← België

Arrest 192857 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.857 Rolnummer: A. 93587/IX-2472 Zaak: Arrest 192857 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.857 van 30 april 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.857 van 30 april 2009 in de zaak A. 93.587/IX-

  1. In zake : Guy VAN SNICK, die woonplaats kiest bij advocaat F. LIEBAUT, kantoor houdende te LOKEREN, Durmelaan 4 W 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en S. SOTTIAUX, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guy VAN SNICK op 13 juli 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de examencommissie, hem medegedeeld met een brief van 10 mei 2000, waarbij hij niet-geslaagd wordt verklaard voor het mondeling gedeelte van de bekwaamheids- proef voor de bevordering door verhoging in weddeschaal tot de weddeschaal 2D bij de gerechtelijke politie bij de parketten; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; IX-2472-1/6 Gelet op de beschikking van 17 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 maart 2009, datum waarop de zaak wordt uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 27 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE RAEYMAECKER, die loco advocaten D. D’HOOGHE en S. SOTTIAUX verschijnt voor de verweren- de partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. Verzoeker is op het tijdstip van de bestreden beslissing gerechtelijk afdelingsinspecteur bij de brigade Gent. 1.
  4. Begin april 1999 wordt er aan de leden van de gerechtelijke politie meegedeeld dat er bekwaamheidsproeven worden georganiseerd voor bevordering tot de weddeschalen 1D en 2D, bestaande uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte. Volgens de oproep tot de kandidaten heeft het mondeling gedeelte van het examen voor de bevordering tot de weddeschaal 2D tot doel de bekwaamheid als verantwoordelijke voor een onderzoeksopdracht na te gaan. In de bijlage bij de oproep worden de algemene managementsbeginselen en -deelgebieden opgesomd die tijdens de bekwaamheidsproeven aan bod kunnen komen. Er wordt eveneens vermeld dat men op het mondeling gedeelte 12/20 moet behalen om geslaagd te zijn. 1.
  5. Met een brief van 20 mei1999 stelt verzoeker zich kandidaat voor de bevordering tot de weddeschaal 2D. IX-2472-2/6 Met een brief van 16 juni 1999 wordt hem meegedeeld dat hij vrijgesteld wordt van het schriftelijk gedeelte. 1.
  6. Op 29 oktober 1999 legt verzoeker de mondelinge proef af. Hij scoort 11/20 en is dus niet geslaagd. 1.
  7. Verzoeker schrijft dan blijkbaar de voorzitter van de examencommissie aan om meer uitleg te krijgen over zijn puntenaantal. Met een brief van 10 mei 2000 antwoordt deze dat de examenjury het niet opportuun acht om met verzoeker in debat te treden over het behaalde cijfer dat hoe dan ook definitief is. Voorts stelt hij dat het geheim van de deliberatie niet kan worden doorbroken maar dat er wel van elke deliberatie een proces-verbaal wordt opgesteld dat zich wellicht op het ministerie van Justitie bevindt. 1.
  8. Het door hem behaalde puntenaantal wordt aan verzoeker officieel medegedeeld met een brief van 10 mei 2000 waarbij gesteld wordt dat hij niet geslaagd is voor het mondeling gedeelte van de bekwaamheidsproef voor bevordering tot de weddeschaal 2D. Ten gronde 2.
  9. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel. Hij betoogt dat het mondeling gedeelte van de proef tot doel had de bekwaamheid als verantwoordelijke voor een onderzoeksopdracht na te gaan en dat het een gesprek betrof waarbij het geenszins om loutere kennisvragen ging. Nu hem alleen een waardecijfer werd meegedeeld, meent hij dat het hem onmogelijk is gemaakt enig inzicht te krijgen in de wettigheid van de motieven die tot de in dat cijfer uitgedrukte waardering hebben geleid. Hij voert aan evenmin op de hoogte te zijn gesteld van de criteria waaraan de examencommissie zijn prestatie heeft getoetst en wijst voorts op de weigering van het bestuur om naderhand enige verantwoording te geven over zijn resultaat. IX-2472-3/6 2.
  10. De verwerende partij antwoordt dat het mondeling gedeelte van de bekwaamheidsproef te dezen wel degelijk als een kennisexamen dient te worden beschouwd, zodat de motivering voor de quotering vervat is in de punten zelf. Met name stelt zij dat de wijze waarop getoetst wordt van ondergeschikt belang is bij het bepalen of een examen al dan niet een kennisexamen is, aangezien een kennisexamen niet noodzakelijk bestaat uit louter schriftelijke vragen waarop vooraf vastgestelde antwoorden moeten worden gegeven, maar ook mondeling kan geschieden waarbij op algemene wijze gepeild wordt naar kennis en vaardigheden. Vragen die tot doel hebben de bekwaamheid als verantwoordelijke voor een onderzoeksopdracht na te gaan, zijn volgens haar niet vergelijkbaar met scripties, eindwerken en tekeningen waarbij meerdere correcte antwoorden mogelijk zijn en die een subjectieve beoordeling veronderstellen zodat verder gemotiveerd moet worden. Opdat de examenquotering niet zou volstaan als motivering, moet verzoeker argumenten aanvoeren die kunnen doen twijfelen aan de ernst van het behaalde resultaat, wat volgens haar te dezen niet het geval is. Bovendien is zij van mening dat de onwetendheid inzake de examencriteria geenszins een schending van de formele motiveringswet uitmaakt. 2.
  11. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat indien het om een kennisexamen zou gaan, dus om min of meer precieze vragen met min of meer precieze antwoorden, de verwerende partij daarvan het bewijs moet voorleggen en aanduiden op welke vragen verzoeker het antwoord schuldig bleef. Hij betoogt dat op de variëteit van aan hem gestelde vragen meerdere antwoorden mogelijk waren, zodat de beoordeling louter subjectief was en dus verder diende te worden gemotiveerd. Voorts meent hij dat er kan worden getwijfeld aan de ernst van het toegekende cijfer, daar hij op het tijdstip van de bestreden beslissing reeds jaren een leidinggevende functie uitoefende bij de gerechtelijke politie tot groot genoegen van zijn oversten. 2.4.
  12. Verzoeker roept de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De artikelen 2 en 3 van die wet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. IX-2472-4/6 De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 2.4.
  13. Verzoeker is niet geslaagd omdat hij 11/20 behaald heeft voor het mondeling examengedeelte en dat is hem ook ter kennis gebracht. In casu blijkt uit de oproep tot de kandidaten dat dit mondeling gedeelte tot doel had de bekwaamheid van de kandidaten als verantwoordelijke voor een onderzoeksopdracht na te gaan. Verder bevatte de oproep nog een uitgebreide lijst van algemene managementsbeginselen, managementsbenaderingen en deelgebieden inzake management die aan bod konden komen tijdens de bekwaamheidsproeven. Uit het administratief dossier blijkt dus dat verzoeker getoetst werd op zijn managementsvaardigheden. De verwerende partij brengt geen enkel concreet gegeven aan waaruit het tegendeel zou blijken. De proef waaraan hij heeft deelgenomen, kan dan ook moeilijk als kennisproef aangemerkt worden. De examencommissie doet immers meer dan nagaan of de kandidaten een bepaalde technische kennis binnen hun vakgebied bezitten en zij beschikt bij de globale beoordeling over een ruime appreciatiebevoegdheid. In een dergelijk geval kan het puntenaantal op zich de examenuitslag niet deugdelijk onderbouwen, maar moeten de punten nader verantwoord worden. Te dezen betekent dit dat de examencommissie een verantwoording van haar punten moet kunnen geven. Die verantwoording moet afdoende zijn. Opdat voldaan zou zijn aan de verplichtingen volgend uit de wet van 29 juli 1991 moest verzoeker ook in kennis gesteld worden van die verantwoording. Uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt echter dat verzoeker ook maar enige toelichting zou hebben gekregen bij zijn puntenaantal. De verwerende partij betwist dit ook niet. Het middel is gegrond. IX-2472-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Vernietigd wordt de beslissing van de examencommissie, medegedeeld met een brief van 10 mei 2000, waarbij Guy VAN SNICK niet- geslaagd wordt verklaard voor het mondeling gedeelte van de bekwaamheidsproef voor de bevordering door verhoging in weddeschaal tot de weddeschaal 2D bij de gerechtelijke politie bij de parketten. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 april 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2472-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.857 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.