id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.818 Rolnummer: A. 85976/X-9107 Zaak: Arrest 192818 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.818 van 29 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.818 van 29 april 2009 in de zaak A. 85.976/X-
- In zake : de n.v. PADEKO, die woonplaats kiest bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te 2600 BERCHEM, Roderveldlaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat E. PLAVSIC, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Huidevettersstraat 22-
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. PADEKO op 6 augustus 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 juni 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar en van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde wordt ingewilligd en de bouwvergunning wordt geweigerd voor het aanbouwen van een veranda bij een bestaande taverne op een perceel gelegen te Schilde, Wijnegemsteenweg 193, kadastraal bekend sectie C, nr. 185/02/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 20 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-9107-1/13 Gelet op de beschikking van 3 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT, die loco advocaat C. SERVAIS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. SMEYERS, die loco advocaat E. PLAVSIC verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Het betrokken perceel, gelegen aan de Wijnegemsesteenweg 193 te Schilde, is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen in agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. Het maakt wel deel uit van de verkaveling “Van Havre”, vergund op 26 januari 1966 (lot 3). Op dit lot stond al bebouwing van vóór de aflevering van de verkavelingsvergunning. Op 12 februari 1966 beslist de gemeenteraad tot de vaststelling van het wegentracé zoals voorafgaand goedgekeurd in de verkavelingsaanvraag door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde. De verkaveling omvat meer dan 100 kavels. In een proces-verbaal van 18 november 1980 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde vast dat de voormelde verkavelingsvergunning als vervallen dient te worden beschouwd wegens het niet uitvoeren van de voorgeschreven uitvoeringswerken, met uitzondering van de kavels 1 tot en met 3 en de kavels 58 tot en met
- X-9107-2/13 1.
- Op 26 augustus 1997 wordt er een proces-verbaal opgesteld door de gemeentelijke politie van Schilde, waaruit blijkt dat er werken in uitvoering zijn aan het gebouw, het café-restaurant “De Vogelzang”, op het voormelde perceel, en dit zonder voorafgaande vergunning. De werken betreffen de aanbouw van een veranda te gebruiken als eetzaal, het plaatsen van bijkomend sanitair en het vergroten van de keuken. 1.
- Op 28 augustus 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde een bouwaanvraag in tot het bekomen van de vergunning voor deze werken. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt georganiseerd van 3 september 1997 tot 26 september 1997, worden vier bezwaarschriften ingediend. 1.
- De aanvraag wordt door het college van burgemeester en schepenen aan de gemachtigde ambtenaar voor advies voorgelegd zonder dat daarbij melding wordt gemaakt van de verkavelingsvergunning en met een ongunstig preadvies. Het college sluit zich daarbij aan bij de bezwaren inzake lawaai-overlast, verkeershinder, geurhinder en de ligging van de uitbreiding in agrarisch gebied. 1.
- Op 9 december 1997 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit wegens de onverenigbaarheid van de aanvraag met de gewestplanbestemming en de overweging dat het decreet van 13 juli 1994 de uitbreiding van dergelijke zonevreemde constructies niet toelaat. 1.
- Bij besluit van 16 december 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde de gevraagde vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
- Op 12 januari 1998 stelt de verzoekende partij administratief beroep in tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 1.
- Bij besluit van 6 augustus 1998 willigt de bestendige deputatie het beroep in en verleent de gevraagde bouwvergunning. X-9107-3/13 Zij overweegt dat de verkaveling niet vervallen is voor het lot 3, en dat in het recente verleden op een probleemloze manier vergunningen werden verleend voor dit lot en het lot
- 1.
- In zitting van 22 september 1998 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde tot het instellen van een administratief beroep bij de bevoegde minister. 1.
- Met een brief verstuurd op 9 oktober 1998 stelt de gemachtigde ambtenaar administratief beroep in tegen de beslissing van de bestendige deputatie bij de bevoegde minister. 1.
- Met een brief verstuurd op 7 oktober 1998 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde administratief beroep in tegen dezelfde beslissing bij de bevoegde minister. 1.
- Met een brief van 8 oktober 1998 verzoekt het hoofdbestuur het college van burgemeester en schepenen om het bewijs van de aangetekende zending waarbij het de aanvrager op de hoogte stelde van zijn beroep. 1.
- In een nota van 5 november 1998 gericht aan de minister stelt de verzoekende partij dat zij het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde pas op 28 oktober 1998 heeft ontvangen, wat buiten de voorgeschreven termijn is. 1.
- Op 18 mei 1999 verstuurt de verzoekende partij een rappelbrief aan de minister. 1.
- Op 10 juni 1999 beslist de minister tot de inwilliging én van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van Schilde én van het beroep van de gemachtigde ambtenaar. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Gelet op de beslissing van 6 augustus 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep door Padeko NV op 12 januari 1998 ingesteld tegen de beslissing van 16 december 1997 van het college van burgemeester en schepenen van Schilde tot weigering van de vergunning voor het aanbouwen van een veranda bij een bestaande taverne aan X-9107-4/13 de Wijnegemsteenweg 193 te Schilde, kadastraal bekend sectie C, nr. 185/02d, ingewilligd wordt; Gelet op het beroep van 7 oktober 1998 van het college van burgemeester en schepenen en op het beroep van 9 oktober 1998 van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van de bestendige deputatie; dat de postbewijzen duidelijk aantonen dat op 7 oktober 1998 aan de aanvrager en aan de Vlaamse regering terzelfdertijd het beroep van de gemeente aangetekend is toegezonden; Gelet op de redenen tot beroepsinstelling; Gelet op de door de bestendige deputatie ontwikkelde motieven tot inwilliging van het beroep van de particulier; Overwegende dat de betekening van de beslissing van de bestendige deputatie gebeurde op 15 september 1998; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar en van het college van burgemeester en schepenen ingesteld werd binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing en terzelfdertijd aan de minister en de aanvrager zijn betekend; dat beide hogere beroepen dienvolgens ontvankelijk zijn; Overwegende dat de aanvraag het aanbouwen van een veranda als bijkomende gelagzaal beoogt; dat het bouwplan op het aanpalende terrein ook 13 parkeerplaatsen aanduidt waarvan geen vergunning is bekend; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat de bouwplaats als lot drie is opgenomen in een verkaveling vergund op 26 januari 1966; dat toen reeds dit lot drie bebouwd was met de nu nog bestaande hoofdbouw; dat het verval van de verkavelingsvergunning door het college van burgemeester en schepenen werd vastgesteld bij pv van 18 november 1980, met uitzondering evenwel van de kavels 1 tot en met 3 en van de kavels 58 tot en 74; Overwegende dat de genoemde verkaveling de aanleg van nieuwe wegenis omvatte; dat blijkens het procesverbaal van 18 november 1980 de voorgeschreven wegeniswerken niet zijn voltooid; Overwegende dat overeenkomstig artikel 74 § 2.2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, de met ingang van 1 januari 1965 afgegeven verkavelingsvergunningen waarvan de voorgeschreven uitvoeringswerken niet voltooid zijn binnen drie jaar te rekenen van 1 oktober 1970, komen te vervallen; dat dit wetsartikel geen uitzondering maakt voor de loten die zich situeren langs bestaande wegen in dergelijke verkavelingen; dat de gemeente dus ten onrechte het niet vervallen zijn voor de loten 1 en 3 en van de kavels 58 tot en met 74 heeft vastgesteld; Overwegende dat de verkavelingsvergunning in haar geheel als vervallen dient beschouwd; dat huidige aanvraag dan ook moet getoetst worden aan de onderwijl van kracht geworden voorschriften van het gewestplan; Overwegende dat nog een eerdere uitbreidende bouwtoelating tot aanbouw van een veranda op 14 juli 1992 is gegeven in toepassing van het toen geldend mini-decreet, als uitzondering op de gewestplanbestemming; Overwegende dat het verbouwen in functie van een louter horeca gebruik, zoals hier uit het dossier blijkt, strijdig is met de genoemde planologische voorschriften; Overwegende dat deze voorschriften van het gewestplan verordenende kracht hebben en bindend blijven voor zowel de overheid als voor de particulier X-9107-5/13 die vergunningsplichtige handelingen stelt, en dat ervan maar kan afgeweken worden op de wijze door de wetgeving zelf voorzien; dat artikel 43, §2, zesde tot en met laatste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, stelt dat bij het verlenen van een gunstig advies de gemachtigde ambtenaar mag afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op onder meer het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op de voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, dat deze afwijking bovendien slechts kan verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, hetgeen betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat dergelijke aanvraag in het agrarisch gebied naast een openbaar onderzoek ook onderworpen is aan het advies van het Bestuur Landinrichting van de Administratie Milieu-, Natuur- en Landinrichting; Overwegende dat de gevraagde uitbreiding hier niet het noodzakelijk gevolg is van enig uit de milieuwetgeving voortkomende maatregel tot behoud van het leefmilieu; dat dan ook evenmin bij uitzondering de uitbreiding toelaatbaar is maar dat op grond van planologische onverenigbaarheid met de landbouwbestemming van het gebied, de vergunning dient geweigerd; dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar dient bijgetreden”.
- Ontvankelijkheid 2.
- Procesbevoegdheid Bij de laatste memorie heeft de verzoekende partij de vereiste stukken gevoegd waaruit blijkt dat het statutair bevoegde orgaan tijdig heeft beslist tot het instellen van het annulatieberoep. De ter zake door de verwerende partij opgeworpen exceptie is niet gegrond. Het beroep is in dit opzicht ontvankelijk. 2.
- Belang 2.2.
- De verwerende partij werpt een exceptie van niet ontvankelijkheid op wegens gebrek aan belang. Zij zet deze exceptie uiteen als volgt: “Verweerster stelt zich de vraag of verzoekster eigenlijk wel over het vereiste belang beschikt om huidige procedure te kunnen voeren. Zowel in het feitengedeelte als bij de behandeling van de middelen blijkt dat de grond, waarop men een tweede veranda wil aanbrengen nooit of alleszins niet meer in een behoorlijk vergunde verkaveling heeft gelegen. X-9107-6/13 Dat dus m.a.w., indien verzoekster per impossibile de vernietiging zou kunnen bekomen van het MB van juni ll., zij aldus over een bouwvergunning zou beschikken die op flagrante wijze in strijd zou zijn met de dwingende bepalingen van het Gewestplan. Het lijkt toch weinig waarschijnlijk dat de Raad van State zijn medewerking zou verlenen aan verzoekster, waar deze d.m.v. de verhoopte vernietiging een onwettige toestand beoogt te creëren. Minstens getuigt verzoekster hier niet van een rechtmatig belang”. 2.2.
- In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij hierop als volgt: “Verwerende partij stelt in vraag of verzoekster wel over het vereiste belang beschikt om huidige procedure te voeren. Verzoekster heeft een rechtstreeks, persoonlijk, actueel, zeker en wettig belang om op te komen tegen het bestreden besluit. Verzoekster is immers de partij tot wie het bestreden besluit gericht is. Dit besluit houdt voor verzoekster belangrijke gevolgen in, nl. dat niet gebouwd mag worden terwijl in het verleden gelijkaardige bouwaanvragen wel werden ingewilligd. Ter discussie staat of het perceel waarop het bestreden besluit toepassing heeft, in een verkaveling gelegen is en of deze verkavelingsvergunning als vervallen dient te worden beschouwd of niet. Uit de feitelijke gegevens blijkt dat de gemeentelijke overheid in het verleden de overtuiging had dat het perceel wel degelijk gelegen was in een zone waarop een nog geldende verkavelingsvergunning van toepassing was. Verzoekster putte en put hieruit rechten, wat er toe noopt te stellen dat zij wel degelijk over een rechtmatig belang beschikt”. 2.2.
- De exceptie houdt verband met de grond van de zaak. Zij kan om deze reden niet worden aangenomen.
- Ten gronde 3.
- Eerste middel 3.1.
- Uiteenzetting van het middel In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 55 stedenbouwwet van 29.03.1962, na coördinatie artikel 53 van het decreet van 22 oktober 1996, en thans artikel 117 van het decreet van 18.05.1999 inzake de ontvankelijkheid van de beroepen, minstens het motiveringsbeginsel.” Zij zet dit middel uiteen als volgt: X-9107-7/13 “In de eerste plaats stelt verzoekster gevraagd te hebben aan de verwerende partij na te gaan of de beroepen wel conform de stedenbouwwetgeving werden ingediend. Er werd immers vastgesteld dat het besluit van het College om in beroep te gaan dateert van 22 september 1998, verstuurd door middel van een brief die als datum draagt: 1 oktober
- Evenwel ontving PADEKO N.V. slechts de kennisgeving van het beroep op 28 oktober, zijnde 4 weken later. De enveloppe werd afgestempeld door het zegeltoestel van de gemeente Schilde op 27 oktober 1998; ook de poststempel draagt die datum (...). Dit betekent dat het College van burgemeester en schepenen ofwel laattijdig beroep indiende, ofwel - indien de minister het beroep wel tijdig ontving - de vormvoorschriften terzake niet werden geëerbiedigd. Om die reden had het beroep van het College dan ook onontvankelijk moeten worden verklaard. In het bestreden besluit wordt in strijd met de stukken beweerd dat beide beroepen ontvankelijk zijn. Er wordt geen nader onderzoek verricht, kennelijk toch niet, naar de ontvankelijkheid. Alleszins wordt er geen motivering aan gewijd zodat verzoekster niet kan vernemen of er aandacht werd besteed aan de door haar opgeworpen onontvankelijkheid van de beroepen (zie terzake haar verweerschrift in graad van beroep)”. 3.1.
- Onderzoek van het middel 3.1.2.
- Het bestreden besluit willigt zowel het beroep van het college van burgemeester en schepen van de gemeente Schilde als het beroep van de gemachtigde ambtenaar in tegen het besluit van 6 augustus 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij aan de verzoekende partij de gevraagde bouwvergunning wordt verleend. 3.1.2.
- De ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt niet betwist. Hieruit volgt dat de eventuele gegrondheid van het middel niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. 3.1.2.
- Het eerste middel is niet ontvankelijk. 3.
- Tweede middel 3.2.
- Uiteenzetting van het middel In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 74 van de wet van 29.03.1962, de motiveringsplicht en de algemene X-9107-8/13 beginselen van behoorlijk bestuur, onder meer het gelijkheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel”. Zij zet dit middel uiteen als volgt: “III.2.
- De verkavelingsvergunning met referentie 113/015 dateert van 26 januari 1966 (...). Pas in 1979 kwam het Gewestplan tot stand, waarbij de zone waarin de Vogelenzang gelegen is, wordt ingekleurd als agrarisch gebied. In het verleden werd veelvuldig verwezen naar deze verkavelingsvergunning en bij toepassing ervan werden bouwvergunningen verleend, zelfs nog in het recente verleden (deze opsomming is onvolledig) :
- Op 9 maart 1993 werd de naastliggende woning, Wijnegemsteenweg 191, vergund, zonder voorafgaandelijk advies van de gemachtigde ambtenaar en met toepassing van de verkavelingsvergunning van 26 maart 1966, welke door het gemeentebestuur duidelijk als niet vervallen werd beschouwd.
- Op 17 december 1996 verleende het College van Burgemeester en Schepenen nog een bouwvergunning voor een woning, zonder advies van de gemachtigde ambtenaar, met toepassing van de eerder vermelde verkavelingsvergunning, gelegen Victor Frislei
- Het College van Burgemeester en Schepenen leverde zelfs een bouwvergunning af aan verzoekster op 30 september 1997, motiverend (...) ‘Overwegende dat de werken uitgevoerd of handelingen verricht zullen worden binnen een gebied van een verkaveling (nr. SGR10), waarvoor door het College van Burgemeester en Schepenen op 26 januari 1966 vergunning verleend is; dat deze vergunning niet vervallen is.’ De gemachtigde ambtenaar schorste deze vergunning NIET ! Thans echter volgt men in het bestreden besluit een andere stelling, nl. dat de verkavelingsvergunning al jaren vervallen is. III.2.
- Evenwel schijnt er minstens overmacht te kunnen ingeroepen worden, op basis van artikel
- ‘Onder ‘overmacht’ die het verval van de vergunning tegengaat, moet worden verstaan een niet toerekenbare, niet te voorziene onmogelijkheid voor de verkavelaar om zijn verplichtingen na te komen (men denke aan overlijden of faillissement). Het bestuur en eveneens de rechtbanken zullen in elk afzonderlijk geval kunnen beslissen, rekening houden met de omstandigheden, waaruit de overmacht voortvloeit’ (...). In casu blijkt uit het Voorontwerp van Gewestplan Antwerpen, opgemaakt door het Hoofdbestuur van de Stedenbouw en de Ruimtelijke Ordening, bijgevoegd als stuk 16, dat bij de voorbereiding van de opmaak van het gewestplan aan de gemeente Schilde werd opgelegd de uitvoering van de verkavelingen tussen Wijnegem - Schoten en ’s Gravenwezel en tussen ‘s Gravenwezel en Schilde stop te zetten met het oog op de aanleg en de uitbouw van het wegprofiel van de weg die moest aangelegd worden tussen ‘s Gravenwezel en Schoten. De vertraging in realisatie van de verkaveling is bij gevolg te wijten aan overmacht ten gevolge van de aangenomen stelling zoals hiervoor ontwikkeld, nl. in het Voorontwerp van Gewestplan Antwerpen. III.2.
- X-9107-9/13 De bestreden beslissing is in strijd met tal van andersluidende besluiten, bouwvergunningen, niet bestreden door de gemachtigde ambtenaar en inmiddels al uitgevoerd. Nochtans zijn in die gunstige besluiten principiële standpunten ingenomen, welke hadden dienen aangevochten worden door de gemachtigde ambtenaar die dit echter naliet. Hiermee wordt een schending van de vermelde beginselen van behoorlijk bestuur veroorzaakt, waarvan verzoekster het slachtoffer is. a) het gelijkheidsbeginsel : Niet alleen dient iedereen te weten hoe een bepaald wetsartikel wordt uitgevoerd, bovendien dient de uitvoering ervan consequent en telkens op dezelfde wijze te gebeuren voor iedereen. Jarenlang werd de verkavelingsvergunning, lang na 1980, zelfs tot 1997, uitgevoerd. Plots wordt dit niet meer mogelijk geacht. b) het redelijkheidsbeginsel : Belast met de rechtmatigheidcontrole van de hem voorgelegde administratieve handelingen, moet de Raad van State nagaan of ter zake de administratieve overheid bij de uitoefening van haar appreciatierecht de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan (...). In casu kan verzoeker aantonen dat de grenzen van een redelijke appreciatie werden overschreden door verwerende partij, gelet op de voorgaande bouwvergunningen, waarop ook verwerende partij attent werd gemaakt door middel van het verweerschrift dat verzoekster door haar raadsman liet indienen. De vermelde gegevens en feiten opgenomen in het bestreden besluit zijn verder onvoldoende concreet uitgewerkt (...). Wellicht is onder druk van de ingestuurde rappelbrief, verwerende partij genoodzaakt geweest het dossier af te wijzen op basis van een quasi-standaard redenering - motivering, die uiteraard niet voldoet. c) het vertrouwensbeginsel : De burger dient precies te weten waar hij aan toe is (...). ‘Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur dat inhoudt dat gerechtvaardigde verwachtingen welke door het bestuur bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, zo enigszins mogelijk moeten worden gehonoreerd, op gevaar af anders het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden’ (...). Wanneer de daartoe bevoegde overheid geen aandacht besteedt aan de voorgaanden, zoals deze er in dit geval zijn, nl. waarbij de verkavelingsvergunning keer op keer nog is toegepast, tot in 1997 toe, hieraan ook geen woord wijdt, wat een schending van de motiveringsplicht uitmaakt, is er tevens een schending van het voormelde vertrouwensbeginsel. Verzoekster meent dat het bestreden besluit is aangetast door een schending van het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de motiveringsplicht”. 3.2.
- Onderzoek van het middel 3.2.2.
- Artikel 74, § 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, dat op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, onder punt 12 was opgenomen in de “niet in de coördinatie opgenomen bepalingen: wijzigings-, overgangs- en opheffingsbepalingen, alsmede reeds voorbijgestreefde bepalingen” gevoegd bij het X-9107-10/13 decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt: “§
- Komen te vervallen, behoudens overmacht:
- de vóór 1 januari 1965 afgegeven verkavelingsvergunningen die de aanleg van nieuwe verkeerswegen of de wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen omvatten, indien op 1 oktober 1970 geen aanvang is gemaakt met enig in de vergunning voorgeschreven werk tot uitvoering van die wegen. Zijn werken aangevangen, dan komt de vergunning te vervallen indien deze werken niet voltooid zijn vóór 31 december
- de met ingang van 1 januari 1965 afgegeven vergunningen waarvan de voorgeschreven uitvoeringswerken niet voltooid zijn binnen drie jaar te rekenen van 1 oktober
- Deze termijn wordt eventueel verlengd tot de vijfde verjaardag van afgifte der vergunning. De vergunninghouder kan de uitvoering in fasen aanvragen indien daartoe in verband met de omvang van de verkaveling aanleiding toe bestaat. Van de weigeringsbeslissing kan beroep worden aangetekend zoals bepaald in artikel 53”. 3.2.2.
- Het verval van de verkavelingsvergunning treedt dus van rechtswege in door het louter verstrijken van bedoelde termijn. 3.2.2.
- De verzoekende partij betwist niet dat de betrokken verkavelingsvergunning de aanleg van nieuwe verkeerswegen omvatte, zodat te dezen in toepassing van artikel 74, § 2, 2 de verkavelingsvergunning wegens het niet voltooid zijn van de voorgeschreven uitvoeringswerken, op 1 oktober 1973 van rechtswege is vervallen. De verzoekende partij kan zich dan ook niet met goed gevolg beroepen op overmacht ingevolge de dwingende voorschriften van het ontwerp- gewestplan Antwerpen, alleen reeds omdat dit ontwerp-gewestplan slechts bij ministerieel besluit van 26 oktober 1976 en dus méér dan drie jaar het verval van rechtswege van de verkavelingsvergunning, werd vastgesteld. 3.2.2.
- In zoverre de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog aanvoert dat de overweging in het bestreden besluit “onjuist” is dat de voorgeschreven wegeniswerken niet zijn voltooid, voert zij een nieuw middel aan dat zij reeds in haar verzoekschrift tot nietigverklaring had kunnen aanvoeren, en dat om deze reden niet ontvankelijk is. X-9107-11/13 3.2.2.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen “dat de verkavelingsvergunning in haar geheel als vervallen dient beschouwd”, en “dat de huidige aanvraag dan ook moet getoetst worden aan de onderwijl van kracht geworden voorschriften van het gewestplan”. De verzoekende partij betwist de conclusie van deze toetsing door de minister niet, met name dat de gevraagde vergunning wegens planologische onverenigbaarheid met de landbouwbestemming van het gebied dient te worden geweigerd. Het gegeven dat de overheid in eerdere en zelfs latere beslissingen vergunningen heeft verleend op grond van de verkavelingsvergunning van 26 januari 1966 en dit zonder aan die aanvragers het verval van deze verkavelingsvergunning tegen te werpen, impliceert niet dat de door de verzoekende partij ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur haar toelaten dezelfde aanspraken te kunnen laten gelden. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen immers niet met goed gevolg worden ingeroepen contra legem. De aanspraak op de toepassing van deze beginselen vermag niet neer te komen op de aanspraak op een onwettige toepassing van de regelgeving. 3.2.2.
- Het tweede middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-9107-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-9107-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.818 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div