id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.810 Rolnummer: A. 191964/XII-5770 Zaak: Arrest 192810 - Overheidsopdrachten - 28/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.810 van 28 april 2009 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.810 van 28 april 2009 in de zaak A. 191.964/XII-
- In zake : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’Hooghe en L. Schellekens, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat 25 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te 1050 Brussel, G. Macaulaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Universiteit Gent op 27 maart 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van “de beslissing van ongekende datum waarbij de opdracht ‘Evaluatie van de effectiviteit van snelheidscamera’s op vlak van verkeersveiligheid’ (bestek nr. AB-MV/08/017), uitgeschreven door de Afdeling Beleid Mobiliteit en Verkeersveiligheid van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van de Vlaamse Overheid wordt toegewezen aan de Universiteit Hasselt”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2009, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Schellekens, die loco advocaat D. D’Hooghe verschijnt voor verzoekende partij, en van advocaat K. Ronse, die verschijnt voor verwerende partij; XII-5770-1/14 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- De Vlaamse Overheid schrijft een algemene offerteaanvraag van diensten uit voor een opdracht “Evaluatie van de effectiviteit van snelheidscamera’s op vlak van verkeersveiligheid”. Deze opdracht wordt op 5 oktober 2008 aangekondigd in het Publicatieblad van de Europese Unie en op 22 oktober 2008 in het Bulletin der Aanbestedingen. Het bestek bevat de volgende “beknopte omschrijving van de opdracht” : “De Vlaamse overheid zal in de loop van 2008 en 2009 40 digitale snelheidscamera’s plaatsen op autosnelwegen en wenst de effecten van deze maatregel wetenschappelijke te evalueren. Het doel van het onderzoeksproject is dan ook om de effecten van deze camera’s op de verkeersveiligheid te evalueren”. Om deze evaluatie mogelijk te maken, zullen data verzameld worden in verband met het snelheidsgedrag en de verkeersongevallen op en nabij de cameralocaties. Vervolgens zullen deze data wetenschappelijk geanalyseerd worden. Voor de nadere omschrijving van de opdracht verwijzen we naar deel III van dit bestek : Technische Voorschriften”. De technische voorschriften waarnaar verwezen wordt bevatten onder punt III.2.1 het volgende : “Centraal in het uit te voeren onderzoek staat het beantwoorden van de vraag of de camera’s een gunstig effect hebben op de verkeersveiligheid. Een antwoord op deze vraag kan bekomen worden aan de hand van verzameling en analyse van ongevalgegevens. Andere variabelen kunnen echter ook bijkomend een beeld geven van de effecten van de geplaatste camera’s. Zo hebben camera’s immers geen rechtstreekse invloed op het aantal ongevallen, maar werken ze wel in op de rijsnelheid. Daarom is het eveneens van belang om ook zeker deze intermediërende variabele in het onderzoek mee te beschouwen. Grosse modo kan het onderzoek in twee delen opgedeeld worden : 1) Deel 1 : Verzameling, analyse, verwerking en interpretatie van snelheidsgerelateerde data 2) Deel 2 : Verzameling, analyse, verwerking en interpretatie van ongevallendata”. Vervolgens worden onder punt III.2.2 de onderzoeksvragen in relatie tot het effect op ongevallen enerzijds en in relatie tot het effect op rijsnelheid XII-5770-2/14 anderzijds opgesomd waarop minimaal een antwoord wordt gewenst in dit onderzoek. Onder de punten III.2.3 en III.2.4 worden de benodigde data, de uitvoeringstermijn en voorgestelde timing beschreven. De gunningscriteria worden als volgt beschreven : “De opdrachtgever kiest de regelmatige offerte die volgens haar op het vlak van kwaliteit/prijs het voordeligst lijkt, op grond van volgende criteria :
(1)De inhoudelijke en methodologische kwaliteit van het voorstel (40%) zijnde : * de wijze waarop de verschillende onderdelen van het onderzoek inhoudelijk, methodologisch en naar tijdsbesteding zullen uitgevoerd worden met aandacht voor het beantwoorden van de gestelde onderzoeksvragen; * de kwaliteit van de voorgestelde methodiek in het kader van de dataverzameling en -analyse.
(2)De kwaliteit van het team dat het onderzoek zal uitvoeren (30 %) zijnde : a. de kwalificaties en de ervaring van de voor de opdracht voorgestelde projectleider en projectmedewerkers inzake verkeersveiligheids- en/of mobiliteitsonderzoek; b. de ervaring en referenties op vlak van vergelijkbaar onderzoek.
(3)De kostprijs van de opdracht (30%).” Op 12 december 2008 worden de offertes geopend. De Universiteit Hasselt, Transport & Mobility Leuven en de Universiteit Gent hebben een offerte ingediend. Volgens het gunningsverslag van 26 januari 2009 zijn alle offertes volledig en voldoen ze aan de voorwaarden voor kwalitatieve selectie. Alle offertes worden getoetst aan de gunningscriteria wat resulteert in de volgende globale beoordeling : “ Inhoudelijke en Kwaliteit Prijs Totaal methodologische van het incl. kwaliteit van het team BTW voorstel 40 30 30 100 Universiteit 35 25 30 90 Hasselt Transport & 30 25 15 70 Mobility Leuven Universiteit Gent 20 23 23 66 ”. XII-5770-3/14 Er wordt voorgesteld de opdracht toe te wijzen aan de Universiteit Hasselt, voor een bedrag van 232.302 euro, btw inbegrepen. Na een gunstig advies van de inspecteur van financiën van 25 februari 2009, beslist de Vlaams minister van Mobiliteit, op 9 maart 2009, met verwijzing naar de motivering en het besluit van het gunningsverslag dat geheel wordt onderschreven, de opdracht toe te wijzen aan de Universiteit Hasselt. Dit is de bestreden beslissing. Met een brief van 12 maart 2009 deelt verwerende partij “conform artikel 21bis, § 2 van de Wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten”, aan de Universiteit Gent mee dat haar offerte niet werd gekozen. “Voor de motivatie” wordt verwezen naar het bijgevoegd gunningsverslag. Tevens wordt meegedeeld dat het bestuur een wachttermijn van 15 kalenderdagen in acht zal nemen tussen die mededeling en de betekening van de toewijzing aan de begunstigde. De grondvoorwaarden voor de schorsing Algemeen
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Het middel
- Wat de tweede voorwaarde betreft, voert verzoekende partij in een enig middel de schending aan van “artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten [...] juncto artikel 115 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken [...], van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering XII-5770-4/14 van bestuurshandelingen, van de artikelen 10 - 11 van de Grondwet, en van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het beginsel luidens welk overheidsbeslissingen op in feite juiste en in rechte pertinente motieven moeten gesteund zijn (motiveringsbeginsel), van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel”. In essentie betoogt verzoekende partij dat de ingediende offertes in het kader van het eerste gunningscriterium (“inhoudelijke en methodologische kwaliteit van het voorstel”) en het tweede gunningscriterium (“kwaliteit van het team dat het onderzoek zal uitvoeren”) niet op een correcte en zorgvuldige wijze werden onderzocht. In de eerste plaats wordt daarbij aangevoerd dat een aantal aspecten van de offerte van verzoekende partij ten onrechte als minwaarde werden bestempeld en dat omgekeerd een aantal meerwaarden uit de offerte van verzoekende partij niet werden vertaald in een positieve quotering. Deze stelling wordt in de uitwerking van het middel toegelicht aan de hand van een aantal voorbeelden (bespreking bij randnummer 5). Vervolgens wordt aangevoerd dat verschillende maatstaven werden gehanteerd bij de beoordeling van de offerte van verzoekende partij in vergelijking met de offertes van de andere inschrijvers. Verzoekende partij werpt daartoe in de eerste plaats op dat het bij haar als negatief beoordeelde gebruik van tellussen, bij de andere inschrijvers niet negatief werd beschouwd. Daarnaast wordt aangevoerd dat bepaalde minwaarden uit de offertes van de andere inschrijvers helemaal niet in aanmerking werden genomen, hetgeen ook met voorbeelden wordt toegelicht (bespreking bij randnummer 6). Ten slotte wordt aangevoerd dat wat betreft het “subcriterium” “ervaring en referenties op het vlak van vergelijkbaar onderzoek” in het kader van het gunningscriterium “kwaliteit van het team dat het onderzoek zal uitvoeren” geen enkel concreet element in de motivering is opgenomen dat van aard is om te verantwoorden waarom de offerte van verzoekende partij op dit vlak lager scoort dan de offertes van de andere inschrijvers (bespreking bij randnummer 7). Al deze gebreken houden volgens verzoekende partij tevens in dat het gunningsverslag, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, niet afdoende is gemotiveerd. De motieven die de beoordeling schragen zijn niet van aard XII-5770-5/14 de toegekende scores voor de offerte van de verzoekende partij en deze van de Universiteit Hasselt, de gekozen inschrijver, te verantwoorden. Bespreking van het middel
- De opdracht zoals omschreven in het bestek heeft een uitgesproken technisch karakter. Een kritiek die -zoals te dezen- mede gestoeld is op technische argumenten kan in beginsel pas tot schorsing leiden wanneer de ernst ervan al blijkt op grond van een snel en zeer prima facie onderzoek, vermits het voor de Raad van State, zonder daarin te kunnen worden bijgestaan door een deskundige -kenmerk van de wettelijk opgelegde uiterst dringende procedure- niet mogelijk is om decisieve uitspraken te doen over technische betwistingen die tussen partijen bestaan, en die te dezen onder meer de wijze betreffen waarop “tellussen” en “Floating Vehicle Data” worden gebruikt. Hierna volgt aldus slechts een hoogst voorlopige beoordeling.
- Wat betreft de stelling van verzoekende partij dat een aantal aspecten van haar offerte ten onrechte als minwaarde werden bestempeld en dat omgekeerd een aantal meerwaarden uit haar offerte niet werden vertaald in een positieve quotering, dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat verzoekende partij in haar lezing van het gunningsverslag lijkt voorbij te gaan aan een aantal voor haar soms negatieve vaststellingen in de vergelijking tussen de offertes. Zo betwist zij in het kader van de beoordeling van “de wijze waarop de verschillende onderdelen van het onderzoek inhoudelijk, methodologisch en naar tijdsbesteding zullen uitgevoerd worden met aandacht voor het beantwoorden van de gestelde onderzoeksvragen”, bijvoorbeeld niet de eerste vaststelling in het gunningsverslag dat “vanuit de offerte een redelijk duidelijke visie [blijkt] op de uit te voeren studieopdracht naar voor te komen, zij het iets minder op vlak van snelheidsonderzoek”, een voorbehoud dat voor de twee andere inschrijvers niet wordt gemaakt. De vraag rijst of dit op zich, los van de betwiste minwaarden en de beweerde niet in aanmerking genomen meerwaarden, op zich al niet kan verklaren waarom haar offerte op dit punt opnieuw als derde wordt gerangschikt. Voorts lijkt zij in het kader van de beoordeling van “de kwaliteit van de voorgestelde methodiek in het kader van de dataverzameling en -analyse”, niet de vaststelling in het gunningsverslag te betwisten dat noch het aantal voorziene metingen, noch de meetperiodes, noch het aantal meetplaatsen worden gespecificeerd. XII-5770-6/14 Ook hier rijst de vraag of dit al op zich niet zou kunnen verklaren waarom haar offerte op dit punt na de twee andere inschrijvers wordt gerangschikt. 5.
- In ieder geval wordt in het verzoekschrift niet met de vereiste prima facie ernst aangetoond dat in het kader van de beoordeling van gunningscriterium
(1)a. de “wijze waarop de verschillende onderdelen van het onderzoek inhoudelijk, methodologisch en naar tijdsbesteding zullen worden uitgevoerd met aandacht voor het beantwoorden van de gestelde onderzoeksvragen”, het ten onrechte is dat met de wel bekritiseerde minwaarden rekening werd gehouden. In de eerste plaats voert verzoekende partij daartoe aan dat de werking van de stuurgroep in haar offerte ten onrechte als minwaarde werd aangemerkt, enerzijds omdat de rol van de stuurgroep in de offerte niet werd omschreven, terwijl het bestek deze rol zelf omschrijft en nergens vraagt deze te verduidelijken, en anderzijds omdat voor de tweede fase van de opdracht geen voorstel wordt gedaan voor samenkomst van de stuurgroep, terwijl uit haar offerte duidelijk blijkt dat ook voor de tweede fase de stuurgroep zal samenkomen. Het feit dat de rol van de stuurgroep reeds kort in het bestek wordt omschreven sluit, zo lijkt het, echter niet uit dat een nadere omschrijving van de rol van de stuurgroep en een specificatie ervan in functie van het plan van aanpak en de methodiek zoals voorgesteld door de inschrijver -zoals blijkbaar wel gedaan door de twee andere inschrijvers- als een meerwaarde wordt aanzien en het feit dat “voor de 2de fase van de opdracht ook geen voorstel meer [wordt] gedaan van samenkomst van de stuurgroep, zelfs niet onder voorbehoud van eventuele randvoorwaarden”, zoals het gunningsverslag stelt, als een negatief punt. Zelfs indien met verzoekende partij lijkt te kunnen worden aangenomen dat uit haar offerte blijkt dat ook in de tweede fase voorzien is dat de stuurgroep zal bijeenkomen, blijft de vaststelling dat ter zake geen timing wordt voorgesteld. Vervolgens voert verzoekende partij aan dat in hetzelfde kader ten onrechte werd geoordeeld dat de voorziene tijdsbesteding voor een aantal taken overdreven hoog is, terwijl het voorstel van verzoekende partij volledig binnen de in het bestek voorgeschreven tijdsbesteding valt en het voorzien van een hogere tijdsbesteding leidt tot een verhoogde kwalitatieve uitvoering en dus een meerwaarde. Het enkele feit echter dat het voorstel van verzoekende partij binnen de in het bestek voorgeschreven tijdsbesteding blijft, belet, zo lijkt het, niet dat de ene conforme tijdsbesteding door het bestuur beter of slechter kan worden bevonden XII-5770-7/14 dan de andere conforme tijdsbesteding. Het argument dat het voorzien van een hogere tijdsbesteding leidt tot een verhoogde kwalitatieve uitvoering en dus een meerwaarde, toont in zijn algemeenheid, zo lijkt het, evenmin aan waarom het bestuur niet van oordeel mocht zijn dat de voor bepaalde taken volgens haar overdreven hoge tijdsbesteding, geen meerwaarde is die zich kan vertalen in een hogere puntenscore wat de inhoudelijke en methodologische kwaliteit van de offerte betreft. Verzoekende partij voert nog aan - in tegenstelling tot wat wordt gesteld in het gunningsverslag dat de extra tijdsbesteding niet de aanlevering en verwerking betreft van gegevens op locaties met camera’s, hetgeen ook volgens haarzelf in belangrijke mate overbodig werk zou zijn maar de controle van de aangeleverde data. Zij lijkt er daarbij echter aan voorbij te gaan dat de betrokken opmerking niet enkel de taak van data-inwinning betreft maar ook het schrijven van de eindrapporten en dat het bestuur deze timing in het algemeen te hoog lijkt te vinden en niet alleen omdat het gaat om door het bestuur aangeleverde data. Verzoekende partij vervolgt dat de Universiteit Hasselt en TML slechts in metingen voorzien op 6 respectievelijk 9 verschillende locaties terwijl de door verzoekende partij voorgestelde wijze van dataverzameling van snelheid alle nieuwe locaties dekt, hetgeen uiteraard implicaties heeft op tijdsbesteding en prijs maar waartegenover een grotere wetenschappelijke geloofwaardigheid van de testresultaten staat en dus een meerwaarde inzake kwaliteit. Verwerende partij stelt daarbij in haar nota vast dat in de bijlage bij de offerte met informatie rond de Floating Vehicle Data metingen, op bladzijde 96 wordt vermeld “met de pure snelheidswaarnemingen op segmenten van Floating Vehicle Data kan op alle 40 locaties metingen uitgevoerd worden”, maar dat in de offerte zelf, onder de hoofding data (blz. 31-33) het effectief aantal onderzoekslocaties zelf niet wordt gekwantificeerd zodat volgens haar de vraag rijst of dit aantal van 40 locaties wel meer is dan informatief. Zij meent dat op die bladzijde 32 van de offerte de combinatie en complementariteit van de twee meetmethodes (“dubbele lussen en FVD”) ook veeleer op het vlak van de snelheid van uitvoering zijn gesitueerd (“Beide meetmethodes zijn bijgevolg complementair en laten toe om de studie zo snel mogelijk op te starten”) en niet op het vlak van de volledigheid van het aantal
(40)voorziene locaties met snelheidscamera’s. Het gunningsverslag zelf (blz. 8) spreekt, bij de beoordeling van de kwaliteit van de voorgestelde methodiek in het kader van de dataverzameling en -analyse met betrekking tot snelheid, voor verzoekende partij in ieder geval zelf van 40 cameralocaties vergeleken met 6 locaties voor Hasselt en 9 voor LRM. Aldus lijkt XII-5770-8/14 verzoekende partij ten onrechte te stellen dat met het voordeel van het aantal cameralocaties geen rekening werd gehouden; alleen leidde dit blijkbaar niet tot een positieve score. Het argument ten slotte dat de extra tijdsbesteding ten onrechte hier als minwaarde wordt beschouwd zodat deze in feite tweemaal wordt gesanctioneerd aangezien deze reeds leidde tot een mindere score op het prijscriterium, lijkt er aan voorbij te gaan, zoals verwerende partij opmerkt, dat in het kader van de prijs de tijdsbesteding in globo wordt beoordeeld, terwijl het hier blijkbaar veeleer gaat om de inhoudelijke en methodologische kwaliteit van het voorstel en de impact en het realisme van de tijdsbesteding in dat kader. De kritiek op de voormelde minwaarden lijkt in de huidige stand van het geding dan ook niet ernstig. 5.2. In de mate dat verzoekende partij in dit kader aanvoert dat het voorstel om reeds te starten met een analyse van de data van reeds geplaatste onbemande camera’s en om als extra onderzoeksvraag te onderzoeken wat de invloed is van het aankondigingsbord op het rijgedrag, ten onrechte niet als meerwaarde in aanmerking werd genomen, blijkt uit het gunningsverslag -op bladzijde 4- dat het bestuur wel degelijk rekening heeft gehouden met die meerwaarden Er wordt immers vastgesteld : “dit is een toegevoegde waarde” en “dit kan interessante informatie opleveren”. Verzoekende partij toont aldus niet prima facie aan dat in dat licht en in het licht van de andere elementen van de beoordeling van haar offerte, waaronder een aantal minwaarden, ten onrechte op onderdeel
(1)a. aan de offerte van verzoekende partij 15 op 20 werd gegeven, en aan de andere inschrijvers 17 en
- 5.
- Ook de kritiek op bepaalde minwaarden in het kader van de beoordeling van gunningscriterium
(1)b. “de kwaliteit van de voorgestelde methodiek in het kader van de dataverzameling en -analyse”, toont niet prima facie aan dat ten onrechte met deze elementen als minwaarden rekening werd gehouden. Verzoekende partij betwist immers in de eerste plaats omstandig de negatieve beoordeling van het door haar aangeboden systeem voor de verzameling van de snelheidsgegevens, systeem dat gebruik maakt van “het algemeen meetnet (dubbele lussen)” en van “Floating Vehicle Data”. De betrokken twistpunten zijn echter dermate technisch dat de Raad van State zich onmachtig weet om er zich zelfs XII-5770-9/14 op het eerste gezicht een oordeel over te vormen, nu de Raad te dezen in beginsel geen beroep kan doen op de bijstand van een deskundige. Vervolgens betwist verzoekende partij deze opmerking op bladzijde 9 van het gunningsverslag : “Er wordt gesteld dat er minimaal data van 150 ongevallen voorhanden moeten zijn om de analyse te kunnen uitvoeren. Hierbij is het niet onmiddellijk duidelijk vanwaar deze vereiste precies vandaan komt”. Verzoekende partij werpt daartoe op dat in haar offerte op bladzijden 28 - 29 is aangegeven dat 150 ongevallen een degelijk getal is om tot een statistisch gezien representatief eindresultaat te komen. Voor dit getal verwijst verzoekende partij naar wetenschappelijke werken, referenties die het bestuur op onbegrijpelijke wijze zou negeren. Op bladzijde 27 en volgende van de offerte wordt in voetnoten inderdaad verwezen naar wetenschappelijke toelichtingen bij bepaalde aspecten van de toegepaste methode. Bij het aantal van 150 ongevallen wordt echter enkel gesteld dat “onderzoek heeft aangetoond dat 150 ongevallen een degelijk aantal is”, “het aantal ongevallen dient zo groot te zijn dat een statistische analyse mogelijk is (150 in de voorperiode)” en “onderzoek geeft aan dat 150 ongevallen een goed aantal is”. In dat licht lijkt de opmerking in het gunningsverslag niet “onbegrijpelijk” dat niet “onmiddellijk duidelijk [is] vanwaar deze vereiste precies vandaan komt”. De kritiek betreffende de beoordeling van de voormelde minwaarden is in de huidige stand van het geding dan ook niet ernstig. 5.
- Ook de kritiek van verzoekende partij, dat bij de beoordeling van de kwaliteit van dataverzameling en - analyse met betrekking tot de snelheid ten onrechte geen rekening werd gehouden met bepaalde positieve elementen, minstens dat dit niet blijkt uit de motivering, toont niet prima facie aan dat het in rechte niet was toegestaan met de bekritiseerde elementen geen rekening te houden. Verzoekende partij verwijst daartoe vooreerst naar het feit dat het door haar voorgestelde systeem op continue basis beschikbaar is en toelaat data aan te leveren ongeacht de plaatsing van extra meettoestellen en ongeacht de periode, terwijl de door de andere inschrijvers voorgestelde metingen dit enkel kunnen ter hoogte van de plaatsing en terwijl bij hen deze metingen enkel verkregen kunnen worden gedurende de tijd dat de bijkomende camera’s op deze locaties geplaatst zijn : zulks is budgettair blijkbaar moeilijk haalbaar aangezien de andere inschrijvers maar in een beperkt aantal locaties voorzien waarbij de metingen slechts 1 week per XII-5770-10/14 specifieke locatie zullen worden uitgevoerd, dus gedurende een relatief korte periode en waarbij de data van het waarschuwingsbord, camera en na-camera vermoedelijk niet dezelfde zijn; verzoekende partij vermoedt verder dat de voor de plaatsing van de andere camera’s door de andere inschrijvers vereiste extra kosten van personeel van het gewest en de politie, door deze inschrijvers niet verrekend werden in hun inschrijvingsprijs; dit werd hun ten onrechte niet als minwaarde aangerekend. Aldus wordt een eerder technische kritiek aangebracht, waarbij zoals hiervoor reeds gesteld het niet aan de Raad van State toekomt om deze te beoordelen in de huidige procedure. Bovendien lijkt verzoekende partij prima facie niet aan te tonen dat het aantal en de duur van de door de andere inschrijvers voorgestelde metingen en locaties niet zouden toelaten een kwalitatief antwoord te bieden op de onderzoeksvragen. Vervolgens voert verzoekende partij in dit verband ook aan dat zij als enige beschikt over historische data, namelijk snelheidsgegevens voordat de camera’s werden geplaatst, nu haar systeem sinds oktober 2007 operationeel is zodat zij als enige op grond hiervan wetenschappelijk verantwoord vooronderzoek kan doen en vaststellen wat het effect van de camera’s is op de rijsnelheden; de andere inschrijvers moeten zich steunen op erg sporadische en toevallige snelheidscontroles van de politie op die locaties. Verzoekende partij toont hierbij echter niet concreet en specifiek aan waarom de andere inschrijvers geen wetenschappelijk verantwoord vooronderzoek zouden kunnen uitvoeren. Zo blijkt onder meer niet dat de Universiteit Hasselt zich enkel zou kunnen baseren “op erg sporadische en toevallige snelheidscontroles van de politie op die locaties”, nu het gunningsverslag op bladzijde 5 verwijst naar het betrokken verkeersregistratiesysteem dat in het verleden reeds bewees zeer nauwkeurige data op te leveren. Ook de kritiek inzake de besproken meerwaarden is in de huidige stand van het geding niet ernstig.
- Wat de tweede in het enige middel door verzoekende partij geponeerde stelling betreft, namelijk dat niet dezelfde maatstaven werden gehanteerd bij de beoordeling van haar offerte in vergelijking met de offertes van de andere inschrijvers, wordt dit in de eerste plaats afgeleid uit het feit dat het bij haar als negatief beoordeelde gebruik van tellussen, bij andere inschrijvers niet als negatief werd beschouwd. In de uitwerking van het middel wordt in dit verband opgemerkt XII-5770-11/14 dat het tellussysteem ook door andere inschrijvers wordt gehanteerd en bij hen als voldoende betrouwbaar wordt beschouwd en dat het strijdig is met het gelijkheidsbeginsel om het tellussysteem dat door de wegbeheerder ter beschikking wordt gesteld en dus voor alle inschrijvers hetzelfde is, bij haar negatief te beoordelen en ter zake bij de andere inschrijvers geen opmerkingen te maken. Deze kritiek gaat er echter, zo lijkt het, in zoverre de Raad van State deze in zijn techniciteit juist inschat, aan voorbij dat de Universiteit Hasselt volgens het gunningsverslag (bladzijde 5) voor het verzamelen van snelheidsgegevens gebruik maakt van infrarood technologie, “meer bepaald het verkeersregistratiesysteem TIRTL (‘The InfraRed Traffic Logger’), aangeleverd door de onderaannemer TEC Traffic Systems” en enkel voor het verkrijgen van intensiteitsgegevens een beroep zal doen “op het algemeen meetnet (tellussen)”. Wat het door Transport & Mobility voorgestelde systeem betreft, worden in het gunningsverslag wel degelijk opmerkingen gemaakt over het gebruik van de lusdetectoren. Niettemin toont verzoekende partij niet concreet aan, hoe een onterechte ongelijke behandeling daarbij voorhanden is, in het licht van de globale beoordeling van het door Transport & Mobility voorgestelde systeem waarbij dit vóór dat van verzoekende partij wordt gerangschikt. Vervolgens voert verzoekende partij aan dat bepaalde minwaarden uit de offertes van de andere inschrijvers niet in aanmerking werden genomen. Zo stelt zij als enige te beschikken over snelheidsdata ongeacht de precieze locatie van de camera en kan dus als enige van de inschrijvers onderzoeksvraag 8 (uitdeinen van het effect op snelheid) correct beantwoorden evenals onderzoeksvragen 4 en 9, wat nochtans niet als minwaarde werd beoordeeld bij de andere inschrijvers. Zij betrekt in haar kritiek ook het feit dat het systeem van de andere inschrijvers niet op continue wijze beschikbaar zou zijn en bepaalde kosten bij hen niet zouden zijn verrekend. Die kritiek bevat technische gegevens waarop de Raad van State weinig zicht heeft. Verzoekende partij toont hierbij alvast echter niet concreet aan waarom het door de Universiteit Hasselt voorgestelde systeem, dat blijkens het gunningsverslag “reeds een duidelijk beeld [geeft] van het aantal locaties (onderzoekslocaties + controlelocaties) dat onderzocht zal worden, het aantal en de plaats van de uit te voeren metingen per cameralocatie, en de meetperiodes” niet zou toelaten alle vragen te beantwoorden zoals door het gunningsverslag blijkbaar is aangenomen bij de beoordeling van de kwaliteit. Evenmin toont zij concreet aan dat XII-5770-12/14 het door Transport & Mobility Leuven voorgestelde systeem niet zou toelaten deze vragen te beantwoorden. Ook het onderdeel van het middel gesteund op ongelijke behandeling is bijgevolg niet ernstig.
- In de mate dat verzoekende partij in het enig middel tenslotte aanvoert dat wat betreft “het subcriterium” “ervaring en referenties op het vlak van vergelijkbaar onderzoek” in het kader van het gunningscriterium “kwaliteit van het team dat het onderzoek zal uitvoeren” geen enkel concreet element in de motivering is opgenomen dat van aard is om te verantwoorden waarom haar offerte op dit punt lager scoort dan de offertes van de andere inschrijvers, dient met verzoekende partij te worden vastgesteld dat het gunningsverslag op bladzijde 12 inderdaad niet verder concreet toelicht waarom zij slechts “ervaring” zou hebben gehad op het gebied van “min of meer vergelijkbaar onderzoek” terwijl de andere inschrijvers een “ruime en relevante ervaring” zouden hebben gehad op het gebied van “vergelijkbaar onderzoek”. Dit deel van het enige middel kan echter niet tot schorsing van de bestreden beslissing leiden aangezien, zelfs indien verzoekende partij op dit onderdeel de maximumscore behaalde, 15 in plaats van 10, zij, gelet op de scores op de andere criteria, toch nog niet de hoogste totaalscore zou behalen. Het zou overigens niet aan de Raad van State toekomen om zelf de curricula te analyseren en te vergelijken die op bladzijde 52 tot 94 van de offerte zijn weergegeven, zeker nu ook verzoekende partij daartoe geen aanzet geeft. Bijgevolg is ook dit laatste onderdeel van het enige middel niet ernstig.
- Nu het enig middel in zijn geheel niet ernstig is bevonden, is aldus niet voldaan aan de tweede van de in het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden, die vervuld moeten zijn om de schorsing toe te wijzen. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen. XII-5770-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig april 2009, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5770-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.810 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div