← België

Arrest 192844 - Tucht (openbaar ambt) - 30/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.844 Rolnummer: A. 156556/XII-5553 Zaak: Arrest 192844 - Tucht (openbaar ambt) - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:04 Fiche Arrest nr 192.844 van 30 april 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.844 van 30 april 2009 in de zaak A. 156.556/XII-

  1. In zake : Rita REEKMANS, wonende te Rummen, Ketelstraat 93 tegen :
  2. De VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1
  3. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-TRUIDEN, dat woonplaats kiest bij advocaat K. Geelen, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rita Reekmans op 3 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 oktober 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, waarbij het beroep wordt ingewilligd dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna: OCMW) van Sint-Truiden heeft ingediend tegen het besluit van 16 juni 2004 van de deputatie van de provincieraad van Limburg tot niet-goedkeuring van het besluit van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Sint-Truiden houdende het ontslag van ambtswege van verzoekster bij tuchtmaatregel met ingang van 16 oktober 2003, en waarbij dit laatstgenoemde tuchtbesluit wordt goedgekeurd; Gelet op het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; XII-5553-1/29 Gelet op het arrest nr. 142.947 van 11 april 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, van advocaat P.-J. Staelens, die verschijnt voor eerste verwerende partij, en van advocaat K. Wauters, die verschijnt voor tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  5. Verzoekster is sedert 1 november 1976 als maatschappelijk assistente in vast verband in dienst van het OCMW van Sint-Truiden. Aanvankelijk is zij verantwoordelijke voor het kindertehuis “De Rakkertjes”. Met ingang van 1 augustus 1998 wordt zij overgeplaatst naar de sociale dienst van het OCMW, waar XII-5553-2/29 zij vooral is belast met dossiers betreffende budgetbegeleiding en schuldbemiddeling ten behoeve van cliënten van het OCMW. 1.
  6. Op 24 februari 2003 dient Ludo G., één van de cliënten van het OCMW wiens dossier door verzoekster wordt behartigd, tegen verzoekster een klacht in bij de voorzitter van het OCMW. In zijn klachtbrief voert hij aan dat hij nog steeds niet in het bezit is gesteld van de afrekening voor de jaren 2000, 2001 en 2002, dat hij door verzoekster wordt “gebruikt en misbruikt [...] om allerhande werkzaamheden bij haar privé-huis en verhuurwoningen op te knappen”, dat zijn leefgeld laattijdig wordt gestort, waardoor de domiciliëring van betalingen niet kan worden uitgevoerd, en dat verzoekster zijn diensten aanwendt om “persoonlijke familieconflicten op te volgen”. 1.
  7. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt op 27 februari 2003 kennis van deze klacht en besluit dan verzoekster bij hoogdringendheid met ingang van 28 februari 2003 gedurende vier maanden preventief te schorsen, met inhouding van 50% van haar wedde en ontzegging van bevorderingsaanspraken. Bij arrest nr. 117.237 van 20 maart 2003 beveelt de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit. Het middel waarin verzoekster de miskenning van de hoorplicht aanvoert, wordt ernstig bevonden. Dezelfde dag nog neemt de raad voor maatschappelijk welzijn kennis van dit arrest en besluit hij zijn geschorste besluit in te trekken. 1.
  8. Met een aangetekende brief van 27 juni 2003 delen de voorzitter en de secretaris van het OCMW van Sint-Truiden aan verzoekster onder meer mee dat het tuchtonderzoek tegen haar inmiddels is beëindigd, dat een tuchtbundel werd samengesteld en dat haar de volgende feiten worden verweten : “
  9. Feiten betreffende Dhr. Ludo [G] en Dhr. Robby [B] A. Feitelijke handelingen Volgende verwijtbare handelingen werden vastgesteld : - Laattijdig doorstorten van leefgeld aan Dhr. [G] en laattijdig opmaken van jaarverslagen 2001 en 2002; XII-5553-3/29 - Gebruik van diensten van Dhr. [G] en Dhr. [B] om klussen op te knappen aan privé-woning en de benodigde materialen op te halen; - gebruik van de diensten van Dhr. [G] om bij notaris informatie in te winnen omtrent familiale verkoop van onroerende goederen - betaling van Dhr. [G] zonder fiscaliteit en niet op budgetbeheersrekening B. Schending van ambtelijke verplichtingen Deze handelingen zijn een inbreuk op volgende ambtelijke verplichtingen - Het vermijden van handelswijzen die het vertrouwen van het publiek kunnen schaden (art. 119 § 1 administratief statuut) - de natuurlijke persoon die de functie van schuldbemiddelaar voor OCMW uitoefent moet blijk geven van voldoende onafhankelijkheid en onbaatzuchtigheid (Decreet 24 juli 1996) - Aanvaarden van voordelen ten gevolge van de functie (art. 119 § 2 administratief statuut) - Zorgvuldig de toevertrouwde taken uitvoeren (art. 118 § 1 administratief statuut)
  10. Tewerkstelling bij Mr. Mieke Smeets A. Feitelijke handelingen Volgende verwijtbare handelingen werden vastgesteld : - Geen voorafgaandelijke toelating om een andere taak op te nemen bij advocatenkantoor Smeets - Uitoefenen van een taak die niet nodig is om studieredenen op een advocatenkantoor dat eveneens optreedt als collectief schuldbemiddelaar B. Ambtelijke verplichtingen Deze handelingen zijn een inbreuk op volgende ambtelijke verplichtingen : - Het vermijden van handelswijzen die het vertrouwen van het publiek kunnen schaden (art. 119 § 1 administratief statuut) - Het beoefenen van een activiteit die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of die met de waardigheid van het ambt in strijd is (art. 122 § 1 administratief statuut) - Het uitvoeren van een activiteit zonder toelating van het vast bureau (art. 122 § 2 administratief statuut).
  11. Volmacht over rekening A. Feitelijke handelingen Volgende verwijtbare handelingen werden vastgesteld : - Mevr. Reekmans beschikte over een persoonlijke volmacht van een spaarrekening van de familie [M- L] die niet de budgetbeheerrekening was en waarvan het bestaan niet bekend was in dossier B. Ambtelijke verplichtingen Deze handelingen zijn een inbreuk op volgende ambtelijke verplichtingen : - Het vermijden van handelswijzen die het vertrouwen van het publiek kunnen schaden (art. 119 § 1) - de natuurlijke persoon die de functie van schuld- bemiddelaar voor OCMW uitoefent moet blijk geven van voldoende onafhankelijkheid en onbaatzuchtigheid (Decreet 24 juli 1996) - Zorgvuldig de toevertrouwde taken uitvoeren (art. 118 § 1 )”. XII-5553-4/29 1.
  12. Op 8 oktober 2003 worden de getuigen Ludo G. en Robby B. door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. Verzoekster, die zelf ook is opgeroepen om te worden gehoord, is wegens ziekte op de hoorzitting niet aanwezig, noch is zij er vertegenwoordigd door haar raadsman. 1.
  13. Op 15 oktober 2003 oordeelt de raad voor maatschappelijk welzijn dat alle aan verzoekster ten laste gelegde feiten bewezen zijn en dat ze een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaken, alsook de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen. De raad besluit verzoekster op grond van deze feiten bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. 1.
  14. Het college van burgemeester en schepenen van Sint-Truiden brengt op 24 oktober 2003 een gunstig advies uit over dit tuchtbesluit. 1.
  15. De Raad van State verwerpt bij arrest nr. 125.101 van 5 november 2003 de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van dit tuchtbesluit. De vordering wordt onontvankelijk bevonden, omdat het goedkeuringstoezicht met hoger beroep, bedoeld in artikel 53, § 1 en § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de OCMW-wet), nog niet is uitgeput. 1.
  16. Op 19 november 2003 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg goedkeuring aan het bedoelde tuchtbesluit. Op 9 maart 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het beroep van verzoekster tegen het goedkeuringsbesluit van de deputatie in te willigen en het tucht- besluit van 15 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn niet goed te keuren. Deze niet-goedkeuring is gesteund op het ontbreken van een tuchtverslag van de secretaris van het OCMW, de onmogelijkheid voor verzoekster om de getuigenverklaringen van 8 oktober 2003 tegen te spreken en, ten slotte, de niet-afdoende motivering van de kwalificatie van sommige ten laste gelegde feiten als tuchtfeiten. XII-5553-5/29 Op 31 maart 2004 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van de beslissing van de minister en besluit hij “de zaak terug te verwijzen naar de secretaris en de beslissing te hernemen”. 1.
  17. Op 6 april 2004 stelt de secretaris van het OCMW een tuchtverslag op ten laste van verzoekster waarin hij de aan verzoekster ten laste gelegde feiten herneemt en voorts uiteenzet waarom naar zijn oordeel deze feiten tuchtrechtelijk moeten worden vervolgd. Hij stelt voor verzoekster voor deze feiten bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. 1.
  18. Met een aangetekende brief van 8 april 2004 roepen de voorzitter en de secretaris van het OCMW verzoekster op om op 6 mei 2004 over de tuchtfeiten door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord. Verzoekster antwoordt met een aangetekende brief van 3 mei 2004 dat zij na overleg met haar raadsman opteert voor een schriftelijke verdediging. Zij refereert vooreerst aan de verdedigingsbundel die zij ter gelegenheid van haar eerder beroep bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken heeft ingediend. Voorts legt zij een verdedigingsnota neer. 1.
  19. Op 6 mei 2004 worden Ludo G. en Robby B. door de raad voor maatschappelijk welzijn als getuigen gehoord. Er wordt een proces-verbaal van dat verhoor opgesteld. Tevens wordt een proces-verbaal opgesteld betreffende de niet- verschijning van verzoekster. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt wel kennis van de brief van 3 mei 2004 van verzoekster en de daarbij gevoegde verdedigingsnota. De raad voor maatschappelijk welzijn besluit dezelfde dag nog verzoekster op grond van de haar ten laste gelegde feiten bij tuchtmaatregel met ingang van 16 oktober 2003 van ambtswege te ontslaan. Dit tuchtbesluit steunt op de volgende beoordeling van de aan verzoekster ten laste gelegde tuchtfeiten en de op grond daarvan op te leggen tuchtstraf : “[...] A. de eerste ten lastelegging XII-5553-6/29 Overwegende dat wat tenlastelegging 1 betreft de feiten bewezen zijn; de Raad verwijst daarvoor naar de verklaringen van de heer [G] en de heer [B], opgetekend in de processen-verbaal van verhoor en naar de diverse verdedigingsnota’s van Mevr Reekmans zelf; Overwegende dat zij in haar verdedigingsnota uitdrukkelijk toegeeft dat zij bij verscheidene gelegenheden gebruik gemaakt heeft van de diensten van de heer [G] en Dhr. [B] om een aantal klusjes op te knappen (afbreken van stallingen, paadje van klinkers leggen, metsen van muurtje) of goederen op te halen dan wel weg te brengen (afhalen van zand, laten slijpen van steen, wegbrengen van afvalstoffen); Overwegende dat er tegenstrijdigheden zijn terug te vinden in de verklaringen van Mevr. Reekmans neergeschreven in het beroepsschrift van 4 december 2003, te weten enerzijds de verklaring dat buiten Dhr. [G] en diens zoon die ongevraagd meekwam, geen andere personen waren betrokken bij de uitgevoerde werken, en anderzijds de verklaring dat ze Dhr [B] samen met Dhr. [G] klusjes heeft laten verrichten in haar huurhuis en haar tuin (schriftelijke verdedigingsnota dd. 3 mei 2004); Overwegende dat Mevr, Reekmans in haar verdedigingsnota ook uitdrukkelijk erkent dat zij Dhr. [G] en Dhr. [B] voor hun diensten heeft betaald, zonder fiscaliteit en niet op de budgetbeheersrekening; Overwegende dat sinds januari 1999 de wet op de collectieve schuldbemiddeling van toepassing is waardoor een uitweg wordt gegeven aan particulieren die bij manier van spreken ‘failliet’ zijn; Overwegende dat particulieren met een overmatige schuldenlast, in het kader van deze wet, de rechtbank kunnen vragen een schuldbemiddelaar aan te stellen die met hun diverse schuldeisers naar een akkoord zoekt over een ‘aanzuiveringsregeling’, een soort algemeen afbetalingsplan; Overwegende dat cliënten in schuldbemiddeling een stuk van hun autonomie prijsgeven en vertrouwen op de competenties en expertise van de schuldbemiddelaar om de overmatige schuldenlast te kunnen beheersen en met een schone lei opnieuw te kunnen beginnen; Overwegende dat de inperking van hun autonomie nog groter is bij collectieve schuldbemiddeling dan bij schuldbemiddeling onder het consumentenkrediet; bij collectieve schuldbemiddeling is er immers de reële dreiging van het uitvoerend beslag (uitverkoop, verkoop woning) of loonsbeslag bij het niet nakomen van afspraken; Overwegende dat bij herroeping van de aanzuiveringregeling de schuldeisers hun rechten hernemen; Overwegende dat clienten collectieve schuldbemiddeling hun volledig inkomen uit handen geven om vervolgens een bepaald leefgeld ter beschikking te krijgen van de schuldbemiddelaar; Overwegende dat cliënten collectieve schuldbemiddeling slechts beperkt handelingsbekwaam zijn en enkel daden van normaal vermogensbeheer kunnen stellen; Overwegende dat de schuldbemiddelaar niet enkel de belangen van de schuldenaar verdedigt, maar een soort middenpositie inneemt tussen de belangen van de cliënt en de belangen van de schuldeisers; Overwegende dat de schuldbemiddelaar het vertrouwen en de medewerking van de schuldeisers moeten winnen; Overwegende dat de tussenkomst van de schuldbemiddelaar dient te gebeuren in het volste respect voor de wet en dat zij geen andere houding vanwege de schuldenaar mag onderschrijven, laat staan hem daartoe aanzetten of daaraan meewerken; Overwegende dat mevrouw Reekmans, optredend als schuldbemiddelaar voor het OCMW, door haar houding het vertrouwen van zowel schuldenaars-cliënten als schuldeisers heeft geschonden; XII-5553-7/29 Overwegende dat Mevr Reekmans door haar optreden misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke en financieel moeilijke positie van Dhr. [G] en Dhr. [B]; Overwegende dat Mevr. Reekmans, Dhr. [G] en Dhr. [B] voor haar heeft laten werken, en dan nog in strijd met de wettelijke reglementering (zonder fiscaliteit); Overwegende dat de betaalde vergoedingen bovendien nooit op de budgetbeheersrekening zijn terechtgekomen; Overwegende dat schuldeisers ervan uitgaan dat alle inkomsten op de budgetbeheersrekening terechtkomen en worden aangewend ter aanzuivering van de schulden, hetgeen door de handelwijze van Mevr. Reekmans niet gebeurde; Overwegende dat Mevr. Reekmans hierdoor ook het vertrouwen van de schuldeisers heeft geschonden; Overwegende dat van Mevr Reekmans door deze handelwijze zowel het vertrouwen van de clienten, van de schuldeisers als van gerechtelijke overheden in het OCMW heeft geschonden; Overwegende dat Mevr. Reekmans door voormelde handelingen de uitbouw van de dienst schuldbemiddeling - en de collectieve schuldbemiddeling in het bijzonder- ernstig heeft bemoeilijkt, zoniet onmogelijk heeft gemaakt; Overwegende dat de natuurlijke persoon die de functie van schuldbemiddelaar uitoefent, blijk moet geven van voldoende onafhankelijkheid en onbaatzuchtigheid (Decreet 24 juli 1996); Overwegende dat Mevr Reekmans als maatschappelijk werker, die bovendien de taak van schuldbemiddelaar uitoefent, elke handelwijze moet vermijden die het vertrouwen van het publiek in de dienst kan aantasten; Overwegende dat Mevr. Reekmans in haar schriftelijke verdedigingsnota dd. 3 mei 2004 uitdrukkelijk verklaart dat ze de werken door Dhr. [B] en [G] heeft laten uitvoeren omdat een regeling met de woonwinkel in Tienen niet mogelijk was en ze van deze beslommeringen af wou zijn om zich volledig te concentreren op haar studies aan de VUB; Overwegende dat hieruit blijkt dat het uitoefenen van de ambtelijke opdracht voor Mevr. Reekmans geen prioriteit meer was, en volledig naar achter werd geschoven; Overwegende dat Mevr. Reekmans voor het gebruik van de diensten van de heren [B] en [G] en de betaling van de vergoedingen zonder fiscaliteit en niet op de budgetbeheersrekening geen geoorloofde reden kan aanhalen gezien zij wist of alleszins moest weten dat zij daardoor de waardigheid van het ambt in het gedrang bracht en het vertouwen van het publiek in de dienst aantastte; Overwegende dat Mevr. Reekmans in haar verdedigingsnota ook toegeeft dat zij de diensten van de heer [G] gebruikt heeft in een aantal privé aangelegenheden en familieconflicten, zoals het inwinnen van informatie na een eerste koopdag en het opvragen van informatie per fax; Overwegende dat van een ambtenaar belast met de taak van collectief schuldbemiddelaar van een persoon in financiële moeilijkheden, niet kan getolereerd worden dat zij deze persoon inschakelt in privé aangelegenheden; dat immers van zo'n ambtenaar een handelswijze moet verlangd worden die boven elke verdenking verheven is; Overwegende dat ook het laattijdig doorstorten van het leefgeld kan weerhouden worden gezien uit de lijst der bewegingen van de Dexia- budgetrekening blijkt dat het verrichten van betalingen aan schuldeisers en het doorstorten van leefgeld aan de heer [G] over de hele lijn onregelmatig gebeurde en soms zelfs niet op de meest aangewezen manier (via opname in contanten), waardoor het meer dan aannemelijk is dat de heer [G] het zicht op zijn budget en de afbetaling van schulden verloor; dat terzake ook naar de verklaring van Dhr. [G] kan verwezen worden; XII-5553-8/29 Dat Mevr Reekmans hierdoor ernstig is tekortgeschoten aan haar professionele verplichtingen en de waardigheid van het ambt in het gedrang heeft gebracht en het vertrouwen van het publiek in de dienst ernstig heeft aangetast; B. de tweede ten lastelegging Overwegende dat wat tenlastelegging 2 betreft -waarvan de tewerkstelling bevestigd werd door Mter M. Smeets en in diverse nota’s wordt toegegeven- mevrouw Reekmans haar nevenactiviteit slechts nà het optreden van mevrouw de Secretaris aan het bestuur heeft gesignaleerd; Overwegende dat Mevr. Reekmans bovendien deze nevenactiviteit uitoefent zonder de vereiste toelating van het vast bureau (art. 122§2 adm. statuut), Overwegende dat Mevr. Reekmans wist of alleszins moest weten dat het uitoefenen van een nevenactiviteit een voorafgaande toelating van het vast bureau vergt; Overwegende dat Mevr Reekmans tijdens het verhoor voor de toezichthoudende overheid op 1 maart 2004 toegaf dat er op de dienst een map met het personeelsstatuut aanwezig is ter inzage; dat het toezichthoudende bestuur dan ook in haar beslissing terecht de conclusie getrokken heeft dat Mevr. Reekmans er zich bewust van diende te zijn dat zij de toelating van het bestuur diende te bekomen vooraleer zij een taak bij Mter. Smeets zou opnemen; Overwegende dat het feit van een nevenactiviteit uit te oefenen zonder de vereiste toelating dan ook bewezen is, dat dit een ernstig feit uitmaakt aangezien deze verplichting precies in het statuut is opgenomen om het risico uit te sluiten dat ambtenaren activiteiten opnemen die met het ambtenaarschap kunnen conflicteren; Overwegende dat het kantoor van Mr. Smeets een kantoor is waar slechts één advocaat werkzaam is, met name Mr Smeets zelf; Overwegende dat Mr. Smeets door de Rechtbank van Eerste Aanleg regelmatig als schuldbemiddelaarster wordt aangesteld; Overwegende dat het uitoefenen van een activiteit door Mevr. Reekmans op dit advocatenkantoor verwarrend kan zijn voor het publiek aangezien dit publiek geen onderscheid maakt tussen het statuut van personen wanneer die twee personen zich met schuldbemiddeling/begeleiding bezighouden; Overwegende dat Mevr. Reekmans, door het opnemen van een taak bij een advocatenkantoor dat tevens optreedt als collectief schuldbemiddelaar, minstens de schijn wekte dat het OCMW geen onafhankelijk schuldbemiddelaar was; Overwegende dat het opnemen van een taak bij een advocatenkantoor dat tevens optreedt als collectief schuldbemiddelaar, kan leiden tot belangenvermenging in hoofde van Mevr. Reekmans, met haar taak als onafhankelijk schuldbemiddelaar namens het OCMW; dat een dergelijk risico absoluut moet worden uitgesloten voor ambtenaren die belast zijn met de taak van schuldbemiddelaar; Overwegende dat Mevr. Reekmans diverse sociale verloven heeft aangevraagd en bekomen teneinde haar studies te kunnen afmaken; Overwegende dat Mevr. Reekmans erkent dat het vervullen van deze taak op het advocatenkantoor niet noodzakelijk -maar slechts nuttig- was voor het vervullen van haar studies, Overwegende dat duidelijk is geworden dat het uitvoeren van haar ambtelijke opdracht naar achter werd geschoven en voor Mevr. Reekmans geen prioriteit meer is; Overwegende dat Mevr, Reekmans door het vervullen van een nevenactiviteit op een advocatenkantoor dat tevens optreedt als collectief schuldbemiddelaar wist of moest weten dat zij het vertrouwen in het OCMW als onafhankelijk schuldbemiddelaar schond of kon schenden; C. de derde tenlastelegging XII-5553-9/29 Dat wat tenlastelegging 3 betreft, deze wordt bevestigd door de familie [M.-L.] alsmede door de verklaring van een collega maatschappelijk werker, belast met de behandeling van het dossier ingevolge afwezigheid wegens ziekte van Mevr Reekmans; Overwegende dat mevr. Reekmans het bestaan van de volmacht erkent, onder meer in de schriftelijke verdedigingsnota dd. 3 mei 2004; Overwegende dat mevr. Reekmans erkent dat de spaarrekening niet in de budgetbeheerrekening was opgenomen; Overwegende dat er wel vaker een aparte rekening op naam van de moeder werd geopend waarop het kindergeld werd gestort omdat kinderbijslagfondsen nogal eens weigeren het kindergeld te storten op een budgetbeheersrekening; Overwegende dat in dergelijke gevallen het geld via automatische opdracht wordt overgeheveld naar de budgetbeheersrekening; Overwegende dat nooit wordt toegestaan dat deze aparte rekening niet bekend is in het dossier en dat de schuldbegeleidster hierover een persoonlijke volmacht heeft zonder dat dit uit het dossier blijkt; Overwegende dat een maatschappelijk werker belast met het budgetbeheer van cliënten, deze opdracht nooit vervult in eigen naam maar steeds namens het OCMW; Overwegende dat het nemen van een persoonlijke volmacht op de spaarrekening van een cliënt wiens budget men beheert, en waarvan het bestaan niet blijkt uit het dossier, niet strookt met de opdracht om de toevertrouwde taken zorgvuldig uit te oefenen (art. 118§1 adm. st.); Overwegende dat het nemen van een persoonlijke volmacht op de spaarrekening van een cliënt wiens budget men beheert, er toe leidt dat het vertrouwen van het publiek in het OCMW als onafhankelijke en onbaatzuchtige organisatie ernstig bedreigd wordt; dat wanneer een OCMW personen begeleidt met ernstige financiële problemen en rekeningen beheert, zij op elk ogenblik rekenschap en verantwoording moet kunnen afleggen van deze begeleiding; Overwegende dat het OCMW dergelijke verantwoording niet kan geven en het beheer ook onmogelijk kan controleren wanneer zij niet op de hoogte is van het bestaan van een aparte financiële rekening waarover de schuldbemiddelaar een niet-gerapporteerde volmacht heeft; Overwegende dat dit een ernstig risico inhoudt op aantasting van het vertouwen dat het publiek in het OCMW als overheidsinstelling moet hebben; Overwegende dat het nemen van een persoonlijke volmacht op de spaarrekening van cliënten wiens financiën Mevr. Reekmans beheerde ontoelaatbaar is, gezien elke handelwijze die het vertrouwen van het publiek in de dienst kan aantasten moet worden vermeden; Overwegende dat uit het tuchtdossier, uit het onderzoek ter zitting en uit de getuigenverklaringen is gebleken dat alle aan Mevr. R. Reekmans ten laste gelegde feiten als bewezen moeten worden beschouwd; Overwegende dat voor geen enkel van de ten laste gelegde feiten reeds een tuchtmaatregel werd uitgesproken; Overwegende dat de tenlasteleggingen zoals beschreven in het tuchtdossier gekend zijn door Mevr Reekmans; Overwegende dat de aangeklaagde feiten een inbreuk zijn op volgende ambtelijke verplichtingen : - Het vermijden van handelswijzen die het vertrouwen van het publiek kunnen schaden (art. 119 § 1 administratief statuut) - de natuurlijke persoon die de functie van schuldbemiddelaar voor OCMW uitoefent moet blijk geven van voldoende onafhankelijkheid en onbaatzuchtigheid (Decreet 24 juli 1996) - Aanvaarden van voordelen ten gevolge van de functie (art. 119 § 2 administratief statuut) - Zorgvuldig de toevertrouwde taken uitvoeren (art 118 § 1 administratief statuut) XII-5553-10/29 - Het beoefenen van een activiteit die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of die met de waardigheid van het ambt in strijd is (art. 122 § 1 administratief statuut) - Het uitvoeren van een activiteit zonder toelating van het vast bureau (art. 122 § 2 administratief statuut). Overwegende dat de aangeklaagde feiten een ernstig misbruik betekenen van de ambtelijke positie van maatschappelijk werker die Mevr. Reekmans bekleedt; Overwegende dat van een maatschappelijk werker die door een overheid ermee wordt belast om minvermogenden bij te staan bij het beheer van hun schulden, op te treden als schuldbemiddelaar en leefgeld uit te keren, niet getolereerd kan worden dat zij met deze minvermogenden andere contacten aanknoopt door hen tewerk te stellen voor privé-doeleinden; Overwegende dat Mevr. Reekmans misbruik heeft gemaakt van haar ambtelijke positie teneinde onrechtmatige voordelen te bekomen van personen wiens financiën zij beheerde; Overwegende dat Mevr. Reekmans tekort is geschoten in haar ambtelijke verplichting tot het opstellen van jaarverslagen en het tijdig uitkeren van leefgeld; Overwegende dat Mevr. Reekmans door het vervullen van een nevenactiviteit op een advocatenkantoor dat tevens optreedt als collectief schuldbemiddelaar wist of moest weten dat zij het vertrouwen in het OCMW als onafhankelijk schuldbemiddelaar schond; Overwegende dat Mevr. Reekmans bovendien deze nevenactiviteit uitoefent zonder de vereiste toelating van het vast bureau (art. 122§2 adm. statuut); Overwegende dat Mevr. Reekmans door het nemen van een persoonlijke volmacht op de spaarrekening van cliënten wiens financiën zij beheerde, de waardigheid van het beroep van maatschappelijk werker in het gedrang heeft gebracht en het vertrouwen van het publiek in het OCMW ernstig heeft geschaad; Overwegende dat de ten laste gelegde feiten een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaken en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen; Overwegende dat de feiten als zeer ernstig worden geëvalueerd; Overwegende dat artikel 47, §1 van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW uitdrukkelijk bepaalt dat de maatschappelijk werker als opdracht heeft de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden; Overwegende dat deze verplichting boven alle twijfel dient te worden vervuld; Overwegende dat Mevr. Reekmans door haar optreden het vertrouwen van het publiek in het OCMW heeft geschaad; Overwegende dat uit de verklaringen van Dhr [B] blijkt dat Mevr. Reekmans hem benaderd heeft om feiten geheim te houden; Overwegende dat door het optreden van Mevr, Reekmans het vertrouwen in het OCMW werd aangetast en de werking wordt gehypothekeerd. Overwegende dat de OCMW-dienstverlening en de sociale dienstverlening in het bijzonder erg privacy- en persoonsgebonden is, dat maatschappelijk werkers instaan voor de begeleiding van mensen met moeilijkheden die een groot vertrouwen hebben in de hun toevertrouwde maatschappelijk werker; Overwegende dat het OCMW niet kan tolereren dat er ook maar de geringste twijfel bestaat inzake het naleven van ambtelijke verplichtingen door haar personeelsleden; Overwegende dat de definitieve verwijdering van Mevr. Reekmans uit haar diensten noodzakelijk is om het vertrouwen in het OCMW en haar werking te herstellen; XII-5553-11/29 Overwegende dat het optreden van Mevr Reekmans ertoe heeft geleid dat ook de relatie met het OCMW-bestuur zodanig is verstoord dat verdere samenwerking totaal onmogelijk is; Overwegende dat om bovenvermelde redenen de voorgestelde strafmaat -ontslag van ambtswege- gelet op de ernst van de feiten hiermee in verhouding staat; Overwegende dat de Raad overgaat tot een eerste geheime stemming om uit te maken welke aan Mevr. Reekmans ten laste gelegde feiten als bewezen moeten worden beschouwd, gelet op het tuchtdossier, het onderzoek ter zitting, de getuigenverklaring van Dhr. [B] en Dhr. [G] en de verdedigingsnota d.d. 3 mei 2004 van Mevr Reekmans; Na geheime stemming beslist de Raad met 9 op 9 geldig uitgebrachte stemmen dat alle tenlasteleggingen als bewezen moeten worden beschouwd; Overwegende dat vervolgens wordt overgegaan tot een tweede geheime stemming om uit te maken of de bewezen feiten een tekortkoming aan de beroepsplicht uitmaken en de waardigheid van het ambt in het gedrang hebben gebracht, waardoor ze overeenkomstig artikel 282 van de Nieuwe Gemeentewet in aanmerking komen voor tuchtrechtelijke bestraffing; Na geheime stemming beslist de Raad met 9 op 9 geldig uitgebrachte stemmen dat de bewezen feiten een tekortkoming aan de beroepsplicht uitmaken en de waardigheid van het ambt in het gedrang hebben gebracht, waarvoor Mevr, Reekmans tuchtrechtelijk bestraft dient te worden; Overwegende dat de Raad zich in een derde geheime stemming dient uit te spreken over de voorgestelde tuchtstraf, namelijk ontslag van ambtswege; Overwegende dat met 9 op 9 geldig uitgebrachte stemmen de Raad beslist de tuchtstraf ontslag van ambtswege toe te passen; Overwegende dat een tuchtoverheid die een tuchtprocedure herneemt en na een nietgoedkeuring door de toezichthoudende overheid, aan de nieuwe tuchtbeslissing terugwerkende kracht kan verlenen voor zover de reden van de niet-goedkeuring gelegen is in een procedurefout; dat de Raad vaststelt dat dit de reden is van de niet-goedkeuring; dat de Raad derhalve de tuchtstraf met terugwerkende kracht oplegt ingaande vanaf de datum van inwerkingtreding van de eerste niet goedgekeurde beslissing; dat gelet op de ernst van de feiten de beslissing ook onmiddellijk uitvoerbaar wordt verklaard”. 1.
  20. Op 14 mei 2004 brengt het college van burgemeester en schepenen van Sint-Truiden een gunstig advies uit over dit tuchtbesluit. Op 16 juni 2004 besluit de deputatie van de provincieraad van Limburg echter om het tuchtbesluit niet goed te keuren. De deputatie overweegt dat de rechten van verdediging van verzoekster zijn miskend, doordat zij vooraleer het tuchtbesluit werd genomen niet in kennis is gesteld van de aanvullende getuigenverklaringen van Ludo G. en Robby B., zodat zij er ook niet heeft kunnen op reageren. Met een aangetekend schrijven van 2 juli 2004 stelt het OCMW tegen deze niet-goedkeuring hoger beroep in bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken. XII-5553-12/29 1.
  21. Nadat verzoekster, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, en een vertegenwoordiger van het OCMW van Sint-Truiden, bijgestaan door een raadsman, op 21 september 2004 door een gemachtigde ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werd gehoord, neemt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering op 5 oktober 2004 het thans bestreden besluit om het beroep van het OCMW in te willigen en het tuchtbesluit van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn goed te keuren. Met betrekking tot het bezwaar van de deputatie dat verzoekster vooraleer de tuchtmaatregel van het ontslag werd opgelegd, geen kennis heeft gekregen van de aanvullende getuigenverklaringen van Ludo G. en Robby B., zodat haar rechten van verdediging zijn miskend, overweegt de minister dat niet valt in te zien dat de kennis van de aanvullende getuigenverklaringen van voornoemden voor verzoekster enige nuttige en relevante waarde kan hebben. De gegrondheid van het beroep
  22. Verzoekster voert in haar verzoekschrift tot nietigverklaring vijf middelen aan. Uiteenzetting van het eerste middel
  23. Een eerste middel put verzoekster uit de schending van het redelijkheids- en het gelijkheidsbeginsel en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur patere legem quam ipse fecisti. Zij licht het middel als volgt toe : “Het is algemeen bekend dat er meer klusjeswerk gedaan wordt door cliënten bij het personeel van het OCMW van Sint-Truiden. Hiervoor werd en wordt, want deze situatie bestaat nog steeds, geen tuchtsanctie voorzien. Bewijzen hiervan worden aangevoerd o.m. zelfs bij de vorige secretaris, bij collega’s maatschappelijk assistenten en bij ander personeel. Ook wordt aangevoerd dat er personeelsleden andere nevenactiviteiten uitoefenen, waarbij geen toestemming werd gevraagd; het betreft hierbij zelfs winstgevende activiteiten. Het feit dat het OCMW zelfs geen moeite deed om de aangehaalde getuigenbewijzen te onderzoeken bewijst in deze dat het bestuur op de hoogte is van bestaand klusjeswerk, doch uitzonderlijk, selectief optreedt als het in hun kader past. Verzoekende partij verwijst hierbij eveneens uitdrukkelijk naar de aangehaalde gemaakte - ernstige - beroepsfouten, gemaakt door collega A. [L.] in het dossier [B.], fouten gekend door de secretaris en eveneens aangehaald door cliënten t.a.v. de secretaris, doch waarbij niet opgetreden werd”. XII-5553-13/29 Beoordeling 4.
  24. In het arrest nr. 142.947 van 11 april 2005 over verzoeksters vordering tot schorsing heeft de Raad van State geoordeeld dat het eerste middel, omwille van de vaagheid en de algemeenheid van de uiteenzetting ervan in het verzoekschrift tot schorsing, niet ontvankelijk is : “Overwegende dat zowel de eerste als de tweede verwerende partij terecht opwerpen dat verzoekster erg vaag en algemeen blijft in de uiteenzetting van het middel, waardoor een verweer zo niet onmogelijk is, dan toch wordt bemoeilijkt; dat verzoekster weliswaar vermeldt dat het ‘algemeen bekend’ is dat er bij personeelsleden van het OCMW wel meer klusjeswerk wordt gedaan door cliënten van het OCMW en dat bewijzen hiervan worden aangevoerd, doch die bewijzen niet preciseert in haar verzoekschrift tot schorsing; dat voor zover verzoekster aanvoert dat andere personeelsleden zonder toestemming nevenactiviteiten uitoefenen, zelfs winstgevende, zij ook in het ongewisse laat over welke personeelsleden en nevenactiviteiten het zou gaan; dat waar ten slotte verzoekster verklaart dat haar collega A. [L.] in ‘het dossier [B.]’ ernstige beroepsfouten zou hebben gemaakt, zij niet uiteenzet waaruit die beroepsfouten zouden hebben bestaan; Overwegende dat het niet de taak van de Raad van State is om onder de talrijke stukken die verzoekster bij haar verzoekschrift heeft gevoegd, zelf die stukken op te diepen welke desgevallend op het middel kunnen worden betrokken; dat zij aanbiedt die bewijzen te leveren aan de hand van een bijkomende nota en daarover mondeling ter zitting een uiteenzetting houdt, doch de Raad van State geen rekening kan houden met gegevens en argumenten welke ertoe strekken een niet-ontvankelijk wegens te vaag geformuleerd middel achteraf te verbeteren; dat aldus immers de andere partijen belet wordt een deugdelijk verweer te voeren en het strijdt met het spoedeisend karakter van een administratief kort geding om deze laatste nog eens de kans te bieden daarop te reageren; dat de tweede verwerende partij er dienaangaande terecht op wijst dat de verzoekende partij krachtens artikel 17, § 3, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 8, tweede lid, 4/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, in haar verzoekschrift de feiten en de middelen uiteen dient te zetten die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen rechtvaardigen”. 4.
  25. In hun memories van antwoord wijzen de verwerende partijen, onder meer, op de geciteerde overwegingen en werpen zij op dat het middel ook in de annulatieprocedure onontvankelijk is. In haar memorie van wederantwoord tracht verzoekster dan wel concreet aan te tonen dat ook andere personeelsleden van het OCMW zich schuldig hebben gemaakt aan soortgelijke feiten als die welke aan haar worden verweten. Daartoe zet zij uitvoerig uiteen dat door cliënten van het OCMW ook klusjeswerk werd uitgevoerd bij de vorige secretaris van het OCMW en bij een collega van haar, XII-5553-14/29 dat ook andere collega’s buiten hun ambt bij het OCMW winstgevende activiteiten uitoefenen of hebben uitgeoefend en dat meerdere collega’s een volmacht op de spaarrekening van cliënten hadden. Verzoekster legt ook uit welke fouten collega A. L. naar haar mening in het dossier B. heeft gemaakt. Ook in de laatste memorie voegt zij hier nog tal van details aan toe, meer bepaald ook over haar collega C. T., die zich volgens haar aan identieke feiten schuldig heeft gemaakt zonder dat de tuchtoverheid er tegen is opgetreden. 4.
  26. Krachtens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State dient evenwel ook het inleidend verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting van de middelen te bevatten, dit wil zeggen een voldoende duidelijke uiteenzetting van de geschonden geachte rechtsregels of rechtsbeginselen, maar ook van de wijze waarop die schending zich concreet heeft voorgedaan. Een grief die te vaag geformuleerd is in het inleidend verzoekschrift om als middel ontvankelijk te zijn, kan niet worden bijgesteld door een breedvoerige uiteenzetting van het middel in de memorie van wederantwoord of in de laatste memorie. Dit toelaten staat elk doeltreffend verweer in de weg vanwege de verwerende partijen op het ogenblik van en in het geëigende processtuk, namelijk de memorie van antwoord, dat door het procedurereglement daarvoor is voorzien. Met de in de laatste memorie aangebrachte informatie alsnog rekening houden zou bovendien geheel strijden met de door de wetgever ingebouwde stappen van de schriftelijke procedure en met de essentiële rol van het auditoraat bij de instructie van de zaak. Daarom moet het verzoekschrift naar eis van het algemeen procedurereglement de middelen bevatten. Er bestaat in de voorliggende zaak geen reden om van dit principe af te wijken, nu de gegevens die door de verzoekende partij alsnog worden aangevoerd, haar reeds op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring bekend waren en zij deze gegevens dus even goed reeds in dat verzoekschrift had kunnen -en dus moeten- vermelden. 4.
  27. Het eerste middel dient dan ook te worden verworpen. XII-5553-15/29 Uiteenzetting van het tweede middel
  28. Het tweede middel is geput uit de schending van het proportionaliteitsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Uit de eerder onsamenhangende uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift kan worden afgeleid dat verzoekster vooreerst wil laten gelden dat de bestreden tuchtmaatregel niet evenredig is met de tuchtfeiten die haar ten laste worden gelegd, maar die zij ten stelligste heeft betwist of alleszins in de juiste context heeft geplaatst. Zij geeft toe dat zij “formeel” wel enkele inbreuken op haar beroepsplichten heeft begaan, maar dat de impact daarvan zeer gering was. Zij argumenteert dat lichte fouten krachtens de wet van 10 februari 2003 -bedoeld is allicht de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen- onder de aansprakelijkheid van de werkgever vallen, dat zij geen tuchtrechtelijk verleden heeft en steeds een zeer goede evaluatie heeft gekregen, dat geen enkel in redelijkheid handelend OCMW een tuchtstraf van ontslag van ambtswege zou opleggen, zonder het betrokken personeelslid te horen, dat de beweerde onmogelijkheid om met haar samen te werken niet aan haar is toe te schrijven, maar wordt veroorzaakt door “het drastische, onzorgvuldige optreden van het OCMW-bestuur”. Verzoekster acht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, doordat de tweede verwerende partij, vooraleer tot het opleggen van het ontslag van ambtswege te besluiten, haar geen kennis heeft gegeven van de inhoud van het getuigenverhoor van 6 mei 2004 en haar niet heeft verwittigd van het feit dat haar verdedigingsbundel met aanvullende stukken, dat voorheen was neergelegd bij de toezichthoudende overheid, niet in het bezit van het OCMW was. Alhoewel dat als zodanig niets te maken heeft met de aangevoerde schending van het proportionaliteitsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel, lijkt verzoekster in het middel ook de deugdelijke feitelijke grondslag van de opgelegde tuchtstraf te betwisten. Zij betoogt dienaangaande dat de getuigen- verklaringen van Ludo G. en Robby B. stelselmatig werden uitgebreid en “schromelijk overdreven en onwaar” zijn, dat het bestuur blijkbaar meer waarde hecht aan de verklaringen van deze OCMW-cliënten dan aan deze van het personeel en van de beslagrechter die het dossier schuldbemiddeling volledig in orde heeft bevonden, dat zij wat haar stage bij advocate Smeets betreft, niet op de hoogte was XII-5553-16/29 van de verplichting om een voorafgaande aanvraag te doen, maar dat zij na een onderhoud met de secretaris onmiddellijk een aanvraag heeft ingediend, waarop nooit enig antwoord werd gegeven, dat het nemen van een volmacht op de rekening van het gezin M.-L. beantwoordde aan “een voorheen gebruikelijke handelwijze” en het betrokken gezin alleen maar tot voordeel heeft gestrekt. In haar memorie van wederantwoord preciseert verzoekster dat de zorgvuldigheidsnorm werd geschonden doordat het bestuur haar belangen onnodig heeft geschaad, onder meer door het verzenden van een klachtbrief van een cliënt naar de procureur des Konings zonder voorafgaand intern onderzoek, het niet tijdig overmaken van verplichte administratieve gegevens bij ziekte aan het ziekenfonds, het niet tijdig overmaken en storten van verplichte sociale zekerheidsbijdragen doordat de tuchtoverheid bij de beoordeling van de verklaringen van Ludo G. geen contact heeft opgenomen met de beslagrechter “teneinde het dossier schuld-bemiddeling en de werking van de schuldbemiddelaar in deze te evalueren” en die verklaringen heeft aangenomen, niettegenstaande zij sommige daarvan, zelfs met getuigenbewijzen, heeft betwist. Beoordeling 6.
  29. Voor zover verzoekster thans ook het bewezen zijn van sommige haar ten laste gelegde feiten lijkt te betwisten, kan zij -daargelaten of zij dat wel op een ontvankelijke wijze doet- hoe dan ook niet worden bijgevallen. Aan de hand van de stukken van het dossier kon de tuchtoverheid de aan verzoekster ten laste gelegde feiten wel degelijk bewezen bevinden. Zo blijkt uit de verdedigingsnota van verzoekster voor de tuchtoverheid dat zij toegeeft dat Ludo G. en Robby B., beide cliënten van het OCMW, voor haar verscheidene klusjes hebben uitgevoerd tegen betaling, zonder eerbiediging van de fiscale regels en zonder doorstorting van de uitbetaalde bedragen op de budgetbeheersrekening van de betrokkenen. Verzoekster heeft ten aanzien van de tuchtoverheid tevens toegegeven dat zij aan Ludo G. had gevraagd om voor haar bij de notaris informatie in te winnen omtrent de verkoop van een onroerend goed, klaarblijkelijk met het oog op een eventuele aankoop voor haar zoon. Ook betwist verzoekster niet dat zij zonder machtiging van het vast bureau bij advocate Smeets heeft gewerkt. De omstandigheid dat zij, na daarop door de secretaris te zijn gewezen, uiteindelijk nog een machtiging heeft aangevraagd, teneinde haar toestand te regulariseren, kan aan het haar verweten tuchtfeit als zodanig niets veranderen. Verzoekster geeft ook toe dat zij een volmacht had op de XII-5553-17/29 rekening van het gezin M.-L. De tuchtoverheid geeft er zich in het tuchtbesluit rekenschap van dat wel vaker een aparte rekening op naam van de moeder voor het storten van kindergeld wordt geopend, maar zij voegt eraan toe dat het geld dan op grond van een automatische opdracht wordt overgeheveld naar de budgetbeheers- rekening en dat nooit wordt toegestaan dat die aparte rekening niet bekend is in het dossier en dat de schuldbegeleidster een persoonlijke volmacht op de rekening heeft zonder dat dit uit het dossier blijkt. Verzoekster heeft tegen dat laatste klaarblijkelijk geen verweer. 6.
  30. In het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 van de Raad van State over verzoeksters vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt met betrekking tot de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf overwogen : “3.2.2.
  31. Overwegende dat het bestreden tuchtbesluit een uitgebreide bespreking wijdt aan de inhoud van verzoeksters functie van collectief schuldbemiddelaar bij het OCMW van Sint-Truiden, en daarbij onder meer vermeldt dat de aan haar zorgen toevertrouwde cliënten hun volledig inkomen uit handen geven om een bepaald leefgeld ter beschikking te krijgen van de schuldbemiddelaar, dat ook de schuldeisers de schuldbemiddelaar moeten kunnen vertrouwen, inzonderheid in de zin dat al de inkomsten van de betrokken schuldenaars op de budgetbeheersrekening ingeschreven worden en dat verzoekster door aan haar toevertrouwde cliënten allerlei te laten opknappen ‘in het zwart’ dat vertrouwen beschaamd heeft en daardoor ook het vertrouwen van het publiek en de gerechtelijke overheden in de dienst schuldbemiddeling van het OCMW zelf ondergraven heeft; dat voorts wordt aangehaald dat het uitoefenen, zonder toelating van het OCMW, van een juridische stage bij een advocaat die eveneens als schuldbemiddelaar optreedt, met haar functie conflicteert; dat alleen al deze twee tenlasteleggingen, indien zij gegrond zijn, het de Raad van State doen voorkomen dat daarvoor de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege niet kennelijk buiten verhouding staat tot de feiten; dat gelet op het voorgaande ook verzoeksters bewering als zou het OCMW door haar handelingen geen schade hebben geleden niet geloofwaardig klinkt”. Wat verzoekster in haar verzoekschrift tot nietigverklaring en latere memories aanvoert, doet aan deze overwegingen geen afbreuk. De toepassing van de bedoelde wet van 10 februari 2003 is in de voorliggende zaak niet aan de orde. De afwezigheid van een tuchtrechtelijk verleden en een gunstige evaluatie staan als zodanig het opleggen van een zware tuchtstraf voor nieuw vastgestelde, ernstige feiten niet in de weg. Verzoekster werd de mogelijkheid geboden om door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord, maar heeft zelf gekozen voor een schriftelijke verdediging. Het doorsturen van de klachtbrief van Ludo G. naar de procureur des Konings en het beweerde in gebreke blijven van de tweede verwerende partij in haar administratieve verplichtingen ten aanzien van verzoekster XII-5553-18/29 heeft niets te maken met de aan verzoekster ten laste gelegde feiten en de ernst daarvan. De omstandigheid dat de beslagrechter het schuldbemiddelingsdossier van Ludo G. in orde heeft bevonden is te dezen evenmin dienstig. 6.
  32. De door verzoekster in haar verzoekschrift aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, valt voorts samen met de eerste twee onderdelen van het vierde middel, die hierna worden besproken en verworpen. 6.
  33. Het tweede middel is derhalve eveneens ongegrond. Uiteenzetting van het derde middel
  34. Verzoekster voert als derde middel aan dat de redelijke termijn niet is nageleefd. Zij licht het middel als volgt toe : “De feiten hebben zich voorgedaan en zijn alleszins gekend 6 februari
  35. De eerste poging tot het instellen van het onderzoek vermeldt het uitvoeren van een stage zelfs niet, slechts per eind juni 2003 wordt de tuchtvordering ingesteld en wordt hierbij het feit van het uitvoeren van een niet-aangevraagde stage bij een advocate toegevoegd als tuchtfeit. Dit feit was reeds drie weken gekend vooraleer de beslissing tot preventieve schorsing genomen werd, doch werd daarbij niet als motivatie aangehaald. Rekening houdend met de omstandigheden eigen aan de zaak duurde het onderzoek onredelijk lang. De fouten die in de procedure zijn gebeurd zijn allemaal te wijten aan de tuchtoverheid zelf en veroorzaakten verlenging van de procedure. Uit deze gang van zaken kan aangenomen worden dat het bestuur de beslissing -de sanctie- neemt en daarna zoekt naar belastende elementen. Na schorsing van maart 2003 door uw Raad van de beslissing tot preventieve schorsing herneemt de tuchtoverheid de procedure tot het preventieve schorsing en houdt hierbij geen rekening met de beoordeling door uw Raad”. Zij preciseert in de memorie van wederantwoord dat zij omwille van ziekte zelf gevraagd heeft de hoorzitting uit te stellen, maar dat die vraag gesteund was op een gemotiveerd verslag van een geneesheer-specialist en dat de andere vertragingen in de tuchtprocedure volledig zijn toe te schrijven aan de fouten van de tuchtoverheid. Op de overweging van de Raad van State in zijn arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 dat zij zelf allerlei middelen heeft aangewend om de tuchtprocedure te rekken en dat de Raad zich overigens afvraagt of haar niet-verschijnen op 6 mei 2004 ook niet in dat opzet paste, antwoordt verzoekster nog dat zij voor een schriftelijke verdediging heeft gekozen, omdat het bestuur haar die mogelijkheid liet en zij deze keuze ook uitdrukkelijk heeft gemotiveerd. XII-5553-19/29 In de laatste memorie wijst verzoekster er op dat het bestuur meermaals in de fout is gegaan, door haar voorbarig op de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State te wijzen en door het vereiste tuchtverslag van de secretaris niet bij te brengen bij de hoorzitting van de Vlaamse Gemeenschap. Dit resulteerde in een langer dan nodige procedure. Ook na haar ontslag laat het OCMW na de nodige documenten af te geven. Zij verduidelijkt nog dat haar keuze voor een schriftelijke verdediging op 6 mei 2004 ingegeven was door financiële overwegingen en door haar gezondheidstoestand. Beoordeling
  36. Na het arrest nr. 117.237 van 20 maart 2003 waarbij de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van verzoeksters schorsing werd bevolen, heeft het OCMW anders dan verzoekster beweert niet de procedure betreffende de preventieve schorsing hernomen maar wel de tuchtprocedure aangevat. Die tuchtvordering is ingesteld binnen de verjaringstermijn van zes maanden na de kennisname van de ten laste gelegde feiten. Welk ook de verontschuldiging ervoor weze, is het ook verzoekster die zelf heeft aangedrongen op een uitstel van de hoorzitting, zodat die vertraging alleszins niet aan het bestuur verweten kan worden. De niet-goedkeuring van het tuchtbesluit van 15 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn door het ministerieel besluit van 9 maart 2004, stond er vervolgens niet aan in de weg dat het OCMW op 8 april 2004 de tuchtprocedure hernam, gezien de wettelijke verjaringstermijn nog niet was verstreken. De raad voor maatschappelijk welzijn heeft dan al binnen de maand, namelijk op 6 mei 2004, een nieuw tuchtbesluit genomen zodat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn. De omstandigheid dat het nog tot 5 oktober 2004 heeft geduurd alvorens deze nieuwe tuchtmaatregel de goedkeuring van de minister heeft verkregen, is een gevolg van het administratief toezicht dat de wetgever zelf in artikel 53 van de OCMW-wet heeft ingesteld welk artikel nu eenmaal voorziet in een verplicht uit te oefenen goedkeuringstoezicht, met hoger beroep. Handelingen van het OCMW die dateren van ná het nemen van de bestreden tuchtmaatregel, zelfs indien ze verband houden met de uitvoering en de praktische afwikkeling ervan, kunnen niet worden betrokken op de beoordeling van de al dan niet redelijke termijn om tot die beslissing te komen. Het middel is niet gegrond. XII-5553-20/29 Uiteenzetting van het vierde middel
  37. Verzoekster voert als vierde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 299, 303 en 304 van de nieuwe gemeentewet, van artikel 169 van het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Sint-Truiden en van “de algemene rechtsbeginselen: de rechten van de verdediging”. Uit de uiteenzetting van het middel kan worden afgeleid dat verzoekster haar rechten van verdediging geschonden acht, doordat : - het proces-verbaal van haar niet-verschijning op de hoorzitting van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn en de processen-verbaal van het aanvullend verhoor van de getuigen, Ludo G. en Robby B., haar niet ter kennis werden gebracht vooraleer het tuchtbesluit werd genomen; - zij door het OCMW, vooraleer het tuchtbesluit werd genomen, niet in kennis is gesteld van het feit dat de raad voor maatschappelijk welzijn niet in het bezit was van de stukken die zij eerder in het kader van haar beroep tegen de goedkeuring door de bestendige deputatie van het tuchtbesluit van 15 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn had ingediend bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken en waarnaar zij uitdrukkelijk had verwezen in haar aangetekende brief van 3 mei 2004 aan het OCMW aangaande haar verdediging in de hernomen tuchtprocedure; - het OCMW moedwillig gegevens heeft achtergehouden en door het maken van “diverse procedure en andere fouten” haar financieel heeft genoodzaakt haar verdediging zelf te voeren, waardoor “haar verdedigingskansen [werden] gereduceerd” en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) werd geschonden. Met betrekking tot het tweede onderdeel vermeldt zij als “nieuw ernstig en relevant feit” dat zij op 19 november 2004 van een ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft vernomen dat het OCMW, in tegenstelling tot wat in het tuchtbesluit is vermeld, aan de toezichthoudende XII-5553-21/29 overheid geen vraag heeft gesteld naar de bundel stukken waarnaar zij in de uiteenzetting van haar verdediging heeft verwezen. Verzoekster beklemtoont in de memorie van wederantwoord dat de overweging van het tuchtbesluit dat de toezichthoudende overheid op 6 mei 2004 telefonisch aan het OCMW heeft bevestigd dat zij geen bijkomende stukken aan de raad voor maatschappelijk welzijn had bezorgd, vals is, dat de tuchtoverheid geen telefonisch contact met het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft gehad en geen navraag naar neergelegde stukken heeft gedaan, dat zij daaromtrent een klacht bij de onderzoeksrechter heeft ingediend en dat de tuchtoverheid door op die wijze de stukkenbundel van verzoekster te weren wel degelijk haar rechten van verdediging heeft geschonden. Volgens verzoekster werden haar rechten van verdediging reeds op “28 februari 2004” (lees: 28 februari 2003) geschonden, doordat zij toen met onmiddellijke ingang aan de deur werd gezet, haar de toegang tot de burelen en het persoonlijke klassement werd ontzegd en haar tevens werd verboden contact en omgang te hebben met collega’s. Verzoekster herhaalt dat het proces-verbaal van het getuigen- verhoor en het proces-verbaal van niet-verschijning haar hadden moeten worden meegedeeld voordat de beslissing tot ontslag werd genomen. Zij beweert dat zij dan de ontbrekende stukken nog voordat de tuchtsanctie werd opgelegd, had kunnen aanbrengen. Voorts voert zij nogmaals aan dat de tuchtoverheid de procedure zolang mogelijk heeft laten duren en heeft nagelaten bepaalde administratieve verplichtingen correct en tijdig na te komen, teneinde het verzoekster op die manier financieel onmogelijk te maken verder een beroep te doen op een raadsman. Verzoekster zet ten slotte uiteen dat de tweede verwerende partij, ondanks haar herhaalde vragen en aanmaningen, ook na haar ontslag niet is overgegaan tot het correct uitvoeren van haar administratieve verplichtingen en het overmaken van fiscale bescheiden, waardoor zij reeds tweemaal voor geruime tijd zonder inkomen werd gesteld. In haar laatste memorie betoogt verzoekster dat haar keuze voor een schriftelijke verdediging het bestuur er niet van ontslaat op loyale en zorgvuldige wijze na te gaan of het dossier wel volledig is en er desnoods een XII-5553-22/29 bijkomende zitting aan te besteden. Zij houdt staande dat de beweerde telefonische contactname op 6 mei 2004 er niet is geweest, wat volgens haar aantoont dat de beslissing door bedrog is aangetast. Beoordeling
  38. In het arrest nr. 136.824 van 28 oktober 2004 heeft de Raad van State het middel op grond van de volgende overwegingen niet ernstig bevonden : “3.1.2.
  39. Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat luidens artikel 303 van de nieuwe gemeentewet van de hoorzitting een proces- verbaal wordt opgemaakt dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft, dat indien dat proces-verbaal op het einde van de hoorzitting wordt opgemaakt, er onmiddellijk voorlezing van wordt gedaan en de betrokkene verzocht wordt het te ondertekenen terwijl, indien het na de hoorzitting wordt opgemaakt, het binnen acht dagen na de hoorzitting aan de betrokkene wordt medegedeeld met verzoek het te ondertekenen; dat in dezen verzoekster zich op 6 mei 2004 niet op het verhoor door de raad voor maatschappelijk welzijn heeft aangemeld; dat de formaliteit van het opmaken van het proces-verbaal en de ondertekening ervan dient om te verzekeren dat de mondelinge verklaringen van de gehoorde persoon juist zijn weergegeven; dat aangezien verzoekster geen verklaringen heeft afgelegd er daarvan ook geen proces-verbaal diende te worden opgemaakt om haar ter ondertekening te worden voorgelegd; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.1.2.
  40. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat volgens artikel 304 van de nieuwe gemeentewet de getuigen worden gehoord in aanwezigheid van de betrokkene of van zijn verdediger; dat aangezien verzoekster ervoor gekozen heeft om niet te verschijnen voor de raad voor maatschappelijk welzijn, de getuigen buiten haar aanwezigheid werden gehoord; dat, in zoverre de hiervoor aangehaalde bepalingen van artikel 303 van de nieuwe gemeentewet ook op de verklaringen van de getuigen van toepassing zijn, zulks enkel kan inhouden dat de betrokken getuigen de gelegenheid moet worden geboden om het in het proces-verbaal gerelateerde relaas van hun verklaringen op zijn juistheid te toetsen, niet om het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid in staat te stellen de getuigenissen te betwisten; dat verzoekster dat laatste uitdrukkelijk verzaakt heeft door niet aanwezig te willen zijn op de hoorzitting; dat zij dan ook doelbewust het risico heeft gelopen dat de getuigen bijkomende verklaringen of nuances zouden kunnen toevoegen aan wat haar reeds ter kennis was en zij de gelegenheid heeft verzaakt om de getuigen tegen te spreken; dat het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.1.2.
  41. Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat verzoekster in haar voormelde brief van 3 mei 2004 weliswaar verklaart te refereren in eerste instantie ‘naar mijn verdedigingsbundel bij het ingestelde beroep bij de Vlaamse Minister, waarbij ik een aantal gegevens en bewijsstukken indiende’, vervolgt dat de toezichthoudende overheid haar had gemeld ‘dat het verzoek tot nazicht, samen met de aanvullende stukken aan u -dit is het OCMW- werden overgemaakt’ en : ‘Ik neem dan ook aan dat u deze gegevens verder heeft onderzocht, zoniet verzoek ik u bij deze tot een nader onderzoek daaromtrent’; dat vooreerst verzoekster geen bewijs van die mededeling van de toezicht- houdende overheid voorlegt; dat zij ook niet preciseert om welke aanvullende XII-5553-23/29 stukken het gaat; dat ten slotte in het bestreden tuchtbesluit van 6 mei 2004 te lezen staat : ‘Gelet op het feit dat Mevr. Reekmans in haar schriftelijke verdedigingsnota verwijst naar een aantal gegevens en bewijsstukken die door de toezichthoudende overheid zouden zijn overgemaakt aan het OCMW; dat de Raad vaststelt dat er door de toezichthoudende overheid geen andere stukken aan de Raad werden bezorgd dan het afschrift van de processen-verbaal van verhoor die werden opgemaakt bij de hoorzitting van 1 maart 2004; aangezien telefonisch op 6 mei 2004 door het toezichthoudende bestuur ook werd bevestigd dat er aan de vertegenwoordigers van de Raad geen bijkomende stukken zijn overhandigd; dat aan de verdedigingsnota die Mevr. Reekmans bij de toezichthoudende overheid neerlegde evenmin stukken zijn gevoegd, zodat het helemaal niet duidelijk is of er wel stukken werden neergelegd; Gelet op het feit dat Mevr. Reekmans zelf geen stukken heeft overgemaakt samen met haar verdedigingsnota moet de Raad vaststellen dat (hij) niet in het bezit is van enig verdedigingsstuk van Mevr. Reekmans, behoudens de verdedigingsnota die zij aangetekend aan de Raad bezorgde; Aangezien de tuchtrechtelijk vervolgde zelf kiest hoe zij haar verdediging wenst te voeren en dat het aan de tuchtrechtelijk vervolgde toekomt om zelf de documenten bij te brengen waarop zij haar verdediging steunt, kan niet geantwoord worden op loze beweringen van Mevr. Reekmans, die nergens op gesteund zijn, en waar geen bewijzen van worden bijgebracht’; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn wel degelijk aandacht heeft gehad voor verzoeksters verklaring dat zij bijkomende stukken had toegezonden aan de toezichthoudende overheid; dat echter, het weze nogmaals herhaald, verzoekster ervoor heeft gekozen haar verweer voor de raad voor maatschappelijk welzijn louter schriftelijk te voeren, zodat zij de gelegenheid heeft laten voorbijgaan om te repliceren op de vaststelling dat de bedoelde stukken niet voorhanden waren of zelfs maar te preciseren om welke stukken het ging” . 10.
  42. Hetgeen verzoekster in haar verzoekschrift tot nietigverklaring en memories uiteenzet kan aan deze overwegingen geen afbreuk doen, ook niet het door verzoekster aangevoerde “nieuw ernstig en relevant feit” dat zij op 19 november 2004 van een ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft vernomen dat het OCMW, in tegenstelling tot wat het tuchtbesluit laat uitschijnen, aan de toezichthoudende overheid geen vraag heeft gesteld naar de bundel stukken waarnaar zij in de uiteenzetting van haar verdediging heeft verwezen. Dat feit neemt immers niet weg dat verzoekster, door afwezig te blijven op de hoorzitting, zelf “de gelegenheid heeft laten voorbijgaan om te repliceren op de vaststelling dat de bedoelde stukken niet voorhanden waren of zelfs maar te preciseren om welke stukken het ging”. Overigens werd de klacht die verzoekster wegens valsheid van het tuchtbesluit van 6 mei 2004 bij de onderzoeksrechter had ingediend, zoals zij in een brief van 25 april 2007 aan de Raad van State meedeelt, “niet weerhouden [...] omwille van onvoldoende bezwaren”. XII-5553-24/29 XII-5553-25/29 Verzoeksters bewering dat haar rechten van verdediging reeds geschonden werden toen zij op 28 februari 2003 preventief werd geschorst, is niet dienstig, want de onwettigheid van de -ingetrokken- preventieve schorsing kan de thans bestreden beslissing niet aantasten. Het valt voorts niet in te zien hoe de afwezigheid van een voorafgaande kennisgeving aan verzoekster van de processen-verbaal van haar niet- verschijning op de hoorzitting van 6 mei 2004 en van het getuigenverhoor op die datum, welke niet strijdig is met de artikelen 303 en 304 van de nieuwe gemeentewet, haar hebben kunnen belemmeren de ontbrekende verdedigingsstukken alsnog bij de tuchtoverheid in te dienen. Dat de tuchtoverheid gegevens heeft achtergehouden en de tuchtprocedure zo lang mogelijk heeft laten aanslepen om verzoekster financieel uit te putten, is niet meer dan een niet-gestaafde bewering, die zelfs wordt tegengesproken doordat verzoeksters derde middel waarin zij de onredelijk lange duur van de tuchtprocedure aanvoert, ongegrond wordt bevonden. Zoals ook bij de bespreking van dat derde middel reeds is opgemerkt, kan verzoeksters argument dat de tweede verwerende partij na haar ontslag in gebreke is gebleven om alle administratieve verplichtingen tegenover haar na te komen, dan weer niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing leiden. 10.
  43. Het vierde middel is eveneens ongegrond. Uiteenzetting van het vijfde middel
  44. Als vijfde middel voert verzoekster machtsafwending aan en schending van het fair-playbeginsel. Volgens haar apprecieert niet iedereen binnen het OCMW dat zij bijkomende studies doet en opleidingen volgt en ligt de werkelijke reden van haar ontslag in het feit dat zij voor het volgen van haar academische opleiding allerlei sociale voordelen aanvraagt, waarin door de wetgeving is voorzien, maar waarvan de inwilliging tot gevolg heeft dat de werkomstandigheden van haar collega’s zwaarder worden. XII-5553-26/29 Verzoekster zet onder meer uiteen dat bijna alle aanvragen die zij heeft gedaan ofwel onjuist, ofwel geheel niet, ofwel onvolledig werden behandeld, “enkel en alleen om haar te pesten”, dat loonbrieven niet regelmatig werden verstuurd, dat zij regelmatig werd opgeroepen voor medische controle, dat vergoedingen waarop zij recht had, niet of laattijdig werden betaald, dat de weigering van de overdracht van haar jaarlijks verlof en de regeling van de overuren werden geschorst door de toezichthoudende overheid, dat het haar moeilijk werd gemaakt om de nodige medische verzorging en de terugbetaling van de kosten van een arbeidsongeval vanwege de verzekeraar te bekomen, dat ondanks ingebreke- stellingen geen correcte fiscale fiche werd overgemaakt, dat de tweede verwerende partij aan verzoekster na haar ontslag geen sociale documenten heeft bezorgd die haar toelaten zich met de sociale zekerheid in regel te stellen, noch het nodige heeft gedaan voor de terugbetaling van de kosten van haar eerste schorsingsvordering bij de Raad van State. Verzoekster laat ter staving van de aangevoerde machtsafwending in de memorie van wederantwoord nog gelden dat toen zij nog verantwoordelijke was van het kindertehuis “De Rakkertjes”, ten aanzien van haar in een tijdspanne van 21 maanden drie beslissingen werden genomen die aanvankelijk niet werden uitgevoerd, gaande van een ontheffing van haar functie tot het toebedelen van andere taken, maar dat ze uiteindelijk toch werd overgeplaatst naar de sociale dienst. In een uitvoerig, maar onduidelijk betoog lijkt verzoekster die overplaatsing toe te schrijven aan een politieke afrekening. Ook in de laatste memorie herhaalt verzoekster een reeks feitelijke gebeurtenissen die haar ervan overtuigen dat zij geviseerd wordt en dat het tuchtonderzoek uitsluitend “à charge” is gevoerd. Beoordeling 12.
  45. Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aandragen waaruit kan worden af- geleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Opdat van machtsafwending sprake kan zijn, moet daarenboven het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing zijn geweest. 12.
  46. Verzoeksters uiteenzetting overtuigt de Raad niet. Louter het feit dat verzoekster moeilijkheden heeft ondervonden bij het aanvragen van bepaalde sociale voordelen en in haar relatie met het bestuur administratieve ongemakken XII-5553-27/29 ervaart, toont niet aan dat de thans bestreden tuchtmaatregel met machtsafwending is tot stand gekomen. Verzoekster ervaart die moeilijkheden mogelijk als pesterijen, doch zij legt geen bewijs en zelfs geen begin van bewijs ervan over dat het bestuur -objectief gezien- werkelijk de intentie zou hebben gehad haar te pesten. Bij de bespreking van het tweede middel is reeds overwogen dat het bestuur de feiten voor bewezen mocht houden en als deontologisch laakbaar; bij de bespreking van het eerste en het tweede middel is de schending van het evenredigheidsbeginsel tussen de gepleegde feiten en de opgelegde straf verworpen. Verzoekster maakt alleszins niet aannemelijk dat het bestuur zijn bevoegdheid zou hebben misbruikt en dat de thans bestreden tuchtmaatregel enkel ingegeven zou zijn door andere motieven dan het bestraffen van haar schuldig gedrag. Een schending van het fair-play beginsel is niet aangetoond. 12.
  47. Er bestaat ook geen aanleiding tot verwijzing van de zaak naar de algemene vergadering op grond van machtsafwending. Het middel wordt niet aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  48. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  49. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-5553-28/29 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5553-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.844 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.824 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.947 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.