← België

Arrest 192850 - Milieuvergunningen - 30/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.850 Rolnummer: A. 166989/VII-34782 Zaak: Arrest 192850 - Milieuvergunningen - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-13 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.850 van 30 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.850 van 30 april 2009 in de zaak A. 166.989/VII-34.

  1. In zake : Doris DENIS, die woonplaats kiest bij advocaat E. VAN GERVEN, kantoor houdende te LOCHRISTI, Dorp-West 73 tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. tussenkomende partij : de BVBA GROENBURO, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT Kasteellaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Doris DENIS op 19 oktober 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 11 augustus 2005 waarbij haar beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wachtebeke van 14 december 2004, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA GROENBURO voor het veranderen van een bedrijf voor tuinaanleg en tuinonderhoud, gelegen aan de Overslagdijk 62a te Wachtebeke, gedeeltelijk wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de BVBA GROENBURO de vergunning wordt verleend; Gelet op het arrest nr. 153.194 van 27 december 2005 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de BVBA GROENBURO in het administratief kort geding wordt ingewilligd, de debatten worden heropend en de zaak opnieuw wordt vastgesteld; VII-34.782-1/13 Gelet op het arrest nr. 155.124 van 16 februari 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 6 april 2006 ingediend door de BVBA GROENBURO; Gelet op de beschikking van 10 april 2006 die de tussenkomst van de BVBA GROENBURO toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. ROGIERS die, loco advocaat E. VAN GERVEN verschijnt voor verzoekster, van bestuurssecretaris- jurist H. DIEPENDAELE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. SCHOUKENS die, loco advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-34.782-2/13
  3. De feiten Overwegende dat met betrekking tot de gegevens van de zaak wordt verwezen naar het arrest nr. 155.124 van 16 februari 2006;
  4. De ontvankelijkheid 2.
  5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst bedenkingen uit bij het belang van verzoekster; dat zij stelt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wachtebeke op 7 april 2004 een nieuw vergunningsbesluit heeft afgeleverd, met een correctie van de vergunningsvoorwaarden: met name het verhakselen van snoeihout mag niet tussen 18 uur en 10 uur, in plaats van tussen 10 uur en 18 uur, dat dit vergunningsbesluit van 7 april 2004 door verzoekster niet werd aangevochten; 2.
  6. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord stelt dat de tussenkomende partij eraan voorbijgaat dat artikel 1, § 1, van het bestreden besluit expliciet stelt dat zowel de vergunning van 14 december 2004 als de correctie van 7 april 2005 worden opgeheven, dat haar woning op slechts 50 meter is gelegen van de bestreden inrichting, zodat zij van het vereiste belang doet blijken; 2.
  7. Overwegende dat op 14 december 2004 het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wachtebeke aan Eric VAN HIMME de milieuvergunning heeft verleend voor een bedrijf voor tuinaanleg en tuinonder- houd; dat deze vergunning afhankelijk werd gemaakt van de voorwaarde dat het verhakselen van snoeihout verboden is op werkdagen tussen 10 uur en 18 uur; dat op 7 april 2005 hetzelfde college van burgemeester en schepenen andermaal een beslissing neemt waarbij dezelfde milieuvergunning wordt verleend, doch als voorwaarde wordt opgelegd dat het verhakselen van snoeihout niet mag tussen 18 uur en 10 uur; dat het hier zonder meer om de rechtzetting van een materiële vergissing gaat, en niet om een nieuw milieuvergunningsbesluit dat na het doorlopen van een nieuwe procedure zou zijn genomen en dat in de plaats zou komen van de vergunning van 14 december 2004; dat de omstandigheid dat verzoekster deze materiële rechtzetting niet heeft bestreden met een annulatieberoep, haar belang niet doet teloorgaan; dat bovendien, zoals verzoekster terecht aanstipt, ingevolge het bestreden besluit, de beslissing van 14 december 2004 en de correctie van 7 april 2005 werden opgeheven; dat niet wordt betwist dat verzoekster in de nabije VII-34.782-3/13 omgeving van de inrichting woont; dat verzoekster het rechtens vereiste belang bezit, zodat haar beroep ontvankelijk is;
  8. Ten gronde 3.
  9. Overwegende dat verzoekster in het enige middel de schending aanvoert van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), van het koninklijk besluit van 14 september 1977 houdende de vaststelling van het gewestplan Gentse en Kanaalzone en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij stelt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State, bij het verlenen van een milieuvergunning de voorschriften van de plannen van aanleg moeten worden nageleefd, dat volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone de inrichting is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat voor dergelijk gebied de bestemmingsvoorschriften neergelegd in de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit gelden, dat artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit als volgt luidt : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuit- breidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeen- komstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden", dat artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit als volgt luidt : "De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan land- schapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gevaar brengen", VII-34.782-4/13 dat uit de samenlezing van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit moet worden afgeleid dat de toelaatbaarheid van hinderlijke inrichtingen in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst, met name een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken in overeenstemming moeten kunnen worden gebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap, dat het bestreden besluit geen beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met het landschappelijk waardevol karakter van het betrokken gebied noch een daadwerkelijke toetsing van het planologisch kader bevat, dat enkel het volgende wordt gesteld : "Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone', palend aan valleigebied of agrarisch gebied met een landschappelijke waarde. Overwegende dat zich een natuurgebied situeert op ca. 225 m; dat het dichtstbijgelegen woongebied, zijnde een woongebied met landelijk karakter zich situeert op ca. 500m; dat de onmiddellijke omgeving wordt gekenmerkt door een hoofdzakelijk agrarisch karakter; dat de inrichting zich situeert achter de tuinstroken van een kleine woonkern gelegen langs de Overslagdijk ter hoogte van de Lange Boomstraat; dat binnen een straal van 100 m rondom de perceelsgrenzen een 6-tal woningen zijn gelegen, dat de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gelet op de nevenactiviteit van bomen kweken, in overeenstemming is met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de gewestplannen"; dat verzoekster ten slotte betoogt dat het duidelijk is dat dit een loutere stijlformule is, dat het bestreden besluit geen beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met het landschappelijk waardevol karakter van het betrokken gebied bevat, dat er dus een gebrek aan formele motivering is, dat hierbij moet worden opgemerkt dat geen rekening kan worden gehouden met eventuele adviezen die in de vergunningsprocedure werden gegeven, nu deze eventuele adviezen geen deel uitmaken van het bestreden besluit, dat wat de verenigbaarheid van de aanvraag met de bestemming betreft, het advies van 30 mei 2005 van de gemachtigde ambtenaar terecht ongunstig is "gelet op de strijdigheid met de bestemming van het gebied"; 3.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat volgens de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : omzendbrief van 8 juli 1997), een bedrijf voor tuinaanleg en tuinonderhoud in agrarisch gebied kan zijn gelegen, dat de nevenactiviteit, het kweken van bomen, eveneens in overeenstemming is met de bestemming volgens het gewestplan, dat de VII-34.782-5/13 afstand tot het dichtstbijgelegen woongebied werd nagegaan, dat zich geen probleem stelt, dat de planologische afweging in het bestreden besluit weliswaar summier is, maar geen stijlclausule betreft, dat het advies van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) niet bindend is, dat dit negatief advies trouwens wordt tegengesproken door een e-mail gericht aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna : PMVC), dat daaruit immers blijkt dat indien een stedenbouwkundige vergunning wordt bekomen, het advies wel gunstig zou zijn geweest, dat de tekst van het e-mailbericht integraal deel uitmaakt van het advies van de PMVC; dat wat de afweging naar de verenig- baarheid van de inrichting in functie van het landschappelijk waardevol zijn van het betrokken gebied betreft, de verwerende partij verwijst naar de vaststelling dat de onmiddellijke omgeving wordt gekenmerkt door een hoofdzakelijk agrarisch karakter en naar wat gesteld is in het besluit omtrent de visuele hinder die de inrichting mogelijk veroorzaakt; dat volgens de verwerende partij in die overweging wordt verwezen naar het groenscherm, naar het verplaatsen van de huidige opslagplaats van de afvalstoffen, zodat de vrijkomende ruimte terug zal worden aangewend voor de boomkwekerij; 3.
  11. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord repliceert dat het bestreden besluit geen beoordeling bevat van de verenig- baarheid van de aanvraag met de bestemming landschappelijk waardevol gebied, noch een daadwerkelijke toetsing van het planologisch kader, dat op geen enkele wijze wordt aangegeven hoe de aanvraag esthetisch in overeenstemming zou zijn met de eisen ter vrijwaring van het landschap, hetgeen nochtans is vereist, dat het vergunnen van onder andere een stelplaats voor dertien voertuigen andere dan personenwagens, opslagtanks voor mazout, opslag van 40 ton compost en 25 ton strooizout een zeer nadelige weerslag op het landschap heeft, dat de vergunning dan ook landschappelijk en esthetisch diende te worden gemotiveerd, dat de door de verwerende partij geciteerde passage uit de motivering van de beslissing enkel betrekking heeft op de rechtstreekse visuele hinder die het bedrijf aan omwonenden veroorzaakt, doch geen betrekking heeft op de toetsing van de aanvraag aan het landschap, dat zonder deugdelijke motivering wordt afgeweken van het advies van de gemachtigde ambtenaar, dat de e-mail waar de verwerende partij naar verwijst, niet terug te vinden is in de bestreden beslissing, dat het bestaan van de e-mail kan worden betwijfeld, aangezien deze niet bij het administratief dossier is gevoegd en zelfs geen datum blijkt te hebben, dat de inrichting niet alleen strijdig is met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, maar ook met de bestemming agrarisch gebied, dat de activiteit van de tussenkomende partij immers niets te maken heeft VII-34.782-6/13 met agrarisch gebied, aangezien de inrichting tuinaanleg in de zeer ruime betekenis van het woord betreft, dat er geen band meer is met de boomkwekerij die een afzonderlijke vennootschap is, dat zelfs al mocht de tussenkomende partij zelf nog een aantal boompjes kweken, dit de inrichting nog niet conform de bestemming agrarisch gebied maakt, dat zelfs mocht bomen kweken slechts een nevenactiviteit zijn, de beslissing niet afdoende is gemotiveerd aangezien zij niet vermeldt wat de hoofdactiviteit is; 3.
  12. Overwegende dat de tussenkomende partij in het verzoekschrift tot tussenkomst vooreerst citeert uit de aanhef van de bestreden beslissing, waarin wordt overwogen dat de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gelet op de nevenactiviteit van bomen kweken, in overeenstem- ming is met de bepalingen van het inrichtingsbesluit, en waarin voorts wordt overwogen dat de tussenkomende partij actief is op het gebied van tuinontwerp, tuinaanleg en tuinonderhoud, en dat de tussenkomende partij daarnaast ook nog bestuurder is van een tweede vennootschap die actief is op het gebied van het kweken van planten, dat de zelf gekweekte buxussen onder meer worden aangewend in de eigen tuinprojecten; dat de tussenkomende partij stelt dat het hier geen stijlclausule betreft, maar een beoordeling in concreto van de aanvraag, dat de vergunningverlenende overheid rekening hield met het feit dat het maatschappelijk doel van de tussenkomende partij onder andere het uitoefenen van een tuinbouwbe- drijf omvat, dat er de facto boomkweekactiviteiten worden uitgeoefend en dat de vergunningverlenende overheid reeds bij ministerieel besluit van 1 oktober 1993 en besluit vanwege de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 11 mei 1994 oordeelde dat de inrichting bestaanbaar is met het agrarisch gebied, dat zij dan ook terecht oordeelde dat de inrichting verenigbaar is met de bestem- mingsvoorschriften van het gebied, dat uit de omzendbrief van 8 juli 1997 blijkt dat de term landbouw niet restrictief mag worden opgevat, dat het kweken van planten in de volle grond een grondgebonden aangelegenheid is, dat het voor de tussen- komende partij niet duidelijk is waarom de gemachtigde ambtenaar, in tegenstelling tot vroegere vergunningsbesluiten, plots het geweer van schouder verandert, dat de gemachtigde ambtenaar had moeten uiteenzetten waarom naar zijn mening de inrichting niet meer bestaanbaar is met het agrarisch gebied, dat verzoekster geen stukken bijbrengt waaruit blijkt dat de vergunningverlenende overheid zich op een verkeerde voorstelling van de activiteiten steunde, dat er naar het arrest van de Raad van State nr. 118.230 van 11 april 2003 kan worden verwezen, dat in die zaak bij gebrek aan bewijsstukken waaruit men meende te mogen afleiden dat er sprake was van "tuinaanleg", de betrokken weigeringsbeslissing voor afgifte van een steden- VII-34.782-7/13 bouwkundige vergunning werd vernietigd, dat een vergunning ook verenigbaar moet zijn met de goede plaatselijke aanleg, dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat hierbij in concreto wordt stilgestaan, dat verzoekster overigens naliet de schending van artikel 19, derde lid, van het inrichtingsbesluit in te roepen; 3.
  13. Overwegende dat de tussenkomende partij er in haar memorie nog aan toevoegt dat het feit dat de milieuvergunning werd aangevraagd op naam van de BVBA BOOMKWEKERIJ DE RODE MOER en niet op naam van de tussen- komende partij, geen afbreuk doet aan het agrarisch of para-agrarisch karakter van de uitgeoefende activiteiten door de tussenkomende partij, nu de vollegrondsteelt van buxus en taxus evenzeer - als zijnde een tuinbouwactiviteit - onder het maatschappelijk doel van de tussenkomende partij valt; 3.
  14. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie nog stelt dat de feiten, de juridische regels die worden toegepast en een beschrijving van hoe de aangegeven feiten op basis van de juridische regels tot de beslissing aanleiding hebben gegeven, in de beslissing moeten voorkomen, dat de motivering meer moet zijn dan een louter abstracte en vormelijke stijlformule en in rechte en in feite evenredig moet zijn met het belang van de genomen beslissing, dat niet is vereist dat de motivering een antwoord geeft op alle voorstellen en opmerkingen die naar voor zijn gebracht tijdens de procedure, dat in tegenstelling tot een jurisdictio- nele motivering, enkel melding moet worden gemaakt van de doorslaggevende elementen die de overheid ertoe gebracht hebben om de maatregel te nemen, dat volgens constante rechtspraak van de Raad van State de vergunningverlenende overheid, de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet vermelden waarop zij haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht evenwel niet vermag zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid, dat bovendien ondergeschikt kan worden gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat de schending van de motiveringsplicht niet noodzakelijk moet worden gesanctioneerd door schorsing of vernietiging, wanneer de betrokkene kennis heeft van de motieven via andere kanalen of wanneer het gebrek aan overtollige motieven door een belanghebbende wordt aangevoerd, dat de stelling van verzoekster feitelijke en juridische grondslag mist, nu het bestreden besluit wel degelijk formeel gemotiveerd is; dat de tussenkomende partij er voorts op wijst dat VII-34.782-8/13 het bestreden besluit een duidelijke uiteenzetting van de feiten, van de juridische regels die worden toegepast en van de aangegeven feiten die op basis van de juridische regels tot de beslissing aanleiding hebben gegeven, bevat, dat het vergunningsbesluit gedetailleerd de toepasselijke wetgeving, het verloop van de aanvraag- en beroepsprocedure, de beroepsgrieven, de verschillende adviezen, de vaststellingen van de PMVC en de uitgebreide toetsing van de stedenbouwkundige, planologische, ecologische en milieuhygiënische verenigbaarheid van de exploitatie met de onmiddellijke omgeving beschrijft, dat alle beroepsgrieven van verzoekster één voor één worden weerlegd, dat geen enkele beroepsgrief betrekking had op de planologische of "esthetische" verenigbaarheid van de exploitatie met de bestem- ming, dat de exploitatie bovendien in een bestaande en vergunde loods gebeurt, waardoor de esthetische impact minimaal is, dat het bestreden besluit onder meer de volgende bepalingen in verband met de verenigbaarheid met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied en de goede plaatselijke ordening bevat : "Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het Gewestplan 'Gentse en Kanaalzone', palend aan valleigebied of agrarisch gebied met landschappelijke waarde; Overwegende dat zich een natuurgebied situeert op ca 225 m; dat het dichtbijgelegen woongebied, zijnde een woongebied met landelijk karakter zich situeert op ca 500 m; dat de onmiddellijke omgeving gekenmerkt wordt door een hoofdzakelijk agrarisch karakter, dat de inrichting zich situeert achter de tuinstroken van een kleine woonkern gelegen langs de Overslagdijk ter hoogte van de Lange Boomstraat; dat binnen een straal van 100 m rondom de perceelsgrenzen een 6-tal woningen zijn gelegen; dat de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gelet op de nevenactiviteit van bomen kweken, in overeenstemming is met de bepalingen van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen; Overwegende dat de b.v.b.a. Groenburo actief is op het gebied van tuinontwerp, tuinaanleg en tuinonderhoud; dat daarnaast de exploitant ook nog bestuurder is van een 2e vennootschap die actief is op het gebied van het kweken van planten, i.c. buxus; dat daartoe de exploitant over 4 percelen grond beschikt in de onmiddellijke omgeving van de Lange Lede, op ca 250 m van de inrichting; dat de zelf gekweekte buxussen o.m. worden aangewend in de eigen tuinprojecten; (...) Overwegende dat de tuinstroken van aanpalende woningen gescheiden zijn van de inrichting d.m.v. een groenscherm met een voldoende dichte structuur. (...)"; dat zij ten slotte nog stelt dat, zowel wat de planologische als de esthetische impact van de exploitatie betreft, het bestreden besluit wel degelijk formeel is gemotiveerd, dat met betrekking tot de esthetische aspecten van de exploitatie, zowel naar aanleiding van de milieuvergunningsaanvraag als in het kader van de beroepsproce- VII-34.782-9/13 dure nooit enig bezwaar of opmerkingen werden gemaakt, zelfs niet door de stedenbouwkundige administratie of door verzoekster; 3.
  15. Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, is gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat in dergelijk gebied de bestemmingsvoorschriften die zijn neergelegd in de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit gelden; dat deze bepalingen respectievelijk als volgt luiden : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuit- breidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeen- komstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden" en "De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen"; dat uit de samenlezing van deze twee bepalingen volgt dat de toelaatbaarheid van bouwwerken of inrichtingen in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst, met name een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeeng- ebracht met de eisen ter vrijwaring van de schoonheidswaarde van het landschap; Overwegende dat wat de verenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften betreft, AROHM een ongunstig advies heeft verleend; dat er wordt op gewezen dat de inrichting gebeurt in gebouwen welke bij ministerieel besluit van 1 oktober 1993 zijn vergund in functie van een boomkwekerij; dat voorts wordt overwogen dat voor de verhardingen, voor de stockage in de sleufsilo's en VII-34.782-10/13 voor de inkuilplaats, een stedenbouwkundige vergunning nodig is; dat AROHM nadien haar standpunt enigszins bijstuurt; dat in een e-mailbericht, waarvan de inhoud in het bestreden besluit en in het advies van de PMVC wordt weergegeven, zij onder meer stelt dat zij een ongunstig advies heeft gegeven omdat het gaat om een zonevreemd bedrijf dat niet hoofdzakelijk vergund is, dat in 1993 een stedenbouwkundige vergunning is verleend voor het oprichten van een tuinbouwloods, dat in dit gebouw de tuinaanleg plaatsvindt, dat deze bestemmingswijziging vergunningsplichtig is, dat er dus een stedenbouwkundige vergunning moet worden aangevraagd, dat als een dossier wordt ingediend, dit zal worden onderzocht op basis van artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone, dat zolang het bedrijf niet hoofdzakelijk vergund is, zowel naar functie als constructies, het ongunstig advies behouden blijft; dat het initieel advies van AROHM en het e-mailbericht minder tegenstrijdig zijn dan op het eerste gezicht zou kunnen lijken; dat immers telkens weer wordt gesteld dat de inrichting zonevreemd is; dat in het e-mailbericht er evenwel wordt op gewezen dat een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor een bestemmingswijziging kan worden ingediend en dat die vergunningsaanvraag dan zal worden beoordeeld; dat AROHM derhalve van oordeel is dat de inrichting zonevreemd, en dus strijdig met de bestemmingsvoorschriften is; dat tuinaanleg en tuinonderhoud niet zonder meer als agrarische of para-agrarische activiteiten moeten worden bestempeld; dat in het licht van die omstandigheden, op grond van de formele motiveringsplicht kan worden vereist dat de verwerende partij duidelijk, concreet en afdoende aangeeft waarom de inrichting toch verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied; dat de motivering van de bestreden beslissing op dit punt niet afdoende is, aangezien de verwerende partij enkel stelt dat "gelet op de nevenactiviteit van bomen kweken", de inrichting in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften; dat immers de omstandigheid dat een nevenactiviteit conform is met de bestemmingsvoorschriften, niet betekent dat ook de hoofdactiviteit in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften; dat zoals het bestreden besluit is gemotiveerd, zelfs het tegendeel blijkt; dat het bovendien niet duidelijk is of het kweken van bomen door de tussenkomende partij zelf gebeurt of door een andere vennootschap; dat in het bestreden besluit immers wordt overwogen dat "de bvba Groenburo actief is op het gebied van tuinontwerp, tuinaanleg en tuinonderhoud; dat daarnaast de exploitant ook nog bestuurder is van een 2de vennootschap die actief is op het gebied van het kweken van planten, i.c. buxus"; dat het bestreden besluit die onduidelijkheid niet opheft; VII-34.782-11/13 Overwegende dat niet alleen wat het planologisch criterium betreft, de motivering niet afdoende is; dat ook wat het esthetisch criterium betreft, de motivering niet voldoet; dat het bestreden besluit de omgeving op algemene wijze omschrijft en stelt dat er een groenscherm is ter afscherming van de tuinstroken van de aanpalende woningen; dat evenwel uit niets blijkt dat de verwerende partij oog heeft gehad voor de schoonheidswaarde van het landschap en voor de verenigbaarheid van de inrichting met deze schoonheidswaarde; dat de verwerende partij ook geen motieven geeft waaruit blijkt dat zij oog heeft gehad voor de doelstelling om de esthetische waarden van het gebied te vrijwaren en te ontwikkelen; dat het bestreden besluit niet afdoende is gemotiveerd, aangezien het zelfs niet duidelijk is in hoeverre de inrichting verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften; dat het middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  16. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 11 augustus 2005 waarbij het beroep van Doris DENIS tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wachtebeke van 14 december 2004, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA GROENBURO voor het veranderen van een bedrijf voor tuinaanleg en tuinonderhoud, gelegen aan de Overslagdijk 62a te Wachtebeke, gedeeltelijk wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de BVBA GROENBURO de vergunning wordt verleend. Artikel
  17. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  18. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-34.782-12/13 De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-34.782-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.850 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.194 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.