id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.835 Rolnummer: A. 122626/X-11018 Zaak: Arrest 192835 - Plannen van aanleg - 29/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.835 van 29 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.835 van 29 april 2009 in de zaak A. 122.626/X-11.018. In zake : 1. Michel BOLLEN, 2. Karen MEYERS, die woonplaats kiezen bij advocaat L. VANDERPUTTE, kantoor houdende te 3600 GENK, Europalaan 50, bus 2 tegen : 1. de gemeente MAASMECHELEN, die woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. tussenkomende partijen : 1. Victor BRATUSZEWSKI, 2. Mechelina TERKAJ, 3. Victor Moral BRATUSZEWSKI, 4. Calogera SCHILLACI, 5. Jean Marie TULLENERS, 6. Nancy DRIESEN, die woonplaats kiezen bij advocaat L. VANDERPUTTE, kantoor houdende te 3600 GENK, Europalaan 50, bus 2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michel BOLLEN en Karen MEYERS op 18 juni 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 maart 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het wijzigingsplan van het bijzonder plan van aanleg “Boseind” genaamd, van de gemeente Maasmechelen; X-11.018-1/14 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 17 december 2002 ingediend door Victor BRATUSZEWSKI, Mechelina TERKAJ, Victor Moral BRATUSZEWSKI, Calogera SCHILLACI, Jean Marie TULLENERS en Nancy DRIESEN; Gelet op de beschikking van 7 januari 2003 die de tussenkomst van Victor BRATUSZEWSKI, Mechelina TERKAJ, Victor Moral BRATUSZEWSKI, Calogera SCHILLACI, Jean Marie TULLENERS en Nancy DRIESEN toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 1 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HERMANS, die loco advocaat L. VANDERPUTTE verschijnt voor de verzoekende partijen en voor de tussenkomende partijen, van advocaat J. GEBRUERS, die loco advocaten M. BOES en W. MERTENS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat N. D’HAENENS, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; X-11.018-2/14 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging De memorie van wederantwoord is mede door de tussenkomende partijen ingediend. Een memorie van wederantwoord is een procedurestuk dat door artikel 7, eerste lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan de verzoekende partij(
- en)is voorbehouden. De memorie van wederantwoord is onontvankelijk in zoverre zij door de tussenkomende partijen is ingediend. 2. De feiten 2.1. De verzoekende partijen zijn eigenaars en bewoners van een pand gelegen aan de Rooshagenweg 69 te Maasmechelen, kadastraal bekend nr. 160/e. Dit perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland gelegen in woongebied. 2.2. Bij besluit van 4 juli 2000 van de gemeenteraad van Maasmechelen wordt het ontwerp van bijzonder plan van aanleg “Boseind - Wijziging 5” voorlopig aangenomen. In dit plan wordt het perceel van de verzoekende partijen deels bestemd tot “zone voor sociale kavels”. Het wordt noch op het onteigeningsplan, noch in de onteigeningstabel opgenomen als te onteigenen grond. 2.3. Het ontwerpplan wordt van 18 augustus 2000 tot en met 19 september 2000 aan een openbaar onderzoek onderworpen, dat kenbaar wordt gemaakt door aanplakking, door een bericht in het Belgisch Staatsblad van 15 augustus 2000 en door publicatie op 17 augustus 2000 in drie dagbladen, waarvan er één verschijnt in de hoofdplaats van de provincie Limburg, met name het Nieuwsblad, het Volk en het Belang van Limburg. X-11.018-3/14 2.4. Tijdens het openbaar onderzoek worden negentig bezwaar- schriften ingediend. De verzoekende partijen dienen geen bezwaarschrift in. 2.5. Bij besluit van 5 december 2000 van de gemeenteraad van Maasmechelen worden de ingediende bezwaren na onderzoek verworpen en wordt het bijzonder plan van aanleg “Boseind Wijziging 5” definitief aanvaard. 2.6. Op 10 januari 2001 wordt het dossier betreffende dit bijzonder plan van aanleg bij de administratie van het Vlaamse Gewest ingediend. 2.7. Op 15 februari 2001 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een gunstig advies. 2.8. Op 29 maart 2001 verleent de Commissie van advies bij onteigeningen voor het Vlaamse Gewest een advies. 2.9. Op 1 juni 2001 verleent de afdeling ROHM Limburg een advies. 2.10. Op 25 oktober 2001 verleent de Commissie van advies bij onteigeningen voor het Vlaamse Gewest een bijkomend advies . 2.11. Met een nota van 20 november 2001 deelt de afdeling Ruimtelijke Planning van de administratie AROHM haar standpunt aan de bevoegde minister mee. 2.12. Bij het thans bestreden besluit van 26 maart 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening wordt het bijzonder plan van aanleg “Boseind - Wijziging 5” goedgekeurd, met uitsluiting van de met blauw omrande delen op het bestemmingsplan en op het onteigeningsplan. 3. Ontvankelijkheid 3.1. Fiscale zegels 3.1.1. De eerste verwerende partij werpt op dat de Raad “zal dienen na te gaan of verzoekende partijen twee maal 175 EURO fiscale zegels hebben X-11.018-4/14 aangebracht op het origineel verzoekschrift, bij gebreke waarvan in hoofde van mevrouw Karen Meyers het verzoekschrift onontvankelijk zou zijn”. 3.1.2. Uit de stukken blijkt dat de verzoekende partijen op het verzoekschrift twee maal fiscale zegels ter waarde van 175 euro hebben aangebracht. Het verzoekschrift is wat dit betreft ontvankelijk in hoofde van de beide verzoekende partijen. 3.2. Aanduiding van de tegenpartijen 3.2.1. De eerste verwerende partij werpt op dat zij ten onrechte bij de huidige procedure is betrokken omdat het beroep niet gericht is tegen haar beslissing doch tegen een beslissing van de tweede verwerende partij, zodat het “in eerste instantie het Vlaams Gewest (
- is)die in deze betrokken partij(...) is en niet de gemeente Maasmechelen”, en “in dit opzicht (...) het beroep van verzoekende partijen tegen de gemeente Maasmechelen onontvankelijk (
- is)en (...) de gemeente Maasmechelen buiten zake (dient) te worden gesteld”. 3.2.2. Uit de inquisitoriale aard van de rechtspleging voor de Raad van State volgt onder meer dat niet de verzoekende partij maar de Raad van State de verwerende partij(
- en)aanduidt, met name de overheid of de overheden die het best zijn geplaatst om de bestreden rechtshandeling(
- en)te verdedigen. Het bestreden besluit betreft de goedkeuring door de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening van een bijzonder plan van aanleg dat definitief door de gemeenteraad van de gemeente Maasmechelen is aangenomen. Te dezen heeft het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat terecht zowel de gemeente Maasmechelen als het Vlaamse Gewest als tegenpartijen aangeduid. Het verzoek van de gemeente Maasmechelen om buiten te zaak te worden gesteld wordt verworpen. 3.3. Belang 3.3.1. De eerste verwerende partij werpt voorts nog op dat het beroep van verzoekende partijen onontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien alle middelen zich in se richten tot een door hen beweerde mogelijkheid tot onteigening, X-11.018-5/14 terwijl er, voor wat het perceel van de verzoekende partijen betreft, geen sprake is van onteigening. Voorts stelt zij dat, zover de Raad toch zou oordelen dat de verzoekende partijen enig belang hebben, quod non, dit enkel beperkt is tot hun eigendom, zodat het bestreden besluit in voorkomend geval enkel voor een beperkt deel nietig zou kunnen worden verklaard. 3.3.2. De verzoekende partijen repliceren in hun memorie van wederantwoord met betrekking tot deze exceptie dat zij, in de mate dat zij eigenaar zijn van en wonen op een perceel dat is gelegen in het gebied dat een andere bestemming kreeg door de wijziging van het bijzonder plan van aanleg “Boseind”, wel degelijk een persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang bij de huidige vordering hebben, aangezien het achterste stuk van hun perceel door het bestreden wijzigend plan wordt bestemd tot “zone voor sociale kavels” terwijl het voorheen de bestemming “tuin” had. De verzoekende partijen betogen dat hun nadeel hierin bestaat “dat de gemeente Maasmechelen -bij gebreke aan een minnelijke verkaveling tot realisatie van de gewijzigde bestemming- de onteigeningsprocedure kan opstarten zonder nog een bestemmingswijziging te moeten doorvoeren of aanvragen”. De verzoekende partijen repliceren ten slotte nog dat de vrijwillig tussenkomende partijen eveneens eigenaars zijn van percelen die gelegen zijn in het gebied binnen het bijzonder plan van aanleg “Boseind” waarvan de bestemming is gewijzigd naar “zone voor sociale kavels”. 3.3.3. Het bestreden plan wijzigt de bestemming van een deel van de eigendom van de verzoekende partijen van “tuin” in “zone voor sociale kavels”. De verzoekende partijen doen als eigenaars van een perceel waarvan de bestemming door dit plan wordt gewijzigd alleen reeds blijken van het rechtens vereiste belang. De redenen waarom de verzoekende partijen zich tegen de gewijzigde bestemming verzetten, zijn ter zake niet relevant. Een bijzonder plan van aanleg, dat krachtens artikel 14, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), voor een deel van het gemeentelijk grondgebied de gedetailleerde bestemming van dit gebiedsdeel vaststelt, vormt in beginsel één onlosmakelijk geheel dat als zodanig niet voor een gedeeltelijke vernietiging vatbaar is. Het feit op zich dat de verzoekende partijen slechts eigenaar X-11.018-6/14 zijn van één perceel dat is begrepen binnen het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. 4. Ten gronde 4.1. Eerste middel 4.1.1. Uiteenzetting van het middel In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de “onwettigheid ten aanzien van de motieven” en de schending van “de rechten van verdediging” aan. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “De beslissing die steunt op onjuiste of juridisch onaanvaardbare motieven is aangetast door machtsoverschrijding. In casu zijn de motieven van de Minister tegenstrijdig en feitelijk onjuist. Enerzijds heeft de gemeente Maasmechelen niet alle betrokken eigenaars, wonende rondom het binnengebied voor sociale kavels en waaronder ook verzoekers, persoonlijk in kennis gesteld van de voorgenomen BPA wijziging om reden dat het (...) binnengeb(ie)d niet staat ingekleurd om te onteigenen (doch slechts als reservezone). Anderzijds verleent het M.B. aan de gemeente Maasmechelen wel machtiging om over te gaan tot onteigening van de paarse zone voor zover een minnelijke schikking met de betrokken eigenaars niet kan worden bereikt. Juridisch is dit ongerijmd: ofwel staat de zone ingekleurd om te onteigenen en had de overheid alle betrokken eigenaars persoonlijk moeten in kennis stellen van de geplande BPA wijziging ofwel moeten de eigenaars niet in kennis gesteld worden maar kan er ook niet onteigend worden. Anders beslissen of motiveren schendt niet alleen de motiveringsplicht wegens een tegenstrijdige motivering doch schendt ook de rechten van verdediging van verzoekers die nooit persoonlijk in kennis werden gesteld van de geplande BPA wijziging (en dus ook geen bezwaar konden indienen) doch die wel riskeren onteigend te worden. Verzoekers verwijzen voor wat betreft de onjuiste motivatie ook naar hun derde middel”. 4.1.2. Onderzoek van het middel 4.1.2.1. Uit de stukken van het dossier blijkt dat het perceel van de verzoekende partijen noch op het onteigeningsplan, noch in de onteigeningstabel wordt opgenomen als te onteigenen grond, en dat het bestreden besluit aan de eerste verwerende partij geen machtiging verleent om dat perceel te onteigenen. X-11.018-7/14 4.1.2.2. Aangezien krachtens het toentertijd geldende artikel 26, laatste lid, tweede volzin van het gecoördineerde decreet, enkel die eigenaars persoonlijk en schriftelijk ervan in kennis dienen te worden gesteld dat het plan in het gemeentehuis ter inzage ligt, wier goederen gelegen zijn binnen de omtrek van de te onteigenen percelen, dienden de verzoekende partijen niet persoonlijk in kennis te worden gesteld van het feit dat het plan in het gemeentehuis ter inzage ligt. 4.1.2.3. Het betoog van de verzoekende partijen luidens welk de motieven van het bestreden besluit feitelijk onjuist en tegenstrijdig zijn, en dat het besluit hun rechten van verdediging zou schenden, gaat uit van de verkeerde premisse dat het bestreden besluit een machtiging tot onteigening van hun percelen zou bevatten. 4.1.2.4. Het middel wordt om deze reden alleen reeds verworpen. 4.2. Tweede middel 4.2.1. Uiteenzetting van het middel In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de “schending van de wet, nl. zorgvuldigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel” aan. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “Verzoekers zijn nooit persoonlijk geïnformeerd door de gemeentelijke overheid in verband met de geplande BPA wijziging. De overheid schendt haar zorgvuldigheidsplicht door enerzijds te stellen dat zij niet wil onteigenen (waardoor zij verzoekers niet persoonlijk hoefde aan te schrijven) doch door anderzijds in haar wijzigings BPA wel de onteigening te vorderen voor zover geen minnelijke schikking kan worden bereikt. Het M.B. a quo heeft de gemeente trouwens gemachtigd om te onteigenen. De overheid heeft het vertrouwen van verzoekers geschonden door verzoekers niet in kennis te stellen van de geplande BPA wijziging, waarbij nochtans van in het begin duidelijk was dat de overheid de intentie heeft om te onteigenen. Weinig of geen van de betrokken eigenaars wenst immers minnelijk zijn tuin te verkopen. Indien de betrokken eigenaars, waaronder verzoekers, tijdens de fase van openbaar onderzoek in kennis waren gesteld van de geplande BPA wijziging, hadden zij gepast kunnen reageren door o.m. een bezwaarschrift in te dienen”. 4.2.2. Onderzoek van het middel 4.2.2.1. Zoals hiervoor bij het onderzoek van het eerste middel reeds uiteengezet, dienen krachtens het toentertijd geldende artikel 26, laatste lid, tweede X-11.018-8/14 volzin van het gecoördineerde decreet, enkel die eigenaars persoonlijk en schriftelijk ervan in kennis te worden gesteld dat het plan in het gemeentehuis ter inzage ligt, wier goederen gelegen zijn binnen de omtrek van de te onteigenen percelen. Aangezien het perceel van de verzoekende partijen niet als een te onteigenen perceel werd opgenomen, dienden zij er niet persoonlijk van in kennis te worden gesteld dat het plan in het gemeentehuis ter inzage ligt. 4.2.2.2. Voor het overige blijkt uit het dossier dat het openbaar onderzoek kenbaar werd gemaakt door aanplakking, door een bericht in het Belgisch Staatsblad van 15 augustus 2000 en door publicatie op 17 augustus 2000 in drie dagbladen, waarvan er één verschijnt in de hoofdplaats van de Provincie Limburg, te weten het Nieuwsblad, het Volk en het Belang van Limburg , zodat aan de wettelijk voorziene openbaarmakingsvereisten werd voldaan en de verzoekende partijen op afdoende wijze werden geïnformeerd. 4.2.2.3. Het middel is niet gegrond. 4.3. Derde middel 4.3.1. Uiteenzetting van het middel In een derde middel voeren de verzoekende partijen de “schending van de wet, nl. gelijkheidsbeginsel” aan. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “De overheid en met name de Vlaamse minister van Financiën en begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening schendt het gelijkheidsbeginsel door twee binnengebieden (resp. tussen de Berenhoeveweg, Noordstraat, Leopoldstraat en Rooshagenweg en tussen de Koning Alberstraat, Faesschehoeveweg, Leopoldstraat en Rooshagenweg) uit het bestemmingsplan en uit het onteigeningsplan te sluiten (...) terwijl zij het binnengebied in kwestie (tussen Rooshagenweg, Rijksweg, Gouv. Verwilghenlaan en Leopoldstraat, en waarin het perceel van verzoekers is gelegen) niet uitsluit. De overheid motiveert de uitsluiting van de twee andere binnengebieden op basis van de ‘beperkte omvang van deze gebieden en op basis van de ingediende bezwaarschriften’ (...). Deze motivering is niet alleen feitelijk onjuist doch schendt ook het gelijkheidsbeginsel. 1. Vooreerst is het binnengebied tussen Berenshoeveweg, Noordstraat, Leopoldstraat en Rooshagenweg (dat uitgesloten wordt) nauwelijks beperkter in omvang dan het gebied waarin het perceel van verzoekers zich bevindt (...). De overheid schendt het gelijkheidsbeginsel door te stellen -zonder verdere motivatie- dat de omvorming van de bestemming van recreatie naar woningbouw van het geb(ie)d van verzoekers wel prioritair zou zijn- quod certe non, terwijl het voor de uitgesloten gebieden niet prioritair is. X-11.018-9/14 De prioriteit voor het kwestieus perceel is op niets gebaseerd en kan niet willekeurig worden toegekend door de Vlaamse Overheid. 2. Bovendien zijn er voor beide gebieden, zowel de twee uitgesloten gebieden enerzijds als het gebied waarin verzoekers wonen anderzijds, bezwaarschriften ingediend die pertinent zijn voor de beoordeling van de goedkeuring van het wijziginsplan. De overheid kan niet bepaalde gebieden uitsluiten uit het onteigeningsplan en het bestemmingsplan louter omdat er bezwaarschriften zijn (zonder overigens te motiveren of zelfs maar aan te geven welke de inhoud van deze bezwaarschriften
- is)en een ander gebied (waarin verzoekers wonen) niet uitsluiten (m.a.w. aanvaarden als binnengebied voor sociale kavels) terwijl er voor dit tweede gebied evenzeer bezwaarschriften zijn. Voor zover de overheid er rekening mee(...) heeft gehouden dat er voor het binnengebied waarin de kavel van verzoekers ligt, minder bezwaarschriften zouden zijn dan voor de twee uitgesloten gebieden, merken verzoekers op dat zijzelf en hun buren en met name alle eigenaars van percelen gelegen rondom de paars ingekleurde zone (...) niet persoonlijk werden verwittigd van de BPA wijziging en derhalve enkel bezwaar konden indien(
- en)wanneer zij bij toeval (aanplakking in het gemeentehuis, zoals wettelijk voorgeschreven, kan slechts bij toeval vastgesteld worden) kennis kregen van de geplande BPA wijziging. Zich als overheid baseren op het feit dat er minder bezwaren werden ingediend voor het niet-uitgesloten gebied, schendt het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De overheid moet zich in ieder geval en voor ieder gebied in gelijke mate baseren op de bezwaarschriften (waarvan de inhoud trouwens voor alle gebieden gelijklopend
- is)en schendt het gelijkheidsbeginsel door dit niet te doen voor het gebied van verzoekers. 3. Tenslotte is het binnengebied waarin de kavel van verzoekers ligt, in geen enkel geval en op geen enkele manier méér ontwikkeld dan de twee uitgesloten binnengebieden. De overheid motiveert dit ook geenszins doch poneert louter dat de twee geb(ie)den niet ontwikkeld zijn en zich situeren binnenliggend aan een bestaande woonblok (...). Ook deze motivering schendt het gelijkheidsbeginsel nu ook het binnengebied waarin het perceel van verzoekers ligt zich situeert aan een bestaand woonblok (...)”. 4.3.2. Onderzoek van het middel 4.3.2.1. Het gelijkheidsbeginsel kan slechts zijn geschonden indien een verzoekende partij met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat in feite én in rechte gelijke toestanden ongelijk werden behandeld, zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. 4.3.2.2. De minister kan krachtens artikel 21 van het gecoördineerde decreet een door de gemeenteraad definitief aangenomen plan slechts goedkeuren of er de goedkeuring aan onthouden. Alleen in dit laatste geval is hij krachtens het vierde lid van dit artikel ertoe gehouden zijn besluit te motiveren. X-11.018-10/14 4.3.2.3. Te dezen heeft de minister aan het definitief door de gemeenteraad aangenomen bijzonder plan van aanleg de goedkeuring onthouden voor “de binnengebieden tussen de Berenhoeveweg, Noordstraat, Leopoldstraat en Rooshagenweg en tussen de Koning Albertstraat, Faesschehoeveweg, Leopoldstraat en Roshagenweg, respectievelijk voorzien voor herverkaveling en voor sociale woningbouw, zowel uit het bestemmingsplan als uit het onteigeningsplan (...), aangezien het plan onvoldoende waarborgen biedt voor een kwalitatieve inbreiding, mede gelet op de beperkte omvang van deze geb(ie)den en op de ingediende bezwaarschriften”. Wat betreft het binnengebied waarin het perceel van de verzoekende partijen is gelegen heeft de minister zijn goedkeuring aan het door de gemeenteraad definitief aangenomen bijzonder plan van aanleg niet onthouden. Hij diende zijn besluit houdende de goedkeuring van dit plan wat dit gebied betreft dan ook niet te motiveren. 4.3.2.4. Het middel van de verzoekende partijen komt dan ook in wezen neer op een betwisting omtrent de opportuniteit van de door de minister genomen beslissing ten aanzien van het ruimtelijk beleid. Wat dit aspect van het bestreden besluit betreft beschikt de Raad van State slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid. De verzoekende partijen betwisten de motivering voor de uitsluiting van de voormelde binnengebieden niet. De verzoekende partijen betogen evenmin dat de minister door zijn goedkeuring te verlenen aan het betrokken bijzonder plan van aanleg, wat het binnengebied betreft waarin hun perceel is gelegen, kennelijk onredelijk is. 4.3.2.5. Het middel kan dan ook niet worden aangenomen. 4.4. Vierde middel 4.4.1. Uiteenzetting van het middel In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de “schending van de wet, nl. redelijkheidsbeginsel” aan. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: X-11.018-11/14 “De gemeente Maasmechelen heeft bij gemeenteraadsbeslissing van 5 december 2000 het wijzigingsplan van het Bijzonder Plan van Aanleg ‘Boseind’ definitief aanvaard en goedgekeurd. (...) De gemeente heeft vervolgens deze goedkeuring verstuurd aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring. Art. 21, 3/ lid van het Gecoördineerd decreet van het Vlaamse Parlement inzake Ruimtelijke ordening dd. 22/10/1996 (dat dient samengelezen te worden met het huidig Decreet Ruimtelijke Ordening dd. 18/5/1999) bepaalt dat de Vlaamse Regering de gevraagde goedkeuring binnen de 60 dagen na ontvangst van het dossier moet geven. In casu heeft de Vlaamse regering en met name de Vlaamse (Minister) van Financiën, en begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening pas op 26 maart 2002, of meer dan 16 maanden later haar goedkeuring gegeven in de vorm van een Ministerieel Besluit. Deze termijn van bijna anderhalf jaar schendt derhalve de wetsbepaling van art. 21, 3/ lid van het Gecoördineerd decreet van Vlaamse Parlement inzake Ruimtelijke ordening dd. 22/10/1996 en schendt bovendien zonder meer het redelijkheidsbeginsel dat een redelijke termijn voorschrijft voor de overheid om haar beslissing te nemen. De bestuurde (in casu verzoeker) mag erop vertrouwen dat de overheid binnen een redelijke termijn een beslissing neemt die hen aanbelangt. De termijn van 8 maal de bij wet voorziene termijn (60 dagen t.o.v. 16 maanden) is niet redelijk meer te noemen”. 4.4.2. Onderzoek van het middel 4.4.2.1. Artikel 21, derde lid van het gecoördineerde decreet bepaalt wat volgt: “De Vlaamse regering verleent de gevraagde goedkeuring binnen de 60 dagen na ontvangst van het dossier. Zij kan haar goedkeuring afhankelijk stellen van een tijdsgebonden uitvoeringsplan. Indien een onteigeningsplan is bijgevoegd wordt deze termijn verlengd met 30 dagen”. Aangezien te dezen een onteigeningsplan is bijgevoegd, bedraagt de door voormelde bepaling vooropgestelde termijn 90 dagen. Deze termijn betreft een termijn van orde. Door de decreetgever werd in geval van overschrijding geen sanctie voorzien. Artikel 21, zevende lid van het gecoördineerde decreet voorziet enkel in een mogelijkheid tot benaarstiging voor de gemeente, waar dit bepaalt dat “bij ontstentenis van een beslissing van de Vlaamse regering binnen de termijn bepaald in het derde lid, (...) de gemeente bij aangetekend schrijven de Vlaamse regering (kan) rappeleren”. Indien geen beslissing wordt genomen binnen de 45 dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven, wordt het plan, zoals definitief aanvaard door de gemeenteraad, geacht te zijn goedgekeurd, behoudens wat het onteigeningsplan betreft. X-11.018-12/14 Uit de voorgaande bepalingen volgt dat de niet-naleving van de termijn van 90 dagen, zoals voorzien in artikel 21, derde lid van het gecoördineerde decreet, het bestreden besluit niet vermag te vitiëren. 4.4.2.2. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de “redelijke termijn” voor de goedkeuring van het plan is overschreden, dient te worden vastgesteld dat zij in gebreke blijven te verduidelijken welke nadelige gevolgen zij hiervan hebben ondervonden. Om deze reden alleen reeds is het middelonderdeel niet ontvankelijk. 4.4.2.3. Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 750 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor een zesde. X-11.018-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.018-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.835 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div