← België

Arrest 192833 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.833 Rolnummer: A. 90580/X-9460 Zaak: Arrest 192833 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.833 van 29 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.833 van 29 april 2009 in de zaak A. 90.580/X-

  1. In zake :
  2. Philip VANDERVOORT,
  3. Ilse GEYSKENS, die woonplaats kiezen bij advocaten M. BOES, W. MERTENS en G. DE GROOTE, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, dat woonplaats kiest bij advocaat A. MOYAERTS, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Gulden Vlieslaan 68/
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philip VANDERVOORT en Ilse GEYSKENS op 29 maart 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 februari 2000 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering houdende de niet inwilliging van hun beroep tegen de beslissing van 7 september 1999 van het Stedenbouwkundig College waarbij hun de vergunning wordt geweigerd voor het inrichten van een garage, Kasteleinstraat 30 te Elsene; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 1 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-9460-1/6 Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. DE KOCK, die loco advocaat A. MOYAERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. De feiten. 1.
  6. Op 5 november 1998 vragen de verzoekende partijen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Elsene een stedenbouwkundige vergunning voor “het inrichten van (een) garage in een bestaande woning” aan de Kasteleinstraat 30 te Elsene. 1.
  7. Op 8 maart 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. 1.
  8. Op 7 september 1999 weigert het Stedenbouwkundig College van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de gevraagde stedenbouwkundige vergunning nadat de verzoekende partijen administratief beroep hadden ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. 1.
  9. Op 7 oktober 1999 stellen de verzoekende partijen tegen deze weigering administratief beroep in bij de Brusselse Hoofdstedelijke regering. Op 11 januari 2000 delen de verzoekende partijen in een aangetekende brief het volgende mee: X-9460-2/6 “Geachte Heer Minister, Betr.: Beroep tegen de beslissing van het Stedenbouwkundig college van 7 september 1999 betreffende de inrichting van een garage, Kasteleinsstraat 30 (RB 1401/99/9 99/728) - uw referte: REC. nr. 99.053 - BM/mk/2050 Ik verwijs naar mijn aangetekend schrijven van 7 oktober 1999 waarmee mijn man en ik beroep aantekenden tegen de bovenvernoemde beslissing van het Stedenbouwkundig College van 7 september 1999 en uw schrijven van 18 oktober 1999 waarin U vermeldt ons beroep in goede orde ontvangen te hebben, alsmede naar mijn aangetekend schrijven van 9 november 1999 waarin ik de gronden voor ons beroep uiteenzet alsmede U een dossier met onze stukken heb overgemaakt. Voor alle duidelijkheid wijs ik erop dat wij in ons schrijven gevraagd hebben om gehoord te worden. Ik verwijs naar artikels 136 en 137 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedebouw, zoals gewijzigd. Volgens bovenvernoemd artikel 136 wordt de beslissing van de Regering aan partijen betekend binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. De in dit dossier toepasselijke termijn van 75 dagen is ingegaan op 7 oktober 1999, datum van afgifte van de aangetekende zending die het hoger beroep bevat bij de post. Deze termijn verliep op 22 december 1999, zonder dat wij kennis kregen van een beslissing. Bij toepassing van bovenvernoemd artikel 137 zijn wij zo vrij U in dit dossier een rappel te sturen. Bij een beslissing van uwentwege vraag ik vriendelijk doch met aandrang dat U onze argumenten zoals uiteengezet in ons schrijven van 9 november 1999 in overweging zou willen nemen. In de overtuiging dat u begrip zult hebben voor onze argumenten, Mijnheer de Minister, en een beleid zult ondersteunen dat er op gericht is de terugkeer van families naar de binnenstad te stimuleren, verblijf ik (...)”. 1.
  10. Op 3 februari 2000 verwerpt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering het administratief beroep en wordt de vergunning geweigerd. Deze beslissing werd op 11 februari 2000 ter kennis gebracht aan de verzoekende partijen.
  11. Ten gronde. 2.1.
  12. De verzoekende partijen voeren in een enig middel de schending aan van artikel 137 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw (hierna: de ordonnantie van 29 augustus 1991). Zij stellen dat zij ten laatste op 9 februari 2000 het bestreden besluit hadden moeten ontvangen, maar dat het besluit pas op 11 februari 2000 naar hen werd verzonden, waardoor de voorgeschreven termijn van 30 dagen werd overschreden. X-9460-3/6 2.1.
  13. De verwerende partij repliceert dat wanneer de door artikel 137 voorgeschreven termijn wordt overschreden, de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning de werken mag beginnen op zijn eigen verantwoordelijkheid. De overschrijding van de termijn impliceert evenwel niet de onbevoegdheid van de regering. Bovendien werd het bestreden besluit aangenomen binnen de voorgeschreven termijn. 2.1.
  14. De verzoekende partijen dupliceren dat de verwerende partij de rechtszekerheid in het gedrang bracht door na te laten de door de ordonnantie voorgeschreven termijn in acht te nemen. 2.
  15. De artikelen 136 en 137 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ze van toepassing waren op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, luidden als volgt: “Art.
  16. De beslissing van de Regering wordt aan de partijen betekend binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Art.
  17. Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de bij artikel 136 bepaalde termijn, kan de aanvrager bij aangetekend schrijven de Regering een rappel sturen. Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang op de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven, dan mag hij zonder verdere formaliteiten overgaan tot het uitvoeren van de werken of het verrichten van de handelingen, in naleving van de aanwijzingen van het dossier dat hij heeft ingediend, van de wetten en reglementen, met name van de voorschriften van de goedgekeurde plannen, alsmede van de bepalingen van de verkavelingsvergunning. Is het beroep door het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar ingesteld, dan mag de aanvrager overgaan tot het uitvoeren van de werken of het verrichten van de handelingen, in naleving van de beslissing van het Stedenbouwkundig College. Wanneer de aanvrager met de uitvoering van de werken begint of de handelingen verricht, is hij gehouden dit ter kennis te brengen van derden, onder dezelfde voorwaarden als deze voorzien in artikel 121, door middel van aanplakking op het goed. De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel vast”. 2.
  18. De verzoekende partijen hebben op 7 oktober 1999 administratief beroep ingesteld bij de Brusselse Hoofdstedelijke regering tegen het weigeringsbesluit van 7 september 1999 van het Stedenbouwkundige College van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Na het uitblijven van een beslissing hebben de verzoekende partijen op 11 januari 2000 overeenkomstig artikel 137, eerste lid van X-9460-4/6 de ordonnantie van 29 augustus 1991 een rappelbrief verzonden aan de Brusselse Hoofdstedelijke regering. Op 3 februari 2000 werd het bestreden besluit genomen. Het bestreden besluit werd de verzoekende partijen betekend met een ter post aangetekend schrijven van 11 februari 2000, dit is méér dan dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop het beroepschrift van de verzoekende partijen ter post is afgegeven. 2.
  19. Uit de betrokken wetgevende bepalingen blijkt duidelijk dat de beslissing van de regering niet alleen vastgesteld moet zijn, maar ook ter kennis gebracht moet zijn vóór het verstrijken van de in artikel 137, tweede lid bepaalde termijn. Die termijn vangt aan op de dag van de afgifte bij de post van de aangetekende rappelbrief en heeft als eindpunt het verstrijken van de termijn van 30 dagen. Het uitblijven van een kennisgeving binnen deze termijn heeft tot gevolg dat het bestreden besluit ten aanzien van de verzoekende partijen geen rechtsgevolgen kan hebben en hun bijgevolg op generlei wijze tegengeworpen kan worden. 2.
  20. Over artikel 137, tweede lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991 heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 78/2001 van 7 juni 2001 voor recht gezegd dat deze bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Deze vastgestelde ongrondwettigheid moet door de Raad van State ook in dit geding worden toegepast, zonder dat een nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet worden gesteld, gelet op artikel 26, § 2, tweede lid, 2/ van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. 2.
  21. Aangezien de rechtsregel waarvan de schending in het enige middel wordt aangevoerd, niet kan worden toegepast, is het enige middel onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. X-9460-5/6 Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9460-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.833 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.