onderzocht worden of de aangevochten voorbereidende beslissing, ondanks haar voorbereidend karakter, van aard is X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-18/30 zekere en definitieve schadelijke gevolgen teweeg te brengen. Dit doet zij niet. Zoals eerder gezegd bepaalt artikel 43, §2, vijfde lid, stedenbouwdecreet als volgt : ‘De vergunning kan worden geweigerd of vernietigd om redenen dat de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld plan van aanleg’. Gesteld al dat dergelijke vergunningsaanvraag door verzoeker zou worden ingediend (er wordt niet voorgehouden dat zulks vooralsnog de bedoeling zou zijn) en behandeld onder gelding van het ontwerpplan (hetgeen geen verplichting is voor de gemeentelijke overheid, en noch minder voor de in beroep oordelende instanties), zou een gebeurlijk op het ontwerpplan gegronde vergunningsweigering voor verzoeker nooit zekere en definitieve schade betekenen op de enkele grond van dat ontwerpplan. Immers, artikel 43, §5, eerste lid, stedenbouwdecreet bepaalt expliciet : ‘Wordt een vergunning geweigerd of vernietigd om de enige reden dat de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld bijzonder plan van aanleg, dan vervalt de weigering of de vernietiging indien het plan geen bindende kracht heeft verkregen binnen de drie jaar na de weigering of de vernietiging van de vergunning’. Uit deze bepaling vloeit onmiskenbaar voort dat het niet-goedgekeurde ontwerpplan op zich geen rechtsgevolgen kan genereren. Het behoeft per definitie, krachtens de uitdrukkelijke wettekst, tijdige goedkeuring én bekrachtiging. Deze dubbele goedkeuring - op gemeentelijk én gewestelijk niveau - is onontbeerlijk teneinde de beslissing op grond van het voorlopige plan te handhaven. In geen enkel geval is het ontwerpplan van aard enig zeker en definitief schadelijk rechtsgevolg te creëren. Ofwel vervalt de beslissing genomen op grond van dat ontwerpplan, en daarmee ook elk rechtsgevolg, ofwel verleent enkel de tweede, ministeriële goedkeuring definitief en zeker rechtskracht aan de vergunningsbeslissing, zodat opnieuw geen gevolgen voortvloeien uit de enkele voorlopige aanvaarding. Opnieuw legt genoemde bepaling het zuiver precair karakter van de voorlopige aanvaarding bloot. Eventuele rechtsgevolgen zijn volstrekt afhankelijk van een binnen bepaalde tijdspanne uit te brengen goedkeuring. Het spreekt voor zich dat in die omstandigheden enkel deze latere goedkeuring het zekere en definitieve rechtsgevolg sorteert, en aldus aanvechtbaar is. Van het volgens genoemde rechtspraak uitzonderlijke geval waarin een voorbereidende handeling vatbaar kan zijn voor vernietiging, is hoegenaamd geen sprake. De vordering is onontvankelijk. De analogie die verzoeker in zijn verzoek tot voortzetting tracht voor te houden is onbestaande. Hij meent dat een ontwerp-BPA aanvechtbaar is aangezien een opname op een ontwerp van lijst in het kader van de monumentenbescherming dat evenzeer is. Er is tussen beide echter geen vergelijking mogelijk. Krachtens artikel 5, §7, van het Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten zijn op in ontwerp beschermde onroerende goederen automatisch, vanaf de betekening, alle rechtsgevolgen die gepaard gaan met een bescherming van toepassing. Dit betekent dat de betrokken eigenaar onmiddellijk een heel aantal eigendomsrestricties (erfdienstbaarheden) dient te respecteren, waardoor de ontwerp-bescherming direct en onherroepelijk ingrijpt op zijn rechtstoestand. Zelfs zo uiteindelijk niet tot definitieve bescherming als monument wordt overgegaan, heeft de voorlopige bescherming onmiskenbaar voornoemde rechtsgevolgen gesorteerd. Bij een ontwerp-BPA ligt de situatie gans anders. Op grond van zulk ontwerp is het enkel zo dat indien een betrokken rechtsonderhorige een vergunningsaanvraag indient, de vergunningverlenende overheid de mogelijkheid heeft om die aanvraag onder toepassing van dat X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-19/30 ontwerp te behandelen, doch ook een gebeurlijke facultatieve weigering op grond van de voorschriften van dat ontwerpplan is louter precair in die zin dat deze vervalt zo dit ontwerpplan geen bindende kracht krijgt binnen een termijn van drie jaar. De overheid kan perfect rechtsgeldig vergunning verlenen in strijd met het ontwerpplan. Voor de hogere administratieve beroepsorganen geldt zulks des te meer. Voor een onroerend goed dat voorlopig als monument beschermd is, kan echter allerminst rechtsgeldig vergunning worden afgeleverd indien deze onverenigbaar blijkt met de monumentenbescherming. Ook op dit vlak faalt de voorgespiegelde analogie. Wat betreft het bijhorende ontwerp van onteigeningsplan geldt al het voorgaande, mutatis mutandis, minstens op dezelfde wijze. Dit ontwerpplan grijpt op zich niet in in welke rechtstoestand dan ook. Inzake dit aspect is het verzoek manifest onontvankelijk”. 3.1.1.
  115. In de zaken A. 84.328 en A.84.329 werpt de verwerende partij, in quasi dezelfde bewoordingen, dezelfde exceptie op. 3.1.
  116. Om ontvankelijk te zijn, moet het beroep tot nietigverklaring zijn gericht tegen een uitvoerbare beslissing, d.i. een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijziging aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. De voorlopige aanneming van een gemeentelijk plan van aanleg door de gemeenteraad is slechts een voorbereidende handeling in de procedure van totstandkoming van dat plan, die op zich geen rechtsgevolgen veroorzaakt en, in het bijzonder t.o.v. de burger, op zichzelf geen zeker en definitief schadelijk gevolg teweegbrengt. Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, juncto artikel 21 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), verkrijgt een gemeentelijk plan van aanleg immers slechts bindende kracht na te zijn goedgekeurd door de Vlaamse regering. Het bepaalde in artikel 43, § 2, vijfde lid van het gecoördineerde decreet, dat de vergunning kan worden geweigerd of vernietigd om redenen dat de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld plan van aanleg, heeft niet tot gevolg dat dit plan wel verbindend zou zijn. Krachtens artikel 43, § 5, eerste lid van het gecoördineerde decreet, vervalt, wanneer een vergunning wordt geweigerd of vernietigd om de enige reden dat de aanvraag onverenigbaar is met een voorlopig vastgesteld bijzonder plan van aanleg, de weigering of vernietiging indien dit plan geen bindende kracht heeft verkregen binnen drie jaar na de weigering of de vernietiging van de vergunning. De door de verzoekers in de voormelde zaken aangehaalde vergelijking van het thans bestreden besluit met de ontwerpen van lijst van de voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten kan om de redenen X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-20/30 uiteengezet in de exceptie, waarbij de Raad van State zich aansluit, niet worden aangenomen, zodat in casu ook geen schending van het “gelijkheids- en niet- discriminatiebeginsel” kan voorliggen. Het in de voormelde zaken bestreden besluit is niet voor vernietiging vatbaar. De exceptie is gegrond. 3.
  117. De ontvankelijkheid in de zaak A.96.206 3.2.
  118. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord het volgende op : “Dat er dient nagegaan of dat de procedure tijdig werd ingesteld. Dat aangezien het gaat om een beslissing die in het Belgisch Staatsblad dient bekendgemaakt de termijn waarbinnen tijdig procedure dient ingesteld daarmee aanvangt zijnde dus de datum van publicatie op 5.8.
  119. Dat dient nagezien of dat het verzoekschrift dat door de Raad van State blijkbaar werd afgestempeld op 5.10.2000 tijdig werd ingediend”. 3.2.
  120. Het beroep werd op 4 oktober 2000 ter post aangetekend verzonden en is derhalve ingediend binnen de beroepstermijn.
  121. De gegrondheid in de zaak A.96.206 4.1.
  122. De verzoeker voert in het tweede middel het volgende aan : “4.
  123. Tweede middel : schending van het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd bij K.B. van 3 oktober 1979 Dat verzoeker dit tweede middel inroept, gelet op het feit dat een deel van zijn eigendom, rond het domein Mussenburg, van woonpark naar parkgebied is omgevormd... als compensatie van het benutten van parkgebied - ter hoogte van de maïsakker - voor gegroepeerde bebouwing; Dat het van in den beginne is verduidelijkt geworden dat er hangende de vierde herziening van het BPA nr. 1 Mussenburg minimaal drie wijzigingen van het gewestplan hebben plaatsgevonden; Dat de gemeente Edegem deze wijzigingen van het gewestplan alsdan had kunnen benutten... indien zij de indeling van de maïsakker, aan het einde van de Mussenburglei, ter hoogte van het Grijpegemplein, niet meer gepast achtte in parkgebied; Dat bij een dergelijke zuivere demarche, op het niveau van de Vlaamse Regering, de ganse manipulatie aangaande het zogenaamd bij creëren van groen niet zou hebben moeten plaatsvinden; Dat dit het voorwerp uitmaakt van het eerste middel; Dat deze betrachting hoe dan ook faalt, daar de criteria geenszins zijn vervuld, die voorzien zijn in de rechtspraak van de Raad van State of in de omzendbrief van het Ministerie van Openbare Werken van 1 augustus 1991 om van een gewestplan af te wijken : - dat de bestemming in het hoger plan is achterhaald; X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-21/30 - dat de in het lager plan voorgestelde bestemming beantwoordt aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en dat dringende behoefte bestaat aan een daaraan aangepaste nieuwe afwijkende ordening; - dat deze planologische noden goed lokaliseerbaar zijn; - dat de voorgestelde afwijkende ordening geen middel is om het gewestplan te corrigeren; - dat het vervullen van deze voorwaarden blijkt uit de formele motivering van het afwijkend plan, zoniet minstens uit het dossier; (...) Dat de ontwerper van de vierde herziening van het BPA nr. 1 Mussenburg bijzonder bewust is aangaande het moeten naleven van de bovenvermelde cumulatieve voorwaarden; Dat in de toelichtende nota er een onderscheid wordt gemaakt tussen de afwijking van het gewestplan en de verfijning ervan; Dat, in casu, er ontegensprekelijk sprake is van afwijking; Dat Studiegroep Omgeving, in diens verslag met betrekking tot het openbaar onderzoek, zich enkel ertoe beperkt om de bovenvermelde cumulatieve voorwaarden - weze het niet volledig - aan te halen; Dat men echter geenszins, in concreto, deze gaat toetsen aan de maïsakker zelf; Dat dit ook geenszins mogelijk is daar de gemeente Edegem, in het kader van voorafgaande informatievergaderingen, onder andere op 12 oktober 1998, de volgende uitleg verschafte met betrekking tot het opofferen van de maïsakker (gelegen in parkgebied) en het voorzien van de gegroepeerde bebouwing : ‘In de Lourdeslaan stelt zich op basis van het huidig BPA echter een probleem. Het wegnemen van de bouwmogelijkheden doet hier een recht op planschade ontstaan. De enige mogelijkheden om deze schade-eis te ontlopen, zijnde het aankopen van de bouwgronden, of gelijkaardige mogelijkheden aan de eigenaar bieden binnen het plangebied. De gemeente heeft als één van de belangrijkste doelstellingen voor de herziening gekozen voor de vrijwaring van het waardevolle centrale gebied langs de Lourdeslaan en wil dit realiseren zonder enige gevolgen voor de Edegemse belastingbetaler. Deze keuze overstijgt de plaatselijke en individuele belangen’; Dat de gemeente Edegem, vanaf de inspraakvergadering van 12 oktober 1998, derhalve diende toe te geven dat het parkgebied, aan het einde van de Lourdeslaan, ter hoogte van het Grijpegemplein, hoe dan ook diende te worden opgeofferd... om planschade te voorkomen; Dat de gronden aan de Lourdeslaan, die enerzijds parkgebied worden en anderzijds een zone voor gegroepeerde bebouwing, beide toebehoren aan de Kerkfabriek Sint-Paulus; Dat het derhalve overduidelijk is dat de afwijking ten aanzien van het gewestplan enkel en alleen wordt geruggensteund op het niet moeten vereffenen van planschade; Dat dit geenszins overeenkomt met de bovenvermelde toetsstenen; Dat men daarenboven de vraag dient te stellen of de Kerkfabriek, zijnde een overheidsinstelling, wel planschade zou kunnen vorderen; Dat de studie van het Actiecomité Bescherm Mussenburg - tegen de vierde herziening van het BPA nr. 1 Mussenburg - te berde heeft gebracht dat alle eigendommen van de Kerkfabriek Sint-Paulus, om en omtrent de Lourdeslaan, dateren van de ruilakten van 13 maart 1863 - 9 april 1869 en de aankoopakten van 29 oktober 1869 - 8 januari 1875; Dat al deze ruil- en aankoopakten gerelateerd waren aan de toenmalige hoeve van de Kerkfabriek Sint-Paulus; X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-22/30 Dat - sindsdien - de hoeve weliswaar is afgebroken, doch de gronden hun bestemming hebben behouden : landbouw en het grazen van koeien; Dat het dan ook geenszins vanzelfsprekend is dat de Kerkfabriek, in dergelijke constellatie, planschade zou kunnen vorderen; Dat, hoe dan ook, de begroting bijzonder minimaal zou zijn geweest, gelet op het feit dat de aankopen hebben plaatsgevonden tegen de 100 fr./ha e.d.; Dat de planschade derhalve niet enkel een drogreden betreft voor afwijking van het gewestplan; Dat men daarenboven nog kan twijfelen of er nog wel planschade, laat staan in grote hoeveelheden, verschuldigd zou kunnen zijn; Dat het dan ook overduidelijk is dat men niet kan afwijken van het gewestplan overeenkomstig de vierde herziening van het BPA nr. 1 Mussenburg en er derhalve kennelijk sprake is van geschonden gewestplan, zoals goedgekeurd bij K.B. van 3 oktober 1979; Dat het uiteindelijk uitsluiten van een deel van de gegroepeerde bebouwing uit de vierde herziening van het BPA nr. 1 Mussenburg door het besluit van de bevoegde Vlaamse minister voor Ruimtelijke Ordening dd. 22 juni 2000 - met de in blauw omrande delen aangeduid op bestemmings- en onteigeningsplan - niets wijzigt aan bovenvermelde redenering; Dat een deel van de maïsakker, zijnde parkgebied, blijvend wordt omgevormd in een zone voor gegroepeerde bebouwing, weze het kleiner; Dat dit echter niets wijzigt aan bovenvermeld principe dat het gewestplan geschonden is en betreffend tweede middel dan ook gegrond is”. 4.2.
  124. Samengevat beroept de verzoeker zich op de schending van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen, nu een gebied, volgens het gewestplan bestemd tot parkgebied, door het bestreden BPA wordt bestemd tot zone voor gegroepeerde bebouwing, terwijl niet voldaan is aan de voorwaarden om bij BPA af te wijken van het gewestplan. In tegenstelling tot wat de tweede verwerende partij voorhoudt, betreft het omvormen van parkgebied volgens het gewestplan tot een zone voor gegroepeerde bebouwing bij BPA een afwijking van het gewestplan, en geenszins een “verfijning”. Dit blijkt trouwens uit het verslag van de plenaire vergadering van 20 augustus 1998, waar het volgende te lezen staat : “
  125. Bespreking 2.
  126. Afwijkingen van het voorontwerp-B.P.A. t.o.v. het gewestplan en het ontwerp-gewestplan In het voorontwerp-B.P.A. wordt de zone ten zuiden van het Grijpegemplein, op het gewestplan bestemd als parkgebied, ingekleurd als projectzone met naast een parkzone ook een woonparkzone en stroken voor gegroepeerde bebouwing. Dit betreft dus een afwijking t.o.v. het gewestplan”. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-23/30 Ook de memorie van toelichting bij het BPA maakt, zoals de verzoeker terecht stelt, een onderscheid tussen “bestemmingswijzigingen en - verfijningen”, waarbij de omvorming van parkgebied naar strook voor gegroepeerde bebouwing, terecht, geklasseerd wordt als “wijziging(...) ten opzichte van het gewestplan”. Derhalve dient te worden onderzocht of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet om “desnoods” van het gewestplan af te wijken. Artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet, zoals van toepassing ten tijde van het bestreden besluit, bepaalt het volgende : “Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken”. Uit deze bepaling volgt dat het gewestplan een richtsnoer is voor het bijzonder plan van aanleg dat essentieel op nadere uitvoering en aanvulling van het gewestplan is gericht, en dat de mogelijkheid om in het bijzonder plan van aanleg af te wijken van het gewestplan alleen bestaat voor het geval daartoe noodzaak bestaat. De term desnoods wijst erop dat tegelijk :
  127. is aangetoond dat de bestemming in het gewestplan achterhaald is (bv. ten gevolge van de evolutie van de bevolking, van de economie), of niet meer verwezenlijkt kan worden,
  128. de in het bijzonder plan voorgestelde bestemming beantwoordt aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en er dwingende behoefte bestaat aan een daaraan aangepaste nieuwe, afwijkende ordening,
  129. deze planologische noden duidelijk en goed gelokaliseerd kunnen worden en beperkt zijn in omvang,
  130. de voorgestelde afwijkende ordening geen middel is om het gewestplan te corrigeren en,
  131. het vervullen van deze voorwaarden blijkt uit de formele motivering van het afwijkend plan, zo niet minstens uit het dossier is af te leiden. Aldus dient een formele motivering van het afwijkend plan het vervullen van de eerste vier voorwaarden aan te tonen, minstens dient het vervuld zijn van deze voorwaarden uit het dossier te zijn af te leiden. Het bestreden besluit zelf bevat ter zake geen motivering. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-24/30 Het verslag Openbaar Onderzoek verwijst in dit verband meerdere malen naar de memorie van toelichting. De memorie van toelichting bij het bestreden BPA verantwoordt de wijziging van parkgebied naar strook voor gegroepeerde bebouwing aan de Lourdeslaan op de volgende wijze : “Achterhaalde bestemming De betreffende percelen zijn in gebruik als landbouwgrond. De bestaande maïsakker getuigt niet van een bijzondere parkwaarde. De huidige bestemming parkgebied is hier niet verwezenlijkt. Geopteerd wordt om deze bestemming elders te realiseren (compensatie). Planologische noodzaak In dit ontwerp-BPA wordt geen vermeerdering van het totale aanbod aan woongebieden voorgesteld, integendeel (...). Nochtans voorziet het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de realisatie van 65% van de bijkomend te realiseren woningen in de provincie Antwerpen in de stedelijke gebieden. Hiertoe dient een kwalitatief inbreidingsgericht beleid te worden gevoerd. Voorgestelde bestemmingswijzigingen naar woongebied passen binnen dit beleid, dat geïnspireerd is op een zuinig ruimtegebruik (meer woningen op minder bouwgrond) en rekening houdt met de groene en landschappelijke kwaliteiten van het plangebied. Lokaliseerbaarheid De betreffende percelen, alle eigendom van de Kerkfabriek, sluiten aan op het dicht bebouwde gebied van Edegem en Mortsel”. Deze motivering toont geenszins aan dat de bestemming parkgebied achterhaald is of niet meer zou kunnen verwezenlijkt worden in de zin van artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet. De omstandigheid dat de tweede verwerende partij “steeds een zeer actief ruimtelijk beleid gevoerd heeft” en “voor de uitoefening van dit beleid in het verleden veelvuldig gebruik heeft gemaakt van bijzondere plannen van aanleg” en dat deze plannen “ten gepaste tijde (moeten) worden bijgesteld in het licht van de planologische en ruimtelijke noden”, vermag daar niets aan te veranderen. Ook de stelling van de tweede verwerende partij dat de “verfijning” een “voortvloeisel” uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is, doet niet ter zake, te meer nu de definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geen wijziging heeft aangebracht aan de in artikel 14 van het gecoördineerde decreet vastgelegde hiërarchie van de plannen van aanleg. Het middel is gegrond. 4.2.
  132. De verzoeker dringt in de laatste memorie aan op een volledige vernietiging, stellende dat “de vierde herziening van het BPA Mussenburg X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-25/30 planologisch duidelijk als één geheel (wordt) beschouwd” en dat “het onttrekken uit dit geheel van percelen of van gebiedsdelen de algemene economie van het plan aan(tast)”. Een bijzonder plan van aanleg is in beginsel één en ondeelbaar. Een gedeeltelijke vernietiging is bijgevolg enkel mogelijk indien vaststaat dat het betreffende gebiedsdeel afgesplitst kan worden van de rest van het plan en dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het overige dezelfde beslissing zou hebben genomen. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de Raad van State zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid zou begeven en zou overgaan tot hervorming, en niet vernietiging, van de beslissing waarvan het betreffende gebiedsdeel een onlosmakelijk onderdeel is, vermits het plan voor het overige hoe dan ook zou blijven bestaan. Geen der verwerende partijen heeft in haar laatste memorie enig standpunt ingenomen over deze vraag van de verzoeker. Het verslag van de plenaire vergadering van 20 augustus 1998 stelt het volgende : “De wijziging van parkgebied naar woonzone in de projectzone ten zuiden van het Grijpegemplein moet evenwel uitvoerig gemotiveerd worden in de memorie van toelichting. Men ziet hier echter geen probleem aangezien de wijziging kadert in een globale visie, de wijziging slechts een beperkte oppervlakte betreft en er in het plangebied voldoende compensaties zijn (in het ecologisch zeer waardevolle gebied tussen Mussenburglei, Mechelsesteenweg, Boniverlei, Lourdeslaan en weg nr. 17 wordt woongebied en woonparkgebied omgezet in woonparkgebied en parkgebied)”. In de memorie van toelichting wordt onder het gedeelte “
  133. Gewenste ruimtelijke structuur” het volgende gesteld : “De afbakening in vijf deelgebieden die naar voor gebracht is in de startnota van de gemeente wordt na analyse bijgestuurd : (...) Deze nieuwe, genuanceerde afbakening toont aan dat het open gebied aan het Grijpegemplein, nu als maïsakker bewerkt en op het huidige B.P.A. ingekleurd als parkzone, in feite ingesloten ligt tussen bebouwde zones. Terwijl langs de Lourdeslaan die zones die door datzelfde B.P.A. voorzien zijn om op te bouwen juist door hun openheid linken mogelijk maken met het omgevende groene gebied. Het herdenken van deze twee gebieden is nodig om in het gebied een ruimtelijke samenhang te brengen tussen bebouwde en groene omgeving”. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-26/30 Onder het punt “
  134. Bestemmingswijzigingen en -verfijningen in relatie tot het gewestplan en het huidige BPA” staat in de memorie van toelichting het volgende te lezen : “12.1.
  135. Verantwoording wijzigingen 1 en 2 : van parkgebied naar strook voor gegroepeerde bebouwing (...) Achterhaalde bestemming De betreffende percelen zijn in gebruik als landbouwgrond. De bestaande maïsakker getuigt niet van een bijzondere parkwaarde. De huidige bestemming parkgebied is hier niet verwezenlijkt. Geopteerd wordt om deze bestemming elders te realiseren (compensatie). (...) 12.1.
  136. Verantwoording wijzigingen 3 en 4 : van parkgebied naar woonpark (...) Achterhaalde bestemming De betreffende perceelsgedeelten zijn beide bebouwd met een vrijstaande woning. De bestemming van parkgebied wordt elders in het plangebied gerealiseerd (compensatie). (...)”. Uit het voorgaande blijkt dat de betreffende omvorming van parkgebied naar een zone voor gegroepeerde bebouwing kadert in een groter geheel, meer bepaald in een ruiloperatie, waarbij de voornoemde omvorming elders in het plangebied wordt gecompenseerd door de omzetting van woongebied en woonparkgebied in respectievelijk woonparkgebied en parkgebied. Hierbij komt dat de verzoeker zich onder meer gegriefd acht door de bestemming van zijn perceel tot “parkzone ...”. Bijgevolg zou de gedeeltelijke vernietiging, beperkt tot de strook voor gegroepeerde bebouwing, deze door de tweede verwerende partij voor het plan als essentieel beschouwde compensaties teniet doen en de algemene economie van het plan aantasten. Het bestreden besluit dient bijgevolg in zijn geheel te worden vernietigd. 4.2.
  137. Gelet op de aard van het hierboven gegrond bevonden middel dient, voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer, tevens het besluit van 16 december 1999 van de gemeenteraad van de gemeente Edegem waarbij de vierde herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” definitief wordt aangenomen, te worden vernietigd. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-27/30
  138. De onontvankelijkheid in de zaken A.96.245/X-9817, A.96.204/X-9810, A.96.201/X-9807, A.96.183/X-9806, A.96.203/X-9809, A.96.250/X-9822, A.96.246/X-9818, A.94.919/X-9741, A.96.200/X-9794, A.96.202/X-9808, A.96.205/X-9811, A.96.247/X-9819, A.96.248/X-9820 en A.96.249/X-9821 Tengevolge van de vernietigingen uitgesproken in de zaak A.96.206 zijn de beroepen in deze zaken zonder voorwerp geworden. Gelet op de omstandigheden van de zaak worden de kosten ten laste gelegd van de in respectievelijk zaken betrokken verwerende partij of partijen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  139. De zaken A.84.327/X-8965, A.84.328/X-8967, A.84.329/X-8968, A. 96.206/X-9812, A.96.245/X-9817, A.96.182/X-9805, A.96.204/X-9810, A.96.201/X-9807, A.96.183/X-9806, A.96.203/X-9809, A.96.250/X-9822, A.96.246/X-9818, A.94.919/X-9741, A.96.200/X-9794, A.96.202/X-9808, A.96.205/X-9811, A.96.247/X-9819, A.96.248/X-9820 en A.96.249/X-9821 worden gevoegd. Artikel
  140. De afstand wordt vastgesteld in de zaak A. 96.182/X-
  141. Artikel
  142. Vernietigd worden :
  143. het besluit van 22 juni 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende goedkeuring van het wijzigingsplan van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” - 4e herziening, van de gemeente Edegem, en
  144. het besluit van 16 december 1999 van de gemeenteraad van Edegem waarbij de vierde herziening van het bijzonder plan van aanleg nr. 1 “Mussenburg” definitief wordt aangenomen. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-28/30 Artikel
  145. Het beroep in de zaken A.84.327/X-8965, A.84.328/X-8967, A.84.329/X-8968, A.96.245/X-9817, A.96.204/X-9810, A.96.201/X-9807, A.96.183/X-9806, A.96.203/X-9809, A.96.250/X-9822, A.96.246/X-9818, A.94.919/X-9741, A.96.200/X-9794, A.96.202/X-9808, A.96.205/X-9811, A.96.247/X-9819, A.96.248/X-9820 en A.96.249/X-9821 wordt verworpen. Artikel
  146. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. Artikel
  147. De kosten van het beroep in de zaak A. 96.182/X-9805, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 84.327/X-8965, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van het beroep in de zaak A.84.328/X-8967, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van het beroep in de zaak A.84.329/X-8968, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 96.200/X-9794, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van het beroep in de zaak A. 96.202/X-9808, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van het beroep in de zaak A. 94.919/X-9741, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de beroepen in de zaken A. 96.206/X-9812, A. 96.245/X-9817, A. 96.204/X-9810, A. 96.201/X-9807, A. 96.183/X-9806, A. 96.203/X-9809, A. 96.250/X-9822, A. 96.246/X-9818, A. 96.205/X-9811, A. 96.247/X-9819, A. 96.248/X-9820 en A. 96.249/X-9821, bepaald op 2082,36 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-29/30 De kosten van de tussenkomsten in de zaak A. 94.919/X-9741, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de eerste tussenkomende partij en de nalatenschap van de tweede tussenkomende partij, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8965-8967-8968-9812-9817-9805-9810-9807-9806-9809-9822-9818-9741-9794-9808-9811-9819-9820-9821-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.