← België

Arrest 192858 - Varia (justitie) - 30/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.858 Rolnummer: A. 189281/IX-6030 Zaak: Arrest 192858 - Varia (justitie) - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-05 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.858 van 30 april 2009 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.858 van 30 april 2009 in de zaak A. 189.281/IX-

  1. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. TIELENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te KORTENBERG, Veldstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 7 augustus 2008 heeft ingediend om een cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 8 juli 2008 van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2008 waarbij het cassatieberoep ontoelaatbaar wordt verklaard voor wat het tweede en het derde middel betreft, en het beroep voor het overige toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; IX-6030-1/11 Gelet op de beschikking van 6 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GEBRUERS, die loco advocaat H. TIELENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. De verzoekster werd vanaf zeer jonge leeftijd herhaaldelijk seksueel misbruikt door W.C. 1.
  4. Bij beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 17 december 1996 wordt vastgesteld dat W.C. de betrokken feiten gepleegd heeft en wordt zijn internering gelast. Op burgerlijk gebied wordt W.C. voorts veroordeeld om aan de verzoekster een provisie van 1 frank te betalen. Die beschikking wordt bij arrest van de kamer van inbeschuldi- gingstelling van het Hof van Beroep te Gent van 21 februari 1997 bevestigd. Op burgerlijk gebied wordt de zaak voor verdere afhandeling terug naar de eerste rechter verwezen. Bij beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 1 maart 2001 wordt W.C. veroordeeld om een morele schadevergoeding van 500.000 frank (12.394,68 euro) te betalen. Voorts wordt voorbehoud verleend voor de materiële schade. IX-6030-2/11 Die beschikking wordt vernietigd door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Gent. Bij arrest van 1 april 2004 wordt W.C. veroordeeld tot het betalen van een bedrag van 25.000 euro als vergoeding voor morele schade en tot het betalen van een provisie van 25.000 euro als vergoeding voor de reeds geleden materiële schade en voor de toekomstige materiële schade. Op 13 mei 2006 wordt voormeld arrest op verzoek van de verzoekster aan W.C. betekend. 1.
  5. Met een verzoekschrift van 16 juli 2007, ingekomen op 17 juli 2007, vraagt de verzoekster de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna kortweg de Commissie genoemd) om toekenning van een hoofdhulp van 62.000 euro, zijnde het maximumbedrag dat door de Commissie kan worden toegekend. Op 8 juli 2008 verklaart de Commissie het verzoek niet ontvankelijk, op grond van de volgende redenen: “
  6. Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm.
  7. De wetgeving betreffende de financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op ‘schadeloosstelling’, maar wel op het eventueel bekomen van een ‘hulp’, gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de ‘volledige vergoeding’ van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
  8. In het kader van een internering zetelt de raadkamer (en a fortiori de kamer van inbeschuldigingstelling) als vonnisgerecht. Overeenkomstig artikel 11, lid 2, W.B.M. (wet tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten) doet de raadkamer, wanneer zij zetelt als vonnisgerecht en de burgerlijke rechtsvordering bij haar aanhangig is gemaakt, ook uitspraak over deze burgerlijke vordering. Gelet op artikel 31 W.B.M., dat verwijst naar de procesregels van het gemeen recht, behoudens afwijking in de wet, kan het appelrecht van de burgerlijke partij tegen de beslissing van de raadkamer zetelend als vonnisgerecht, worden gesteund op artikel 202 Sv. (Wetboek van Strafvordering).Het instellen van hoger beroep geschiedt door een verklaring ter griffie van de correctionele rechtbank, door de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij, uiterlijk vijftien dagen na de dag van de uitspraak en, indien de beschikking bij verstek is gewezen, vijftien dagen na de betekening ervan (R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Maklu, 2003, p. 484, nr. 1131). IX-6030-3/11 Met betrekking tot de rechtsmiddelen en termijnen wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling zetelt als vonnisgerecht merkt Verstraeten op dat de termijn voor een cassatieberoep vijftien dagen bedraagt vanaf de uitspraak (R. Verstraeten, o.c., nr. 1229).
  9. De verzoekster merkt op dat zij genoodzaakt was om het arrest van 1 april 2004 van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent te laten betekenen, alvorens dit arrest definitief kon worden. Het arrest werd betekend op 13 mei 2006, zodat dit arrest slechts op 13 augustus 2006 definitief geworden is. Zij stelt dat het verzoekschrift dateert van 16 juli 2007 zodat dit binnen het jaar na het definitief worden van het arrest werd ingediend en aldus tijdig. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Commissie van 2002 in de zaak met rolnummer MM
  10. De Commissie merkt op dat de door de verzoekster geciteerde beslissing van 2002 steunde op het op dat moment van kracht zijnde artikel 34, § 3: ‘§
  11. Het verzoek tot hulp moet op straffe van verval worden ingediend binnen drie jaar te rekenen, naargelang van het geval, ofwel van de dag waarop bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak is gedaan over de strafvordering, ofwel vanaf de beslissing van het onderzoeksgerecht. Indien het slachtoffer, na het bekomen van een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering, een beslissing over de burgerlijke belangen bekomt, neemt de vervaltermijn een aanvang op de dag waarop door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is uitspraak gedaan over de burgerlijke belangen.’
  12. De ontvankelijkheid van een vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van de regelgeving die van toepassing was op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift.
  13. Het relevant artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen (ingevoegd door artikel 3 van de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen, B. S., 22 mei 2005) luidt als volgt: ‘Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen.’
  14. In haar reactie, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 22 januari 2008, stelt de raadsman van verzoekster dat het arrest van de K.I. slechts op 13 augustus 2006 definitief geworden is en dat derhalve het verzoekschrift wel degelijk tijdig werd ingediend (zie punt 4 hierboven).
  15. Deze stelling wordt duidelijk weerlegd door de tekst van de wet zelf; het in punt 7 hierboven geciteerde artikel 31bis, § 1, lid 4, van de wet van 1 augustus 1985 stelt duidelijk de dag, waarop de op straffe van verval gestelde termijn begint te lopen, vast als ‘... de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen’. De wetgever zelf heeft ondubbelzinnig de dag van de uitspraak als vertrekdatum voor de berekening van de termijn vastgelegd en niet de IX-6030-4/11 dag waarop de desbetreffende beslissing kracht van gewijsde bekomen heeft.
  16. Op 21 februari 1997 werd de internering door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent bevestigd. Op 1 april 2004 veroordeelde de Kamer van Inbeschuldigingstelling W.C. tot het betalen van een schadevergoeding. Het verzoekschrift werd op 17 juli 2007 neergelegd. Het arrest van de K.I. dateert van 1 april 2004 en het verzoekschrift werd pas op 17 juli 2007 neergelegd, dus meer dan drie jaar en drie maand later.
  17. De Commissie kan dan ook niets anders dan het verzoek, wegens laattijdigheid, als niet ontvankelijk af te wijzen. De Commissie wenst evenwel te benadrukken dat de afwijzing van het verzoek op juridisch-technische gronden berust en geenszins een miskenning inhoudt van het moreel leed dat aan verzoekster werd toegebracht ingevolge de feiten. De Commissie wenst verzoekster sterkte toe bij het verwerken van de feiten.” Ten gronde Eerste middel 2.
  18. De verzoekster roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. Het middel is gericht tegen de bestreden beslissing, in zoverre het de dag van de uitspraak van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling over de burgerlijke belangen, zijnde 1 april 2004, als uitgangspunt neemt voor de berekening van de termijn van één jaar, bedoeld in artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus
  19. De verzoekster voert in de eerste plaats aan dat uit de genoemde wetsbepaling blijkt dat de termijn een aanvang neemt zodra de beslissing inzake de burgerlijke belangen definitief is geworden. Zij verwijst ook naar het vroegere artikel 34, § 3, van de wet van 1 augustus 1985, dat bepaalde dat, indien het slachtoffer, na het verkrijgen van een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering, een beslissing over de burgerlijke belangen verkreeg, de termijn een aanvang nam “op de dag waarop door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is uitspraak gedaan over de burgerlijke belangen”. Volgens de verzoekster is de achterliggende gedachte van dit artikel nog steeds geldig voor het thans vigerende artikel 31bis, § 1, 4/, hetgeen betekent dat de termijn pas begint te lopen IX-6030-5/11 als er een definitieve beslissing is inzake de burgerlijke belangen en als deze beslissing kracht van gewijsde heeft. Nu het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 1 april 2004 is betekend op 13 mei 2006 en de termijn voor het instellen van een voorziening in cassatie drie maanden bedraagt, zou het arrest volgens de verzoekster pas op 13 augustus 2006 in kracht van gewijsde zijn gegaan. De aanvraag, die bij de Commissie is ingediend op 16 juli 2007, is aldus binnen de termijn van drie jaar ingediend. Voorts voert de verzoekster aan dat de termijn te dezen zelfs niet is beginnen lopen nu het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 1 april 2004 geen definitieve uitspraak doet over de materiële schade, maar daarvoor slechts een provisie toekent. 2.
  20. De verwerende partij antwoordt dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was om met de invoeging van artikel 31bis in de wet van 1 augustus 1985 de inhoud van het oorspronkelijke artikel 34, § 3, van diezelfde wet te hernemen, zij het eenvoudiger geformuleerd. Volgens de verwerende partij bepaalde dit artikel 34, § 3, duidelijk dat de vervaltermijn van drie jaar begon te lopen vanaf de dag van de uitspraak over de burgerlijke vordering. De verwerende partij verwijst naar het arrest nr. 167.202 van 29 januari 2007 waarin de stelling dat de driejarige vervaltermijn begint te lopen vanaf de dag volgend op de uitspraak over de burgerlijke belangen door de Raad van State werd bevestigd. 2.3.
  21. Artikel 31bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, luidt als volgt: “§
  22. De financiële hulp als bedoeld in artikel 31, 1/ tot 4/, wordt toegekend onder de volgende voorwaarden: (...) 4/ Het verzoek is binnen de drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen. (...) §
  23. (...)” IX-6030-6/11 Die bepaling heeft het over “de dag [...] waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen”. De termijn begint dus te lopen vanaf de dag van de uitspraak van het relevante vonnis of arrest, niet vanaf de dag waarop de betrokken beslissing in kracht van gewijsde gaat. 2.3.
  24. Die interpretatie wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis van de bepaling die thans voorkomt in artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus
  25. Dat artikel vindt zijn oorsprong in een amendement van de regering op het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen. Volgens de verantwoording van dit amendement werd, wat de vervaltermijn betreft, “de inhoud van het huidige artikel 34, § 3, gewijzigd bij wet van 17 februari 1997, [...] hernomen, zij het eenvoudiger geformuleerd”. Wel werden de woorden “vanaf de eerste beslissing tot seponering” toegevoegd (amendement nr. 1 van de regering, Parl. St., Kamer, 2001- 02, nr. 50-626/2, p. 11). Het bedoelde artikel 34, § 3, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen luidde toen als volgt : “§
  26. Het verzoek tot hulp moet op straffe van verval worden ingediend binnen drie jaar te rekenen, naargelang het geval, ofwel van de dag waarop bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak is gedaan over de strafvordering, ofwel vanaf de beslissing van het onderzoeksgerecht. Indien het slachtoffer, na het bekomen van een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering, een beslissing over de burgerlijke belangen bekomt, neemt de vervaltermijn een aanvang op de dag waarop door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is uitspraak gedaan over de burgerlijke belangen. (...)” Ook al had die bepaling het over “de dag waarop door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is uitspraak gedaan over de burgerlijke belangen”, dit betekende niet dat de termijn pas begon te lopen zodra de beslissing in kracht van gewijsde was getreden. Ook deze bepaling verwees immers naar de dag van de uitspraak. Wel was er enige dubbelzinnigheid, doordat werd bepaald dat de beslissing in kracht van gewijsde moest zijn gegaan. In burgerlijke zaken heeft een rechterlijke beslissing normaal geen kracht van gewijsde vanaf de uitspraak. IX-6030-7/11 Door in 2003 geen melding meer te maken van de voorwaarde van de kracht van gewijsde van de beslissing over de burgerlijke belangen, heeft de wetgever iedere mogelijke verwarring omtrent het aanvangspunt van de termijn weggenomen en zodoende de tekst op dit punt ongetwijfeld “eenvoudiger geformuleerd” dan voorheen. 2.3.
  27. Te dezen overweegt de bestreden beslissing dan ook terecht dat de wetgever “ondubbelzinnig de dag van de uitspraak als vertrekdatum voor de berekening van de termijn [heeft] vastgelegd en niet de dag waarop de desbetreffende beslissing kracht van gewijsde bekomen heeft”. 2.3.
  28. De verzoekster voert bijkomend aan dat er nog geen definitieve uitspraak is gedaan over haar burgerlijke belangen. Ook op dit punt zijn de bewoordingen van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 duidelijk. Enerzijds is er sprake van de dag waarop “definitief uitspraak is gedaan” over de strafvordering en anderzijds van de dag, indien deze van latere datum is, waarop “uitspraak is gedaan” over de burgerlijke belangen. Inzake de uitspraak over de burgerlijke belangen eist de wetgever dus niet dat deze definitief is. Dit blijkt trouwens met zoveel woorden uit artikel 33bis van de wet van 1 augustus 1985, waarin wordt bepaald dat “de hulp [ook] kan [...] worden toegekend wanneer geen definitieve rechterlijke beslissing over de burgerlijke belangen is genomen”. “In dat geval raamt de Commissie zelf het nadeel dat ze in aanmerking neemt”, zonder dat deze raming de hoven en rechtbanken bindt. 2.3.
  29. Het eerste middel is niet gegrond. IX-6030-8/11 Tweede en derde middel
  30. Volledigheidshalve wordt eraan herinnerd dat over deze middelen definitief uitspraak is gedaan bij beschikking nr. 3283 van 27 augustus 2008 waarbij het cassatieberoep, wat deze middelen betreft, ontoelaatbaar is verklaard. Verzoek tot uitstel 4.
  31. De verzoekster voert in haar verzoek tot voortzetting aan dat zij na het indienen van haar memorie van wederantwoord kennis heeft gekregen van een prejudiciële vraag die de Raad van State met betrekking tot artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 aan het Grondwettelijk Hof heeft gesteld, bij arrest nr. 186.995 van 13 oktober
  32. De verzoekster is van oordeel dat de uitspraak van het Grondwettelijk Hof van belang is voor de beoordeling van het voorliggende cassatieberoep. Zij verzoekt dan ook dat de Raad van State de uitspraak van het Grondwettelijk Hof zou afwachten. 4.
  33. Met zijn genoemd arrest nr. 186.995 van 13 oktober 2008 heeft de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld in verband met de verenigbaarheid van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aan het Hof zijn twee mogelijke interpretaties van artikel 31bis, § 1, 4/, voorgelegd, die beide verband houden met de situatie waarbij de dader overleden is na de definitieve uitspraak over de strafvordering. Een dergelijke situatie doet zich niet voor in de voorliggende zaak. De Raad van State ziet dan ook niet hoe het antwoord van het Grondwettelijk Hof bepalend zou kunnen zijn voor de beoordeling van het thans voorliggende beroep. Er is dienvolgens geen aanleiding om in te gaan op het verzoek tot uitstel van de behandeling van de voorliggende zaak tot na de uitspraak van het Grondwettelijk Hof over de genoemde prejudiciële vraag. Verzoek tot anonimisering
  34. De verzoekster vraagt ter terechtzitting de anonimisering van het arrest bij de publicatie ervan. IX-6030-9/11 Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt, op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoeksters vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  36. De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekster. Artikel
  37. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoekster niet bekendgemaakt. IX-6030-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 april 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6030-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.858 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.