← België

Arrest 192805 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 28/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.805 Rolnummer: Zaak: Arrest 192805 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 28/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.805 van 28 april 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Samenvoeging Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.805 van 28 april 2009 in de zaken A. 153.149/XII-

  1. A. 157.864/XII-
  2. In zake : Roland DE VOS, wonende te Aalst, Weggevoerdenstraat 14 tegen : de HOGESCHOOL GENT, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3R. tussenkomende partij (in de zaak A. 157.864) : Ann DE BODT, wonende te Gent, Posteernestraat 46 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Met een op 25 juni 2004 per aangetekende brief verzonden verzoekschrift, vordert verzoeker de nietigverklaring van : “
  3. de beslissing B/RvB/2004/PER/0014 genomen door de Raad van Bestuur van de Hogeschool Gent in zijn vergadering van 24 maart 2004 betreffende de ‘uitvoering van het arrest van de Raad van State nr. 104.887 inzake Roland De Vos: Personeelsformatie Industriële Hogeschool CTL 1993-1994: invulling van de ambten omkadering’ en de in dit verband genomen adviserende beslissingen genomen door: - de Departementsraad van het departement Biotechnologische Wetenschappen (BIOT) in zijn vergadering van 10 februari 2004, met identificatie: BIOT/DR/2004/B/PER/0005, - de Departementsraad van het departement Industriële Wetenschappen (INWE) in zijn vergadering van 17 februari 2004, met identificatie: INWE/DR/2004/B/PER/0002, betreffende een ‘Advies personeelsformatie Industriële Hogeschool CTL 1993-1994, invulling van de ambten omkadering’;
  4. de impliciete weigering van de raad van bestuur van de Hogeschool Gent en van de departementsraden BIOT en INWE om bij de zg. ‘uitvoering van het vernietigingsarrest nr. 104.887 van 20 maart 2002 in zake Roland De Vos’ te erkennen dat de beslissing van de raad van bestuur die ‘het ambt van hoogleraar wiskunde bekleed door verzoeker vervangt door dat van docent voor het academiejaar 1993-1994’ geacht wordt nooit te hebben bestaan waardoor het ambt van hoogleraar aan XII-4181-1/10 verzoeker niet is ontnomen en als gevolg daarvan is blijven doorlopen tot er wettelijk een einde aan komt - in respect van de aanstelling van verzoeker ‘in afwachting van vacantverklaring van deze betrekking’ - en dit administratief te bekrachtigen”. Met een op 26 november 2004 per aangetekende brief verzonden verzoekschrift, vordert verzoeker de nietigverklaring van : “de beslissing B/RvB/2004/PER/0007 genomen door de Raad van Bestuur van de Hogeschool Gent in zijn vergadering van 24 maart 2004 betreffende het opstellen van de ‘Personeelsformatie 1993-1994 IH CTL’ in ‘Uitvoering arrest nr. 104.882 van de Raad van State inzake Michel De Spiegeleer’ en de in dit verband genomen adviserende beslissingen genomen door: - de Departementsraad van het departement Biotechnologische Wetenschappen (BIOT) in zijn vergadering van 10 februari 2004, met identificatie: BIOT/DR/2004/B/PER/0004, - de Departementsraad van het departement Industriële Wetenschappen (INWE) in zijn vergadering van 17 februari 2004, met identificatie: INWE/DR/2004/B/PER/0001”. Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 28 februari 2005 in de zaak A. 157.864/XII-4323; Gelet op de beschikking van 7 maart 2005 die de tussenkomst van Ann De Bodt toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker; Gelet op de beschikkingen van 30 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat E. Bral, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-4181-2/10 Gehoord het eensluidend advies in de zaak A. 157.864/XII-4323 van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gehoord het advies in de zaak A. 153.149/XII-4181 van adjunct- auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. De feiten 1.
  6. Verzoeker wordt bij koninklijk besluit van 11 september 1981 tot docent wiskunde HOLT in vast verband benoemd. Bij koninklijk besluit van 13 april 1983 wordt hij met een opdracht aan CLT Gent belast. Op 30 december 1988 wordt verzoeker aldaar tijdelijk aangesteld als hoogleraar wiskunde. 1.
  7. Op 30 maart 1993 wordt het basisoverlegcomité meegedeeld dat de “omkadering” in het HOLT door de daling van het studentenaantal “met 10 eenheden vermindert”. Na advies van het pedagogisch college, stelt de raad van bestuur van de industriële hogeschool CTL op 26 april 1993 de personeelsformatie HOLT voor het academiejaar 1993-1994 vast. Bij beslissing van 14 september 1993 wordt verzoeker weer met een opdracht als docent wiskunde belast. An De Bodt wordt met een opdracht als hoogleraar wiskunde belast. Aan verzoeker wordt in dat verband op 21 september 1993 het volgende meegedeeld : “Voor het academiejaar 1993-94 is de onderwijsomkadering voor de Industriële Hogeschool CTL vastgelegd op 71 eenheden. Daarbij moeten de verhoudingen van min. 30% assistenten en max. 25% hoogleraarequivalenten gerespecteerd worden. Op basis hiervan heeft de Raad van Bestuur de ambten en de invulling ervan vastgelegd voor het academiejaar 1993-94 (B/368/1993042 en B/368/1993/103). Konkreet betekent dit dat voor U een ambtswijziging wordt doorgevoerd met ingang van 1 oktober
  8. Voor het academiejaar 1993-94 bent U aangesteld als F.T. docent wiskunde (vast). XII-4181-3/10 Deze wijziging houdt uiteraard geen appreciatie of evaluatie van uw inzet in, maar is in de eerste plaats het gevolg van een daling van de toegekende onderwijsomkadering.” 1.
  9. Verzoeker dient tegen deze beslissing van 14 september 1993 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. De Raad vernietigt deze beslissing bij arrest nr. 104.887 van 20 maart 2002, op grond van volgende overweging : “Overwegende dat de bestreden beslissing uitvoering geeft aan de beslissing van de raad van bestuur B/368/1993/042 van 26 april 1993 die de personeelsformatie van de Hogeschool Gent voor het academiejaar 1993-1994 vastlegt; dat deze beslissing werd vernietigd bij arrest nr. 104.882 van 20 maart 2002; dat door die nietigverklaring de rechtsgrond van de thans bestreden handeling wegvalt, zodat ook deze moet worden nietigverklaard”. 1.
  10. Met ingang van 1 april 2002 wordt verzoeker eervol ontslag verleend uit zijn ambt en wordt hij gemachtigd zijn rechten op een rustpensioen te doen gelden. 1.
  11. Na advies van de departementen Biotechnologische wetenschappen en Industriële wetenschappen, neemt de raad van bestuur van de Hogeschool Gent op 24 maart 2004 volgende beslissingen : - de goedkeuring van de personeelsformatie van de Industriële Hogeschool CTL HOLT voor het academiejaar 1993-
  12. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 157.
  13. Ze voorziet in één ambt van hoogleraar wiskunde. - de goedkeuring van de invulling van de ambten omkadering van de Industriële Hogeschool HOKT/HOLT CTL, academiejaar 1993-
  14. Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 153.
  15. Het ambt van hoogleraar wiskunde wordt toebedeeld aan A. De Bodt; verzoeker valt terug op het ambt van docent wiskunde.
  16. De rechtspleging en de samenhang 2.
  17. Verzoeker stelt dat de verwerende partij de memorie van antwoord in de procedure A. 153.149 laattijdig heeft ingediend. Hij betoogt dat de verwerende partij daardoor haar belang heeft verloren. XII-4181-4/10 Het in die procedure neergelegde verzoekschrift tot nietigverklaring werd door de griffie van de Raad van State aan de verwerende partij ter kennis gebracht bij een op 19 augustus 2004 ter post aangetekende brief. De verwerende partij heeft het daarbij gevoegde ontvangstbewijs ondertekend op 20 augustus
  18. De door verwerende partij bij ter post aangetekende brief van 4 oktober 2004 neergelegde memorie van antwoord is derhalve tijdig. De “exceptie” mist manifest feitelijke grondslag. 2.
  19. De eerste bestreden beslissing in de zaak A. 157.864 is mede de rechtsgrond van de eerste aangevochten beslissing in de zaak A. 153.149, waarbij verzoekers individuele rechtspositie wordt bepaald. Het is dan ook in het belang van een goede rechtsbedeling om de zaken samen te voegen en eerst het beroep in de zaak A. 157.864 te onderzoeken.
  20. De ontvankelijkheid in de zaak A. 157.864 3.
  21. Op grond van artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, verjaren de beroepen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de tijdigheid van het beroep omdat het is ingesteld “buiten de toegestane termijn” van zestig dagen na de kennisneming van de beslissing van de raad van bestuur van de Hogeschool Gent. Verzoeker meent dat de beroepstermijn pas gaat lopen vanaf de betekening. 3.
  22. Een administratieve rechtshandeling moet in beginsel slechts worden “betekend” als die rechtshandeling de rechtstoestand van de betrokkene eenzijdig bepaalt, wijzigt of verhindert dat deze gewijzigd wordt. De thans in hoofdorde bestreden beslissing houdt enkel de vaststelling van de personeelsformatie in, zonder dat ten aanzien van de rechtstoestand van verzoeker reeds een beslissing wordt genomen. De rechtstoestand XII-4181-5/10 van verzoeker is maar gewijzigd door de in de andere zaak in hoofdorde bestreden beslissing. Een betekening was te dezen niet vereist. De bestreden beslissing van 24 maart 2004 schrapt niet verzoekers ambt van hoogleraar wiskunde, maar een ambt van hoogleraar. De laatste memorie van verzoeker kan niet van het tegendeel overtuigen. Ter staving dat de beslissing van 24 maart 2004 hem moest betekend worden, verwijst verzoeker daarin in de eerste plaats naar het arrest van de Raad van State nr. 104.887 van 20 maart
  23. Hij verliest daarbij uit het oog dat, anders dan in casu, in de zaak die tot dat arrest aanleiding gaf precies de beslissing ter discussie stond die voor verzoeker het ambt van hoogleraar verving door dat van docent. Voorts ontwikkelt verzoeker in de laatste memorie, ter verantwoording dat de aangevochten beslissing van 24 maart 2004 wel degelijk over zijn rechtstoestand beslist, een betoog vertrekkend van het uitgangspunt dat de beslissing betreffende de personeelsformatie slechts een “aanpassing” is ten opzichte van de eerste -vernietigde- beslissing. Het is een uitgangspunt dat niet wordt bijgevallen. Met het arrest De Spiegeleer, nr. 104.882 van 20 maart 2002, heeft de Raad van State immers vernietigd: “de beslissing van de raad van bestuur van de Industriële Hogeschool CTL Gent van 26 april 1993, waarbij de personeelsformatie voor het academiejaar 1993-1994 wordt vastgesteld”. Deze beslissing werd zo doende uit het rechtsverkeer verwijderd; ze moet worden geacht nooit te hebben bestaan. In die omstandigheden laat de aangevochten personeelsformatie zich niet kwalificeren als een loutere “aanpassing” van de eerdere, vernietigde beslissing. 3.
  24. Gaat de beroepstermijn, zoals te dezen tegen de beslissing van 24 maart 2004, lopen vanaf de dag van de kennis, dan mag van een belanghebbende worden verwacht dat hij, wanneer hij kennis neemt van het bestaan van een beslissing, binnen een redelijke termijn het nodige doet teneinde de inhoud van die beslissing te vernemen en er desgevallend een afschrift van te bekomen. Te dezen werd bij brief van 22 april 2004 de in de zaak A. 153.149 bestreden individuele beslissing van 24 maart 2004 aan verzoeker ter kennis gebracht. In die beslissing wordt melding gemaakt van de beslissing die het XII-4181-6/10 eerste voorwerp in de zaak A. 157.864 uitmaakt. Verzoeker heeft dus uit de brief kunnen opmaken dat een nieuwe beslissing inzake de personeelsformatie was genomen. Dat blijkt ook uit het verzoekschrift tot nietigverklaring dat hij op 25 juni 2004 heeft ingediend tegen de individuele beslissing die hem met de voormelde brief werd meegedeeld. Daarin klaagt hij in een vijfde middel juist aan dat de departementsraden BIOT en INWE zich hebben gebaseerd op een beslissing van onbekende datum die de personeelsformatie 1993-1994 zou hebben hernomen en die de omkadering 1993-1994 zou vastleggen - beslissing die zij niet kenden en daarom niet-rechtsgeldig zou zijn. Bijgevolg behoorde verzoeker binnen een redelijke termijn aan verwerende partij inzage in, desnoods afschrift van, die beslissing te vragen. Hij heeft dat evenwel niet gedaan, niettegenstaande hij op dat vlak een plicht tot waakzaamheid heeft. Uiteindelijk heeft hij pas vijf maanden later, en dus te laat, het besproken beroep tegen de vaststelling van 24 maart 2004 van de personeelsformatie 1993-1994 ingediend. De exceptie van verwerende partij is gegrond. 3.
  25. Het beroep is onontvankelijk, zowel wat de vaststelling van 24 maart 2004 van de personeelsformatie betreft, als wat de tweede en derde bestreden beslissing aangaat, die immers -louter- voorbereidend zijn ten aanzien van de eerste aangevochten beslissing.
  26. De ontvankelijkheid in de zaak A. 153.149 4.
  27. Verwerende partij werpt in de memorie van antwoord tegen dat verzoeker zonder belang is, ten eerste omdat hem met ingang van 1 april 2002 ontslag werd verleend en hij gemachtigd werd zijn rechten op een rustpensioen te laten gelden, en ten tweede omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden om in het ambt van hoogleraar te worden aangesteld. De exceptie wordt in het auditoraatsverslag bijgevallen, althans in die mate dat aan verzoeker belang wordt ontzegd omdat hij gepensioneerd is en in geen van de vijf door hem aangevoerde middelen een rechtsplicht in hoofde van de verwerende partij aantoont om zijn tijdelijke aanstelling ongemoeid te laten. XII-4181-7/10 4.
  28. Het is normaal de eerste betrachting van iemand die, zoals verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor een einde komt aan zijn tijdelijke aanstelling als hoogleraar en die wordt teruggeplaatst in het ambt van docent -waarin hij vast benoemd is-, om door de nietigverklaring te verkrijgen dat hij uiteindelijk toch nog als hoogleraar blijft aangesteld. 4.
  29. Naar verzoeker met een verwijzing naar het arrest Decaluwe, nr. 109.291 van 15 juli 2002, uiteenzet, bleef en blijft in principe zijn tijdelijke aanstelling als hoogleraar wiskunde van rechtswege doorlopen. Verwerende partij betwist dit niet, maar beklemtoont dat “een tijdelijke aanstelling geen aanstelling ad aeternam kan noch mag inhouden, doch steeds beëindigd kan worden, mits opgave van de motieven of redenen daartoe”. In dat verband wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing van 24 maart 2004 tot invulling van de ambten omkadering tot gevolg heeft gehad dat met terugwerkende kracht een einde werd gesteld aan verzoekers tijdelijke aanstelling als hoogleraar wiskunde. Wordt deze beëindiging door een vernietiging ongedaan gemaakt, dan volgt daar in beginsel automatisch uit dat verzoeker geacht moet worden voort als hoogleraar aangesteld te zijn gebleven. Daartoe zou een bijkomende beslissing van verwerende partij niet vereist zijn. Reeds een loutere vernietiging, op grond van welk middel dan ook, volstaat dus om verzoekers primaire belang te dienen. 4.
  30. Hieraan doen geen afbreuk de vaststellingen dat de op 24 maart 2004 vastgestelde personeelsformatie 1993-1994 in nog slechts één ambt van hoogleraar wiskunde voorziet, terwijl er het jaar voordien twee waren, bekleed door verzoeker, respectievelijk A. De Bodt, en dat die personeelsformatie thans definitief is gezien verzoeker verzuimd heeft ze tijdig aan te vechten. Zoals verzoeker terecht opmerkt, volgt uit een en ander immers niet ipso facto dat het ambt van hoogleraar wiskunde dat hij bekleedt het “te sneven ambt” zou zijn, reden ook waarom hoger sub 3.
  31. werd aangenomen dat de personeelsformatie hem niet betekend moest worden. 4.
  32. Overigens beweert verwerende partij ook geenszins dat ten gevolge van de personeelsformatie noodzakelijk een einde moest worden gesteld XII-4181-8/10 aan verzoekers tijdelijke aanstelling. Integendeel verantwoordt zij de beëindiging van zijn tijdelijke aanstelling als hoogleraar en het behoud door A. De Bodt van “[h]et ander ambt van hoogleraar wiskunde” hierdoor : “Gelet op het feit dat hij bij gebrek aan een vereist bekwaamheidsbewijs niet tot de proeftijd kan worden toegelaten; gelet op het feit dat de betrekking ten laatste tegen 1 april 1994 moet vacant verklaard zijn met het oog op de toelating tot de proeftijd; gelet op het feit dat deze betrekking wegens het gedaald studentenaantal hoedanook niet kan worden behouden; wordt de aanstelling van de heer De Vos als hoogleraar niet meer verlengd in het academiejaar 1993-
  33. Het ander ambt van hoogleraar wiskunde blijft toegewezen aan mevrouw De Bodt aangezien zij vanaf 01-01-1993 tot de proeftijd is toegelaten in dat ambt”. Of die verantwoording, inbegrepen het argument -in de exceptie van verwerende partij hernomen- dat verzoeker niet over het vereiste bekwaamheidsattest beschikt, terecht is en een toetsing aan de wettigheid doorstaat, betreft de grond van de zaak, niet de ontvankelijkheid ervan. 4.
  34. Dat, ten slotte, verwerende partij na een eventuele vernietiging te dezen mogelijk opnieuw retroactief een einde kan stellen aan verzoekers tijdelijke aanstelling, doet voor de beoordeling van zijn belang niet terzake. Het behoort niet om op het gebruik van die mogelijkheid en op de wettigheid van de alsdan genomen nieuwe beslissing vooruit te lopen. 4.
  35. De exceptie van gebrek aan belang wordt verworpen. Aangezien de conclusies van het auditoraatsverslag geen oplossing van het geschil bieden, is er reden tot een aanvullend onderzoek. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  36. De beroepen A. 153.149 en A. 157.864 worden gevoegd. XII-4181-9/10 Artikel
  37. Het beroep inzake A. 157.864 wordt verworpen. Artikel
  38. In de zaak A. 153.149 worden de debatten heropend en wordt het lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek gelast. Artikel
  39. De kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 157.864, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst in die zaak, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De uitspraak over de kosten in de zaak A. 153.149 wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-4181-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.