← België

Arrest 192848 - Milieuvergunningen - 30/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.848 Rolnummer: A. 160578/VII-33625 Zaak: Arrest 192848 - Milieuvergunningen - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-12 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.848 van 30 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.848 van 30 april 2009 in de zaak A. 160.578/VII-33.

  1. In zake : de NV ANALU (in faling), rechtsgeding hervat door : curator I. VAN DE MIEROP, die woonplaats kiest bij advocaat F. KEULENEER, kantoor houdende te BRUSSEL, Verenigingstraat
  2. tegen :
  3. de burgemeester van de gemeente MACHELEN,
  4. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV ANALU op 25 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - "de beslissing van de burgemeester van de gemeente Machelen van 24 februari 2005 waarbij 'in het bedrijf N.V. ANALU, gelegen Steenweg op Peutie 113 te 1830 Machelen, met toepassing van artikel 31 §1 en 38 van het milieuvergun- ningendecreet en artikel 65 § 1 van het Vlarem I, ter plaatse en mondeling de stopzetting (wordt) bevolen van de op voormeld adres actueel illegaal geëxploiteerde Vlarem-vergunningsplichtige activiteiten/installaties. Deze beslissing gaat in op 15 mei 2005'" en van - "de beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 januari 2005, houdende inwilliging van het verzoek tot opheffing van de vergunningen van de N.V. ANALU, Steenweg op Peutie 113 te 1830 Machelen (...)"; VII-33.625-1/22 Gelet op het arrest nr. 141.907 van 11 maart 2005 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 147.140 van 30 juni 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 12 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gezien het op 28 januari 2008 ingediende verzoekschrift waarbij curator I. VAN DE MIEROP verklaart het geding te hervatten; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. FLO die, loco advocaat F. KEULENEER verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat E. STORMS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat J. SIMENON die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; VII-33.625-2/22 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De feiten 1.
  7. De verzoekende partij exploiteert aan de Steenweg op Peutie 113 te Machelen een inrichting voor de oppervlaktebehandeling (anodisatie) van aluminiumprofielen. 1.
  8. Bij een controlebezoek van de afdeling Milieu-inspectie op 2 mei 2000 wordt vastgesteld dat een aantal exploitatievoorwaarden niet worden nageleefd. Meer bepaald worden aan de exploitant de volgende tekortkomingen verweten : "- de verandering van gebruiker (NV SMET -> NV ANALU) van de vergunde grondwaterwinning werd niet medegedeeld aan de bevoegde overheid; - de resultaten van de periodieke waterpeilopmetingen (4x per jaar) van de vergunde grondwaterwinning worden niet geregistreerd in een daarvoor te voorzien register; - de resultaten van het maandelijks grondwaterverbruik worden niet geregistreerd in een daarvoor te voorzien register; - een uiterlijk op 29.08.1993 bij de bevoegde overheid in te dienen technisch verslag, houdende een beschrijving van de bestaande watervoorziening en waterverbruik, en van de mogelijke alternatieven aangaande het waterver- bruik en waterrecuperatie, werd tot op heden niet opgesteld; - een door een erkend organisme opgesteld keuringsrapport, waaruit blijkt dat de geëxploiteerde elektrische installatie beantwoordt aan het A.R.A.B., en A.R.E.I., kan niet worden voorgelegd; - een rapport, waaruit blijkt dat het bepalen en aanbrengen van de nodige brandbestrijdingsmiddelen gebeurt in overleg met de plaatselijke brandweer, kan niet worden voorgelegd; - niettegenstaande expliciet verboden in de vigerende milieuvergunning worden twee askarel-houdende transformatoren, die bovendien niet voorzien zijn van een vloeistofdichte inkuiping, geëxploiteerd; - veiligheidssignalisatie (i.c. rook- en vuurverbod/melding askarelhoudende transformatoren) ter hoogte van het transformatorenlokaal ontbreekt; - een deurdranger op de toegangsdeur van het transformatorlokaal ontbreekt; - het constructie-attest en een recent attest van periodieke controle van de geëxploiteerde compressor-installatie kan niet worden voorgelegd; - de bovengrondse houders voor de opslag van agressieve vloeistoffen zijn niet voorzien van de met de vigerende milieuvergunning opgelegde identificatieplaat en gevaarssymbolen; - de inkuiping van de bovengrondse houders voor de opslag van agressieve vloeistoffen (excl. HC1-houder) is niet vloeistofdicht; VII-33.625-3/22 - een controleprogramma van de installaties voor de opslag van agressieve vloeistoffen, houdende vermelding van de aard, de omvang, de periodici- teit en de namen van de personen die de controle zullen uitvoeren, kan niet worden voorgelegd; - een register (incl. controleverslagen) waarin de datum van elke controle, de meetresultaten en andere vaststellingen, de uitgevoerde herstellingen of wijzigingen aan de installaties worden genoteerd, kan niet worden voorgelegd; - de inkuiping van de bovengrondse houder voor de opslag van gasolie is niet vloeistofdicht; - de exploitant kan niet aantonen dat de bovengrondse houder voor de opslag van gasolie enerzijds geaard is, en anderzijds voorzien van een overvulbeveiliging; - de exploitant kan niet aantonen dat hij nauwkeurige schriftelijke onder- richtingen betreffende de bij een ongeval te nemen maatregelen, aan de betrokken werknemers gaf; - de exploitant houdt geen document, waarin de eigenschappen van de agressieve vloeistoffen, de eraan verbonden gevaren en de te nemen maatregelen, alsmede de te nemen maatregelen bij calamiteiten nauwkeu- rig zijn omschreven, ter beschikking van de bevoegde brandweer en toezichthoudende ambtenaren; - de baden waarin het productieproces plaatsvindt (anodisatie van alumini- um) zijn niet voorzien van een vloeistofdichte inkuiping; - de zijwanden van het lokaal waarin de procesbaden zich bevinden zijn niet (tot minstens 1 meter hoogte) voorzien van een waterdichte bekleding die inert is aan de in de baden bevindende stoffen; - de inhoud van de uitgewerkte procesbaden worden niet afgevoerd conform de vigerende afvalwetgeving, doch eenvoudig geloosd via de afvoerweg voor bedrijfsafvalwater". 1.
  9. Met een schrijven van 27 februari 2001 wordt de verzoekende partij door de afdeling Milieu-inspectie opnieuw aangemaand om de volgende maatregelen te nemen : "- Keuringsverslag elektrische installatie opsturen. - Brandweerrapport voorleggen. - Milieucoördinator aanstellen. - Melden overname vergunning grondwater. - Voorwaarden grondwaterwinning naleven (peilmetingen, register, technisch verslag). - Keuringsverslag compressoren voorleggen. - Voorwaarden opslag van gevaarlijke stoffen (register, inkuipingen, controleprogramma, veiligheidssignalisatie, veiligheidsfiches, onderrichting- en personeel). - Verwijderen askareltransformatoren. - Naleven voorwaarden transformatorlokaal (signalisatie, deur). - Zijwanden van lokaal procesbaden vloeistofdicht uitvoeren. - Inkuipen van procesbaden. - Uitgewerkte procesbaden afvoeren conform de vigerende wetgeving". 1.
  10. Op 3 april 2002 dient de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Vlaams-Brabant, bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- VII-33.625-4/22 Brabant een verzoek in tot opheffing van de vijf lopende vergunningen op grond waarvan de verzoekende partij haar inrichting mag exploiteren. Het verzoek tot opheffing wordt gemotiveerd door het sinds het jaar 2000 voortdurend nalaten van de exploitant om passend gevolg te geven aan de onderrichtingen en maatregelen van de toezichthoudende ambtenaren die strekken tot de naleving van de van toepassing zijnde exploitatievoorwaarden, zelfs nadat aan de exploitant herhaaldelijk uitstel werd gegeven voor het uitvoeren van een aantal saneringsmaatregelen. 1.
  11. Met een brief van 5 juni 2002 wordt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant door de verzoekende partij verzocht niet in te gaan op het verzoek van de afdeling Milieu-inspectie. Het uitvoerig gemotiveerd schrijven van de exploitant komt er in hoofdzaak op neer dat er wel degelijk concreet gevolg werd gegeven aan een aantal opmerkingen van de afdeling Milieu-inspectie. Tegelijk wordt evenwel erkend dat op een aantal punten de exploitatievoorwaarden niet of althans niet volledig worden nageleefd. Die tekortkomingen zouden binnen afzienbare tijd echter weggewerkt worden overeenkomstig een "programma tot regularisatie" waarbij een aantal bijkomende milieu-investeringen in het vooruitzicht worden gesteld. 1.
  12. Aangezien de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant nalaat een beslissing te nemen omtrent het ingediende verzoek, ook nadat de afdeling Milieu-inspectie, na het uitvoeren van een nieuw controlebezoek aan het bedrijf, bij brief van 5 juli 2002 haar oorspronkelijk verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen uitdrukkelijk had gehandhaafd, maakt de afdeling Milieu-inspectie toepassing van artikel 37 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en dient ze op 14 november 2002 bij de Vlaamse regering hetzelfde verzoek in tot opheffing van de lopende milieuvergunningen. De redenen die de voorgestelde maatregel verantwoorden, worden door de afdeling Milieu-inspectie als volgt samengevat : "- Op 02 mei 2000 controleren de toezichthoudende ambtenaren van de afdeling Milieu-inspectie het in hoofding vermelde bedrijf. Tijdens deze controle wordt vastgesteld dat de exploitant niet alle vigerende exploita- tievoorwaarden naleeft (cf. ons Aanvankelijk Proces-Verbaal met nummer 'V/2000/0166' (notitienummer : BR.64.97.3975/00); waarvan kopie in bijlage); - Op 26 maart 2002, stellen de toezichthoudende ambtenaren van de afdeling Milieu-inspectie tijdens een nieuwe controle van de in hoofding vermelde inrichting vast dat de exploitant, met uitzondering van het VII-33.625-5/22 aanleggen van een register voor registratie van de periodieke waterpeil- opmetingen van de vergunde grondwaterwinning, nog steeds geen gevolg geeft aan de door de afdeling Milieu-inspectie d.d. 09 mei 2000 opgelegde saneringsmaatregelen. Met uitzondering van het aanleggen van voormeld register, blijven de, in het door ons opgestelde en hoger vermelde Aanvankelijk Proces-Verbaal 'V/2000/0166' vastgestelde inbreuken (i.c. niet-nageleefde exploitatievoor- waarden), door de exploitant voortgezet; - Op 26 maart 2002 wordt de heer Simon MEIRSSCHAUT, afgevaardigd beheerder van de NV ANALU, formeel gevraagd wat zijn standpunt is inzake enerzijds de vastgestelde inbreuken (i.c. het manifest niet-naleven van de vigerende exploitatievoorwaarden) en anderzijds de hieruit voortvloeiende mogelijkheid voor de bevoegde vergunningverlenende overheid om over te gaan tot schorsing/opheffing van de vigerende milieuvergunning(en). Op deze vraag antwoordt voornoemde dat hij hieromtrent zijn argumenten handhaaft zoals ontwikkeld in zijn brief van 17 september 2001 aan de afdeling Milieu-inspectie (waarvan kopie in bijlage); - Op 26 maart 2002 dient gesteld, rekening houdend met voormelde brief van de NV ANALU (inzonderheid met de passage : '... Alhoewel de anodisatie-activiteit ongeveer break-even is geweest, was Analu de voorbije twee jaar zwaar verlieslatend. De liquiditeitsproblemen vertalen zich in achterstand bij RSZ en Bedrijfsvoorheffing. Er worden maatrege- len genomen om de rendabiliteit te herstellen, maar het is duidelijk dat, teneinde het voortbestaan van de vennootschap te verzekeren, operatione- le kasstromen slechts aan milieumaatregelen kunnen toegewezen zullen kunnen (sic) worden in functie van zeer wel overwogen prioriteiten....'), dat de NV ANALU niet alleen op dit ogenblik, maar ook op termijn gewoonweg niet in staat is en zal zijn om de vigerende exploitatievoor- waarden volledig na te leven. Hierdoor zijn voor de bevoegde vergunningverlenende overheid de voorwaarden, zoals beschreven in artikel 47 § 1 van het VLAREM I, vervuld om bij gemotiveerde beslissing hoger vermelde vigerende milieuvergunningen van de NV ANALU, Steenweg op Peutie 113 te Machelen, volledig op te heffen". 1.
  13. Het blijkt dat een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen op 28 november 2003 een plaatsbezoek aan de inrichting heeft gebracht. Op 18 maart 2004 is hetzelfde gebeurd. 1.
  14. Intussen blijft ook de afdeling Milieu-inspectie gebruik maken van haar toezichtsbevoegdheden, wat op 18 augustus 2004 resulteert in een nieuw proces-verbaal dat de vaststellingen bevat naar aanleiding van een uitgevoerde bedrijfscontrole "teneinde na te gaan in hoeverre nog steeds aan de voorwaarden om over te gaan tot opheffing van (...) milieuvergunningen (van de verzoekende partij) is voldaan". De daarbij gedane vaststellingen blijken rechtstreeks aan de basis te liggen van de tweede bestreden beslissing. Via een nota van 23 augustus 2004 wordt de Vlaamse minister van Leefmilieu namelijk herinnerd aan het op 14 november 2002 ingediende verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen. VII-33.625-6/22 1.
  15. Op 18 januari 2005 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het verzoek van 14 november 2002 van de afdeling Milieu-inspectie in, en beslist hij tot de opheffing van de exploitatie- en milieuvergunningen met betrekking tot de inrichting van de verzoekende partij. Dit besluit vormt de tweede bestreden beslissing. 1.
  16. De opheffing van de lopende milieuvergunningen leidt evenwel niet tot de vrijwillige stopzetting van de vergunningsplichtige activiteiten. Bij een plaatsbezoek, na het opheffen van de vergunningen, stelt de afdeling Milieu- inspectie namelijk vast dat de inrichting verder wordt geëxploiteerd. 1.
  17. De vaststelling dat de inrichting zonder vergunning verder wordt geëxploiteerd brengt de afdeling Milieu-inspectie er op 31 januari 2005 toe de burgemeester van de gemeente MACHELEN, de eerste verwerende partij, formeel te verzoeken "de nodige maatregelen te nemen om de exploitatie (...) stop te zetten en zo nodig het bedrijf te sluiten". 1.
  18. Op 3 februari 2005 vindt op initiatief van de eerste verwerende partij een "hoorzitting" plaats waarop, naast de gedelegeerd bestuurder van de verzoekende partij, ook een vertegenwoordiger van de afdeling Milieu-inspectie aanwezig is. Als conclusie van die vergadering kondigt zij aan dat zij op grond van artikel 65, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) spoedig de stopzetting van de activiteiten zal bevelen met ingang vanaf 15 mei
  19. 1.
  20. Op 24 februari 2005 beveelt de eerste verwerende partij om met ingang van 15 mei 2005 de "illegaal geëxploiteerde Vlarem-vergunningsplichtige activiteiten/installaties" stop te zetten. Dit is de eerste bestreden beslissing.
  21. Het beroep tegen het besluit tot opheffing van de vergunningen van de NV ANALU (het besluit van 18 januari 2005; het tweede voorwerp van het beroep) 2.1.
  22. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 36 en 37 van het milieuvergunningsdecreet. Die bepalingen laten de minister toe een milieuvergunning op te heffen wanneer de deputatie "niet of VII-33.625-7/22 onvolkomen optreedt", maar in dit geval heeft de minister zich niet regelmatig in de plaats van de deputatie kunnen stellen. Aan de deputatie kan immers niet verweten worden dat zij, na ontvangst van het verzoek tot opheffing van de milieuvergunningen op 3 april 2002, niet of onvolkomen gehandeld zou hebben. Vooreerst niet omdat de minister zelf en zonder veel aandringen meer dan twee jaar nodig gehad heeft om tot een besluit te komen en vervolgens niet omdat de deputatie wel degelijk correct gehandeld heeft. Aldus heeft zij bij brief van 9 april 2002 aan de afdeling Milieu-inspectie medegedeeld dat zij na het verkrijgen van een advies een beslissing zou nemen, heeft zij vervolgens de argumentatie van de verzoekende partij aan de afdeling Milieu-inspectie medegedeeld en heeft zij van de afdeling Milieu-inspectie als antwoord gekregen dat informatie werd ingewonnen bij de dienst handelsonderzoeken van de rechtbank van koophandel te Brussel en dat deze haar op de hoogte zou stellen van het resultaat van die vraag om inlichtingen. Daaruit bleek dat het dossier "nog niet meteen in staat was om (...) te beslissen" en toch heeft de afdeling Milieu-inspectie dan zonder meer op 14 november 2002 de vraag tot opheffing onmiddellijk aan de minister overgemaakt. In ieder geval moet worden vastgesteld dat het verzoek tot opheffing, waarover de minister een beslissing genomen heeft, steun vindt in bevindingen die op 18 augustus 2004 gedaan zijn en derhalve verwijst naar een geheel ander feitelijk kader dan datgene waarover de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant te beslissen had, zodat er in feite uitspraak gedaan is over een nieuw voorstel tot opheffing waarover enkel de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant een uitspraak mocht doen. 2.1.
  23. De tweede verwerende partij zet in haar memorie van antwoord uiteen dat de minister pas zes maanden na de vraag tot opheffing aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant gevat werd en dat de bestendige deputatie op de aan haar gestelde vraag enkel gereageerd heeft met een ontvangstmelding van 9 april
  24. Krachtens artikel 37 van het milieuvergunnings- decreet beschikte de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant over een redelijke termijn om te beslissen en in dit geval zijn meer dan vier maanden verlopen nadat de bestendige deputatie op 5 juli 2002 kennis had gekregen van het advies van de afdeling Milieu-inspectie. Mede gelet op het manifest karakter van de inbreuken en de tijd die zij voordien reeds had gekregen om zich in regel te stellen, is de bestendige deputatie niet binnen een redelijke termijn opgetreden. De termijn die de minister zelf nodig gehad heeft om een beslissing te treffen, kan niet betrokken worden bij de beoordeling van de redelijke termijn waarbinnen de bestendige deputatie moet beslissen. Er kan ook niet gesteld worden dat er zich VII-33.625-8/22 binnen die periode wijzigingen in de exploitatie hebben voorgedaan. Evenmin kan rekening gehouden worden met de omstandigheid dat de afdeling Milieu-inspectie verwezen zou hebben naar de mededeling van niet-verplichte inlichtingen die zij nog zou opsturen, want de verantwoordelijkheid om te beslissen berust bij de bestendige deputatie. De bestreden beslissing is genomen op grond van geactualiseerde informatie, verkregen op 18 augustus 2004 en die informatie vormt een deugdelijke grondslag voor de opheffing van de milieuvergunningen van de verzoekende partij. 2.1.
  25. De verzoekende partij benadrukt in haar repliek dat de afdeling Milieu-inspectie op 5 juli 2002 aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant heeft laten weten dat het dossier nog niet volledig was omdat er inlichtingen bij de rechtbank van koophandel werden ingewonnen en dat het derhalve niet zeker was of de afdeling Milieu-inspectie haar verzoek tot opheffing wel handhaafde. Er mag dan ook niet gesteld worden dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant niet gereageerd heeft op de vraag tot opheffing. Zij mocht er integendeel vanuit gaan dat de afdeling Milieu-inspectie haar vraag tot opheffing, in het licht van de verkregen inlichtingen en gelet op de motiveringsverplichting ingesteld door artikel 47, § 2, 2/, tweede lid, van Vlarem I, bijkomend zou staven. 2.1.
  26. Het verzoek tot opheffing van de lopende milieuvergunningen werd initieel op 3 april 2002 aanhangig gemaakt bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Dit is de overheid die overeenkomstig artikel 36, § 1, van het milieuvergunningsdecreet normaal bevoegd was om, in eerste aanleg, over de schorsing of opheffing van de aan de verzoekende partij verleende vergunningen te beslissen. Artikel 37 van hetzelfde decreet biedt de mogelijkheid van in de plaatsstelling door de Vlaamse regering wanneer "de bevoegde overheid niet of onvolkomen optreedt". Bij de totstandkoming van de hier besproken beslissing is die bepaling toegepast. 2.1.
  27. Uit het administratief dossier blijkt dat de procedure zich na het indienen van het opheffingsverzoek bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant als volgt ontwikkeld heeft : VII-33.625-9/22 - op 9 april 2002 wordt door de gemachtigde ambtenaar van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant ontvangst gemeld van het ingediende verzoek; in dat schrijven wordt tevens vermeld dat over het verzoek advies zal worden uitgebracht binnen een termijn van 60 dagen "waarna er door de bestendige deputatie een beslissing zal getroffen worden"; - op 5 juni 2002 dringt de verzoekende partij er bij de bestendige deputatie op aan om niet in te gaan op het verzoek van de afdeling Milieu-inspectie; in dat schrijven wordt punt per punt gereageerd op de vaststellingen van de toezichthoudende ambtenaren en de beweerde tekortkomingen bij het naleven van de exploitatievoorwaarden; - met een schrijven van 17 juni 2002 wordt aan de afdeling Milieu-inspectie kennis gegeven van het verweer van de exploitant en wordt zij verzocht aan de bestendige deputatie mee te delen of het verzoek tot opheffing gehandhaafd blijft in het licht van het door de exploitant geformuleerde verweer; - op 5 juli 2002 antwoordt de afdeling Milieu-inspectie op voormeld verzoek van 17 juni 2002; de directeur-ingenieur van de afdeling schrijft inzonderheid : "Op 03 juli 2002 voerden de toezichthoudende ambtenaren van mijn dienst, na voorafgaande afspraak met de NV ANALU te Machelen, nogmaals een controle uit op voormeld bedrijf teneinde na te gaan inhoeverre de exploitant alsnog gevolg gaf aan de opgelegde saneringsmaatregelen. In bijlage vindt U het verslag van deze inspectie. Verder delen wij U mede dat de Rb van Koophandel (dienst Handelsonderzoeken) te Brussel, omwille van de tegenstrijdige berichtgeving door de NV ANALU, door mijn dienst werd verzocht om na te gaan of de continuïteit van voormeld bedrijf op financieel vlak nu al dan niet in het gedrang is. (cf. kopie in bijlage) Zodra wij hieromtrent bericht ontvangen van voormelde rechtbank, zullen wij Uw dienst hiervan onverwijld in kennis stellen. Tot slot stellen wij vast dat het door de NV ANALU d.d. 05 juni 2002 ingediende bezwaarschrift, in bijlage gevoegd aan Uw in hoofding vermeld schrijven, tal van onjuistheden, onnauwkeurigheden en vage beloften bevat (inhoud te vergelijken met onze vaststellingen d.d. 03 juli 2002). Hierbij dient opgemerkt dat de exploitant in zijn bezwaarschrift expliciet toegeeft dat een aantal essentiële exploitatievoorwaarden nog steeds niet worden nageleefd. Bovendien wordt, door het ontbreken van een zeer concreet saneringsschema in voormeld bezwaarschrift, nogmaals bevestigd dat de kans dat de huidige exploitant alsnog de nodige investeringen zal doen teneinde de inrichting conform de vigerende exploitatievoorschriften te exploiteren zo goed als onbestaande is. Gelet dat meer dan twee

(2)jaar na vaststelling van de inbreuken (cf. ons Aanvankelijk Proces-Verbaal V/2000/0166 d.d. 02 mei 2000), de NV ANALU tot op heden nog steeds geen volledig gevolg heeft gegeven aan de opgelegde saneringsmaatregelen, en nog steeds een aantal essentiële exploitatievoorwaarden niet naleeft (cf. inspectieverslag d.d. 03 juli 2002), handhaven wij dan ook ons verzoek van 03 april 2002 tot volledige opheffing van de aan de NV ANALU te Machelen afgeleverde vigerende milieuvergunning(en)"; VII-33.625-10/22 - aangezien ook in de daaropvolgende maanden een beslissing ten gronde van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant uitblijft, maakt de afdeling Milieu-inspectie op 14 november 2002 haar verzoek uiteindelijk over aan de Vlaamse regering. 2.1.
  1. Het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, zeven maanden na het indienen van een gehandhaafd verzoek tot opheffing van de geldende milieuvergunningen, wordt, rekening houdend met de hiervoor geschetste omstandigheden, beschouwd als een geval van niet of onvoldoende optreden in de zin van artikel 37, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet. 2.1.
  2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, heeft de afdeling Milieu-inspectie op geen enkel moment laten uitschijnen dat het dossier "nog niet meteen in staat was". Over de strekking van de hierboven weergegeven brief van 5 juli 2002 kan immers geen twijfel bestaan : de afdeling Milieu-inspectie dringt verder aan op de opheffing van de vergunningen omdat uit een pas uitgevoerde bedrijfscontrole blijkt dat de exploitant "nog steeds geen volledig gevolg heeft gegeven aan de oplegde saneringsmaatregelen, en nog steeds een aantal essentiële exploitatievoorwaarden niet naleeft". De handhaving van het verzoek van de afdeling Milieu-inspectie is ook niet afhankelijk gesteld van het resultaat van het terloops aangekondigde onderzoek van de dienst handelsonderzoeken van de rechtbank van koophandel, dat overigens in geen geval betrekking kon hebben op de naleving van de milieuwetgeving door de verzoekende partij, terwijl dit het enige criterium is op grond waarvan de vergunning opgeheven kan worden. In de voormelde brief van 5 juli 2002 kon de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant dan ook niet lezen dat enige bijkomende informatie van de rechtbank van koophandel een conditio sine qua non was om het verzoek tot opheffing voort te kunnen onderzoeken. Daargelaten de vraag of de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de vraag tot opheffing buiten beschouwing mocht laten omdat zij niet gemotiveerd was, kan te dezen voorts ook vastgesteld worden dat de vraag van de afdeling Milieu-inspectie in alle duidelijkheid verwijst naar de omstandigheid dat de verzoekende partij sinds 2000 voortdurend nagelaten heeft om passend gevolg te geven aan de onderrichtingen en maatregelen van de VII-33.625-11/22 toezichthoudende ambtenaren en zulks ondanks het herhaald toekennen van uitstel voor het uitvoeren van de nodige saneringsmaatregelen. De vraag was alzo wel voldoende en deugdelijk gemotiveerd. In die omstandigheden belette niets de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de vraag tot opheffing te onderzoeken en onverwijld daarover uitspraak te doen. 2.1.
  3. Het gegeven dat de procedure vervolgens op het niveau van de Vlaamse regering circa twee jaar en twee maanden heeft aangesleept staat los van de vraag of de bestendige deputatie al dan niet "niet of onvolkomen" is opgetreden in de zin van artikel 37, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet. 2.1.
  4. Daarenboven blijkt uit het dossier dat gedurende de voormelde tijdsspanne van circa twee jaar de betrokken inrichting bijna voortdurend werd gecontroleerd op het naleven van de geldende exploitatievoorwaarden en de uitvoering van de aanmaningen en onderrichtingen die uiteindelijk tot het verzoek tot opheffing van de vergunningen hebben geleid. Het voormelde tijdsverloop is derhalve niet te wijten aan het stilzitten van de ministeriële diensten. Een gedeelte van dat tijdsverloop is overigens aan de verzoekende partij zelf ten goede gekomen doordat zij herhaaldelijk uitstel heeft gekregen om de vastgestelde tekortkomingen weg te werken. 2.1.
  5. De bewering van de verzoekende partij dat de afdeling Milieu- inspectie gedurende meer dan twee jaar niet meer heeft aangedrongen op haar verzoek tot opheffing, waardoor aan dat verzoek zou zijn "verzaakt", kan niet worden aangenomen. Alleen al aan de hand van een eenvoudige lezing van het (tweede) bestreden besluit kan worden vastgesteld dat na 14 november 2002 minstens vier controles ter plaatse in het teken stonden van de opvolging van het verzoek tot opheffing : 28 november 2003, een plaatsbezoek van de afdeling Milieuvergunningen; op 10 februari 2004, proces-verbaal wegens het overschrijden van de lozingsnormen; op 18 maart 2004, nieuw plaatsbezoek van de afdeling Milieuvergunningen; op 18 augustus 2004, controle door de afdeling Milieu- inspectie "teneinde na te gaan in hoeverre nog steeds aan de voorwaarden om over te gaan tot opheffing van milieuvergunningen van Analu is voldaan". 2.1.
  6. Het eerste middel is niet gegrond. VII-33.625-12/22 2.2.
  7. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 5.29.0.9 en 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van het zorgvuldigheids- en van het evenredigheidsbeginsel, doordat het (tweede) bestreden besluit steunt op vaststellingen van de afdeling Milieu-inspectie van 18 augustus 2004 die niet met de werkelijkheid stroken en doordat de minister meteen de zwaarst mogelijke sanctie, met name de opheffing van de vergunningen, oplegt, terwijl de feitelijke gegevens waarop het besluit steunt correct moeten zijn en terwijl het onredelijk is om de zwaarste sanctie op te leggen, zeker nu de verwerende partij niet betwist dat zij aan diverse opmerkingen van de afdeling Milieu-inspectie tegemoet gekomen is. Zij betoogt dat de bestreden beslissing verwijst naar 15 inbreuken op de milieureglementering en betwist het bestaan van die inbreuken. In de toelichting bij het middel, die in het arrest van de Raad van State nr. 147.140 van 30 juni 2005 letterlijk geciteerd is, zet de verzoekende partij in essentie uiteen dat het bestreden besluit in feite steunt op 15 inbreuken op de milieuwetgeving die tijdens een controleonderzoek van 18 augustus 2004 door de controleambtenaren vastgesteld zijn, maar dat voor elk van die inbreuken een aanvaardbare uitleg bestaat en dat het bestaan van inbreuken in ieder geval ontkend wordt. Minstens is het kennelijk onredelijk om onmiddellijk de zwaarste sanctie op te leggen, terwijl het bestreden besluit toch ook overweegt dat de verzoekende partij zich met de nodige aanpassingen toch in regel kan stellen en dat zij daarvoor reeds respijt gekregen heeft. 2.2.
  8. De tweede verwerende partij herneemt het antwoord dat zij in haar nota met opmerkingen in de schorsingszaak heeft uiteengezet. Sterk samengevat zet zij daarin uiteen dat het proces-verbaal van 18 augustus 2004 bewijswaarde heeft, dat de inbreuken verwijzen naar vaststellingen die tijdens dat onderzoek gedaan zijn en die met de werkelijkheid overeenstemmen en dat er zulke ernstige inbreuken vastgesteld zijn dat het bedrijf eigenlijk omgevormd diende te worden, hetgeen de verzoekende partij post factum zelf aanvaardt waar zij belangrijke milieu- investeringen suggereert. De bestreden beslissing steunt aldus op juiste en degelijke argumenten en is het resultaat van een zorgvuldig onderzoek van de verwerende partij. Van een onredelijk besluit is overigens geen sprake, want de verzoekende partij heeft jarenlang haar manifeste verplichtingen als exploitant verwaarloosd. VII-33.625-13/22 2.2.
  9. In haar repliek stelt de verzoekende partij nog dat de situatie op het ogenblik dat het bestreden besluit genomen werd, grondig verschilde van de situatie die de verbalisanten op 18 augustus 2004 genoteerd hebben en dat de verwerende partij de verplichting had om een volledig en relevant onderzoek te voeren naar de feiten die een verantwoorde beslissing konden rechtvaardigen. 2.2.
  10. In haar laatste memorie verwijst de verzoekende partij ook nog naar een schrijven van 24 augustus 2005 van de directeur-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Milieuvergunningen waarin deze stelt dat de verzoekende partij voldoet aan de milieuvoorwaarden en dat het ministerieel besluit van 18 januari 2005 "kan worden opgeheven". Zij besluit daaruit dat de vaststellingen van de afdeling Milieu-inspectie van 18 augustus 2004 "niet stroken met de werkelijkheid". 2.2.
  11. De tweede verwerende partij antwoordt daarop dat de brief van 24 augustus 2005 "een aantal substantiële inbreuken onbesproken (laat)" - zij verwijst naar de lozingen van het bedrijfsafvalwater, het opvangen van de procesvloeistoffen, de aantasting van de vloer en de wanden der inkuiping, het controleprogramma voor de opslag van agressieve stoffen, de instructies voor de werknemers en de gebrekkige veiligheidssignalisatie - zodat de grondslag van het opheffingsbesluit daardoor niet in het gedrang komt. 2.2.
  12. De (tweede) bestreden beslissing steunt in belangrijke mate op de vaststellingen die de afdeling Milieu-inspectie gedaan heeft naar aanleiding van een controlebezoek aan de inrichting op 18 augustus
  13. Het bestreden besluit bevat in dat verband een opsomming van een groot aantal tekortkomingen die aan de exploitant worden verweten. Daarnaast bevat het bestreden besluit ook nog een eigen motivering waarin onder meer gesteld wordt dat "de volledige inrichting zou moeten gerenoveerd worden", de "baden niet in een vloeistofdichte inkuiping staan", dat de "vloer rondom en onder de baden is aangetast door de gebruikte producten", dat er "geen afzuiging voorzien is zoals gesteld wordt in artikel 5.29.0.9, 5/ van titel II van het VLAREM" waardoor de werknemers op een onverantwoorde wijze worden blootgesteld aan zwavelzuurdampen, en dat de gevaarlijke producten opgesteld staan in een met zwavelzuur en salpeterzuur aangetaste inkuiping die relatief rudimentair is en waarvan niet kan worden gezegd of ze vloeistofdicht en voldoende gedimensioneerd is. VII-33.625-14/22 Vervolgens worden een aantal motieven opgegeven die de bestreden maatregel tot opheffing van de milieuvergunningen van de verzoekende partij in het bijzonder schragen : "Overwegende dat na het plaatsbezoek een algemene indruk van 'verwaarlozing' achterbleef; dat hier jaren gewerkt is geweest zonder dat de nodige investeringen/inspanningen werden gedaan; dat dit ook naar arbeidsveiligheid toe niet te tolereren valt; Overwegende dat het overduidelijk is dat de exploitant tijdens de behandelingsperiode van dit opheffingsverzoek meer dan genoeg de tijd heeft gekregen om te kunnen aantonen dat hij wel degelijk de nodige aanpassingen kan/kon uitvoeren; dat er verschillende plaatsbezoeken zijn geweest waaruit spijtig genoeg enkel kon worden geconcludeerd dat hij op dezelfde manier blijft verder werken; Overwegende dat de exploitant reeds ruim de tijd heeft gekregen om zijn nodige aanpassingen/investeringen door te voeren; dat dit telkens op papier wel werd beloofd, doch dat er blijkbaar niet veel van is uitgevoerd". 2.2.
  14. De verzoekende partij bekritiseert punt per punt de deugdelijkheid van de motieven die tot de bestreden beslissing geleid hebben. In tegenstelling met wat de verzoekende partij stelt, zijn die motieven wel ruimer dan de 15 inbreuken die vastgesteld werden tijdens het controleonderzoek van 18 augustus
  15. 2.2.
  16. Wat betreft de kritiek op de vaststellingen tijdens het controleonderzoek van 18 augustus 2004, dient vooreerst vastgesteld te worden dat een aantal onder hen betrekking heeft op het niet-voorleggen van een aantal documenten en attesten, zoals het bewijs van aanstelling van een milieucoördinator, het bewijs van het indienen van een technisch verslag met betrekking tot het watergebruik, een keuringsrapport van de elektrische installatie of een brandweerrapport. De verzoekende partij wijst op de irrelevantie van deze vaststellingen omdat zij de betreffende documenten wel degelijk bezit of omdat zij inmiddels aan de gestelde voorwaarde voldaan heeft, maar dit belet niet dat de bevoegde ambtenaren op 18 augustus 2004 hebben kunnen vaststellen dat de documenten en attesten dan niet werden voorgelegd. Aangezien de verzoekende partij reeds medio 2000 door de afdeling Milieu-inspectie was aangemaand een reeks documenten aan het bestuur te bezorgen, konden de bevoegde ambtenaren op 18 augustus 2004 in alle redelijkheid het niet-voorleggen van deze documenten als een inbreuk weerhouden en kon de minister dit als motief voor het bestreden besluit aanhouden, zonder nog verder acht te slaan op de zogenaamde wijziging van het feitelijk kader dat sinds het inspectieverslag van 18 augustus 2004 gebeurd zou zijn. VII-33.625-15/22 2.2.
  17. Voor het overige toont de verzoekende partij met haar punctuele kritiek tegen diverse vaststellingen gemaakt tijdens het inspectieverslag van 18 augustus 2004 niet aan dat deze inbreuken geen geldig motief voor het bestreden besluit konden vormen : - met het in voorliggend geding neerleggen van een bewijs dat wel degelijk een milieucoördinator op het bedrijf werd aangesteld, wordt niet tegengesproken dat dat bewijs op 18 augustus 2004 op vraag van de afdeling Milieu-inspectie niet kon worden voorgelegd; - hetzelfde kan worden gesteld met betrekking tot het technisch verslag inzake de watervoorziening en waterverbruik, en met betrekking tot de vraag of de elektrische installatie voldoet aan de voorschriften terzake van het ARAB en het AREI; - met de door de verzoekende partij neergelegde brief van 19 april 2000, gericht tot de eerste verwerende partij, wordt niet aangetoond dat "het bepalen en aanbrengen van de vereiste brandbestrijdingsmiddelen gebeurde in overleg met de plaatselijke brandweer"; evenmin wordt daarmee ontkracht dat de afdeling Milieu-inspectie op 18 augustus 2004 geen inzage heeft gekregen in een brandweerrapport; - met het gegeven dat de twee askarelhoudende transformatoren in december 2004, dus ná de inspectie op 18 augustus 2004, zouden zijn verwijderd wordt niet tegengesproken dat die transformatoren op het ogenblik van de inspectie nog niet verwijderd waren en dat de aanwezige bedrijfsverantwoordelijke geen antwoord kon verschaffen op de vraag door wie en wanneer die transformatoren zouden worden verwijderd; - dat de bedoelde veiligheidssignalisatie en het deursluitingsmechanisme wel aanwezig zouden zijn geweest is een eenzijdige, niet bewezen, bewering van de verzoekende partij die de Raad van State niet kan controleren; in ieder geval vormt die niet bewezen bewering geen aanleiding om de juistheid van de vaststellingen van de afdeling Milieu-inspectie in twijfel te trekken; - het gegeven dat de verzoekende partij thans een keuringsattest kan voorleggen van de compressor is niet in tegenspraak met de vaststelling dat zij zulks niet kon tijdens het controlebezoek van de afdeling Milieu-inspectie op 18 augustus 2004; - de verzoekende partij toont niet aan dat een "onderhoudsboek" dat wordt bijgehouden door onderhoudstechnici hetzelfde is als het controleprogramma met betrekking tot de installaties voor de opslag van agressieve vloeistoffen dat door de toezichthoudende ambtenaren wordt bedoeld; VII-33.625-16/22 - met betrekking tot de voorlegging van een attest met betrekking tot de bovengrondse houder voor gasolie kan worden herhaald dat aan de verzoekende partij enkel werd gevraagd zulk attest voor te leggen en dat daarop niet kon worden ingegaan op het ogenblik van het controlebezoek; - de vaststelling dat aan de werknemers geen schriftelijke onderrichtingen zijn gegeven voor het geval dat zich een calamiteit voordoet, wordt door de verzoekende partij louter ontkend zonder evenwel daaromtrent enig concreet bewijs bij te brengen; - indien de toezichthoudende ambtenaren genoegen zouden hebben genomen met de zogenaamde MSDS-fiches van de gevaarlijke stoffen en deze fiches op het bedrijf ruimverspreid aanwezig zouden zijn in de burelen en in de refter, valt niet in te zien waarom ze niet op eenvoudig verzoek konden worden voorgelegd tijdens de inspectie die op 18 augustus 2004 heeft plaatsgevonden. 2.2.
  18. Naast de voormelde tekortkomingen die de controleambtenaren tijdens het inspectiebezoek van 18 augustus 2004 bij de verzoekende partij hebben vastgesteld, steunt het opheffingsbesluit ook nog op een aantal tekortkomingen op het vlak van het naleven van de vergunningsvoorwaarden bij het eigenlijke productieproces, die daarom inhoudelijk zwaar doorwegen. Concreet verwijst het bestreden besluit aldus naar de "algemene indruk van 'verwaarlozing'" als gevolg van het langdurig uitblijven van de nodige investeringen, van de toestand van de procesbaden waar met gevaarlijke stoffen gewerkt wordt en hun inkuiping, de afvoer van de afvalstoffen en het lozen van het afvalwater. Daarenboven wordt aan de exploitant ook ten kwade geduid dat, hoewel hem steeds de tijd is gelaten om aanpassingswerken uit te voeren en de nodige investeringen te doen en hij ter zake ook herhaalde beloftes gedaan heeft, hij is blijven nalaten grondige maatregelen te nemen om zich, naar de toekomst toe, aan de vergunningsvoorwaarden te kunnen houden. De kritiek die de verzoekende partij op deze motieven formuleert wordt als volgt beoordeeld : - in zijn reactie op het tot de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant gerichte voorstel tot opheffing van de milieuvergunningen heeft de afgevaardigd-bestuurder van de verzoekende partij op 5 juni 2002 verklaard dat met een gespecialiseerde firma een afspraak werd gemaakt om de vloeistofdichtheid van de inkuiping terug te "herstellen"; uit die verklaring kan terecht worden afgeleid dat de vloeistofdichtheid effectief een probleem vormde; voor het overige zwijgt de verzoekende partij er in alle talen over of VII-33.625-17/22 die belofte ook daadwerkelijk werd uitgevoerd; bovendien is het weinig geloofwaardig om thans te verwijzen naar een verklaring van de milieucoördinator die pas op 23 maart 2005, dit is ruim twee maanden ná de opheffing van de vergunningen, werd opgesteld; - met betrekking tot het aspect van de bekleding van de zijwanden gelden dezelfde bemerkingen; in zijn schrijven van 5 juni 2002 heeft de afgevaardigd-bestuurder van de verzoekende partij verklaard dat "een aantal gespecialiseerde firma's werd gecontacteerd voor het opmaken van een bestek om de zijwanden te voorzien van een inerte bekleding"; die belofte werd blijkbaar niet nagekomen en de verzoekende partij beweert zelfs niet dat de inerte bekleding thans is aangebracht; - met betrekking tot de kwaliteit van het geloosde bedrijfsafvalwater valt niet in te zien hoe niet-gestaafde verklaringen van de milieucoördinator kunnen opwegen tegen de vaststellingen van de afdeling Milieu-inspectie die gebaseerd zijn op herhaalde metingen waarvan de resultaten in het bestreden besluit vermeld worden (quasi continue pH-emissiegrenswaarde-overschrijdingen); - wat betreft de beweerde blootstelling van de werknemers aan schadelijke dampen, kan ten slotte opgemerkt worden dat de verzoekende partij niet betwist dat de proceskuipen niet zijn uitgerust met een doelmatige afzuiginrichting, zoals wordt vereist door artikel 5.29.0.9, 5/, van Vlarem II. Aangezien het aanbrengen van dergelijke afzuiginrichting een dwingende exploitatie- voorwaarde is waarvan de verzoekende partij de toepasselijkheid niet betwist, is het van geen belang dat metingen, die ten andere pas uitgevoerd werden na het nemen van de bestreden beslissing, zouden aantonen dat de concentratie van zwavelzuurdampen beneden de grenswaarden blijft. 2.2.
  19. De verzoekende partij stelt nog dat de gebrekkigheid van de motieven blijkt uit de brief van de directeur-generaal van de afdeling Milieuvergunningen van 24 augustus
  20. De tweede verwerende partij antwoordt daar terecht op dat die brief een aantal inbreuken die de bestreden beslissing mede ondersteunen, onbesproken laat. Bovendien formuleert de directeur-generaal zijn conclusie op basis van een bedrijfsbezoek van 16 mei 2005 en derhalve op basis van gewijzigde feitelijke omstandigheden. In deze brief kan geen bewijs worden gevonden van de ondeugdelijkheid van de motieven waarop het bestreden besluit steunt. VII-33.625-18/22 2.2.
  21. De kritiek van de verzoekende partij op de motieven van het (tweede) bestreden besluit is niet gegrond. De tweede verwerende partij kon in die motieven een regelmatige grondslag vinden om op te treden tegen de inrichting van de verzoekende partij. Rekening houdend met de weinig coöperatieve houding waarvan de verzoekende partij jarenlang blijk gegeven heeft en de omstandigheid dat de tekortkomingen, die rechtstreeks de werking van de inrichting betreffen, gevaar inhouden, kan de tweede verwerende partij niet verweten worden kennelijk onredelijk gehandeld te hebben wanneer zij besloten heeft om de vergunningen van de verzoekende partij niet te schorsen maar ze onmiddellijk op het heffen. 2.2.
  22. Het tweede middel is niet gegrond. 2.3.
  23. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de hoorplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel doordat zij niet in kennis gesteld is van en derhalve ook niet de gelegenheid gekregen heeft om haar standpunt kenbaar te maken aangaande de vaststellingen die de aangestelde ambtenaren op 18 augustus 2004 hebben gedaan. 2.3.
  24. De tweede verwerende partij antwoordt daarop dat de reglementering niet voorziet in het horen, noch in de mededeling van een inspectieverslag. In ieder geval wist de verzoekende partij wat er op 18 augustus 2004 gebeurd is, met name was zij vooraf verwittigd van het inspectiebezoek en was haar vooraf gevraagd om alle documenten en attesten klaar te leggen. De exploitant had vooraf zijn aanwezigheid gedurende de inspectie toegezegd en de inspectie verliep met inachtneming van het verslag van de inspectie van 3 juli 2002 en de daarbij vastgestelde overtredingen. Net zoals de verzoekende partij in het verleden reacties geuit heeft, had zij ook nu haar grieven met betrekking tot de inspectie van 18 augustus 2004 kunnen uiten. Sinds mei 2000 wordt de verzoekende partij continu geconfronteerd met vaststellingen van overtredingen van de exploitatievoorwaarden en er is haar reeds op 26 maart 2002 medegedeeld dat de tekortkomingen zouden kunnen leiden tot de opheffing van haar milieuvergunningen. De verzoekende partij heeft er een gewoonte van gemaakt om de bal in het kamp van de overheid te leggen, zij is niet te goeder trouw en zij kan zich nu niet op haar eigen nalatigheden beroepen om aan het bestuur een gebrek aan zorgvuldigheid of redelijkheid te verwijten. 2.3.
  25. In haar repliek herhaalt de verzoekende partij dat zij geen kennis gekregen heeft van de vaststellingen gemaakt op 18 augustus 2004 en dat zij niet VII-33.625-19/22 heeft kunnen reageren alvorens een voor haar zeer zwaarwichtige maatregel genomen werd. 2.3.
  26. Vanaf het opstellen van het aanvankelijk proces-verbaal van de afdeling Milieu-inspectie van 2 mei 2000 tot het nemen van de thans bestreden beslissing waarbij de milieuvergunningen worden opgeheven is continu aan de verzoekende partij het verwijt gericht dat zij in overtreding was met verschillende exploitatievoorwaarden. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij op verschillende momenten heeft kunnen reageren op het standpunt van de afdeling Milieu-inspectie en dat zij soms ook daadwerkelijk gereageerd heeft op hetgeen haar door de toezichthoudende ambtenaren werd verweten. Zo heeft de verzoekende partij in een brief van 5 juni 2002 de opmerkingen van de afdeling Milieu-inspectie punt voor punt weerlegd; zij werd ook uitgenodigd om aanwezig te zijn bij het inspectiebezoek van 18 augustus
  27. De verzoekende partij blijkt er ook op te zijn gewezen dat de ten laste gelegde tekortkomingen uiteindelijk zouden kunnen leiden tot de opheffing van de verleende milieuvergunningen. Zo blijkt uit het proces-verbaal van de afdeling Milieu-inspectie van 26 maart 2002 dat de afgevaardigd-bestuurder van de verzoekende partij uitdrukkelijk geconfronteerd is geweest met de mogelijkheid dat de vastgestelde inbreuken op de vigerende exploitatievoorwaarden kunnen leiden tot de schorsing of opheffing van de geldende vergunningen. De gegevens van het dossier tonen voldoende aan dat de verzoekende partij meerdere kansen heeft gehad om, vooraleer het bestreden besluit getroffen werd, te reageren op de haar ten laste gelegde tekortkomingen en dat zij zulks bij enkele gelegenheden ook effectief heeft gedaan. De expliciete mededeling van het verslag van het controleonderzoek van 18 augustus 2004, dat in wezen slechts de actualisering vormde van de toestand zoals die reeds in 2002 bestond en waartegen de verzoekende partij zich ook verweerd heeft, had de verzoekende partij geen uitzicht op een betere verdedigingsmogelijkheid geboden. 2.3.
  28. Het recht om gehoord te worden reikt niet zó ver dat een exploitant aan wie reeds gedurende lange tijd uitstel werd gegeven om tegemoet te komen aan de door de afdeling Milieu-inspectie vastgestelde inbreuken en die reeds meermaals concrete maatregelen in het vooruitzicht heeft gesteld, maar die dan zelf steeds in gebreke blijft om zijn eigen engagementen te concretiseren en zich louter defensief opstelt tegenover het bestuur, telkens opnieuw en eindeloos de kans moet VII-33.625-20/22 krijgen om te reageren. In dit geval wist de verzoekende partij, toen zij uitgenodigd werd om aanwezig te zijn bij het controlebezoek van 18 augustus 2004, terdege wat haar boven het hoofd hing, zodat de tweede verwerende partij daar geen correspondentie meer over hoefde te voeren. 2.3.
  29. Het derde middel is niet gegrond.
  30. Het beroep tegen het besluit tot stopzetting van de activiteiten (het besluit van 24 februari 2005; het eerste voorwerp van het beroep) 3.
  31. Het (eerste) bestreden besluit waarbij de eerste verwerende partij de verzoekende partij het bevel geeft de activiteiten stop te zetten is genomen ter uitvoering van artikel 38 van het milieuvergunningsdecreet. Die bepaling verleent aan de burgemeester geen beoordelingsruimte, maar verplicht hem de nodige maatregelen te treffen om de exploitatie stop te zetten en zo nodig de inrichting te sluiten, wanneer op administratief niveau definitief beslist is over de schorsing of de opheffing van de vergunning. Te dezen is dit gebeurd met het ministerieel besluit van 18 januari
  32. 3.
  33. De verwerping van het beroep tegen het ministerieel besluit van 18 januari 2005 heeft tot gevolg dat die beslissing definitief een plaats verwerft in het rechtsbestel en dat de rechtstoestand van de verzoekende partij deze is van een onderneming die over geen milieuvergunning meer beschikt en die derhalve, krachtens het milieuvergunningsdecreet zelf, haar uitbating moet stopzetten. De eerste verwerende partij heeft met haar besluit van 24 februari 2005 die toestand bevestigd en daaraan toegevoegd dat de stopzetting diende te gebeuren op 15 mei
  34. Dat uitvoeringsbesluit op zich heeft de rechtstoestand van de verzoekende partij niet gewijzigd. Dit annulatieberoep is niet ontvankelijk, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. VII-33.625-21/22 Artikel
  36. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de failliete boedel van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de failliete boedel van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.625-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.848 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.907 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.