id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.834 Rolnummer: A. 68100/X-10950 Zaak: Arrest 192834 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.834 van 29 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.834 van 29 april 2009 in de zaak A. 68.100/X-10.
- In zake :
- Ernst SMIT,
- Jean HUNTER, die woonplaats kiezen bij advocaat A. CRAEYBECKX, kantoor houdende te 2600 ANTWERPEN, Arenbergstraat 23 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ernst SMIT en Jean HUNTER op 15 maart 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 januari 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van hun beroep tegen het besluit van 20 juli 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN waarbij hun de regularisatievergunning wordt geweigerd voor de verbouwing van een bestaande hoeve gelegen te Zoersel, Voorste Hoeven 16, kadastraal bekend sectie C, nrs. 123 en 118/b; Gelet op het arrest nr. 179.314 van 5 februari 2008 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-10.950-1/11 Gelet op de beschikking van 9 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. ROWIES, die loco advocaat A. CRAEYBECKX verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten Wat betreft de feitelijke gegevens van de zaak kan worden volstaan met een verwijzing naar de uiteenzetting ervan in het hiervoor vermelde arrest nr. 179.314 van 5 februari
- Ten gronde 2.
- Eerste middel 2.1.
- Uiteenzetting van het middel In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “het wettigheidsbeginsel door de toepassing van het onwettige gewestplan”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “
- De aanvragen van verzoekers om de regularisatie van de verbouwingswerken te bekomen, stuitten steeds weer op de opmerking dat hun eigendom zich in een natuurgebied bevindt. Dit is ook weer de reden waarom de Minister afwijzend besliste. Zoals reeds aangehaald, is de opname van de eigendom van verzoekers in een natuurgebied totaal onrealistisch. X-10.950-2/11
- De hoeve en de grond bevinden zich in werkelijkheid helemaal niet in een ‘groengebied’, te weten een gebied ‘bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu’. Zij bevinden zich evenmin in een natuurgebied, omvattende ‘de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden’ (zie de definities in art. 13 K.B. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en. gewestplannen). De opname van de kwestige eigendom in een natuurgebied berustte op een kennelijk verkeerde appreciatie van de feiten.
- Ten eerste gaat het om een hoeve, met oorspronkelijk agrarische bedrijfsbestemming. Door de opname in een natuurgebied werd strikt genomen ook deze bestemming onmogelijk. Bijgevolg was het enige ‘wettige’ lot van de hoeve de verkrotting en de ingebruikname door de wilde natuur, d.w.z. overwoekering, overgroeiing, bewoning door duiven, ratten, muizen en vleermuizen. Aldus werd destijds besloten, terwijl dezelfde hoeve ondertussen is geklasseerd als monument. Van enige coherentie is hier duidelijk geen sprake.
- Ten tweede blijkt het onwezenlijk karakter van de opname in een ‘natuurgebied’ bij een eerste oogopslag ter plaatse. De hoeve ligt naast andere woonhuizen, dichtbij een drukke weg. Slechts aan één zijde heeft men werkelijk uitzicht op wat men een natuurgebied of een overblijfsel ervan zou kunnen noemen. In alle geval behoort de hoeve structureel tot een bebouwde zone, en niet tot een natuurgebied. Normaal zou men de hoeve kunnen klasseren in een woongebied met een middelgrote dichtheid, of misschien nog in een woongebied met landelijk karakter. Zelfs opname in een landelijk gebied zou wereldvreemd zijn geweest. Verzoekers menen dat zij van een dergelijke onjuiste appreciatie van de feitelijke toestand niet het slachtoffer mogen zijn en menen dat de overheid in de geschetste omstandigheden, overeenkomstig artikel 159 G.G.W., van de kennelijk onterechte opname in een natuurgebied, abstractie moet maken, of anders moet overgaan tot een aanpassing van het gewestplan.
- Aldus werd ook geadviseerd door de Directeur-Generaal van het Bestuur Ruimtelijke Ordening in een zeer uitvoerige en grondig gemotiveerde nota aan de Minister van 15.09.1993 (...). Het Bestuur onderzocht in deze nota de problematiek in zijn algemeenheid en deelde zeer terecht o.m. het volgende mee : ‘Het is utopisch te veronderstellen dat bestaande gebouwen in hun toestand van weleer kunnen bewaard blijven zonder rekening te houden met de evolutie in het socio-economisch leven, wat nochtans één van de pijlers is waarmee de ruimtelijke ordening dient rekening te houden. (...) Wat het thans voorliggend geval betreft, kan worden opgemerkt dat de site van de vestiging onmogelijk een natuurrelikt kan zijn en derhalve niet beantwoordt aan de opvatting van een ‘natuurgebied’ zoals die op de voorgrond treedt in de huidige reglementeringen. Het gebouwencomplex heeft geen enkele ‘natuurwaarde’ stricto senso. De vraag rijst of het toch niet utopisch is te veronderstellen dat er nog bedrijfsleiders gevonden worden om een boerderij uit te baten en dan nog op de wijze van weleer en in een gebouw waar geen veranderingen mogen aangebracht worden. De zaak wordt nog meer onrealistisch wanneer het bijvoorbeeld zou gaan om een leegstaand klooster, een kapel, een sanatorium of een commanderie. Ingevolge de evolutie hebben meerdere van dergelijke inrichtingen hun functie verloren. Sommige sites en gebouwen zijn X-10.950-3/11 waardevol, hetzij architektonisch, hetzij historisch, hetzij kunsthistorisch. Het bewaren impliceert valoriseren; maar dit laatste veronderstelt functiewijzigingen, en daaraan gekoppeld meestal verbouwingen. Rijst de vraag waar men nog bijvoorbeeld kloosterlingen, kerkgangers, molenaars, patiënten voor sanatoria, geestelijke ridderorders e.d. zal vinden om het oorspronkelijk gebruik verder te zetten. Een partikulier probleem stelt zich ten aanzien van de talrijke hoeven en hun landerijen welke mee in sommige natuurgebieden worden opgenomen. Niet alleen is het onmogelijk geworden de gebouwen bedrijfstechnisch (konstrukties) aan te passen aan de eisen van de moderne bedrijfsvoering, bovendien komt ook de uitbating van de grond zelf (wijzigingen van vegetatie, bodemverbetering, drainering en bevloeiing) in het gedrang. De administratie heeft alle respekt voor de beleidsopties waarbij bijvoorbeeld natuurwaarden integraal worden beschermd, en wil ten volle aan de realisatie van dergelijke beleidsopties meewerken. Het is echter de plicht van de administratie de beleidsverantwoordelijke te wijzen op de gevolgen die bepaalde maatregelen met zich brengen. (...) Er mag niet uit het oog worden verloren dat in bepaalde gevallen de mogelijkheid bestaat tot de revalorisatie van het bestaande patrimonium over te gaan, zonder dat de natuurwaarden worden geschonden en waardoor integendeel historische sites, zij het met moderne functies, terug worden geherwaardeerd (landschapsopbouw bvb.) zonder dat de overheid hiervoor financiële uitgaven moet doen. Het is niet uitgesloten dat een houding van ‘bescherming te allen prijze van natuurwaarden’ op plaatsen waar er geen zijn mettertijd omwille van zijn onlogica zou leiden tot een depreciatie van deze toch belangrijke beleidsoptie. Te meer dat, door de huidige wetgeving, dergelijke sites momenteel gedoemd zijn te verkrotten, daar de noodzakelijke werken ter revalorisatie niet meer kunnen uitgevoerd worden met als gevolg een verloedering van dit stuk natuurgebied. (...) Het uitsplitsen van de huidige natuurgebieden op de gewestplannen zou aangewezen zijn naar gebieden waar dergelijke natuurwaarden effektief aanwezig zijn en overheersen enerzijds en gebieden die in feite een andere bestemming (nader te bepalen) in functie van de site en de revalorisatie van bestaande patrimonium dienen te verkrijgen anderzijds (...) Toegepast op het thans voorliggend geval zou dit inhouden, indien deze zienswijze de instemming van de heer Minister kan verkrijgen, dat het Bestuur een voorstel tot aanpassing van het gewestplan en uitsplitsing van het natuurgebied zou voorleggen’.
- In alle geval had de Overheid het gewestplan, in zoverre het op een kennelijk onjuiste en onzorgvuldige appreciatie van de feiten berust, buiten toepassing moeten laten. Ook de bestreden beslissing had het gewestplan in die mate buiten toepassing moeten laten.
- Bovendien gelden deze opmerkingen in huidige procedure als exceptie van onwettigheid. Ook de Raad van State dient onwettige besluiten uiteraard buiten toepassing te laten bij toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde grondwet”. X-10.950-4/11 2.1.
- Onderzoek van het middel 2.1.2.
- De minister heeft het namens de verzoekende partijen ingestelde administratief beroep verworpen op grond van de bestemming natuurgebied die het gewestplan aan hun eigendom heeft gegeven, en de motivering dat de toen geldende afwijkingsbepalingen uit de stedenbouwwet geen mogelijkheid inhielden om de beoogde bouwvergunning te verlenen. De verzoekende partijen menen dat de minister de gewestplanbestemming krachtens artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing had moeten laten, nu de bestemming tot natuurgebied voor hun eigendom moet worden beschouwd als “totaal onrealistisch” en “onwezenlijk”. Minstens vragen de verzoekende partijen dat de Raad van State deze gewestplanbestemming om dezelfde redenen onwettig zou bevinden. 2.1.2.
- Artikel 159 van de Grondwet bepaalt: “De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen”. Deze bepaling laat de minister, als orgaan van het actief bestuur, niet toe om in voorkomend geval een gewestplan op grond van de onwettigheid ervan niet toe te passen. Krachtens artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) bezitten de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, eens door de Koning -thans de Vlaamse regering- vastgesteld, bindende en verordenende kracht en mag er alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. Geen bepaling van het gecoördineerde decreet laat toe van deze voorschriften af te wijken op grond van de omstandigheid dat de opname van de betrokken eigendom in natuurgebied “totaal onrealistisch” zou zijn. De minister was er dan ook niet toe gehouden bij de beoordeling van het beroep in te gaan op de argumentatie van de aanvragers die ertoe strekt om de geldende planologische voorschriften buiten toepassing te laten. 2.1.2.
- Voorts legt geen bepaling van het gecoördineerde decreet op dat de in het gewestplan vastgestelde bestemming dient overeen te stemmen met de bestaande toestand. Deze bestemming kan ook toekomstgericht zijn en afwijken van de bestaande toestand. X-10.950-5/11 2.1.2.
- Het door de directeur-generaal van het bestuur Ruimtelijke Ordening in zijn door de verzoekende partijen geciteerde nota van 15 september 1993 aan de minister gestelde doet aan de voormelde vaststellingen geen afbreuk. 2.1.2.
- Het middel is niet gegrond. 2.
- Tweede middel 2.2.
- Uiteenzetting van het middel In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “het K.B. van 28 december 1972, onjuiste motivering van de oorspronkelijke weigeringsbeslissing, en gebrek aan motivering van de bestreden beslissing”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “
- De oorspronkelijke weigering van de bouwvergunning door het college van Burgemeester en Schepenen van Zoersel was gesteund op de overweging dat in natuurgebieden alleen jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woongelegenheid, al ware het maar tijdelijk. Deze redengeving was, zoals verzoekers reeds in hun beroep bij de Bestendige Deputatie uiteenzetten, totaal niet dienend, daar het in casu niet gaat om de bouw van wat dan ook. Het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, waarop de oorspronkelijke weigeringsbeslissing wellicht was gesteund, spreekt nergens over de verbouwing of de restauratie van een bestaande en in casu zelfs geklasseerde - oude hoeve in een natuurgebied. Vergeefs vraagt men zich af waarom de restauratie van een oude hoeve een afwijking van het gewestplan zou vereisen. Uiteraard kan het niet de bedoeling geweest zijn van het gewestplan om bestaande en historisch waardevolle, doch verlaten hoeve in natuurgebieden te laten verkrotten. Dit geldt a fortiori voor het kwestige hoevecomplex dat geklasseerd is als monument! Bijgevolg houdt de oorspronkelijke weigeringsbeslissing van het College van Burgemeester en Schepenen een schending in van het artikel 13 van het vernoemde K.B. van 28 december
- De bestreden beslissing laat na deze argumentatie te onderzoeken en te beantwoorden”. X-10.950-6/11 2.2.
- Onderzoek van het middel 2.2.2.
- Het middel is gericht tegen een weigeringsmotief van het besluit van het college van burgemeester en schepenen over de bouwaanvraag van de verzoekende partijen. 2.2.2.
- Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep is het besluit van 20 juli 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen in de plaats gekomen van het besluit van 12 september 1994 van het college van burgemeester en schepen van de gemeente Zoersel, en is nadien het thans bestreden besluit in de plaats gekomen van voormeld besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. De voormelde besluiten van het college van burgemeester en schepenen en van de bestendige deputatie moeten derhalve worden geacht niet langer te bestaan. De eventuele gegrondheid van het middel in zoverre het is gericht tegen de motivering van het besluit van het college van burgemeester en schepenen kan dan ook niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. 2.2.2.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen stellen is de minister die over een administratief beroep uitspraak doet als orgaan van het actief bestuur er niet toe gehouden alle door hen aangevoerde argumenten te beantwoorden. Hij kan volstaan met de redenen aan te geven waarop hij zijn beslissing steunt. Artikel 13.4.3.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit), bepaalt wat volgt: “De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden. In deze gebieden mogen jagers- en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk”. Voormeld bestemmingsvoorschrift dient, zonder dat hierover enige twijfel kan bestaan, restrictief te worden opgevat, in de zin dat in natuurgebieden geen andere bouwwerken dan jagers- en vissershutten zijn toegelaten. Te dezen overweegt het bestreden besluit met betrekking tot de verenigbaarheid van de aanvraag met voormelde bestemmingsvoorschriften, wat volgt: X-10.950-7/11 “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het regulariseren van een zonder bouwvergunning doorgevoerde verbouwing van de monumentale, historisch en esthetisch waardevolle, achttiendeeuwse kempische hoeve, ‘Voorste Hoeven’ genaamd; dat het bestaande, 26,65 m bij 11,45 m grote woonstalhuis inwendig werd verbouwd en volledig ingericht voor bewoning; Overwegende dat, volgens het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout, waarvan de begrenzing werd gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 1992, het woonstalhuis, waarop de aanvraag betrekking heeft, is gelegen in het natuurgebied; dat, luidens artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, natuurgebieden, die de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden omvatten, bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu; dat in dergelijke gebieden enkel jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk; dat een zuiver residentieel gebruik in strijd is met de bestemming vastgelegd in het gewestplan en afbreuk doet aan het natuurlijk milieu dat in dergelijk gebied dient beschermd te worden en daarom principieel niet kan aanvaard worden”. De minister heeft derhalve de verenigbaarheid van de aanvraag met de door artikel 13.4.3.1 van het inrichtingsbesluit, zoals deze bepaling dient te worden begrepen, wel degelijk onderzocht. 2.2.2.
- In de memorie van wederantwoord voeren de verzoekende partijen nog nieuwe bijkomende argumenten aan met betrekking tot de rangschikking van het gebouw als monument en de aard van de uitgevoerde werken. Deze argumenten hadden reeds in het verzoekschrift kunnen worden aangevoerd, en zijn om deze reden niet ontvankelijk. 2.2.2.
- Het middel is niet gegrond. 2.
- Derde middel 2.3.
- Uiteenzetting van het middel In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel 79 van de Stedebouwwet en van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1994”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “
- Overeenkomstig artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 1993 konden afwijkingen van de voorschriften van de ontwerp-gewestplannen en de gewest-plannen niet worden toegestaan zo het X-10.950-8/11 goed gelegen is in een natuurgebied in de zin van het K.B. van 28 december
- Zoals hoger aangetoond, kan met de opname in een natuurgebied, die immers kennelijk onterecht is, echter geen rekening worden gehouden. Ten tweede vloeit, zoals aangetoond, uit het KB. van 28 december 1972 geenszins voort dat een afwijking van het gewestplan nodig is voor de verbouwing van een bestaande oude en geklasseerde hoeve. De oorspronkelijke afwijzende beslissing die naar het besluit van 30 september 1993 verwees, was derhalve onwettig.
- Dezelfde opmerkingen gelden de redengeving van de bestreden beslissing, die verwijst naar het nieuwe besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1994, dat dezelfde uitzondering ten aanzien van natuurgebieden formuleert”. 2.3.
- Onderzoek van het middel 2.3.2.
- Uit het onderzoek van de voorgaande middelen is gebleken dat de minister zich terecht heeft gesteund op de gewestplanbestemming “natuurgebied” van het betrokken perceel en de gewestplanvoorschriften die voor zodanig gebied gelden, om de gevraagde vergunning te weigeren. Even terecht heeft de minister vastgesteld dat het besluit van 20 juli 1994 van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijk ordening en van de stedenbouw, geen verbouwing, uitbreiding of gebruikswijziging in natuurgebied toestaat. 2.3.2.
- Het middel is niet gegrond. 2.
- Vierde middel 2.4.
- Uiteenzetting van het middel In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “het decreet van 13 juli 1994”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “
- Bovendien strookt de bestreden beslissing niet met de geest van het decreet van de Vlaamse Raad van 13 juli
- Dit decreet voorziet juist de mogelijkheid om situaties als de huidige te regulariseren. Zelfs indien men de restrictieve interpretatie van het besluit van 20 juli 1994 zou volgen, moet men er rekening mee houden dat het decreet van 13 juli 1994 de mogelijkheid voorziet om verbouwingen in een natuurgebied te regulariseren. X-10.950-9/11 Artikel 45, § 2, lid 20 van de Stedebouwwet voorziet dat toch een bouwvergunning kan worden verleend. Strikt genomen is het artikel klaarblijkelijk niet van toepassing (de huidige aanvraag werd niet ingediend voor 22 augustus 1993, al loopt de procedure reeds sedert 1987, van het begin van de procedure door de vorige eigenaars, procedure welke nu is uitgemond in een beroep bij de Raad van State tegen de oude weigering; het gaat overigens om een restauratie en niet om een ‘herbouwen’; er is ook geen sprake van nieuw ‘bouwvolume’ of een ‘nieuw gebouw’ op een afstand van een ‘bestaand gebouw’; de bouwaanvraag was tenslotte reeds geweigerd op de datum van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen, en de beroepstermijn liep reeds; trouwens ook de Bestendige Deputatie achtte het artikel niet van toepassing). Van belang is dat het bedoelde artikel in principe toelaat dat op gunstig advies van de dienst natuurbehoud en ontwikkeling van Aminal zelfs vergunning kan worden verleend binnen een natuurgebied. In dezelfde geest dient men ook het huidige probleem te regulariseren. Dit geldt zelfs a fortiori : onder bepaalde voorwaarden maakte het decreet zelfs de oprichting van nieuwe bouwwerken in een natuurgebied mogelijk; des te meer moet dit mogelijk zijn voor de restauratie van een bestaande hoeve. Het nieuwe decreet bevestigt dus des te meer dat verzoekers recht hebben op een regularisatie, zeker nu is aangetoond dat de ruimtelijke ordening geenszins is geschaad, en de restauratie van de op invallen staande en geklasseerde hoeve, integendeel, objectief beschouwd, een duidelijke meerwaarde bijbrengt”. 2.4.
- Onderzoek van het middel 2.4.2.
- Nergens maken de verzoekende partijen aannemelijk dat “de geest” van het decreet van 13 juli 1994 een vergunning voor de door hen uitgevoerde werken mogelijk zou maken. De verzoekende partijen verliezen zich in hun uiteenzetting in vrijblijvende verklaringen omtrent de bedoelingen die de decreetgever zogenaamd zou gehad hebben om de regularisatie van zonevreemde werken -zoals deze die zijzelf hebben uitgevoerd- vergunbaar te maken. Echter wordt nergens aangetoond dat de bepalingen van het bedoelde decreet ergens steun zou bieden voor het verlenen van dergelijke vergunning. 2.4.2.
- Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.950-10/11 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.950-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.834 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div