← België

Arrest 192836 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.836 Rolnummer: A. 129272/X-11183 Zaak: Arrest 192836 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.836 van 29 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.836 van 29 april 2009 in de zaak A. 129.272/X-11.183. In zake : 1. Albert HENDERIECKX, 2. Gustaaf DILS, 3. Franciscus VERMUYTEN, die woonplaats kiezen bij advocaat H. BOONEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 5 tegen : de gemeente KONTICH, die woonplaats kiest bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. tussenkomende partij : de b.v.b.a. VOEDING NAGELS, die woonplaats kiest bij advocaat L. VERMEULEN, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Antwerpsesteenweg 26-28. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Albert HENDERIECKX, Gustaaf DILS en Franciscus VERMUYTEN op 14 november 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich waarbij aan de b.v.b.a. VOEDING NAGELS de vergunning wordt verleend voor het aanleggen van een parking op een perceel gelegen te Kontich, Broekbosstraat 129- 129A, kadastraal bekend sectie C, nr. 123/R/3; Gelet op het arrest nr. 116.825 van 10 maart 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-11.183-1/11 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 26 maart 2003 ingediend door Albert HENDERIECKX, Gustaaf DILS en Franciscus VERMUYTEN; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 april 2003 ingediend door de b.v.b.a. VOEDING NAGELS; Gelet op de beschikking van 27 mei 2003 die de tussenkomst van de b.v.b.a. VOEDING NAGELS toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 8 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2008; Gelet op de beschikking van 3 december 2008 waarbij de beschikking van 17 november 2008 wordt ingetrokken en de zaak wordt vastgesteld op de terechtzitting van 23 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN WEYENBERG, die loco advocaat H. BOONEN verschijnt voor de verzoekers, van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat Y. LOIX verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat L. VERMEULEN verschijnt voor de tussenkomende partij; X-11.183-2/11 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 11 september 2002 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van een parking op een perceel, gelegen aan de Broekbosstraat 129-129A te Kontich, kadastraal bekend sectie C, nr. 123/R/3. Het perceel is overeenkomstig het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Het perceel is gelegen in de loten nummers 2 en 3 van een verkaveling nr. 061/045 van 5 maart 1965. Of de verkavelingsvergunning al dan niet vervallen is, is omstreden en komt verder aan bod bij de bespreking van de middelen. De geplande parking is 10,45 op 16,40 meter groot en ligt ten dele op elk van de twee loten. Er wordt voorzien in een toegangsweg naar het perceel met de voedingszaak van de tussenkomende partij. Die toegangsweg sluit aan op een bestaande weg, gelegen op het perceel met de voedingszaak. Er wordt tevens voorzien in groenbeplanting. 1.2. Op 16 september 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. In die beslissing overweegt het college van burgemeester en schepenen het volgende: “Overwegende dat het perceel waarop de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft volgens het Gewestplan Antwerpen KB (van) 03/10/1979 gewijzigd B.Vl.R. 28/10/1998 gelegen is in woonzone; X-11.183-3/11 Overwegende dat de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om reden van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven, voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; overwegende dat de aanvraag verenigbaar is; Overwegende dat het perceel niet gelegen is in een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat het perceel gelegen is in de vervallen verkaveling nr. 061/045 lot nr. 1 en 2 (lees: 2 en 3); Overwegende dat deze loten niet worden opgenomen in het vergunningenregister vermits geen melding werd gedaan door de eigenaar van een niet bebouwde kavel of meerdere niet bebouwde kavels in een vergund(

  1. e)niet vervallen verkaveling die dateert van voor 22/12/1970; dat de goedkeuring van de verkaveling dateert van 05/03/1965; Overwegende dat het dossier van de aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning volgens het besluit van de Vlaamse regering van 04/11/1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning volledig is; Overwegende dat overeenkomstig het B.Vl.R. van 04/11/1997 het om een aanvraag voor technische werken (artikel 6) en terreinaanleg (artikel 10) gaat; dat het dossier volledig is; Gelet op het Besl. Vl. Reg. van 05/05/2002 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, gewijzigd bij het Besl. Vl. Reg. van 26/04/2002; Gelet op het KB van 16/12/1971 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn ofwel van de bemoeiing van de architect, gewijzigd bij Besl. Vl. Reg. van 16/07/1996, 07/01/1997, 04/11/1997 en 16/03/1999 artikel 1.6 c; Overwegende dat de bestaande asfaltverharding wordt verwijderd en vervangen zal worden door waterdoorlatende materialen; Overwegende dat op meer dan de helft van de perceelsoppervlakte groenaanplantingen gebeuren langs de perceelsgrenzen; Overwegende dat voldoende maatregelen voorzien zijn voor de opvang (buffering) en afvoer van het oppervlaktewater, dat nagenoeg alle materialen waterdoorlatend zijn waardoor nagenoeg alle oppervlaktewater zal infiltreren in de ondergrond”. 2. Ontvankelijkheid 2.1.1. De verwerende partij betwist het belang van de derde verzoeker. Zij stelt dat de derde verzoeker op ruime afstand van het betrokken perceel woont en alleszins niet aantoont, zoals hij beweert, eigenaar te zijn van een perceel recht tegenover het betrokken perceel. 2.1.2. De derde verzoeker legt een eigendomsattest voor waaruit blijkt dat hij wel degelijk eigenaar is van een perceel dat recht tegenover het betrokken perceel is gelegen. Hij doet bijgevolg blijken van het rechtens vereiste belang. De exceptie is niet gegrond. X-11.183-4/11 2.2.1. De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekers bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. Zij stelt dat het bestreden besluit geen innovatie inhoudt in vergelijking met de bestaande en vergunde toestand die is ontstaan door de definitief geworden vergunningen van onder meer 23 juni 1987 en 11 december 1992. Voorts bevat het bestreden besluit enkele voorwaarden met betrekking tot de verharding, de groenaanplantingen en de opvang en afvoer van oppervlaktewater. 2.2.2. Uit de gegevens van het dossier kan worden opgemaakt dat voor het betrokken terrein in het verleden reeds verscheidene vergunningen werden afgeleverd, die elk een andere draagwijdte hadden en waarvan een aantal door de Raad van State inmiddels is vernietigd. De bestreden vergunning omvat in vergelijking met die vergunningen een project dat op zijn minst op een aantal aspecten afwijkt van de bestaande situatie die als vergund kan worden geacht. Aangezien de verzoekers als aanwonenden zich gegriefd kunnen voelen door die nieuwe vergunning, doen zij blijken van het rechtens vereiste belang om het bestreden besluit aan te vechten. De exceptie is niet gegrond. 3. Ten gronde 3.1.1. In een tweede middel voeren de verzoekers de schending aan van de verkavelingsvergunning van 5 maart 1965 nr. 061/045 (hierna: de verkavelingsvergunning) en van de daarin vermelde stedenbouwkundige voorschriften. Zij betogen dat overeenkomstig die verkavelingsvergunning op de twee betrokken percelen enkel woningbouw (woonhuizen), gekoppelde autobergplaatsen, binnenplaatsen en tuinen zijn toegelaten. Aangezien de betrokken verkaveling is gerealiseerd door de verkoop van de vier kavels vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, is de verkavelingsvergunning niet vervallen. Het feit dat de loten niet zijn opgenomen in het vergunningenregister bedoeld in artikel 96, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), is strijdig met die decretale bepaling. Bovendien blijkt uit geen enkel stuk de vervallenverklaring van de betrokken verkavelingsvergunning. De verzoekers kunnen zich bijgevolg nog steeds beroepen X-11.183-5/11 op de verplichtingen die die verkavelingsvergunning inhoudt voor de tussenkomende partij. 3.1.2. De verwerende partij repliceert dat de betrokken verkavelingsvergunning is vervallen overeenkomstig artikel 192 DRO, aangezien voor de loten 2 en 3 geen melding gebeurde overeenkomstig die decretale bepaling, zodat in het bestreden besluit terecht werd uitgegaan van het verval van rechtswege van de verkavelingsvergunning voor wat betreft die twee percelen. Het feit dat de loten 1 en 4 bebouwd zijn, betekent nog niet dat voor de loten 2 en 3 de bouwvergunning niet vervallen zou kunnen zijn. De loten 2 en 3 waren niet bebouwd met een vergunde constructie conform de verkavelingsvergunning, zodat die verkavelingsvergunning wel degelijk vervallen is voor deze twee loten. Voorts tonen de verzoekers niet aan waarom de loten 2 en 3 ten onrechte niet in het vergunningenregister zouden zijn opgenomen. Het verval van de verkavelingsvergunning moet niet blijken uit een proces-verbaal, maar gebeurt van rechtswege overeenkomstig de aangehaalde decretale bepaling en is ook tegenwerpbaar aan de verzoekers. 3.1.3. De tussenkomende partij sluit zich in essentie aan bij de stelling van de verwerende partij. 3.1.4. De verzoekers dupliceren dat de verwerende partij het bewijs moet leveren dat de verkavelingsvergunning zou zijn vervallen. Er ligt geen stuk voor waaruit kan blijken dat het beweerde verval in het vergunningenregister werd overgeschreven. Het opmaken van een proces-verbaal en de mededeling ervan aan de houder van de verkavelingsvergunning overeenkomstig artikel 129, derde lid DRO is verplicht. Die bepaling raakt zelfs de openbare orde. 3.1.5. Artikel 192 DRO, zoals vervangen bij artikel 47 van het decreet van 26 april 2000 en vóór zijn vervanging door artikel 53 van het decreet van 21 november 2003, luidde als volgt: “Artikel 192. Tot het in artikel 191, § 1, derde lid, 4°, vermelde deel van het vergunningenregister volledig is opgemaakt door de gemeente en goedgekeurd door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, bestaat er een vermoeden dat een verkavelingsvergunning voor een niet bebouwd deel van een verkaveling die dateert van vóór 22 december 1970 vervallen is. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar neemt een beslissing omtrent dit X-11.183-6/11 deel van het vergunningenregister binnen 60 dagen nadat de gemeente hem daarom verzocht heeft. In elke gemeente wordt een bericht aangeplakt dat de eigenaars van een niet bebouwde kavel of meerdere niet bebouwde kavels in vergunde niet vervallen verkavelingen die dateren van vóór 22 december 1970 oproept om zich te melden bij het college van burgemeester en schepenen. De Vlaamse regering neemt de nodige maatregelen om te zorgen voor de onmiddellijke aanplakking na de inwerkingtreding van dit decreet en voor een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid. Indien de eigenaar zich niet gemeld heeft bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van 90 dagen na de inwerkingtreding van dit decreet, dan is de verkavelingsvergunning wat de kavel of kavels in kwestie betreft, definitief vervallen. Indien de eigenaar zich bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van 90 dagen na de inwerkingtreding van dit decreet gemeld heeft, dan gaat het college van burgemeester en schepenen na of de verkavelingsvergunning niet reeds vervallen is met toepassing van de regeling, opgenomen in punt 12 van de bijlage 2, « Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen: wijzigings-, overgangs- en opheffingsbepalingen, alsmede reeds voorbijgestreefde bepalingen », gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Alleen als de verkavelingsvergunning nog niet vervallen is, wordt de kavel of worden de kavels opgenomen in het vergunningenregister”. De betrokken decretale bepaling gaat uit van een vermoeden van verval voor verkavelingen die dateren van voor 22 december 1970. Dit vermoeden van verval werd door de decreetgever wenselijk geacht “omdat de toestand inzake de rechtskracht van oude verkavelingen vaak onduidelijk is”. Om het verval van verkavelingsvergunningen tegen te gaan achtte de decreetgever “een actieve daad van de eigenaars van onbebouwde loten” nodig, “namelijk een melding binnen 90 dagen”. (memorie van toelichting, Parl. St. Vl. P. 1998-99, nr. 1332/1, 79). Gebeurt binnen deze termijn van 90 dagen geen melding, dan is de verkavelingsvergunning van rechtswege vervallen. 3.1.6. In de aanhef van het bestreden besluit wordt overwogen dat er geen dergelijke melding is gedaan door “de eigenaar van een niet bebouwde kavel of meerdere niet bebouwde kavels”. Deze vaststelling, op zich beschouwd, wordt door de verzoekers ook niet betwist. Veeleer houden zij voor dat de vervallenverklaring moest blijken uit een proces-verbaal, opgemaakt overeenkomstig artikel 129, derde lid DRO. Die argumentatie gaat evenwel voorbij aan het feit dat de laatstgenoemde decretale bepaling een andere grondslag vormt voor het verval van verkavelingsvergunningen, onderscheiden van artikel 192 DRO. Het feit dat geen proces-verbaal werd opgesteld, ontneemt bijgevolg aan artikel 192 DRO niet zijn in nr. 3.1.5 geschetste rechtsgevolgen. X-11.183-7/11 Voorts argumenteren de verzoekers dat de betrokken percelen ten onrechte niet zijn opgenomen in het vergunningenregister bedoeld in artikel 96 DRO. Ook deze argumentatie kan niet worden aangenomen, aangezien het verval van een verkavelingsvergunning overeenkomstig artikel 192 DRO van rechtswege uitwerking heeft. De vermelding of het gebrek aan vermelding in het vergunningenregister heeft met dat rechtsgevolg geen uitstaans. De percelen waarop het bestreden besluit betrekking heeft, betreffen een “niet bebouwd deel” van de betrokken verkaveling, aangezien er geen overeenkomstig de verkavelingsvergunning vergunde bouwwerken blijken te zijn uitgevoerd. Geconcludeerd moet worden dat de verkavelingsvergunning voor wat betreft de betrokken percelen is vervallen overeenkomstig artikel 192 DRO. 3.1.7. Het tweede middel is onontvankelijk, aangezien de rechtsregel waarvan de schending werd aangevoerd, niet bestond op het tijdstip van de uitvaardiging van het bestreden besluit. 3.2.1. In een eerste middel voeren de verzoekers de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In een vijfde onderdeel van dat middel stellen zij dat het bestreden besluit vermeldt dat het gaat om technische werken en terreinaanleg, zonder enige verklaring of vermelding voor welk “gebouw” of “inrichting” zulke “werken” en “terreinaanleg” dienstig zouden zijn of op welke gronden de wijziging van de aard en de bestemming van de betrokken percelen verenigbaar zou zijn met de bestemming. In een derde middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 5.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) en van de artikelen 1, 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is (hierna: het kleinewerkenbesluit). Zij stellen dat het bestreden besluit een vergunning verleent voor de aanleg van een parking, terwijl het betrokken perceel enkel bestemd is voor wonen en voor bedrijven en voorzieningen die in de aangehaalde bepalingen zijn opgesomd, voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. X-11.183-8/11 Door de aanleg van een parking op een zonder vergunning aanmerkelijk opgehoogd reliëf van het betrokken perceel wordt tevens de “ruimtelijke kwaliteit” ernstig aangetast, wat een schending inhoudt van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) en van het in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. 3.2.2. De verwerende partij stelt dat artikel 5.1 van het inrichtingsbesluit handelszaken in woongebied uitdrukkelijk toelaat en dat een parking bij een handelszaak ook kan worden vergund. Het kleinewerkenbesluit bevat geen bestemmingsvoorschriften en bepaalt bijgevolg niet welke werken vergunbaar zijn in woongebied. Bovendien verschillen de definitie van woongebied en de definitie in artikel 5.1 van het inrichtingsbesluit. Artikel 4 DRO en artikel 23 van de Grondwet zijn niet geschonden door de aflevering van een stedenbouwkundige vergunning binnen de decretale en reglementaire context, waarbij de goede plaatselijke ordening juist wordt bevorderd in plaats van aangetast. 3.2.3. De tussenkomende partij argumenteert dat in het arrest waarbij de door de verzoekers ingestelde vordering tot schorsing werd verworpen, wordt overwogen dat de aanleg van een kleine parking niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden beschouwd en dat het arrest zich daarvoor baseerde op het feit dat in woongebied ook handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf is toegelaten. 3.2.4. De verzoekers dupliceren dat de onmiddellijke omgeving bestaat uit door tuinen omgeven alleenstaande eengezinswoningen, terwijl door de vergunde parking de betrokken percelen tot een openbare plaats worden herschapen, waar de bepalingen van het verkeersreglement van toepassing zijn. Een dergelijke openbare plaats, toegankelijk voor personeel, leveranciers en cliënteel, is onbestaanbaar met de onmiddellijke omgeving. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt geen toetsing van de bestaanbaarheid van een parking met het woongebied en met de onmiddellijke omgeving die bestaat uit huizen en “lusttuinen” met een uitsluitend residentieel karakter. 3.2.5. Overeenkomstig artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit kunnen inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf enkel in een woongebied worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de X-11.183-9/11 “taken” van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, met andere woorden, dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied moet rekening worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsieke hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bijvoorbeeld louter residentiële villawijk of woonpark). Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving moet uitgegaan worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven. Tevens moet bij die beoordeling rekening worden gehouden met de omvang van het bedrijf in zijn geheel en niet enkel met de door het bestreden besluit vergunde parking. 3.2.6. In de motivering van het bestreden besluit wordt de verenigbaarheid van de aanvraag met de onmiddellijke omgeving geaffirmeerd, zonder nadere toelichting, behalve dan de lapidaire opmerking, verderop in het besluit, dat “op meer dan de helft van de perceelsoppervlakte groenaanplantingen gebeuren langs de perceelsgrenzen”. Ook over de aard en de omvang van de inrichting wordt amper enig concreet gegeven vermeld, evenmin als over de kenmerken van de onmiddellijke omgeving. In die omstandigheden kan niet worden nagegaan, bij gebrek aan concrete en precieze gegevens in het bestreden besluit, of de vergunningverlenende overheid op grond van in rechte en in feite aanvaardbare motieven heeft kunnen oordelen dat de aanvraag verenigbaar was met de bestemming woongebied. 3.2.7. Het vijfde onderdeel van het eerste middel is gegrond. X-11.183-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 16 september 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kontich waarbij aan de b.v.b.a. VOEDING NAGELS de vergunning wordt verleend voor het aanleggen van een parking op een perceel gelegen te Kontich, Broekbosstraat 129-129A, kadastraal bekend sectie C, nr. 123/R/3. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1050 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.183-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.836 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.116.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.