← België

Arrest 192885 - Varia (justitie) - 30/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.885 Rolnummer: Zaak: Arrest 192885 - Varia (justitie) - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-15 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.885 van 30 april 2009 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.885 van 30 april 2009 in de zaken A. 184.779/IX-5728 A. 184.780/IX-

  1. In zake : I: Bernard HEILMANN, die woonplaats kiest bij advocaat J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile De Motlaan 19 II : Henry David HEILMANN, die woonplaats kiest bij advocaat J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile De Motlaan
  2. tegen : I + II : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Eerste Minister, die woonplaats kiest bij advocaat D. LAGASSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bernard HEILMANN op 13 augustus 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België (dossier nr. 3111), hem ter kennis gebracht op 12 juni 2007, inzake zijn aanvraag tot schadeloosstelling voor goederen van zijn grootou- ders die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 en waarbij hem een vergoeding van 32.292 euro wordt toegekend (zaak A. 184.779/IX-5728); Gezien het verzoekschrift dat Henry David HEILMANN op 13 augustus 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse IX-5728-1/16 Gemeenschap van België (dossier nr. 3112), hem ter kennis gebracht op 12 juni 2007, inzake zijn aanvraag tot schadeloosstelling voor goederen van zijn grootou- ders die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 en waarbij hem een vergoeding van 32.292 euro wordt toegekend (zaak A. 184.780/IX-5729); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; Gezien de verslagen in beide zaken opgemaakt door adjunct- auditeur I. VOS, Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 7 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DE KEUKELAERE die, loco advocaten J. SOHIER en F. WACHSTOCK, verschijnt voor de verzoekers, en van advocaat K. VANBINST die, loco advocaat D. LAGASSE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur I. VOS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Wetgevend kader
  4. De bestreden beslissing is genomen in het kader van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of IX-5728-2/16 achtergelaten tijdens de oorlog 1940-
  5. De voor de voorliggende beroepen relevante bepalingen van deze wet luiden als volgt: “Art.
  6. §
  7. Kan een aanvraag tot schadeloosstelling indienen, elke persoon die aan de volgende voorwaarden voldoet: 1/ zijn verblijfplaats gehad hebben in België op om het even welk ogenblik tijdens de periode van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945; 2/ in België beroofd zijn van goederen waarvan hij eigenaar was of ze hebben moeten achterlaten ten gevolge van een anti-Joodse maatregel van de Duitse bezettende overheid of ten gevolge van daden van antisemitische aard begaan door dezelfde overheid tijdens dezelfde periode. §
  8. Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder goederen die werden geplunderd of die de personen bedoeld in § 1 hebben moeten achterlaten, financiële tegoeden en goederen waarvan die personen eigenaar waren en: 1/ die niet werden teruggegeven door de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen en evenmin aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling; 2/ en die geïdentificeerd geweest zijn in het verslag van de Studiecommissie, opgericht bij de wet van 15 januari 1999 betreffende de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, of die geïdentificeerd worden in het kader van het onderzoek van de aanvraag door de Commissie. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid uitbreiden tot andere sectoren, op basis van het verslag van de Commissie opgericht bij de voornoemde wet van 15 januari
  9. §
  10. Indien de in § 1 bedoelde persoon overleden is, kunnen de rechthebbenden tot de eerste, tweede en derde graad in de zin van de artikelen 737 tot 744 van het Burgerlijk Wetboek, een schadeloosstelling aanvragen mits de in de §§ 1 en 2 bepaalde voorwaarden vervuld zijn en zij van hun hoedanigheid doen blijken overeenkomstig de regels van het gemene recht.” “Art.
  11. §
  12. [...] §
  13. De Commissie kan in bijzondere gevallen tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar het oordeel van de Commissie bij de toepassing van deze wet mochten voordoen.” “Art.
  14. Binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet, wordt een protocol gesloten tussen de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., de Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1/, teneinde de bedragen en de coëfficiënt of de coëfficiënten, waarmee de geactualiseerde waarde ervan kan worden berekend, te bepalen. Dit protocol wordt goedgekeurd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. [...]” IX-5728-3/16 Feiten
  15. Bernard en Henry David Heilmann dienen op 18 maart 2003 elk een aanvraag in tot het verkrijgen van een schadeloosstelling voor de plundering van de eigendommen van hun grootouders, Hirsch David Spira en Amalia Fendler, tijdens de oorlog 1940-
  16. De betrokken goederen worden in de twee aanvragen omschreven als volgt: “
  17. Een eigendom genaamd ‘Hôtel du Phare’ en villa ‘Berthe’ gelegen te Knokke Zeedijk, groot 4a92ca + 5a6ca.
  18. Een handelsgebouw Van Bunnenplaats 6 te Knokke groot 467 m² 70 dm².
  19. Handelszaak ‘Hôtel du Phare’.” De Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België neemt met betrekking tot de aanvragen de volgende beslissing: “1/) Wat de door de Commissie geïdentificeerde geplunderde of achtergelaten goederen betreft die nog niet werden teruggegeven door de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen en nog geen aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling (artikel 6, § 2, 1/, van de wet van 20 december 2001), kent de Commissie de volgende schadeloosstelling toe: 26.030 i als schadeloosstelling voor het saldo dat na de verkoop van de onroerende goederen nooit gerecupereerd werd bij de Deposito- en Consignatiekas. De Commissie heeft vastgesteld dat de eigendommen van uw grootmoeder: Mevrouw Amalia FENDLER, wegens hypothecaire schulden op 26/08/1943 openbaar verkocht werden door Notaris STROOBANDT. Betrokken onroerende goederen : • Koop 1 : ‘eigendom genaamd Hôtel du Phare en villa Berthe aanhorig van gezegd hotel’, Zeedijk te Knokke en • Koop 2 : ‘een gebouw dienstig voor handel, genaamd of zijnde genaamd geweest Phare Palace’ : van Bunnenplaats te Knokke, ‘thans ongebruikt’. Op datum van 31/12/1941 was de uitstaande schuld opgelopen tot een bedrag van 1.209.222,70 BEF. De verkoop bracht 1.437.500 BEF op. Onder meer de hypothecaire intresten van 6% vanaf 01/01/1942 tot op datum van de verkoop dienden daarop nog te worden verrekend. De Commissie identificeerde een bedrag van 42.374 BEF dat na de verkoop door Notaris STROOBANDT werd beheerd. Dit bedrag werd als volgt vereffend : • Storting van 35.259 BEF op 20/12/1945 bij de Deposito- en Consignatiekas; • Overdracht van 7.115 BEF naar de ‘Banque de Paris et des Pays-Bas’. Deze bank stortte, op haar beurt, na aftrek van kosten, op 31/10/1953 een saldo van 6.460 BEF in de Deposito- en Consignatiekas. IX-5728-4/16 Het aanvankelijke saldo (42.374 BEF) werd derhalve nooit gerecupereerd door de rechthebbenden. De Commissie heeft dit bedrag geactualiseerd met coëfficiënt 24,78 volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 02/08/
  20. 2/) Wat de andere goederen betreft waarvan de plundering voldoende bewezen is volgens de Commissie en die nog geen aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling, kent de Commissie naar billijkheid (artikel 8, § 2, van de wet van 20 december 2001) de volgende schadeloosstelling toe (cfr. bijgevoegde nota van 04/11/2004): - 7.000 i als forfaitaire schadeloosstelling voor de meubels en alle andere persoonlijke bezittingen weggenomen uit de woonst van uw grootouders: Troonstraat 20 te Brussel waar zij vanaf 17/07/1940 verbleven; - 1.500 i als forfaitaire schadeloosstelling voor de handelsvoorraad waarover uw grootvader moet beschikt hebben als hoteluitbater. Bij gebrek aan nadere gegevens, meer bepaald van een geblokkeerde rekening met daarop de opbrengst van een verplichte verkoop van zijn handelsvoorraad, kent de Commissie u het bovenstaande forfaitaire bedrag toe. - 30.054 i als schadeloosstelling voor de spoliatie van de hoteluitrusting. De Commissie heeft vastgesteld dat de hoteluitrusting uitdrukkelijk werd uitgesloten in de beslissing in het kader van de Duitse herstelwetgeving waarbij een schadevergoeding wordt toegekend voor meubels van de privé-vertrekken in het hotel (beslissing 03/11/1969). De Commissie kent een schadeloosstelling toe voor de hotelinboedel aangezien de beschikbare fiches ‘Abtransport aus besichtigten Wohnungen’ in het zogenaamde ‘Sperrgebiet’ wijzen op een systematische, door de ‘Wehrmacht’ verrichte roof uit joodse panden. De Commissie heeft de schadeloosstelling vastgesteld op grond van een schatting door de ‘Wehrmacht’ waarbij de inboedel van een hotel met 230 bedden op 6.000 RM geraamd werd. Aangezien Hôtel du Phare een capaciteit had van 150 bedden, berekende de Commissie de schadeloosstelling op 48.925 BEF (150/230ste van 6.000 RM = 3.914 RM met koers RM = 12,50 BEF). De Commissie heeft dit bedrag geactualiseerd met coëfficiënt 24,78 volgens bepalingen van het koninklijk besluit van 02/08/
  21. 3/) De volgende goederen, zoals vermeld in uw aanvraag, geven daarentegen geen aanleiding tot schadeloosstelling in het kader van de wet van 20 december 2001 : - De meubels en alle andere bezittingen weggenomen uit de privé-vertrekken van uw grootouders : Hôtel du Phare : Zeedijk te Knokke zijn vergoed in het kader van de Duitse herstelwetgeving bij beslissing van de bevoegde Duitse autoriteiten van 03/11/1969; - De Commissie merkt op dat er geen spoliatie is geïdentificeerd met betrekking tot het handelsgebouw gelegen op de Van Bunnenplaats 6 te Knokke. Ten blijke waarvan de Commissie een schadeloosstelling toekent voor een totaalbedrag van 64.584 i . Dit bedrag werd als volgt verdeeld, overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, onder de rechthebbenden die een aanvraag hebben ingediend: 50% hetzij 32.292 i voor de Heer Bernard HEILMANN, 50% hetzij 32.292 i voor de Heer Henry David HEILMANN.” IX-5728-5/16 De nota waarnaar verwezen wordt in 2/ van de beslissing, is een algemene nota, met als opschrift: “Nota toegevoegd aan de notificatie”. Die nota, goedgekeurd door de Commissie op 4 november 2004 en gewijzigd op 26 september 2005, is als bijlage bij de “notificatie” van de beslissing gehecht. In die nota wordt het volgende gesteld: “De Commissie herinnert eraan dat haar essentiële opdracht bestaat in het restitueren, aan geactualiseerde waarde, van de tegoeden die nog niet werden teruggegeven door de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen en evenmin aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling. Deze opdracht wordt verwoord in artikel 6 van de wet. Daarenboven maakt de Commissie in brede mate gebruik van de bevoegdheid die haar bij § 2 van artikel 8 van de wet wordt gegeven en komt zij tegemoet aan de onbillijkheden die de strikte en beperkende toepassing van artikel 6 van de wet onvermijdelijk zou meebrengen. Dit is, met name, het geval wanneer de omstandigheden uitwijzen dat tegoeden inderdaad werden gespolieerd, maar wanneer het niet mogelijk is deze tegoeden bij de Staat, bij de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen te identificeren, of nog wanneer voor de spoliatie van de goederen geen geld werd weerhouden door de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen. De Commissie komt aldus op grond van billijkheid, ex aequo et bono, tussen in de volgende gevallen: - Inboedel: de schadeloosstelling van 7.000 i is het naar boven afgeronde gemiddelde van wat bij toepassing van de Duitse herstelwetgeving werd uitbetaald. Het gemiddelde dat in dit kader werd uitbetaald bedroeg 21.600 DM, omgerekend aan toenmalige wisselkoers van 12,50: 270.000 BEF, hetzij 6.993 i. De Commissie heeft dit bedrag van 6.993 i afgerond op het hogere duizendtal. Zij doet opmerken dat vermits voor deze spoliatie geen gelden door de staat werden weerhouden, de op basis van de artikelen 6, § 2, en 10 van de wet afgesloten protocollen, waarin de actualisatiecoëfficiënt werd vastgesteld, niet van toepassing zijn. - Persoonlijke bezittingen: [...] - Handelszaak: C Voor zover de Commissie, op grond van haar documentatie, spoor vindt van een niet vereffende geblokkeerde rekening, ligt de basis tot schadeloosstelling voor de hand: bedrag x actualisatiecoëfficiënt 24,78 (coëfficiënt bepaald bij het bij K.B. van 02.08.2002 goedgekeurd protocol van 27.06.2002 tussen de Federale Staat en de Nationale Bank van België enerzijds, en de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w. anderzijds). Voor een groot aantal bedrijven is de spoliatie weliswaar onbetwistbaar, maar is er geen spoor meer van enige opbrengst van verkoop van de handelsstock. In die gevallen oordeelt de Commissie het billijk een forfaitaire schadeloosstelling van 1.500 i toe te kennen, tegelijk minimumbedrag in de sector. IX-5728-6/16 C De schadeloosstelling van 1.500 i houdt rekening met een gemiddelde spoliatie van 10.000 BEF, gelet op het feit dat de opbrengst van een verplichte liquidatie, wanneer die beneden de 20.000 BEF bleef, in speciën aan de eigenaar diende uitbetaald, wat in de praktijk zeer theoretisch is gebleken. Boven de 20.000 BEF werd de opbrengst bij de Société Française de Banque et de Dépôts gestort op een geblokkeerde rekening die kan geïdentificeerd worden. - Diamantsector: [...]” De beslissing is aan elk van de verzoekers “genotificeerd” bij brief van 12 juni
  22. Ze vormt het voorwerp van de voorliggende beroepen. Samenvoeging van de zaken
  23. De verzoekers in de twee zaken zijn broers, kleinkinderen van de grootouders over wier bezittingen het gaat. Zij hebben beiden een identieke aanvraag tot schadeloosstelling ingediend. Over hun aanvragen heeft de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België één beslissing genomen. Voorts blijkt dat de annulatiemiddelen in de twee zaken identiek zijn en dat ook hetzelfde verweer gevoerd wordt. De beide zaken zijn dan ook samenhangend. Met het oog op een goede rechtsbedeling past het om ze samen te voegen. Ten gronde 4.
  24. De verzoekers roepen een enig middel in, genomen uit de schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, uit het gebrek aan vaststaande, toelaatbare en pertinente motieven, uit de manifeste appreciatiefout en uit machtsoverschrijding. Het middel is gericht tegen de volgende onderdelen van de bestreden beslissing: - punt 2/, waarin voor de plundering van bepaalde goederen forfaitaire bedragen worden toegekend, - punt 3/, waarin iedere schadeloosstelling wordt verworpen, enerzijds met betrekking tot “de meubels en alle andere bezittingen weggenomen uit de privé- vertrekken van uw grootouders: Hôtel du Phare: Zeedijk te Knokke”, en IX-5728-7/16 anderzijds met betrekking tot “het handelsgebouw gelegen op de Van Bunnenplaats 6 te Knokke”. De verzoekers voeren aan dat iedere individuele bestuurshandeling formeel de motieven moet aanduiden waarop ze zich baseert, met toepassing van de wet van 29 juli 1991, en dat deze motieven pertinent, adequaat en feitelijk juist moeten zijn en gebaseerd moeten zijn op een wettelijke basis, die juridisch aanvaardbaar is. Zij voeren voorts aan dat, zo de Commissie over een appreciatiebevoegdheid beschikt in de gevallen die zij behandelt, zij haar beslissing toch moet nemen binnen de grenzen die de wet haar stelt en deze beslissing haar de beste moet lijken met het oog op het bereiken van de doeleinden waartoe haar bevoegdheid bijdraagt. Concreet voeren de verzoekers aan: - ten eerste, dat artikel 6, § 2, 1/, van de wet van 20 december 2001 het heeft over goederen die geen aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling, en dat het begrip “schadeloosstelling” in principe het integrale herstel van de schade veronderstelt, - ten tweede, dat artikel 8, § 2, van de wet bepaalt dat de Commissie in bijzondere gevallen kan tegemoetkomen aan “onbillijkheden van overwegende aard”; dat die bepaling aan de Commissie een ruime appreciatiebevoegdheid toekent; dat de Commissie haar bevoegdheid echter te buiten gegaan is door nergens uiteen te zetten welke de “onbillijkheden van overwegende aard” zijn, die in casu zouden zijn tussengekomen, - ten derde, dat de onroerende goederen opgenomen in de punten 4.A en 4.B van de bestreden beslissingen (sic) zonder enige bijzondere motivering onontvankelijk (sic) worden verklaard. 4.
  25. In de memorie van wederantwoord lichten de verzoekers het middel nader toe. In verband met het eerste onderdeel herhalen de verzoekers dat een schadeloosstelling naar gemeen recht bestaat in een integraal herstel van de geleden schade. Weliswaar lijkt de verwerende partij ervan uit te gaan dat de vergoeding forfaitair kan worden bepaald als de gespolieerde goederen niet konden worden geïdentificeerd. Te dezen steunt de bestreden beslissing echter op artikel IX-5728-8/16 6, § 2, 1/, van de wet om het bedrag van de vergoeding vast te stellen, hetgeen impliceert dat de gespolieerde goederen werden geïdentificeerd. In die omstandigheden is de schade in concreto bepaalbaar, en is het wettelijk niet verantwoord om geen integraal herstel van de schade toe te kennen. In verband met het tweede onderdeel stellen de verzoekers vooreerst vast dat de verwerende partij verwijst naar de “nota toegevoegd aan de notificatie”, waarin omschreven wordt wat onder “onbillijkheden” moet worden verstaan. De Commissie beschikt echter over geen enkele bevoegdheid om een “reglementering” uit te vaardigen die tegenstelbaar zou zijn aan derden. Zij moet de aanvragen integendeel geval per geval beoordelen. Voorts voeren de verzoekers aan dat artikel 8, § 2, van de wet als enig doel heeft het toelaten van een versoepeling van de bewijsregels voor de spoliatie, en dat die bepaling geenszins een forfaitaire vergoeding vastlegt. Ten slotte verwijzen de verzoekers naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 december 2001, waaruit volgens hen blijkt dat de wet niet voorziet in forfaitaire vergoedingen. In verband met het derde onderdeel verduidelijken de verzoekers dat zij in hun verzoekschriften beoogden te verwijzen naar de punten 4a en 4b van hun aanvraag tot schadeloosstelling, en dus niet van de bestreden beslissing. Zij voeren aan dat in de beslissing van de Commissie geen rekening wordt gehouden met het feit dat de zogenaamde “publieke” verkoop van de drie in de aanvraag genoemde onroerende goederen, tegen een spotprijs, in feite neerkwam op een gedwongen onteigening. Zij wijzen daarbij op het feit dat de goederen in “spergebied” lagen, dat er dus geen competitieve verkoop kon plaatsvinden aangezien slechts een beperkt aantal personen toegang hadden tot het gebied, dat in de verkoopakte expliciet wordt verwezen naar het feit dat het gaat om een verkoop van onroerende goederen toebehorende aan personen “van het Joodse ras”, en dat het opmerkelijk is dat de prijs juist voldoende was om de schuld jegens de financiële instelling en de kosten te dekken. Volgens de verzoekers was de verkoop “gearrangeerd” en werden de goederen verkocht aan een rexist en een familielid. Ten bewijze van de spoliatie door gedwongen verkoop verwijzen de verzoekers ook naar de motieven van een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 19 november 1947, waarin een vordering van Amalia Fendler tot vernietiging van de verkoop wordt afgewezen wegens laattijdigheid. De verzoekers stellen dat zij uitdrukkelijk de vergoeding van de spoliatie van de onroerende goederen hebben gevraagd en dat de Commissie slechts een vergoeding toekent voor het saldo van de IX-5728-9/16 verkoopprijs van de goederen. Voor het niet toekennen van enige schadeloosstelling voor de spoliatie van de onroerende goederen zelf, door middel van een gedwongen verkoop voor een spotprijs, wordt geen reden opgegeven. De verzoekers merken ten slotte op dat hun kritiek betrekking heeft op de hele beslissing, en niet enkel op de punten 2/ en 3/ daarvan. 5.
  26. Wat het eerste onderdeel betreft, dient onderstreept te worden dat de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 in essentie, zoals blijkt uit artikel 6, § 2, een wet is die de teruggave beoogt van de financiële tegoeden en de goederen die, naar aanleiding van de plundering van goederen of de gedwongen achterlating ervan door hun eigenaars, in het bezit zijn gekomen van de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen. De wet beoogt niet het integrale herstel van de schade die geleden is door de eigenaars. Artikel 6, § 2, voorziet in de teruggave van “de goederen en financiële tegoeden die berusten hetzij bij de Staat, hetzij bij de financiële instellingen of verzekeringsmaatschappijen, waarvan een spoor werd teruggevonden door de Commissie Buysse of in het kader van het onderzoek van de aanvraag door de Commissie” (Parl. St., Kamer, 2000-01, nr. 50-1379/1, p. 5). Voor goederen die aan deze omschrijving beantwoorden wordt de schadeloosstelling berekend op basis van de waarde van de geïdentificeerde, niet teruggegeven goederen, waarop een actualiseringscoëfficiënt als bedoeld in artikel 10 van de wet wordt toegepast. Te dezen werden door de Commissie enkel financiële tegoeden teruggevonden bij de Deposito- en Consignatiekas, met name het saldo (42.374 BEF) van de openbare verkoop van drie onroerende goederen, te weten het “Hôtel du Phare” en de “Villa Berthe” op de Zeedijk te Knokke en het handelsgebouw (“Phare Palace”) op de Van Bunnenplaats te Knokke, saldo dat nooit is teruggegeven aan de rechthebbenden. In punt 1/ van de bestreden beslissing oordeelt de Commissie dat dit bedrag, geactualiseerd, aan de verzoekers moet worden teruggegeven. Daarnaast voorziet artikel 8, § 2 van de wet in de mogelijkheid voor de Commissie om in bijzondere gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar haar oordeel bij de toepassing van de wet IX-5728-10/16 mochten voordoen. In de “nota toegevoegd aan de notificatie” geeft de Commissie enkele voorbeelden van gevallen waarin volgens haar toepassing gemaakt kan worden van artikel 8, § 2: “wanneer de omstandigheden uitwijzen dat tegoeden inderdaad werden gespolieerd, maar wanneer het niet mogelijk is deze tegoeden bij de Staat, bij de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen te identificeren, of nog wanneer voor de spoliatie van de goederen geen geld werd weerhouden door de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen.” Wanneer de Commissie vaststelt dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6, § 2, kan ze, wanneer de plundering volgens haar voldoende bewezen is, maar er geen of onvoldoende gegevens zijn die het mogelijk maken de waarde van de goederen op een relatief precieze wijze vast te stellen, in billijkheid uitspraak doen en een forfaitaire schadeloosstelling toekennen. Die mogelijkheid wordt niet tegengesproken door de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 december 2001, waarnaar de verzoekers in hun memorie van wederantwoord verwijzen, zij het in verband met het tweede onderdeel van het middel. De verzoekers halen vooreerst de memorie van toelichting aan, waarin gesteld wordt: “Voor wat betreft de opmerking van de Raad van State omtrent het bedrag van de schadeloosstelling, moet gepreciseerd worden dat het om een vergoeding gaat die tot doel heeft een geplunderd of achtergelaten vermogen terug te geven of te compenseren” (Parl. St., Kamer, 2000- 01, nr. 50-1379/1, p. 10). Deze toelichting sluit de mogelijkheid van een forfaitaire schadeloosstelling niet uit. Voorts verwijzen de verzoekers naar een verklaring van de vertegenwoordigster van de Eerste Minister in de bevoegde commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers: “De vertegenwoordigster van de eerste minister onderstreept dat het wetsontwerp alleen betrekking heeft op schade berokkend aan goederen en niet aan personen. Zulks verklaart waarom het ontwerp niet voorziet in de toekenning van forfaitaire schadeloosstellingen. Krachtens artikel 8, § 2, wordt het evenwel mogelijk in bepaalde gevallen de regels op grond waarvan bewijzen in aanmerking worden genomen, te versoepelen rekening houdend met ‘onbillijkheden van overwegende aard’” (Parl. St., Kamer, 2000-01, nr. 50-1379/5, p. 22). De verklaring in verband met het ontbreken van een forfaitaire regeling in de wet houdt verband met artikel 6, § 2, en sluit in het geheel niet uit dat de IX-5728-11/16 Commissie in billijkheid uitspraak doet en een forfaitaire schadeloosstelling toekent wanneer ze toepassing maakt van artikel 8, § 2, van de wet. Zoals de verwerende partij terecht aanvoert in haar memorie van antwoord, voorziet de wet van 20 december 2001 dus niet in alle gevallen in het integrale herstel van de schade, en met name niet in de gevallen bedoeld in artikel 8, § 2, van de wet. Het eerste onderdeel faalt naar recht. 5.
  27. In zoverre de verzoekers in het tweede onderdeel aan de bestreden beslissing verwijten dat deze niet uiteenzet welke de “onbillijkheden van overwegende aard” zijn die het voor de Commissie mogelijk maken om te dezen toepassing te maken van artikel 8, § 2, moet hun kritiek allicht zo begrepen worden dat de Commissie niet motiveert waarom ze in punt 2/ van haar beslissing niet beslist op basis van de werkelijke waarde van de geplunderde goederen, met toepassing van artikel 6, § 2, maar integendeel een bepaald forfaitair bedrag toekent, met toepassing van artikel 8, § 2, en dat haar beslissing terzake niet wettelijk verantwoord is. 5.2.
  28. Vooreerst blijkt uit de combinatie van de punten 1/ en 2/ van de bestreden beslissing dat het in 2/ gaat om “andere” goederen dan die welke bedoeld zijn in 1/, dit wil zeggen om geplunderde of achtergelaten goederen die door de Commissie niet geïdentificeerd konden worden, maar waarvan het feit van de plundering niettemin voldoende bewezen is. Zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt, moet de beslissing bovendien gelezen worden in samenhang met de “nota toegevoegd aan de notificatie”, welke als bijlage bij de “notificatie” van de beslissing is gevoegd en waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in punt 2/. In die nota worden, zoals is opgemerkt bij het onderzoek van het eerste onderdeel, door de Commissie twee gevallen beschreven waarin zij van oordeel is gebruik te kunnen maken van de bevoegdheid haar toegekend bij artikel 8, §
  29. Eén van die gevallen is het geval “wanneer het niet mogelijk is [de] tegoeden bij de Staat, bij de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen te identificeren”. Door aan te nemen dat artikel 8, § 2, in een dergelijk geval kan worden toegepast, gaat de nota IX-5728-12/16 uit van een wettelijk verantwoorde interpretatie van het begrip “onbillijkheden van overwegende aard”. In hun memorie van wederantwoord werpen de verzoekers op dat de Commissie de bevoegdheid mist om een “reglementering” uit te vaardigen die tegenstelbaar zou zijn aan derden. Het is weliswaar juist dat de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie beschikt haar ertoe verplicht om de aanvragen die haar worden voorgelegd geval per geval te onderzoeken, maar niets belet haar om, zoals in de “nota toegevoegd aan de notificatie”, een gedragslijn te bepalen waarvan zij slechts afwijkt indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 5.2.
  30. Te dezen kent de Commissie aan de verzoekers een forfaitaire schadevergoeding toe voor de plundering van de meubels en alle andere persoonlijke bezittingen van de grootouders van de verzoekers uit de woonst in de Troonstaat 20 te Brussel, voor de plundering van de handelsvoorraad waarover de grootvader van de verzoekers als hoteluitbater moet hebben beschikt, en voor de spoliatie van de hoteluitrusting. De bedragen voor de plundering van de meubels en de persoonlijke bezittingen uit de woning te Brussel en van de handelsvoorraad van het hotel stemmen overeen met de forfaitaire bedragen voor respectievelijk de inboedel van een onroerend goed (7.000 euro) en een handelszaak (1.500 euro), vermeld in de “nota toegevoegd aan de notificatie”. In die nota wordt ook uiteengezet hoe de Commissie tot de vaststelling van die bedragen is gekomen. Het bedrag voor de spoliatie van de hoteluitrusting (30.054 euro) is blijkens de motieven van de bestreden beslissingen vastgesteld op basis van een schatting door de “Wehrmacht” van de inboedel van een vergelijkbaar hotel. Gelezen in samenhang met de “nota toegevoegd aan de notificatie”, voldoet de bestreden beslissing aldus aan de formele motiveringsverplichting. Gelet op de elementen waarop de Commissie heeft gesteund om tot de vaststelling van elk van de forfaitaire bedragen te komen, maken de verzoekers voorts niet aannemelijk dat die bedragen berusten op een kennelijk onredelijke beoordeling. IX-5728-13/16 5.2.
  31. Het tweede onderdeel kan niet aangenomen worden. 5.
  32. In het derde onderdeel voeren de verzoekers aan dat de onroerende goederen “opgenomen in de punten 4.A en 4.B van de bestreden beslissingen onontvankelijk werden verklaard”, zonder enige bijzondere motivering. Volgens de verzoekers voldoet die beslissing aldus niet aan de formele motiveringsverplichting. 5.3.
  33. De bestreden beslissing bevat geen punten “4.A” en “4.B”. Evenmin worden onroerende goederen “onontvankelijk verklaard”. De vraag rijst dan ook of het onderdeel niet onontvankelijk moet worden verklaard wegens onduidelijkheid. Die vraag kan te dezen evenwel opengelaten worden. 5.3.
  34. In haar memorie van antwoord is de verwerende partij er immers van uitgegaan dat de verzoekers in werkelijkheid kritiek leveren op punt 3/ van de bestreden beslissing. Indien het onderdeel zo moet worden begrepen dat de beslissing onder punt 3/ is genomen zonder enige motivering, stelt de Raad van State vast dat de beslissing wel degelijk de redenen opgeeft waarom ze met betrekking tot de goederen genoemd in 3/ geen enkele schadeloosstelling toekent. In zoverre het gaat om de meubels en alle andere bezittingen uit de privé-vertrekken in het “Hôtel du Phare”, overweegt de bestreden beslissing immers dat voor de desbetreffende plundering al een vergoeding is toegekend in het kader van de Duitse herstelwetgeving. In zoverre het gaat om het “handelsgebouw” gelegen op de Van Bunnenplaats 6 te Knokke (“Phare Palace”), overweegt de bestreden beslissing dat geen spoliatie is geïdentificeerd. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat die laatste overweging zo moet worden begrepen dat het daarin gaat om het handelsfonds verbonden met het genoemde handelsgebouw, en dat de schadeloosstelling geweigerd wordt omdat niet bewezen is dat de grootouders van de verzoekers dat handelsfonds uitgebaat hebben. Aldus voldoet de bestreden beslissing op dit punt aan de formele motiveringsverplichting. IX-5728-14/16 5.3.
  35. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekers dat zij beoogden te verwijzen naar de punten 4a en 4b van hun aanvraag tot schadeloosstelling, waarin zij een opsomming hebben gegeven van alle betrokken onroerende goederen. Zij leggen verder uit dat de Commissie geen rekening houdt met de gedwongen onteigening van de onroerende goederen, in het licht van de publieke verkoop ervan. Volgens de verzoekers wordt in de bestreden beslissing geen enkele reden gegeven waarom voor de spoliatie van de goederen zelf door middel van een gedwongen verkoop voor een spotprijs geen enkele vorm van schadeloosstelling wordt toegekend. Die uitleg kan niet begrepen worden als een loutere toelichting bij het onderdeel zoals dit in het verzoekschrift is uiteengezet. Het gaat om een uitbreiding van het voorwerp van de beroepen, minstens om een nieuw middel. Dit nieuwe middel raakt de openbare orde niet, en niets belette de verzoekers om het reeds in hun verzoekschrift in te roepen. Een dergelijk middel kan niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord worden ingeroepen. 5.3.
  36. Het onderdeel kan niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  37. De zaken A. 184.779/IX-5728 en A. 184.780/IX-5729 worden samengevoegd. Artikel
  38. De beroepen worden verworpen. Artikel
  39. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. IX-5728-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 april 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5728-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.885 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.