id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.697 Rolnummer: Zaak: Arrest 192697 - Plannen van aanleg - 27/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-05 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:02 Fiche Arrest nr 192.697 van 27 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.697 van 27 april 2009 in de zaken A. 139.288/X-11.524 (I) A. 156.908/X-12.107 (II) In zake : I en II. Willy PLATTEEUW, die woonplaats kiest bij advocaat M. STORME, kantoorhoudende te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 28 tegen : I. 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106, 2. de gemeente INGELMUNSTER, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 8500 KOTRIJK, President Kennedypark 6/24. II. de gemeente INGELMUNSTER, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 5800 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24. tussenkomende partij : I en II. de b.v.b.a. BROUWERIJ VAN HONSEBROUCK, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy PLATTEEUW op 17 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 april 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en X-11.524-12.107-1/22 Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van “het bijgaand bijzonder plan van aanleg ‘Sportcentrum’ genaamd, van de gemeente Ingelmunster, tot wijziging van het bij koninklijk besluit van 15 april 1971 goedgekeurd gelijknamig bijzonder plan van aanleg, bestaand uit een plan van de bestaande toestand en uit het bestemmingsplan met bijhorende afzonderlijk gebundelde stedenbouwkundige voorschriften”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 mei 2003; (zaak sub I) Gezien het verzoekschrift dat Willy PLATTEEUW op 26 oktober 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 augustus 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ingelmunster waarbij aan de n.v. BROUWERIJ VAN HONSEBROUCK de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het bouwen van een stapelplaats aan de Oostrozebekestraat 43 te Ingelmunster, kadastraal bekend sectie B, nr. 862/b6; (zaak sub II) Gelet op het arrest nr. 129.034 van 10 maart 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub I; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 2 april 2004 ingediend door de verzoeker in de zaak sub I; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 april 2004 ingediend door de n.v. BROUWERIJ VAN HONSEBROUCK in de zaak sub I; Gelet op de beschikking van 7 mei 2004 die de tussenkomst van de n.v. BROUWERIJ VAN HONSEBROUCK toelaat in de zaak sub I; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst op 12 januari 2005 ingediend door de n.v. BROUWERIJ VAN HONSEBROUCK in de zaak sub II; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 die de tussenkomst van de n.v. BROUWERIJ VAN HONSEBROUCK toelaat in de zaak sub II; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; X-11.524-12.107-2/22 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE in de zaak sub I; Gelet op de beschikking van 18 april 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak sub I; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur B. SPEYBROUCK in de zaak sub II; Gelet op de beschikking van 7 juni 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak sub II; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in de zaak sub I; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij in de zaak sub II; Gelet op de beschikkingen van 29 januari 2009 en 30 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC in beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. ROGIERS, die loco advocaat M. STORME verschijnt voor de verzoeker, van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor het Vlaamse Gewest, van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de gemeente INGELMUNSTER, en van advocaat B. VAN DORPE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL in beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.524-12.107-3/22 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Samenvoeging De zaak 139.288 / X - 11.524 (zaak I) en de zaak 156.908/X- 12.107 (zaak II) worden wegens verknochtheid samengevoegd. 2. Feiten De feiten werden uiteengezet in ’s Raads arrest nr. 129.034 van 10 maart 2004. 3. Ontvankelijkheid (zaak I) 3.1. De verzoeker betoogt dat zijn woning in de Oostrozebekestraat 69 te Ingelmunster die hij met zijn gezin bewoont is gelegen “in het beheersgebied van het bestreden BPA” waarvan “de bestemmingen 10A t.e.m. 10E evenals de deelzone centrumbebouwing met eventuele nabestemming openbare wegenis” hem grieven, zijn perceel “achteraan ook (paalt) aan een perceel dat wordt ombestemd door de bestreden beslissing tot zone 10 (brouwerijzone met nabestemming projectzone met centrumfunctie) deelzone D (bestemd voor stapelen, opslag en overslag, met nabestemming bufferzone) bestemming die verzoeker grieft”, het bestreden BPA “de realisatie c.q. instandhouding (beoogt) van een project dat de leefbaarheid van de Oostrozebekestraat in het gedrang brengt” en “een arrest van Uw Raad waarbij de heer Platteeuw ook verzoeker was met de voeten (treedt)”, en dat “er verkeerhinder” is. 3.2. De tweede verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de verzoeker “kennelijk geen belang (heeft) om de vernietiging van het gehele BPA te vorderen” en zijn belang “zich (beperkt) tot zone 10 van het BPA, namelijk de brouwerijzone met nabestemming projectzone met centrumfunctie”. 3.3. De verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat hij niet enkel door de bestemming van zone 10 en haar subzones en subbestemmingen” gegriefd is maar ook “bijvoorbeeld door de bestemming ‘zone voor centrumbebouwing met eventuele nabestemming openbare wegenis’” voor “het gebouw op de hoek Oostrozebekestraat-Bollewerpstraat dat zal worden gesloopt om X-11.524-12.107-4/22 grotere vrachtwagens toe te staan de bocht van (
- de)Oostrozebekestraat- Bollewerpstraat te nemen om aldus in de Bollewerpstraat te kunnen laden en lossen” waardoor “meer en groter verkeer mogelijk (zal) zijn”. 3.4. In de laatste memorie betwist de tweede verwerende partij het actueel belang van de verzoeker omdat hij enkel de stedenbouwkundige vergunning van 6 augustus 2004 heeft aangevochten maar heeft nagelaten “de navolgende stedenbouwkundige vergunningen (...) met bijhorend inrichtingsplan te bestrijden welke ten volle uitvoering geven aan het bij deze bestreden plan van aanleg” en die “ondertussen allemaal onaanvechtbaar en zodoende definitief geworden (sterker, (...) al ten dele gerealiseerd) (zijn) zodat de eventueel tussen te komen vernietiging van het bestreden plan van aanleg sowieso onmogelijk kan leiden tot het ‘rechtsherstel’ dat verzoeker nastreeft”. Minstens beperkt het belang van de verzoeker “zich tot de deelzone 10c, alwaar de loods gelegen is, en dan nog enkel voor het gedeelte waar de voor verzoekende partij aangevochten stapelplaats zich bevindt”. Voorts wijst de tweede verwerende partij op het definitief geworden arrest van 17 februari 2006 van het hof van beroep te Gent waarin “aangaande het belang van verzoeker (...) het volgende (werd) gesteld: “De door de burgerlijke partij aangevoerde nadelen, voortvloeiende uit de overlast voor de directe omgeving en belasting en hinder voor omwonenden en buren, zijn het gevolg van de activiteiten die op de betrokken brouwerijsite op grond van de vastgestelde bestemming kunnen plaatsvinden. Het is geenszins aangetoond dat deze nadelen hun oorzaak vinden in het bestreden bijzonder plan van aanleg in plaats van in de milieuvergunning die op 24 oktober 2002 door de bestendige deputatie van de provincie West-Vlaanderen werd verleend en definitief is geworden”. Zij laat nog gelden dat “de herstelvordering van (
- de)burgerlijke partij (verzoeker in deze), gebaseerd op de onwettigheid van de in deze bestreden beslissing, werd afgewezen”. Uit het voorgaande concludeert de tweede verwerende partij dat de verzoeker “zelfs na een vernietigingsarrest van uw Raad (...) het herstel in de vorige toestand niet meer (kan) vorderen”. De tweede verwerende partij stelt nog “dat de bij deze bestreden planwijziging net een aanmerkelijke verbetering impliceert voor de woonbuurt rond de brouwerij, zodat op zich ook al niet in te zien valt welk ‘voordeel’ verzoeker, aangelande bij de brouwerij, uit de vernietiging van de bestreden beslissing kan halen”. X-11.524-12.107-5/22 3.5. De tussenkomende partij betwist in de laatste memorie eveneens het actueel belang van de verzoeker omdat het voormelde definitief arrest van het hof van beroep te Gent “gezag van gewijsde tussen partijen” heeft “zodat definitief werd geoordeeld dat de aangevoerde nadelen, voortvloeiend uit de overlast voor de directe omgeving hun oorzaak niet vinden in het bestreden bijzonder plan van aanleg”, “sinds de inwerkingtreding van het bestreden BPA (...) aan de tussenkomende partij (...) niet minder dan zes stedenbouwkundige vergunningen (werden) afgeleverd, bekendgemaakt en uitgevoerd of in uitvoering en die door niemand, ook niet door de verzoeker, werd bestreden, zodat zij onaanvechtbaar zijn geworden”, “de minister (...) op 27 mei 2003 de milieuvergunning (heeft) afgeleverd o.m. op grond van het BPA” die de verzoeker “niet (heeft) bestreden”, en omdat het niet correct is dat de sloping van het gebouw op de hoek van de Oostrozebekestraat en de Bollewerpstraat beoogt “om grotere vrachtwagens toe te staan de bocht van die hoek te nemen om aldus in de Bollewerpstraat te kunnen laden en lossen”. 3.6. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoeker woont aan de Oostrozebekestraat 69 in het beheersingsgebied van het bestreden bijzonder plan van aanleg. De verzoeker doet hierdoor alleen reeds van het vereiste belang blijken om de vernietiging te vorderen van een besluit dat naar zijn mening met schending van de wet de gedetailleerde bestemming van zones vaststelt die door hun onderlinge samenhang aan zijn eigendom palen. Dit belang van de verzoeker is niet beperkt tot de bestemmingszone 10 die immers samenhangt met de aangrenzende zones in het bestreden bijzonder plan van aanleg. Het feit dat de verzoeker een aantal vergunningen die aan de tussenkomende partij werden verleend onder gelding van het bestreden bijzonder plan van aanleg, niet heeft aangevochten heeft niet ipso facto tot gevolg heeft dat hij geen belang meer kan laten gelden bij de vernietiging van het bestreden bijzonder plan aanleg. Dit plan laat immers de mogelijkheid van het verlenen van nieuwe vergunningen overeenkomstig de vastgestelde bestemmingen onverkort. Evenmin verliest de verzoeker zijn belang na het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 februari 2006 dat werd gewezen in de strafzaak tegen de heer Lucas Vanhonsebrouck en met de tussenkomende partij als burgerrechtelijk aansprakelijke partij waarbij de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur vervallen werd verklaard na het niet onwettig bevinden van de stedenbouwkundige vergunning die op 6 augustus 2004 werd verleend aan de tussenkomende partij en waarbij de burgerlijke vordering van de verzoeker werd afgewezen bij gebreke van bewijs “door het misdrijf persoonlijk schade te hebben geleden”. Het hof van beroep weigerde immers de wettigheid van X-11.524-12.107-6/22 het te dezen bestreden bijzonder plan van aanleg te toetsen omdat de verzoeker het naar het recht vereiste bewijs in de strafzaak, dat moet worden onderscheiden van het belang bij een beroep tot vernietiging, niet had geleverd. 4. Ten gronde (zaak I) 4.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna DRO), de “beginselen van de goede ruimtelijke ordening en de goede plaatselijke ordening”, artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, het zorgvuldigheids- en belangenafwegingsbeginsel, het formeel en materieel motiveringsbeginsel, artikel 23,4/ van de Grondwet, het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 tot vastlegging van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en “het beginsel van het verbod van machtsafwending”. De verzoeker betoogt in een eerste onderdeel dat de in artikel 4 DRO “vereiste afweging en toetsing nergens te vinden (is)”, de brouwerij “niet langer een ambachtelijk bedrijf maar een industrieel bedrijf (is)” waar “meer dan 60 mensen tewerkgesteld (zijn) dat “conflicteert met de essentiële woonfunctie van het beheersgebied”, geen “gegevens worden aangebracht die aantonen dat de bestemming woongebied achterhaald is dan wel niet meer kan gerealiseerd (worden)” zodat de draagwijdte van ’s Raads arrest nr. 43.722 van 6 juli 1993 wordt miskend, “door de verdere uitbouw van de kwestige (sic) brouwerij - die door het bestreden besluit wordt toegestaan - (...) het ruimtelijke draagvlak overschreden (wordt)”, het bedrijf geluids, geur- en verkeershinder veroorzaakt, “het bestreden BPA (...) in o.a. bijkomende uitbreidingen (voorziet) zonder dat de diverse behoeften tegen elkaar werden afgewogen, laat staan gelijktijdig”, “in de bestreden beslissing (...) de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten niet gelijktijdig tegen elkaar (werden) afgewogen noch werd rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen”, de overweging in de memorie van toelichting “dat de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden omdat bij het afleveren van de nodige vergunningen een aantal veiligheidsmaatregelen werden opgelegd zoals een bufferzone en beperkingen in uitbreiding in bouwhoogte (...) gewoonweg lachen met de omwonenden (is)” omdat die maatregelen “slechts doekjes voor het bloeden (zijn) en geen oplossing (bieden) voor de werkelijke hinder (zoals bijv. stank en verkeersoverlast)”, de verwijzing X-11.524-12.107-7/22 naar de toelichting bij het gewestplan Roeselare-Tielt dat werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979 niet relevant is “om dan te stellen dat anno 2003 de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden”, “men (...) de combinatie van de brouwerij, haar omvang en haar (hinderlijke) activiteiten niet (heeft) afgewogen tegen de woonfunctie noch tegen bijv. de recreatiefunctie”, “men (...) nooit onderzocht c.q. afgewogen (heeft) wat het gevolg zal zijn van het slopen van het gebouw op de hoek Oostrozebekestraat-Bollewerpstraat, waardoor vrachtwagens van meer dan dertig ton door de beide straten zullen razen”, men niet heeft “onderzocht wat het slopen van de huizenrij in de Bollewerpstraat tot gevolg heeft”, “men (...) in de memorie van toelichting enkel gesteld (heeft) dat de reorganisatie en optimalisatie van de brouwerijactiviteiten ‘in het teken (staan) van een maximale integratie van de brouwerij in zijn omgeving, waarbij de hinder, zowel naar verkeersdruk toe, lawaaihinder, visuele hinder, tot een absoluut minimum wordt herleid’” terwijl daarover geen zekerheid bestaat en integendeel er “nog meer en nog zwaarder verkeer” te verwachten valt door het voorzien van “het slopen van de woning op de Bollewerpstraat-Oostrozebekestraat, de overwegingen in het bestreden besluit in verband met het in goede banen leiden van de toekomstige ontwikkeling van het gebied, het vaststellen van een nieuw en aan de hedendaagse stedenbouwkundige opvattingen en noden aangepast juridisch kader en de afweging in functie van de ruimtelijke draagkracht van de omgeving, “niets meer dan een stijlformule” zijn nu “uit niets blijkt dat er afweging in concreto (
- is)gebeurd”, de overweging “dat onderhavig wijzigingsbesluit als quasi geheel gerealiseerd kan worden beschouwd” foutief is omdat “bijvoorbeeld zone C nog volledig dient te worden bebouwd (enkele duizenden vierkante meter loods...)” en “tevens de vijf huizen in de Bollewerpstraat nog moeten worden gesloopt vooraleer de bestemming 10E te realiseren”, de overweging dat het “aan de gemeente toekomt om de ontwikkelingsperspectieven te formuleren voor de bedrijven gelegen buiten de eigenlijke bedrijfsterreinen” “voorbij(gaat) aan het opzet” van artikel 14, vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna het gecoördineerde decreet) dat toelaat om van het gewestplan af te wijken mits “een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen” zijnde “duurzaamheid, kwaliteit, evenwicht, enz...”, blijkens het hoofdstuk over de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen in het RSV het principe geldt “dat de ruimtelijke draagkracht van de omgeving van het bedrijf moet primeren”, de selectie in het RSV van de gemeente Ingelmunster tot het regionaalstedelijk gebied Roeselare “geen reden kan of mag zijn om een X-11.524-12.107-8/22 woon- en leefklimaat te rechtvaardigen waar een verdere ruimtelijke aantasting zich kan bestendigen of toenemen”, “de ganse besluitvorming (...) tevens gebaseerd (
- is)op de verkeerde premisse dat er voor de loods O slechts een meerwaarde gevorderd werd”, met de nabestemming die de brouwerijzone wordt gegeven “geen rekening (kan) worden gehouden, zeker niet bij enige ruimtelijke afweging” omdat “het bestreden BPA (...) de brouwerij juist toe(staat) nieuwe loodsen te bouwen, hinderlijke gebouwen af te breken, een nieuwe toegang te verschaffen” en “de brouwerij net een milieuvergunning tot 2022 op zak (heeft)”, de gemeente Ingelmunster een “zelfstandig (woon)dorp (
- is)gebleven, met geen echte industrie - op de brouwerij Van Honsebrouck na”, “men (...) het enkel over ruimtelijke draagkracht (heeft) bij de bestemming zone 2 - zone voor eengezinswoningbouw onder de vorm van aaneengesloten bebouwing evenals bij de bestemming zone 1 - zone voor centrumbebouwing”, en “uiterst ondergeschikt” indien aangenomen wordt dat er een ruimtelijke afweging werd gemaakt, dan moet worden vastgesteld dat dit gebeurd is op basis van ontoereikende gegevens. 4.2. De eerste verwerende partij repliceert dat het bestreden besluit werd genomen in toepassing van artikel 165 DRO, uit het administratief dossier voortvloeit dat is voldaan aan de twee voorwaarden van artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet, uit de memorie van toelichting en uit de bestreden akte blijkt dat de beginselen van het RSV uitvoerig werden afgewogen en ingeschat en dat daarbij overeenkomstig artikel 4 DRO een afweging plaatsvond van de omvang en de activiteiten van de brouwerij tegen de woonfunctie. 4.3. De tweede verwerende partij repliceert dat het bestreden besluit werd genomen op grond van artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet, in het gemeenteraadsbesluit van 18 februari 2003 waarbij het BPA definitief werd aangenomen “bijzonder omstandig (wordt) ingegaan op de bezwaarschriften waarin wordt gesteld dat de ruimtelijke draagkracht zal worden overschreden”, “op grond van de eigen motivering van de bestreden beslissing en de daaraan onderliggende documenten, niet in het minst het (voormelde) besluit van de gemeenteraad (...) de verwerende partij terecht (kon) besluiten dat ‘de voorzieningen van onderhavig wijzigingsplan werden afgewogen in functie van de ruimtelijke draagkracht van de omgeving (...) zodat noch aan artikel 4 DRO noch aan de motiveringsplicht werd tekort geschoten”. X-11.524-12.107-9/22 4.4. De tussenkomende partij laat gelden dat artikel 165 DRO de mogelijkheid heeft gegeven om “door een BPA af te wijken van de voorschriften van het gewestplan”, “het bestreden besluit rekening moet houden, niet alleen met de ruimtelijke draagkracht, maar ook met de economische en sociale gevolgen; dat het bestreden besluit op gedetailleerde wijze het samengaan van de verschillende aspecten heeft uitgewerkt en gemotiveerd; dat bij de beoordeling van de ‘ruimtelijke draagkracht’ de Raad van State zich niet in de plaats kan stellen van de overheid en enkel kan overgaan tot een marginale toetsing; dat de verzoeker enkel een aantal negatieve adviezen en standpunten aanhaalt omtrent de ruimtelijke draagkracht, met weglating van de positieve adviezen en standpunten (...); dat het feit dat bepaalde adviserende overheden verschillend hebben geoordeeld over dat in wezen eerder vaag en evolutief begrip ‘ruimtelijke draagkracht’ uitsluit dat de beoordeling dat de ruimtelijke draagkracht niet is overschreden, kennelijk onredelijk zou zijn”, “alle beschouwingen van de verzoeker omtrent het milieudossier worden weerlegd en tenietgedaan doordat de bestendige deputatie (...) op 24 oktober 2002 aan de tussenkomende partij een milieuvergunning heeft afgeleverd (...) en (...) in graad van hoger beroep (...) bevestigd door de minister bij besluit van 27 mei 2003”. 4.5. De verzoeker dupliceert wat volgt: “2. De gemeente Ingelmunster meent dat bij de beslissing houdende definitieve aanvaarding van het BPA bijzonder omstandig is ingegaan op de bezwaarschriften die aanhaalden dat de ruimtelijke draagkracht zou worden omschreven. Eén en ander is inderdaad omstandig doch vooral verwarrend en irrelevant. 2.1. Vooreerst wordt door de gemeente Ingelmunster gesteld dat de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden om twee redenen. Ten eerste omdat het gaat om een historisch gegroeid bedrijf dat er eerder gesitueerd was dan de omliggende woningen. Dit argument mist feitelijke grondslag. Verzoekers voegt een aantal foto’s uit de jaren 1920 bij waaruit blijkt dat in die periode er bijna uitsluitend bewoning was in de Oostrozebekestraat. Het argument mist ook juridische grondslag: een lange aanwezigheid van het bedrijf kan geen verantwoording zijn voor overmatige hinder. Ten tweede stelt men dat de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden omdat bij het afleveren van de nodige vergunningen een aantal veiligheidsmaatregelen opgelegd werden zodat de draagkracht van de omgeving gerespecteerd wordt, zoals een degelijke afschermende bufferzone, beperking in uitbreiding in bouwhoogte en dergelijke. Hierbij wordt verwezen naar het bij Koninklijk Besluit van 17 december 1979 vastgestelde Gewestplan Roeselare-Tielt waar voorzien zou zijn in de uitbreiding van bestaande bedrijven. Hierbij moet worden opgemerkt dat verzoeker er het raden naar heeft over welke vergunningen men het heeft. Het gaat onmiskenbaar om bouwvergunningen, doch de laatste bouwvergunning die werd afgeleverd betreft loods 0 (die gezien de onwettigheid van die vergunning al 10 jaar X-11.524-12.107-10/22 illegaal in stand wordt gehouden). Op grond van het nog goed te keuren (bestreden) BPA konden natuurlijk nog geen vergunningen zijn afgeleverd. (...) 2.2. Verder verwijst de Gemeente Ingelmunster naar de `startnota’ van het GRS Ingelmunster. Deze verwijzing is irrelevant. Vooreerst is een startnota geen juridisch instrument. Daarnaast hebben de citaten uit de startnota betrekking op veel grotere delen van Ingelmunster (in het beheersgebied van het bestreden BPA ligt trouwens niet het gemeentehuis, noch de post, brandweerkazerne, post, OCMW, enz...). Op die manier kan men zelfs het Provinciaal Structuurplan West-Vlaanderen inroepen waar ook één of andere toetsing van de ruimtelijke draagkracht is gedaan. Bovendien werd in de ‘startnota’ de ruimtelijke draagkracht niet eens onderzocht. Het door de gemeente Ingelmunster ingeroepen citaat vindt men terug op p. 40 van de startnota en handelt over de Nederzettingsstructuur: (...) Het is duidelijk dat de geciteerde tekst enkel een beeld geeft van de bestaande toestand in de woonkern van Ingelmunster en dit op zeer algemene, zelfs vage, wijze. Men kan hier geenszins een onderzoek van de ruimtelijke draagkracht in zien. Het feit dat er in Ingelmunster verwevenheid van functies is, kan ook geen reden zijn voor verdere hinder en overlast. Interessanter is dat op p. 116 van de Startnota bij de ‘Zwakten’ van de ‘Nederzettingsstructuur’ vermeld staat ‘aanwezigheid van enkele hinderlijke bedrijven in de kern (o.a. brouwerij Van Honsebrouck) waarbij conflictsituaties ontstaan met de woonomgeving’ (...). Dit houdt een erkenning in in hoofde van de gemeente Ingelmunster dat de brouwerij wel degelijk veel hinder veroorzaakt. Voor het overige wordt in de Startnota de brouwerij niet eens vermeld zodat niet kan worden ingezien hoe de startnota de ruimtelijke draagkracht van de Oostrozebeekstraat en Bollewerpstraat (en inzonderheid de aanwezigheid van de brouwerij) zou kunnen toesten. Vermeldenswaardig is ook dat in het ontwerp GRS versie april 2004 in het informatief gedeelte men een subtiele tekstwijziging heeft aangebracht bij de ‘Zwakten’ van de ‘Nederzettingsstructuur’: ‘aanwezigheid van enkele grootschalige bedrijven in de kern waarbij conflictsituaties ontstaan met de woonomgeving’.... Dat in de Startnota vermeld staat dat ‘voor een aantal bestaande, historisch gegroeide en vaak relatief grootschalige bedrijven die gelegen zijn in de kern van Ingelmunster en verweven zijn met de woonomgeving, dient een ruimtelijke oplossing gezocht om deze bedrijven in de toekomst de mogelijkheid te bieden zich verder te kunnen handhaven op hun huidige terreinen, mits een maximale integratie voorzien wordt naar de woonomgeving toe’ kan uiteraard geen reden zijn om hinder in stand te houden c.q. te vermeerderen. Deze vermelding weegt trouwens niet om tegenover het feit dat men de brouwerij bij naam noemt als hinderlijk bedrijf. 2.3. Tenslotte stelt de gemeente Ingelmunster dat de ruimtelijke draagkracht niet is overschreden daar voldaan zou zijn aan de evaluatiecriteria voor de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande bedrijven buiten bedrijventerreinen zoals weergeven in het Provinciaal Structuurplan West-Vlaanderen. Hierbij passen enkele bemerkingen. Ten eerste kan de toetsing aan de evaluatiecriteria niet worden gelijkgesteld met een toetsen van de ruimtelijke draagkracht (hetgeen veel concreter dient te gebeuren). Verder is het zo dat men (bewust) niet toetst aan het eerste en belangrijkste criterium, met name dat van de ruimtebeslag: de schaal van het bedrijf is niet X-11.524-12.107-11/22 in overeenstemming met de schaal van de omgeving (ook staan de breedte, hoogte en diepte van de gebouwen in schril contrast met de omgevende bebouwing). Bovendien gaat men er in de Provinciaal Structuurplan West-Vlaanderen vanuit dat de benutte perceelsoppervlakte van het bedrijf (voor o.a. gebouwen, opslag, oprit, parkeerruimte) kleiner is dan 5000 m². In casu, wanneer men ook rekening houdt met de gebruikte percelen die buiten het beheersgebied vallen, komt men aan een drievoud van de benutte perceelsoppervlakte. Wat betreft de milieu-impact is kan de gemeente Ingelmunster niet worden gevolgd waar zij stelt dat er in het verleden slechts sporadisch milieuhinder is geweest en de brouwerij altijd beschikt heeft over de nodige vergunningen. Zoals in het verzoekschrift uiteengezet werden naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat zou leiden tot de milieuvergunning van 24 oktober 2002 maar liefst 28 bezwaren ingediend die betrekking hebben op ontploffingsgevaar CO2-tank, geurhinder, lawaaihinder, zonevreemdheid van het bedrijf, het overschrijden van de lokale dimensie, onaanvaardbare stedenbouwkundige inplanting; visuele hinder, rondslingeren van afval; verkeersoverlast; onvoldoende capaciteit van de watervoerende laag voor grondwaterwinning; nefaste invloed op de waterkwaliteit, het werken zonder vergunning voor grote delen van de inrichting. Verder is bewering dat de brouwerij niet hinderlijk zou zijn in strijd met hetgeen op p. 116 van de Startnota bij de ‘Zwakten’ van de ‘Nederzettingsstructuur’ werd gesteld: met name dat de brouwerij hinderlijk is. De brouwerij werd in 1995 zelfs geselecteerd voor het ‘Zwartboek van de Stedebouwwacht’: ‘De wijziging van het BPA werd goedgekeurd, zeer tegen de zin van de omwonenden. Die stapten daarop naar de Raad van State. Acht jaar later volgde de uitspraak: zowel het BPA als de bouwvergunning werden vernietigd. Een magere troost voor de bewoners, de uitbreiding stond er al lang. De hinder gaat onverminderd voort: geuroverlast van ammoniak, een stinkend afvalpark, lawaaihinder, vervuiling van het grondwater, zwaar verkeer door de woonstraten.’ De hinder is bekend en kan niet worden betwist. Dat de brouwerij steeds over de juiste vergunningen beschikte, klopt ook niet. Uw Raad heeft reeds vastgesteld dat de brouwerij haar activiteiten ook zonder milieuvergunning gewoon verder uitoefent (...), Dit arrest geldt erga omnes en als de gemeente daarvan geen kennis heeft is dat enkel aan haarzelf te wijten. Wat betreft de verkeershinder, kan de gemeente Ingelmunster niet worden gevolgd waar zij stelt dat er enkel hinder is in de Bollewerpstraat. Er is immers ook veel hinder aan de Oostrozebeekstraat waar ook geladen en gelost wordt en waar bovendien voortdurend clarks de oversteek maken van en naar o.a. de gebouwen Q en R. Wat het clustergebonden karakter als evaluatiecriterium betreft, is het zo dat de brouwerijactiviteit helemaal niet gebonden is aan de omgeving. Het feit dat geleverd wordt aan cafés in Ingelmunster verandert daar niets aan. (...) 3. In elk geval is de afweging niet correct gebeurd. (...) Geen enkele van de verwerende partijen betwist immers dat enkel rekening werd gehouden met (de activiteiten van) het beheersgebied zelf (waarbij men dan ook nog eens verkeerde cijfers vooropstelt). Zo wordt niet betwist dat geen rekening werd gehouden met de werkelijke omvang van de brouwerij, i.e. ook rekening houdende met de bedrijfsgebouwen gelegen buiten het beheersgebied: - het gebouw Q: een groot gebouw dat voorheen de bioskoop (Oostrozebekestraat 36) van Ingelmunster was en heden gebruikt wordt X-11.524-12.107-12/22 als onderdeel van de brouwerij, meer bepaald als magazijn en stapelplaats (...). Het gebouw is gesitueerd rechtover de zone 10 A en is gelegen in woonzone; - naast gebouw Q loopt er een oprit naar gebouw R (...): gebouw R is een grote loods van ongeveer 2000m² (...); de terreinen er rond worden gebruikt als stapelplaatsen en stortplaats (...); - een zone van ongeveer 700m², gelegen in de Oostrozebekestraat 42 (...), die dient als parking voor de brouwerij; - het gebouw in de Oostrozebekestraat, nr. 30 (...) dat feitelijk dienst doet als opslagplaats. Indien men de ruimtelijke draagkracht onderzoekt is het evident dat er bijvoorbeeld ook rekening mee moet worden gehouden (wat niet gebeurde) dat de aanwezigheid van de loodsen Q en R ook hinder genereert en er bovendien voor zorgt dat er constant voertuigen (inclusief vrachtwagen en clarks) van de brouwerij de straten oversteken, hetgeen een buitenmatige hinder veroorzaakt. Verder wordt niet betwist dat bij de beoordeling van de ruimtelijke draagkracht geen rekening is gehouden met de activiteiten die zich buiten het beheersgebied van het bestreden B.P.A. bevinden, bijvoorbeeld activiteiten aan de overkant van de Bollewerpstraat. Zo werd geen rekening gehouden met: - de aanwezigheid van een kunstacademie-jeugdcentrum (‘Don Bosco’) in de Bollewerpstraat waar onder meer de jongerenbeweging + 13 gelegen is (...); - de aanwezigheid van het gemeentelijk Jeugd- en Ontmoetingscentrum waar onder andere de Chiro, de VVKSM Sint Amandus, de speelpleinwerking Jadadde en de KLJ gevestigd zijn (... ) Het is duidelijk dat door al deze genoemde elementen niet op te nemen in de afweging, er geen correcte afweging is gebeurd, zodat het bestreden plan onwettig is. Bovendien is het zo dat het feit dat nergens rekening werd gehouden met deze gegevens (noch in het bestreden besluit, noch in de toelichtingsnota) aantoont dat de overheid bestemmingen heeft vastgelegd zonder kennis van zaken, en niet is uitgegaan van een degelijk inzicht in de kenmerken van het plangebied op feitelijk vlak. De overheid is helemaal niet zorgvuldig geweest”. 4.6. In de laatste memorie laat de tweede verwerende partij gelden dat “de eigenlijke plan- en bestemmingsvoorschriften uit het bestreden BPA in deze cruciaal zijn” en dat uit die voorschriften “een zeer ter dege afweging met de ruimtelijke draagkracht van de woonomgeving rond de bouwerij (blijkt)”, zij “zeer uitdrukkelijk geopteerd (heeft) voor een behoud van de activiteiten van de nv Van Honsebrouck ter plaatse, in acht genomen de verdere ontwikkelingsmogelijkheden van dat bedrijf, zij het onder een aantal zeer stringente condities” die “één voor één hun onmiddellijke grondslag (vinden) in het aanwezig zijn van woonbestemmingen onmiddellijk naast de brouwerij”, “uit de planwijziging zelf (...) voldoende (valt) af te leiden dat ter dege rekening gehouden werd met de ruimtelijke draagkracht van de woonomgeving en dat terzake in de nodige beschermingsmaatregelen voor de woonbestemmingen werd voorzien”, in de memorie van toelichting heel gedetailleerd wordt ingegaan op de relatie brouwerijzone - woonomgeving, in de bestreden beslissing de relatie brouwerij - woonomgeving en de ruimtelijke X-11.524-12.107-13/22 draagkracht van de woonbestemmingen rondom de brouwerij zeer expliciet aan bod komen waarbij bet potentieel hinderlijke karakter voor die woonbestemming niet wordt genegeerd, verschillende adviezen, de verslagen van de GECORO, het verslag van de plenaire vergadering enz. de bestreden beslissing schragen, multifunctionaliteit de regel is, het bestreden BPA niet enkel aan het RSV maar ook aan het provinciaal structuurplan West-Vlaanderen werd getoetst en dat die laatste toets niet kennelijk onredelijk is. 4.7. De tussenkomende partij besluit in de laatste memorie dat “op grond van de genuanceerde en gedetailleerde stedenbouwkundige bestemmingen en voorschriften omtrent inrichting, inplanting, bouwhoogte, materialen, dakhellingen, bufferzones, telkens in functie van de woonomgeving zoals deze blijken uit het ministerieel besluit, de goedgekeurde plannen en voorschriften en op grond van de memorie van toelichting en de definitieve milieuvergunning en de andere elementen van het dossier (...) niet (kan) worden besloten dat het bestreden besluit werd genomen met een kennelijk onvoldoende zorgvuldige beoordeling van de impact van de in het bestreden BPA voorziene brouwerijzone op de ruimtelijke draagkracht van de woonfunctie in de onmiddellijke omgeving van de brouwerijzone”. 4.8. Artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet luidde op het ogenblik van de goedkeuring van het bestreden bijzonder plan van aanleg, als volgt: “Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet (...) houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. Artikel 4 DRO bepaalt wat volgt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op die manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. X-11.524-12.107-14/22 Wat de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor “bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen” betreft, bepaalt het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) in het richtinggevende gedeelte het volgende : “De ontwikkelingsperspectieven van bedrijven en economische activiteiten buiten de bedrijventerreinen worden vooral bepaald door de aard en het karakter van het bedrijf zelf en nog meer door de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. Voor het principe ruimtelijke draagkracht kunnen geen algemeen geldende objectieve en meetbare maatstaven voor heel Vlaanderen worden aangereikt. Ruimtelijke draagkracht is afhankelijk van de ruimtelijke structuur, van het ruimtelijk functioneren van een gebied en is eveneens afhankelijk van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied en van de aard en het karakter van het bedrijf en haar activiteit. De gemeente zal de ruimtelijke draagkracht van de betrokken omgeving kwalitatief moeten bepalen omdat dit niet in een algemene norm is vast te leggen”. Het begrip “draagkracht van de ruimte” wordt in het RSV als volgt gedefinieerd : “De draagkracht van de ruimte is het vermogen van de ruimte om, nu en in de toekomst, menselijke activiteiten op te nemen zonder dat de grenzen van het ruimtelijk functioneren worden overschreden”. Uit het voorgaande volgt dat bij de ontwikkelings- en uitbreidingsperspectieven van het bedrijf van de tussenkomende partij rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht van zijn omgeving, dat die ruimtelijke draagkracht kwalitatief moet worden bepaald bij de planopmaak en bij de ruimtelijke afweging als belangrijkste element geldt. De tweede verwerende partij overweegt in het gemeenteraadsbesluit van 18 februari 2003 houdende de definitieve aanneming van het bestreden BPA dat “bij de afweging van de ruimtelijke draagkracht zowel de kenmerken van de omgeving als deze van de activiteit zelf (de brouwerij) dienen geanalyseerd en tegen elkaar afgewogen”. 4.9. Wat de kenmerken van de omgeving betreft, wijst de tweede verwerende partij vooreerst op “een sterk historisch gegroeide verweving van kleinschalige en grootschalige bebouwing, bestaande uit aaneengesloten bebouwing zowel langs de Oostrozebekestraat als de Bollewerpstraat, vergezeld van grootschalige bebouwing, vaak in tweede bouworde gelegen achter deze bouwlinten” en vervolgens naar “de analyse die uitvoerig is gebeurd in het kader van de startnota van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Ingelmunster” X-11.524-12.107-15/22 waaruit zij besluit “dat de omgeving geenszins bestaat uit een monofunctionele, residentiële structuur, maar wel uit een multifunctioneel fijnmazig net van diverse activiteiten, waarbij bedrijvig h e i d , h a n d e l , h o r e c a , opsl ag, gemeenschapsvoorzieningen, sportinfrastructuur,... naast wonen de dragers van het centrumgebied zijn, de motor van de kern zonder dewelke het goed en evenwichtig functioneren van de kern niet mogelijk zou zijn”. Hier geldt de vaststelling dat de tweede verwerende partij, wat de kenmerken van de omgeving betreft, een aanmerkelijk ruimere omgeving dan het beheersgebied van het bestreden BPA in ogenschouw neemt en voorbijgaat aan de specifieke kenmerken van de binnen het beheersgebied van het BPA gelegen onmiddellijke woonomgeving - meer bepaald de “zone voor centrumbebouwing” en de “zone voor eengezinswoningbouw onder de vorm van aaneengesloten bebouwing” - die de impact van het bedrijf van de tussenkomende partij nochtans rechtstreeks en het sterkst moet ondergaan. 4.10. Voor de beoordeling van de impact van het bedrijf van de tussenkomende partij heeft de tweede verwerende partij zich gebaseerd op “de beoordelingscriteria voor de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen” uit het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West- Vlaanderen, die de activiteit beoordeelt naar ruimtelijke impact, naar milieu-impact, naar verkeersimpact en naar sociaal- en bedrijfseconomische impact . Wat de ruimtelijke impact betreft, kan de verwijzing naar de toelichting bij het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt, noch de verwijzing naar de beschrijving van de bebouwing in de ruimere omgeving van het bedrijf, zoals weergegeven in de startnota van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan, volstaan als een afdoende en zorgvuldige beoordeling van de ruimtelijke draagkracht van de onmiddellijke woonomgeving. De vaststelling dat de brouwerij niet gesitueerd is in het gezichtsveld van beschermde monumenten, landschappen en dorpsgezichten of bakens in het landschap, de overweging dat reeds in 1875 op de huidige site bedrijvigheid was gevestigd, dat reeds in 1903 de brouwerij haar activiteiten is gestart en de beoordeling dat de ruimtelijke impact van de brouwerij niet buiten proportie is, onder verwijzing naar de buiten het beheersgebied van het bestreden BPA gelegen nv Monument, het gemeentehuis, het jeugdcentrum, het scholencomplex alsook het sportcentrum, volstaan niet als een afdoende beoordeling van de ruimtelijke draagkracht van de huidige onmiddellijke woonomgeving, te weten de “zone voor centrumbebouwing” en de “zone voor eengezinswoningbouw onder de vorm van aaneengesloten bebouwing”. X-11.524-12.107-16/22 De overwegingen met betrekking tot de “milieu-impact” van het bedrijf van de tussenkomende partij, dat er in het verleden “sporadisch” milieuhinder is geweest als gevolg van lawaai- geur- en visuele hinder, dat het bedrijf in het verleden “heel wat maatregelen” zou hebben genomen om deze hinder tot een minimum te herleiden en het bedrijf “steeds heeft beschikt over de nodige exploitatie- en milieuvergunningen”, vinden eensdeels geen bevestiging in de stukken uit het dossier en zijn anderdeels dermate vaag zodat ook in dat verband geen zorgvuldige en afdoende beoordeling van de ruimtelijke draagkracht van de onmiddellijke woonomgeving voorligt. Hetzelfde geldt voor de overwegingen dat het bestreden BPA als gevolg heeft dat de gebeurlijke hinder zal herleid worden door het onderbrengen van lawaaiproducerende activiteiten in afgesloten volumes met geluidsisolerende wanden en het voorzien van bufferzones en zones voor visuele integratie van de brouwerij. Deze maatregelen maken hoe dan ook geen afdoende beoordeling van de impact van de totale uitbreiding op de ruimtelijke draagkracht van de onmiddellijke woonomgeving uit. Wat de beoordeling van de verkeersimpact betreft, bevat het dossier geen afdoende beoordeling van de impact op de ruimtelijke draagkracht van de nabije woonfunctie die de verbreding van de Bollewerpstraat ter hoogte van de zone 8, de voorziene mogelijkheid tot uitbreiding van de openbare wegenis aan de hoek Bollewerpstraat en Oostrozebekestraat en de wijziging van de zones voor in- en uitritten in combinatie met de uitbreiding van de brouwerijzone zal teweeg brengen. De overweging “dat de verkeershinder zich voornamelijk situeert in de Bollewerpstraat als gevolg van wachten, laden en lossen van vrachtwagens op het openbaar domein” en “het BPA hiervoor passende maatregelen neemt”, volstaat niet ter beoordeling van deze impact, evenmin als de vaststelling dat “het bedrijf gelegen is langs een historische invalsweg, slechts één van de actoren is die verkeer veroorzaken in de omgeving (naast verkeer van en naar horeca, handel en andere bedrijvigheid in het plangebied) en bovendien historische invalswegen altijd meer verkeersbewegingen te verwerken kregen, krijgen en zullen krijgen in vergelijking met wegen die homogeen residentiële omgevingen ontsluiten”, “dat via de Bollewerpstraat en de Oostrozebekestraat het bedrijf rechtstreeks ontsloten is op de Ringlaan, die op zich weer toegang geeft tot het hoger wegennet”, “dat de ontsluiting door het openbaar vervoer gegarandeerd wordt door de aanwezigheid van het station van Ingelmunster en stophaltes binnen wandelafstand van diverse buslijnen”, of nog, “dat door het feit dat veel werknemers van de brouwerij uit de zeer directe omgeving afkomstig zijn, deze te voet of per fiets naar het werk kunnen komen, wat de vervoersvraag over de weg op een positieve manier beïnvloedt”. X-11.524-12.107-17/22 Wat de beoordeling van de sociaal- en bedrijfseconomische impact betreft, beperkt de tweede verwerende partij zich tot de overweging “dat de sociaal en bedrijfseconomische impact van het bedrijf vrij groot is, gelet op het investeringsniveau ter plaatse (alleen al voor investeringen ter verbetering van het milieu werd de laatste 10 jaar 570.500 euro geïnvesteerd), de tewerkstelling en de bestaande historische bebouwing”. 4.11. In de memorie van toelichting bij het bestreden BPA wordt ter zake de beoordeling van de ruimtelijke draagkracht nog het volgende gesteld : “De ruimtelijke draagkracht van de omgeving mag niet worden overschreden; de ruimtelijke draagkracht is niet in algemene regels te vatten, deze wordt gebied per gebied bepaald; historisch gegroeide situaties en hinder zijn mede bepalend voor de draagkracht. -Het bedrijf is historisch gegroeid binnen in de gemeente en was er eerder gesitueerd dan de omliggende woningen. Het bedrijf is historisch gegroeid binnen zijn mogelijkheden en heeft zijn (ruimtelijke) grenzen bereikt. -De ruimtelijke draagkracht wordt niet overschreden. Bij het afleveren van de nodige vergunningen werden een aantal veiligheidsmaatregelen opgelegd zodat de draagkracht van de omgeving gerespecteerd wordt, zoals een degelijk afgeschermde bufferzone, beperking in uitbreiding in bouwhoogte en dergelijke. De toelichting bij het gewestplan Roeselare-Tielt (KB 17.12.1979) citeert daaromtrent : “Om de bestaande bedrijven buiten de industriegebieden meer gewaarborgde ontwikkelingskansen te bieden, werden zij in het gewestplan, vastgesteld door Koninklijk Besluit, zoveel mogelijk aangeduid. Daarenboven worden, waar mogelijk, hun terreinen waar uitbreiding voorzien is, opgenomen als gebied voor beperkte industriële uitbreiding (aanvullend stedenbouwkundig voorschrift). Bij de uitbreiding van de bestaande bedrijven binnen het woongebied kan rekening gehouden worden met de economische functie die deze bedrijven vervullen. De uitbreiding zal in overweging genomen worden indien ze geen overlast meebrengt voor de woonfunctie”. Gelet op wat voorafgaat vormen ook deze overwegingen geen afdoende beoordeling van de ruimtelijke draagkracht van de binnen het beheersgebied van het BPA gelegen onmiddellijke woonomgeving - meer bepaald de “zone voor centrumbebouwing” en de “zone voor eengezinswoningbouw onder de vorm van aaneengesloten bebouwing”. 4.12. Wat betreft de beoordeling van de ruimtelijke draagkracht van de voormelde onmiddellijke woonomgeving, kunnen nog volgende overwegingen in het bestreden besluit worden betrokken: “Overwegende dat het plangebied van onderhavig wijzigingsplan volgens het voormelde gewestplan, behoudens het tracé van de Ringlaan, geheel als woongebied is bestemd; dat overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit X-11.524-12.107-18/22 van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de gewestplannen, de woongebieden een multifunctionele invulling kunnen krijgen; dat naast wonen onder meer de functies handel, dienstverlening, gemeenschapsvoorzieningen, sociaal-culturele inrichtingen, groene ruimten, agrarische bedrijven, alsook ambacht en kleinbedrijf zijn toegelaten mits deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; (...) Overwegende dat voormelde afwijking van het gewestplan is ingegeven door de bestaande toestand; dat de betreffende brouwerij reeds sinds 1900 aldaar is gevestigd en historisch vergroeid is met de gemeente; dat het behoud van de brouwerijactiviteiten belangrijk zijn voor het economisch welzijn van de gemeente en voor de plaatselijke tewerkstelling; dat mits strikte opvolging van de in onderhavig wijzigingsplan voorziene stedenbouwkundige voorschriften en gebruik makend van de best beschikbare technologie de bedrijfshinder t.o.v. de omliggende woonomgeving tot een aanvaardbaar peil kan worden teruggedrongen; dat voor de buiten het plangebied van onderhavig wijzigingsplan voorkomende hinder door transport die gegenereerd wordt door de exploitatie van de brouwerij binnen onderhavig bijzonder plan van aanleg geen beperkende voorwaarden kunnen opgelegd worden; dat in voormeld verband de gemeente zo nodig een gepast politiereglement dient uit te vaardigen; Overwegende de ontwikkelingsmogelijkheden die worden voorzien binnen voormelde zone 10 het voorwerp zijn geweest van talrijke bezwaarschriften van omwonenden tijdens het openbaar onderzoek; dat deze klachten door de Gecoro met unanimiteit en op een gemotiveerde basis ongegrond werden verklaard; dat de gemeenteraad heeft besloten alle ingediende bezwaren te verwerpen; dat de motieven tot verwerping van de ingediende bezwaren door de hogere overheid werden overwogen; dat de verwerping van de bezwaarschriften in het licht van het subsidiariteitsbeginsel en rekening houdende met de specifieke voorschriften die in dit wijzigingsplan zijn voorzien om de bestaande brouwerij met een minimum aan hinder verder te kunnen exploiteren, kan worden bijgetreden; Overwegende dat de mogelijkheden die in onderhavig wijzigingsplan zijn voorzien voor de verdere exploitatie van de betreffende brouwerij in overeenstemming zijn met de beginselen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, waarin wordt gestreefd naar een maximaal behoud van de open ruimte en naar een optimale benutting van de beschikbare bouwzones; Overwegende dat in de voorschriften van voormelde zone 10 tevens wordt voorkomen dat bij een gebeurlijke stopzetting van de brouwerij, aldaar nieuwe bedrijfsactiviteiten kunnen opgestart worden die belastend zijn voor de kwaliteit van een woonomgeving; dat in het geval dat de huidige activiteiten worden stopgezet de totaliteit van de zone 10 - inclusief de bufferzones die eraan palen - op basis van een globaal inrichtingsplan in aanmerking komt voor de oprichting van een centrumbebouwing die voor minimaal 60% van de toegelaten vloeroppervlakte dient te bestaan uit woonfuncties met daarbij mogelijkheden voor kleinhandel, kantoren, diensten; dat in de desbetreffende voorschriften de aanlegvoorwaarden zijn bepaald voor o.m. de ontsluiting van de zone, de algemeen ruimtelijke kwaliteit en de groenaanleg, de bebouwingsdichtheid, de typologie, de inplanting, de bouwdiepte en hoogte van de hoofdgebouwen, de afsluitingen; Overwegende dat de voorzieningen van onderhavig wijzigingsplan werden afgewogen in functie van de ruimtelijke draagkracht van de omgeving; dat zij kunnen bijdragen tot de rationele stedenbouwkundige aanleg en tot een versterking van het betreffend gedeelte van het dorpscentrum van Ingelmunster als onderdeel van het regionaalstedelijk gebied Roeselare”. X-11.524-12.107-19/22 Deze overwegingen evenmin als de voorschriften in het bestreden bijzonder plan van aanleg doen afbreuk aan de reeds gedane vaststellingen hiervoor in verband met het ontbreken van een afdoende beoordeling van de ruimtelijke draagkracht van de binnen het beheersgebied van het BPA gelegen onmiddellijke woonomgeving - meer bepaald de “zone voor centrumbebouwing” en de “zone voor eengezinswoningbouw onder de vorm van aaneengesloten bebouwing”. 4.13. Er dient derhalve besloten te worden dat uit de gegevens van het dossier niet blijkt dat een zorgvuldige en afdoende beoordeling van de impact van de in het bestreden bijzonder plan van aanleg voorziene zone 10 (brouwerijzone met nabestemming projectzone met centrumfunctie) en zone 1 (deelzone met eventuele nabestemming openbare wegenis) op de ruimtelijke draagkracht van de woonfunctie in de onmiddellijke omgeving, meer bepaald de zone 1 (zone voor centrumbebouwing) en zone 2 (zone voor eengezinswoningbouw onder de vorm van aaneengesloten bebouwing) heeft plaats gehad. Het middel is in zoverre gegrond. 5. Ten gronde (Zaak II) De bestreden vergunning werd aan de tussenkomende partij verleend bij toepassing van het voormelde bij ministerieel besluit van 29 april 2003 goedgekeurde bijzonder plan aanleg “Sportcentrum” van de gemeente Ingelmunster tot wijziging van het bij koninklijk besluit van 15 april 1971 goedgekeurd gelijknamig bijzonder plan van aanleg. De verzoeker die om de redenen uiteengezet onder randnummer 3.6 belang heeft bij zijn annulatieberoep, vordert de vernietiging van de bestreden vergunning op grond van het bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet aangevoerde en hiervoor gegrond bevonden eerste onderdeel van het eerste middel in zaak I. Gelet op het voorgaande is daar grond toe. X-11.524-12.107-20/22 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De zaken A. 139.288/X-11.524 en A. 156.908/X-12.107 worden gevoegd. Artikel 2. Vernietigd worden 1. het besluit van 29 april 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Sportcentrum” genaamd, van de gemeente Ingelmunster, tot wijziging van het bij koninklijk besluit van 15 april 1971 goedgekeurd gelijknamig bijzonder plan van aanleg, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en uit het bestemmingsplan met bijhorende afzonderlijk gebundelde stedenbouwkundige voorschriften, in zoverre het betrekking heeft op de brouwerijzone met nabestemming projectzone met centrumfunctie (zone 10) en de deelzone met eventuele nabestemming openbare wegenis van zone 1 voor centrumbebouwing, en 2. het besluit van 6 augustus 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ingelmunster waarbij aan de n.v. BROUWERIJ VAN HONSEBROUCK de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het bouwen van een stapelplaats aan de Oostrozebekestraat 43 te Ingelmunster, kadastraal bekend sectie B, nr. 862/b6. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. X-11.524-12.107-21/22 Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 139.288, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van het beroep in de zaak A. 156.908, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Het door de tussenkomende partij op het verzoekschrift tot tussenkomst in de zaak A. 156.908 onverschuldigd gekweten recht, ten belope van 50 euro, dient te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.524-12.107-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.697 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div