id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.817 Rolnummer: Zaak: Arrest 192817 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.817 van 29 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.817 van 29 april 2009 in de zaken A. 102.635/X-10.235 (I) 104.625/X-10.351 (II) In zake : I. Willem VERHAEGEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 70 II. Sarah LOYEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Vaartstraat 70 tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te 9255 BUGGENHOUT, Provincialebaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willem VERHAEGEN op 30 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 januari 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op het grondgebied van de stad Halen van openbaar nut wordt verklaard (zaak A. 102.635/X-10.235); Gezien het verzoekschrift dat Sarah LOYEN op 14 mei 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 januari 2001 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw waarbij de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op het grondgebied van de stad Halen van openbaar nut wordt verklaard (zaak A. 104.625/X-10.351); X-10.235-10.351-1/17 Gelet op het arrest nr. 102.319 van 21 december 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in de zaak A. 102.635/X-10.235 wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 102.732 van 22 januari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in de zaak A. 104.625/X-10.351 wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting in de zaak A. 102.635/X-10.235, op 4 februari 2002 ingediend door de verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting in de zaak A. 104.625/X-10.351, op 28 februari 2002 ingediend door de verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker in de zaak A. 102.635/X-10.235; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekster in de zaak A. 104.625/X-10.351; Gelet op de beschikkingen van 23 februari 2009 in beide zaken waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT in beide zaken; X-10.235-10.351-2/17 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. SOETEMANS, die loco advocaat J. VERSTRAETEN verschijnt voor de verzoekende partijen in beide zaken, en van advocaat S. BEECKMAN, die loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij in beide zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL in beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging De zaak A. 102.635/X-10.235 en de zaak A. 104.625/X-10.351 worden wegens verknochtheid gevoegd.
- Feiten 2.
- Op 20 juni 2000 dient de n.v. Aquafin een aanvraag in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw om een verklaring van openbaar nut te bekomen voor het aanleggen en exploiteren van een verbindingsriolering tussen de Ertsenrijkstraat en de Holakenstraat te Halen. 2.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel in de Bergstraat 26 te Halen, kadastraal gekend sectie C, nr. 2/deel met een perceel achterliggende grond. Dit is één van de terreinen waarop de aanvraag tot verklaring van openbaar nut betrekking heeft. 2.
- Tijdens het openbaar onderzoek van 28 juli 2000 tot 28 augustus 2000, dient advocate Anne Marie DE RIECK namens beide verzoekende partijen een bezwaarschrift in tegen de aanvraag, waarin onder meer wordt gesteld: “Cliënt overhandigt mij het schrijven van de stad Halen d.d. 19.07.00, m.b.t. de aanvraag van Aquafin teneinde een M.B. tot onteigening van openbaar nut te bekomen, o.m. voor een deel van de eigendom van cliënten. In hoofdorde, betreffende de ontvankelijkheid, merk ik op dat het schrijven voornoemd onontvankelijk, minstens ongeldig is gezien de echtgenote van de X-10.235-10.351-3/17 heer Verhaegen mede-eigenaar is en zij in de procedure niet werd betrokken. Zij is uiteraard belanghebbende partij, haar rechtmatige belangen zijn geschaad. De procedure dient dan ook nietig te worden verklaard, minstens onontvankelijk en/of ongeldig. In ondergeschikte orde, betreffende de grond van de zaak, zijn er wel bovendien een aantal fundamentele bezwaren tegen het voornemen tot onteigening. Vooreerst is er een terechte vrees voor wateroverlast. De recente overstromingen (september ’98) hebben bewezen dat Halen een probleemzone is. Cliënten vrezen dat de nieuwe werken de wateroverlast zullen vergroten, in geen geval oplossen. De situatie ter plekke laat zoveel overigens vermoeden. Prima facie is vast te stellen dat een grote hoeveelheid water niet terecht kan in de overloop van de Gete, zoals voorzien wordt. Vervolgens is er bezwaar omtrent geurhinder, gezien het een open riolering betreft. Hierbij is het eigenaardig dat de riolering (volgens plan) wel gesloten wordt in de groene zone en geopend wordt daar waar de bouwzone aanvangt. De open gracht zal ongetwijfeld voor geuroverlast zorgen, wat een zware belasting vormt voor de bewoners. Ten derde is er de vrees voor de stabiliteit van de huidige dijk. Conform de plannen wordt de open ‘gracht’ voorzien vlak naast de dijk, het uitgraven van de grond zal de stabiliteit aantasten met alle nadelige gevolgen van dien. Ten vierde is de in het schrijven vermelde ‘Holakenbeek’ op geen enkel plan terug te vinden. Evenmin kon de technische dienst van de stad Halen deze beek (ligging, omvang, lengte, ...) nader toelichten”. 2.
- Op 7 augustus 2000 deelt de deputatie van de provincieraad van Limburg mee dat er “principieel geen bezwaar is tegen de bovenvermelde aanvraag tot verklaring van openbaar nut”. 2.
- Op 28 augustus 2000 verklaart het college van burgemeester en schepenen van de stad Halen het bezwaarschrift van de verzoekende partijen ongegrond en verleent het een gunstig advies omtrent de aanvraag. 2.
- Op 10 januari 2001 brengt de afdeling Water van AMINAL een gunstig advies uit. In dit advies wordt als volgt op het bezwaarschrift van de verzoekende partijen geantwoord: “Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek door mevrouw Anne Marie De Riek in opdracht van mevrouw Verhaegen, wonende te Halen, Bergstraat 6, mede-eigenaar van het perceel kadastraal bekend als Halen, 1ste Afdeling, Sectie C, nummer 2b bezwaar indiende bij schrijven van 25 augustus 2000; Overwegende dat de betrokkenen opmerken dat de procedure als nietig dient verklaard te worden minstens onontvankelijk en/of ongeldig aangezien dat mevrouw Verhaegen als mede-eigenaar niet in de procedure werd betrokken; X-10.235-10.351-4/17 Overwegende dat bij een eerste contact tussen de heer en mevrouw Verhaegen en de vertegenwoordiger van Aquafin op 25 september 2000 de documenten zijn aangepast zodat zij beide als eigenaar erkend worden; dat de betrokkenen met deze aanpassingen akkoord zijn gegaan en de procedure verder niet meer als ongeldig beschouwen; Overwegende dat de betrokkenen vrezen voor wateroverlast, geurhinder en de stabiliteit van de huidige dijk; Overwegende dat er geen vrees bestaat voor wateroverlast aangezien het afvalwater afgekoppeld wordt van de Holakenbeek wat dus een vermindering van debiet tot gevolg heeft; dat de overloop niet rechtstreeks in de Gete uitmondt, maar in een zijtak die van de Gete afgesloten wordt; dat wat de geurhinder betreft er geen geurhinder zal optreden daar het hier niet gaat over een open riolering maar om een gracht met regenwaterafvoer; dat er geen gevaar naar stabiliteit toe bestaat daar de oevers van de nieuwe gracht wordt voorzien onder een hoek van 45 graden; dat dit besproken werd met Afdeling Water die de Gete beheert; Overwegende dat voor de betrokkenen de Holakenbeek onbekend is; dat de Holakenbeek de beek is langs de Holakenstraat tot in de bocht, waar ze is ingebuisd om vervolgens achter de huizen in open loop te gaan”. 2.
- Op 17 januari 2001 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw de oprichting van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur van openbaar nut. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat de N.V. Aquafin van het Vlaamse Gewest de opdracht heeft gekregen het stedelijk afvalwater te zuiveren en daarvoor de nodige infrastructuur te beheren en op te richten, mede gezien de noodzaak voor het Vlaamse Gewest om de richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake behandeling van stedelijk afvalwater uit te voeren; Overwegende dat de N.V. Aquafin op 25 juli 1997 de opdracht heeft gekregen het goedgekeurde rollend investeringsprogramma 1999-2003, inzonderheid dit project 96377 ‘Halen: Verbindingsriolering Ertsenrijkstraat, Holakenstraat’, uit te voeren; Overwegende dat het technisch plan van dit project goedgekeurd werd op 26 maart 1999; Overwegende dat op de overlegvergadering van 27 juni 2000 akkoord werd gegaan met de technische wijziging en wijziging sleuteldatum; Overwegende dat de aanvraag door de N.V. Aquafin werd ingediend op 20 juni 2000 om de verklaring van openbaar nut te verkrijgen voor de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven private onbebouwde gronden, die niet omsloten zijn met een muur of een omheining overeenkomstig de bouw- of stedenbouwverordeningen, gelegen op het grondgebied van de stad Halen; Overwegende dat dit project aansluit via het Aquafin project 93340 Collector Velpe - Halen centrum en de bestaande rioleringsinfrastructuur, op de geplande RZWI van Halen; Overwegende dat de betrokken gemeente gecombineerd met dit project de volgende werken wil uitvoeren: 1/ aanleg riolering tussen het Aquafin-project en de grens met Geetbets; 2/ RWA-leiding ter hoogte van de persleiding; 3/ herinrichting wegen; X-10.235-10.351-5/17 Overwegende dat uit camera-onderzoek gebleken is dat de bestaande afwatering in slechte staat is; dat voorliggend TP voorziet in de heraanleg van het RWA-stelsel; Overwegende dat het project 96378 ‘Afkoppelen Holakenbeek’ toegevoegd is in dit project, de Holakenbeek die momenteel afwaarts in de Holakenstraat opgevangen wordt in de riolering en afgekoppeld wordt naar een zij-arm van de Velpe. (...); Overwegende dat dit project de riolering in Ertsenrijk op de bestaande riolering in de Ertsenrijkstraat aansluit en er tevens in de Kolakenstraat een aanleg gebeurt van de riolering; Overwegende dat in project 96377 3 lozingspunten in de Gete worden opgevangen en aangesloten worden op de RWZI van Halen, waarvan het meeste opwaartse lozingspunt zich bevindt aan de kruising van de Vroentestraat en de Ertsenrijkstraat; Overwegende dat de aanleg van de riolering in de Holakenstraat opgenomen wordt in dit project; Overwegende dat het afvalwater deels gravitair wordt afgevoerd via de Vroentestraat tot net voorbij de kruising met de Holakenstraat, waar een pompstation gebouwd wordt; dat vanaf het pompstation het afvalwater via een persleiding in een bestaande leiding komt afwaarts in de Ertsenrijkstraat; Overwegende dat het pompstation gebouwd wordt aan de Holakenstraat: verder van de bewoning en dichter bij de beek; Overwegende dat ter hoogte van het project de Gete een matige tot slechte structuur- en waterkwaliteit heeft; Overwegende dat de leiding in de Ertsenrijkstraat in de rijweg komt te liggen en waardoor de hinder groter is dan wanneer de leiding langs de Gete wordt aangelegd, zal een oplossing voor het doorgaand verkeer worden gezocht; Overwegende dat alle stukken bij de aanvraag werden gevoegd”. In het besluit wordt vervolgens het antwoord van de afdeling Water op het bezwaarschrift van de verzoekende partijen integraal overgenomen.
- Ontvankelijkheid in de zaak A. 104.625/X-10.351 (II). 3.
- De aangevoerde exceptie De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op: “In haar uiteenzetting van de feiten stelt verzoekster dat zij pas in kennis werd gesteld van het bestreden besluit na ontvangst van een aangetekende brief met ontvangstbewijs uitgaande van de NV AQUAFIN dd 12 maart
- Zij beklemtoont dat deze brief de enige is die zij in dit dossier mocht ontvangen. Zij ‘vergeet’ daarbij te vermelden dat op datum van 31 januari 2001 via aangetekend schrijven kennis werd gegeven van het bestreden Besluit aan het adres Bergstraat 26 te Halen, alwaar verzoekster is gedomicilieerd samen met haar echtgenoot Willem Verhaegen. Op datum van 15 mei 2001 heeft de echtgenoot van verzoekster trouwens al - tijdig en regelmatig - bij middel van een verzoekschrift opgesteld door de raadsman van zowél Mevrouw Loyen als van haar echtgenoot de Heer X-10.235-10.351-6/17 Verhaegen een verzoekschrift neergelegd ter griffie van Uw Raad strekkende tot de nietigverklaring van hetzelfde Ministerieel Besluit van 17 januari
- Verzoekster kan moeilijk ernstig voorhouden dat zij pas ná en door het feit van de ontvangst van het aangetekend schrijven uitgaande van de NV AQUAFIN en gedateerd 12 maart 2001 op de hoogte is gebracht van het bestaan van het Ministerieel Besluit van 17 januari
- Dit aan Uw Raad proberen voor te houden tart immers elke vorm van gezond verstand, temeer daar in het kader van het annulatieberoep zoals dit eerder - tijdig en regelmatig -werd ingesteld door de echtgenoot van verzoekster bij middel van verzoekschrift uitgaande van hun beider raadsman de tot ‘problematiek’ opgeklopte kwestie van het al dan niet erkennen van verzoekster in haar persoonlijke hoedanigheid van mede-eigenares van de bezwaarde terreinen reeds uitgebreid aan de orde is gekomen. Uit het administratief dossier en uit de stukken zoals deze zelf werden/worden voorgebracht door verzoekster en/of door haar echtgenoot in het kader van de onderscheiden procedures voor Uw Raad, blijkt meer dan voldoende dat de beide huwelijkspartners op een gelijkwaardige manier zijn geïnformeerd en dat zij allebei hun bezwaren op voldoende omstandige en evenwaardige wijze hebben kunnen laten kennen in de loop van de behandeling van de aanvraagprocedure. In deze omstandigheden dient de huidige vordering (...) te worden verworpen als zijnde niet-toelaatbaar wegens laattijdigheid, minstens als zijnde niet-ontvankelijk bij gebreke aan een welomschreven belang in hoofde van verzoekster, meer bepaald een persoonlijk belang dat het belang van haar echtgenoot (mede-eigenaar van de bezwaarde terreinen) ook maar in het minste zou overstijgen. Indien een dergelijk puur formeel onderscheiden belang zou worden aanvaard als zijnde voldoende om in rechte op te treden voor Uw Raad om een (dubbele én inhoudelijk quasi-identieke) procedure aanhangig te maken, zou Uw Raad nog meer overstelpt worden dan thans reeds het geval is. Huidig annulatieberoep is een uiting van een - volgens verwerende partij- verwerpelijk ‘kafkaiaans’ formalisme”. 3.
- Beoordeling van de exceptie Vermits de bestreden beslissing de individuele rechtstoestand van de verzoekster wijzigt, gaat de beroepstermijn pas in bij de betekening van de beslissing, ongeacht de feitelijke kennis die de verzoekster van die beslissing zou hebben gehad. De verwerende partij betwist niet dat de verzoekster pas op 12 maart 2001 met een aangetekende brief, door haar ontvangen op 13 maart 2001, in kennis gesteld is van de bestreden beslissing. De betekening van 31 januari 2001 was enkel gericht aan Willem Verhaegen. Het beroep is tijdig ingesteld. Voorts is de verzoekster mede-eigenaar van een onroerend goed waarop de bestreden beslissing betrekking heeft. Hierdoor alleen al getuigt zij van het vereiste belang. De exceptie is ongegrond. X-10.235-10.351-7/17
- Het eerste middel 4.
- Het aangevoerde eerste middel De verzoekende partijen voeren in hun eerste middel de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen, juncto artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuur. Willem VERHAEGEN licht het middel als volgt toe in zijn verzoekschrift: “1/ Verzoeker benadrukt dat de plannen waarnaar verwezen in het M.B. (plannen nrs. 96377/1/96/3-5.1/5 tot en met 96377/1/96/3-5.5/5) niet waren toegevoegd aan het schrijven dd 31.01.
- Evenmin is ergens vermeld waar deze konden ingezien worden, gedurende welke termijn, enz. Dit is duidelijk een inbreuk op de wet en meer specifiek de wetsartikelen opgesomd onder de rubriektitel ‘eerste middel’. 2/ Zoals Uw Raad reeds bij herhaling heeft gesteld dient een bezwaar afdoende, concreet, nauwkeurig en precies te worden weerlegd; Dit is niet het geval; Het kwestieuze Besluit zelf geeft geen afdoend, concreet nauwkeurig en precies antwoord op het bezwaar van verzoeker.
- Verzoeker wierp op : ‘In hoofdorde, betreffende de ontvankelijkheid, merk ik op dat het schrijven voornoemd onontvankelijk, minstens ongeldig is gezien de echtgenote van de heer Verhaegen mede-eigenaar is en zij in de procedure niet werd betrokken.’ Aangezien de overheid hierop antwoordt : ‘Overwegende dat bij een eerste contact tussen de heer en mevrouw Verhaegen en de vertegen- woordiger van Aquafin op 25.09.00 de documenten zijn aangepast zodat zij beide als eigenaar erkend worden; dat de betrokkenen met deze aanpassingen akkoord zijn gegaan en de procedure verder niet meer als ongeldig beschouwen’. Verzoeker is formeel, er is op de bijeenkomst van 25.09.00 enkel een voorstel gedaan voor financiële vergoeding, wat overigens ook de opdracht is van de gevolmachtigde van de NV Aquafin. Op geen enkel ogenblik is er over de procedure gesproken, evenmin werd enig document door verzoeker getekend, aangepast of wat dan ook. Bovendien heeft ook NADIEN (na het bezwaar van verzoeker dd 25.08.00) de overheid dezelfde fout begaan en heeft zij zich enkel gericht tot verzoeker. Zie bv. het schrijven van de NV Aquafin dd 31.01.01 (...) en haar schrijven dd 19.03.01 (...). Het antwoord op het bezwaar van verzoeker slaat dan ook nergens op. Het wordt in casu tegengesproken door de overheid zelf.
- X-10.235-10.351-8/17 Verzoeker wierp op : ‘Zij is uiteraard belanghebbende partij, haar rechtmatige belangen zijn geschaad.’ Hierop werd door de overheid niet geantwoord. Het bezwaar van verzoeker is op dit onderdeel niet weerlegd. De verdere briefwisseling (...) bevestigt dat enkel verzoeker als betrokkenen werd beschouwd, gezien ook de verdere briefwisseling enkel aan verzoeker werd gericht.
- Verzoeker wierp op: ‘In ondergeschikte orde, betreffende de grond van de zaak, zijn er wel bovendien een aantal fundamentele bezwaren tegen het voornemen tot onteigening.’ Hierop wordt door de overheid niet gereageerd. Nochtans heeft Mevrouw Sofie Kuylen van de NV Aquafin telefonisch aan de raadsman van verzoeker gemeld, dat zij tot onteigening zouden overgaan indien verzoeker niet tot schikking overging. 4.Verzoeker wierp op: ‘geurhinder’ Aangezien in het M.B wordt gesteld : ‘dat wat de geurhinder betreft er geen geurhinder zal optreden daar het niet gaat over een open riolering maar om een gracht met regenwaterafvoer’ Dat verzoeker dit niet kon weten gezien hij de plannen niet kon inkijken. Het bestuur gaat hieraan voorbij.
- Verzoeker wierp tevens op: ‘Hierbij is het eigenaardig dat de riolering (volgens plan) wel gesloten wordt in de groene zone en geopend wordt daar waar de bouwzone aanvangt.’ Aangezien de overheid op geen enkel ogenblik hierop antwoordt. Dat zij dit als bestuurlijke overheid nochtans verplicht op basis van de wet opgesomd onder ‘eerste middel’. Dat dit een duidelijke schending uitmaakt van de wet voornoemd.
- Verzoeker wierp tevens op : ‘gevaar voor stabiliteit’ Dit lijkt nogal evident gezien aan beide zijden van de huidige dijk water zou komen te stromen en het derhalve uitgesloten is dat er geen afkalving zou optreden. De stedenbouwkundige reglementering ‘De Kom’, BPA 1985 dossier 01416 voorziet hieromtrent : ‘In het op het plan periodisch overstroomd aangeduid gebied moeten voldoende voorzieningen getroffen worden om periodische over- stromingen te vermijden, zoals ophogingen, waterdichte bekuiping, bedijking of andere technische ingrepen. Aangezien sectie C 2b (eigendom van verzoekers) volgens BPA ‘De Kom’ valt onder ‘zone voor koeren en hovingen’ en er volgens de reglementering hierop bijgebouwen kunnen opgericht worden, gelden hier dezelfde regels als voor sectie 2a’ Zie ook infra over het BPA. Verzoeker wijst erop dat bijkomend een erfdienstbaarheid zal worden gevestigd ten algemene nutte om de noodzakelijke onderhoudswerken uit te voeren.
- Verzoeker wierp tevens op: ‘wateroverlast’ Het bestuur antwoordt hierop : ‘geen vrees voor wateroverlast aangezien het afvalwater afgekoppeld wordt van de Holakenbeek wat dus een X-10.235-10.351-9/17 vermindering van debiet tot gevolge heeft; dat de overloop niet rechtstreeks in de Gete uitmondt, maar in een zijtak die van de Gete afgesloten wordt’. Het debiet van de Holakenbeek zal echter niet verminderen gezien : Het bestuur geen rekening houdt met het feit dat de sluis volledig open is, gezien deze door gebrek aan onderhoud en gebruik totaal defect is. Bij hoog water van de Gete zal het water vrij in de overloop stromen. Dit water zal dan vanuit de overloop teruglopen naar de nieuwe beek, die op haar beurt zal overstromen. De sluis voornoemd staat op de plannen getekend als ware zij in perfecte staat, de realiteit is dat er momenteel geen sluis is, enkel wat puinresten van een sluis. Zie stuk 10, zijnde 2 foto's van de ‘sluis’. Evenmin houdt het bestuur rekening met het feitelijk gegeven dat de overloop tussen Gete en Velpe bijna volledig dichtgeslibd is en da(a)rdoor het water van de nieuwe beek niet naar de Velpe kan stromen. Zie stuk 11, zijnde 2 foto's van de dichtgeslibde overloop. Indien de overloop Gete-Velpe zou uitgebaggerd worden dan zal het water van de nieuwe beek ons inziens niet naar de Velpe stromen aangezien de overloop is ontworpen om het centrum, bij hoog water van de Velpe, te ontlasten van het teveel aan water (dat) naar de Gete toeloopt. Het regenwater dat zich gedurende de herfst en winter ter plekke verzameld omdat het niet doordringt in de verzadigde leembodem zal dan ook nog met de beek worden afgevoerd (niet voor niets heet de verkaveling ‘De kom’). Verzoeker verwijst andermaal naar het BPA dat uitdrukkelijk vermeldt dat het een moerassig gebied is en dat de nodige maatregelen moeten genomen worden om overstroming tegen te gaan. Zie ook infra.
- Verzoeker wierp op : ‘De Holakenbeek is op geen enkel plan terug te vinden’. Het bestuur antwoordt : dat de Holakenbeek de beek is langs de Holakenstraat tot in de bocht, waar ze is ingebuisd om vervolgens achter de huizen in open loop te gaan’. Verzoeker merkt op dat de Holakenbeek in geen geval terug te vinden is in de Atlas der Waterwegen. Verzoeker herhaalt dat op de plannen die ter inzage waren op het Stadhuis de Holakenbeek niet was aangeduid. Het eerste middel is ernstig”. In het verzoekschrift van Sarah LOYEN wordt het middel als volgt toegelicht: “
- Verzoekster benadrukt dat de plannen waarnaar verwezen in het M.B. (plannen nrs. 96377/1/96/3-5.1/5 tot en met 96377/1/96/3-5.5/5) niet waren toegevoegd aan het schrijven d.d 12.03.
- Evenmin is ergens vermeld waar deze konden ingezien worden, gedurende welke termijn, enz. Dit is duidelijk een inbreuk op de wet en meer specifiek de wetsartikelen opgesomd onder de rubriektitel ‘eerste middel’. X-10.235-10.351-10/17 Voorafgaand aan het M.B dat wel werd meegedeeld aan verzoekster dient verplicht een openbaar onderzoek te worden gehouden en dienen alle betrokken partijen (eigenaars) te worden aangeschreven, quod non in casu. Indien de overheid het tegendeel voorhoudt en stelt dat verzoekster in haar rechten niet werd geschonden, dan dient zij hiervan het bewijs bij te brengen. Dergelijk bewijs ontbreekt. Het louter beweren dat ‘de documenten werden aangepast’ is niet voldoende. Vooral niet nu verzoekster met klem ontkent enig document te hebben gezien of ondertekend of wat dan ook.
- Verzoekster herhaalt dat zij geen kennis kreeg van een openbaar onderzoek. De bewijslast rust terzake op de overheid. Elke kennisgeving ontbreekt. Zelfs nadat verzoekster de overheid hierop had gewezen (...) werd verzoekster nog niet de kans geboden aan het openbaar onderzoek deel te nemen. Dit is een duidelijke schending van de wet, meer bepaald van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d 20.03.
- De overheid is bovendien verplicht de rechtsonderhorige op de hoogte te stellen en te informeren over bestuurlijke beslissingen, quod non in casu. Teneinde te anticiperen op het verweer van de overheid wijst verzoekster erop dat stuk 3 duidelijk vermeld dat enkel de heer Verhaegen een schrijven mocht ontvangen (paragraaf 2 : Client overhandigt mij het schrijven ....) Het bezwaar werd enkel ingediend namens de heer Verhaegen, die wel de opmerking maakt dat zijn echtgenote, huidig verzoekster, geen kennis heeft gekregen. Indien de overheid zou komen te stellen dat de procedure werd ‘geregulariseerd’ namens verzoekster, dan moeten zij hiervan het bewijs bijbrengen. Verzoekster heeft tot op heden niet de kans gehad haar bezwaar kenbaar te maken. Dit is (...) flagrant in strijd met de wet die voorziet dat elke betrokken partij bezwaar moet kunnen indienen. Gezien verzoekster geen bezwaar heeft kunnen indienen, werd dit evenmin op een afdoende, concrete, nauwkeurige en precieze wijze weerlegd, zoals nochtans voorgeschreven door de Raad. Het middel is ernstig”. 4.
- Beoordeling van het eerste middel 4.2.
- De verzoekende partijen zetten niet uiteen waarin de schending van het decreet van 23 oktober 1991 bestaat, decreet dat overigens werd opgeheven bij decreet van 18 mei
- Artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen bepaalt: “De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn”. Uit dit artikel blijkt niet en de verzoekende partijen maken evenmin aannemelijk dat de plannen bij de bestreden beslissing moeten gevoegd X-10.235-10.351-11/17 worden of dat de beslissing moet vermelden waar de plannen kunnen worden ingezien. Voorts stelt de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat “de plannen (...) gedurende twee jaren in te kijken (zijn) op het stadhuis van Halen” en dat “uit (hun) eigen (uitvoerige!) uiteenzetting blijkt (...) dat (de verzoekende partijen) een voldoende gedetailleerde kennisname (hebben) kunnen doen”. Dit verweer wordt door de verzoekende partijen niet betwist. 4.2.
- Wat de kennisgeving van het openbaar onderzoek betreft, heeft Willem VERHAEGEN geen belang bij dit middelonderdeel, aangezien hijzelf op 19 juli 2000 in kennis werd gesteld van de aanvraag, wat hij niet betwist. Uit de bewoordingen van het op 28 augustus 2000 door advocate Anne Marie DE RIECK namens beide verzoekende partijen ingediende bezwaarschrift tegen de aanvraag blijkt dat ook Sarah LOYEN wel degelijk een bezwaar heeft kunnen indienen en dat zij de voorgenomen plannen, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, kende. 4.2.
- Waar de verwerende partij verweten wordt niet te antwoorden op de kritiek in het bezwaarschrift betreffende het “voornemen tot onteigening”, dient vastgesteld te worden dat dit middelonderdeel zonder voorwerp is, aangezien in casu enkel ten algemene nutte installaties worden opgericht onder private gronden. Dit is, blijkens het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 63/96 van 7 november 1996, geen onteigening in de zin van artikel 16 van de Grondwet, aangezien de eigendom niet wordt overgedragen. 4.2.
- De brief van 19 juli 2000, waarbij Willem VERHAEGEN in kennis werd gesteld van de aanvraag, stelt: “Het OPENBAAR ONDERZOEK wordt georganiseerd vanaf 28.07.2000 tot en met 28.08.2000 (...). Het dossier ligt gedurende die periode ter inzage ten stadhuize van Halen”. Bijgevolg kan hij in zijn verzoekschrift niet deugdelijk beweren dat hij “de plannen niet kon inkijken”. Evenmin kan hij de verwerende partij verwijten niet te antwoorden op zijn kritiek betreffende de beweerde “open riolering”, nu blijkt dat de plannen een gracht met regenwaterafvoer voorzien. 4.2.
- Als repliek op de in het bezwaarschrift uitgedrukte “vrees voor de stabiliteit” stelt het bestreden besluit dat “er geen gevaar naar stabiliteit toe bestaat daar de oevers van de nieuwe gracht worden voorzien onder een hoek van X-10.235-10.351-12/17 45 graden; dat dit besproken werd met (de) Afdeling Water die de Gete beheert”. In het verzoekschrift wordt niet aannemelijk gemaakt dat hiermee het bezwaar niet naar behoren en afdoende werd onderzocht en weerlegd. 4.2.
- Wat de “vrees voor wateroverlast” betreft, overweegt het bestreden besluit “dat er geen vrees bestaat voor wateroverlast aangezien het afvalwater afgekoppeld wordt van de Holakenbeek wat dus een vermindering van debiet tot gevolg heeft” en “dat de overloop niet rechtstreeks in de Gete uitmondt, maar in een zijtak die van de Gete afgesloten wordt”. De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze motivering niet afdoende is. 4.2.
- Omtrent de locatie van de ‘Holakenbeek’ beperkt het verzoekschrift zich tot niet gestaafde beweringen. Het eerste middel is in al zijn onderdelen ongegrond.
- Het tweede middel 5.
- Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel wordt machtsoverschrijding aangevoerd. In hun verzoekschrift lichten de verzoekende partijen het middel als volgt toe: “
- Aangezien het M.B. het enkel heeft over haar project nr. 96.377: verbindingsriolering Ertsenrijkstraat, Holakenstraat. Dat dit project geen effect heeft op de eigendom van verzoekster. Dat wel de werken volgens project 96.378 een onmiddellijke en directe weerslag hebben op de eigendom van verzoekster. Dat er dus duidelijk twee projecten in het geding zijn.
- Dat het M.B. stelt dat er een gunstig advies is van de burgemeester en schepenen van de stad Halen d.d. 28.08.
- Dat er tevens gesteld wordt dat er gunstig advies is van de bestendige deputatie van de provincie Limburg d.d. 04.08.
- Dat tevens gesteld wordt dat er gunstig advies is van de afdeling Water, Milieuinvesteringen van Aminal d.d.10.01.
- Dat echter niet geweten is of deze betrekking hebben op project 96.377 of op project 96.
- Dat bovendien het advies van de bestendige deputatie is gegeven op basis van de dossiergegevens en zonder kennis van de adviezen van andere adviserende diensten en de resultaten van het openbaar onderzoek. Dat dit blijkt uit het schrijven van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Water aan de NV Aquafin dd 18.01.01 (...). X-10.235-10.351-13/17 Dat dit een schending is van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur. Zie infra. Het middel is ernstig”. 5.
- Beoordeling van het tweede middel De bestreden beslissing heeft, zoals de motivering ervan uitdrukkelijk vermeldt, betrekking op het project nr. 96.377 waar het project nr. 96.378 aan toegevoegd en in opgenomen is. Het dossier met betrekking tot het project nr. 96.377 bevestigt de waarachtigheid van de toevoeging van het project nr. 96.
- Door het betreffende dossier gunstig te adviseren, hebben de stad Halen, de provincie Limburg en het bestuur Milieu-investeringen van de Administratie Milieu, Natuur en Landinrichting zich ook over het project nr. 96.378 in verband met de afkoppeling van de Holakenbeek uitgesproken. De verzoekende partijen wijzen geen voorschrift aan volgens hetwelk het vereist zou zijn dat de deputatie met het oog op het uitbrengen van haar advies, benevens van het aanvraagdossier, bovendien ook van de adviezen van de andere adviserende diensten en van de resultaten van het openbaar onderzoek kennis heeft kunnen nemen. Uit het artikel 4 van het besluit van 20 maart 1991 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de n.v. AQUAFIN in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging dient afgeleid te worden dat dit niet vereist is. Het tweede middel is ongegrond.
- Het derde middel 6.
- Het aangevoerde middel Een derde middel wordt geput uit de schending van het redelijkheids- en voorzichtigheidsbeginsel. Willem VERHAEGEN licht in zijn verzoekschrift het middel als volgt toe: “
- Aangezien de plannen uitgaan van een feitelijke situatie die er niet is. Nl. het bestaan en functioneren van een sluis, die er in werkelijkheid niet is. X-10.235-10.351-14/17 Dat dit een schending uitmaakt van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het redelijkheidsbeginsel en voorzichtigheidsbeginsel.
- Aangezien de plannen de perceelsgrens van de eigendom van verzoeker op de verkeerde plaats zetten. Dat de opmetingen van de landmeter van verzoeker, n.a.v. de verkoop van het perceel door de rechtsvoorganger van verzoeker aan verzoeker, correct zijn. Dat ook de reenstenen geen twijfel laten bestaan. Dat de perceelsgrens van de eigendom van verzoeker reikt tot en met de bomen, aangeduid op het plan. Dat derhalve de werkzone aangeduid door het bestuur niet correct is, gezien niet de rechtmatige eigendom van verzoeker werd rekening gehouden. Dat het niet getuigt van behoorlijk bestuur hierin vergissingen te maken.
- Dat conform hetzelfde plan de nieuwe gracht zou afgemaakt worden met draad en gaas. Dat verzoeker zich hierbij ernstige vragen stelt. Niet alleen esthetisch doch ook wat betreft bereikbaarheid van de gracht en dijk voor onderhoud en ingeval van noodzakelijke ingrepen. Het derde middel is ernstig”. In het verzoekschrift van Sarah LOYEN wordt het middel als volgt toegelicht: “
- Aangezien de plannen uitgaan van een feitelijke situatie die er niet is, namelijk het bestaan en functioneren van een sluis, die er in werkelijkheid niet is. Dat dit een schending uitmaakt van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het redelijkheidsbeginsel en voorzichtigheidsbeginsel. Dat verzoekster stuk 5 bijbrengt, zijnde foto’s van de ‘sluis’ waaruit duidelijk blijkt dat de sluis niet kan werken, gelet op de vervallen staat waarin ze verkeert.
- Aangezien de plannen de perceelsgrens van de eigendom van verzoekster op de verkeerde plaats zetten. Dat de opmetingen van de landmeter van verzoeker, n.a.v. de verkoop van het perceel door de rechtsvoorganger van verzoekster aan verzoekster, correct zijn. Dat ook de reenstenen geen twijfel laten bestaan. Dat de perceelsgrens van de eigendom van verzoekster reikt tot en met de bomen, aangeduid op het plan. Dat derhalve de werkzone aangeduid door het bestuur niet correct is, gezien niet met de rechtmatige eigendom van verzoekster werd rekening gehouden. Dat het niet getuigt van behoorlijk bestuur hierin vergissingen te maken. Het middel is ernstig”. X-10.235-10.351-15/17 6.
- Beoordeling van het derde middel Niet elke feitelijke onjuistheid in de plannen heeft automatisch en noodzakelijk de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg. Dit is slechts het geval indien vaststaat dat de onjuistheden een beslissende invloed op de beslissing hebben gehad of tenminste kunnen hebben gehad. Het blijkt niet dat zulks het geval is wat de in het middel bedoelde sluis en perceelsgrens betreft. Het is dan ook aan de verzoekende partijen dit toe te lichten en aannemelijk te maken, wat zij nalaten. Het derde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 102.635/X-10.235 en A. 104.625/X-10.351 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 102.635/X-10.235, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 104.625/X-10.351, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekster. De door de verzoekster in de zaak 104.625/X-10.351 ten onrechte op de vordering tot schorsing aangebrachte zegels ten belope van 12,40 euro, dienen te worden terugbetaald. X-10.235-10.351-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.235-10.351-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.817 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div