id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.887 Rolnummer: A. 139048/IX-3853 Zaak: Arrest 192887 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-30 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 192.887 van 30 april 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.887 van 30 april 2009 in de zaak A. 139.048/IX-3853. In zake : Lodewijk MERTENS, wonende te DUFFEL, Beukheuvel 118 tegen : de Regie der Gebouwen, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lodewijk MERTENS op 11 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 2 april 2003 waarbij Erik BALBAERT met ingang van 1 maart 2003 wordt bevorderd in de weddeschaal 13B bij de Juridische Dienst van de Regie der Gebouwen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-3853-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. LEFEVER die, loco advocaat K. VAN ALSENOY, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.1. Verzoeker was adviseur in de weddeschaal 13A bij de Regie der Gebouwen op het tijdstip van het bestreden besluit. 1.2. Bij dienstnota van 11 oktober 2002 worden twee betrekkingen van adviseur in de weddeschaal 13B vacant verklaard. Om in die betrekkingen bevorderd te kunnen worden, moeten de kandidaten titularis zijn van de graad van adviseur 13A en ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben op het ogenblik van de bevordering. De dienstnota vermeldt onder meer dat de kandidaten moeten blijk geven van de volgende kwaliteiten : - kennis van de onderwerpen behandeld door de Regie der Gebouwen, - zin voor verantwoordelijkheid, - bekwaamheid tot communicatie en groepswerk, - synthetisch vermogen, - en zin voor initiatief. 1.3. Vijf personeelsleden, waaronder verzoeker en Erik Balbaert, stellen zich kandidaat. Op het inlichtingenformulier geeft verzoeker een uiteenzetting met betrekking tot de vereiste kwaliteiten. IX-3853-2/13 Inzake de vereiste zin voor verantwoordelijkheid wijst hij op zijn medewerking op de directie Antwerpen aan de uitvoering van het “Fysisch Programma”, op zijn jarenlange inzet bij de dienst “Patrimoniumbeheer” van het hoofdbestuur voor de opbouw en vervollediging van een patrimoniumdatabank, op zijn jarenlange betrokkenheid bij de voorbereidende besprekingen tussen de federale staat en de gemeenschappen en gewesten met betrekking tot de overdracht van staatsgebouwen ingevolge de staatshervorming en op het zonder bijkomende vergoeding jarenlang op zich nemen van de dagelijkse leiding van de dienst Patrimoniumbeheer in afwachting van de eigenlijke titularis. Met betrekking tot de vereiste zin voor initiatief vermeldt hij zijn vorming in de methodiek van het leidinggeven door het volgen van de universitaire opleiding “Overheidsmanagement en Bestuurskunde”, en somt hij enkele dossiers op waarin mede door zijn toedoen initiatieven werden genomen, zoals de actualise- ring van het Administratief Onderhoudsreglement, de rapportering betreffende de overdracht van staatseigendommen ingevolge de staatshervorming, de gedwongen mede-eigendommen en de wederkerige huurcontracten, de opvolging van de occupationele audit, het opstellen van bezettingsnormen met correctiecoëfficiënten, de opmaak van de gebruikershandleiding met betrekking tot de patrimoniumdata- bank en een pilootproject inzake de vervreemding van grondoverschotten. Erik Balbaert wijst met betrekking tot de vereiste zin voor verantwoordelijkheid op zijn voortdurende bijscholing, onder meer door het volgen van een postuniversitaire opleiding Master in Publiek Management, op het feit dat hij steeds het diensthoofd heeft vervangen bij diens afwezigheid of belet, op zijn permanente bezorgdheid voor het efficiënt en correct functioneren van de eigen dienst en de Regie der Gebouwen als organisatie, welke onder meer zou blijken uit zijn “Doornroosje”- nota inzake de verbetering van de werking van de Regie der Gebouwen voorgesteld aan de Raad van Ambtenaren-Generaal, en op een vermelding ter zake op zijn individuele fiche daterend van 1998. Met betrekking tot de vereiste zin voor initiatief, wijst hij op de creatie van een aantal relationele databanken om juridische problemen in kaart te brengen, op het ontwerp van een spreadsheet om automatisch berekeningen te kunnen maken, op een dertigtal juridische richtlijnen waarvan hij de auteur is, op zijn “Doornroosje”-nota, op het voorstellen en uitwerken van een ICT-beleid, op het IX-3853-3/13 systematisch signaleren van nieuwe relevante wetgeving en op een vermelding ter zake op zijn individuele fiche daterend van 1998. 1.4. Tijdens de vergadering van 4 december 2002 onderzoekt de directieraad de kandidaturen. Aan elk van de vijf te hanteren criteria wordt een respectieve waarde van 20 punten toegekend. De notulen van de vergadering van de directieraad luiden als volgt: “ (...)
- b)Onderzoek van de kandidaturen Na een eerste gedachtewisseling komt de Raad overeen om respectievelijk de volgende principes te hanteren voor het onderzoek van de kandidaturen voor elk van de criteria: 1. Kennis van de in de verschillende afdelingen behandelde materies Dit criterium heeft hoofdzakelijk tot doel om, in het bijzonder wat de ambtenaren van rang 13 betreft, de kennis na te gaan van de aan de Regie toevertrouwde materies en van de noodzakelijke procedures om de dossiers tot een goed einde te brengen. Aldus wordt overeengekomen om rekening te houden met de werkelijke ervaring in een functie van rang 13 binnen de Regie der Gebouwen. Volgende regels worden aangenomen: - meer dan 10 jaar ervaring : 18 punten - meer dan 6 jaar en minder dan 10 jaar ervaring : 16 punten - minder dan 6 jaar ervaring : 14 punten Er wordt op gewezen dat mevr. VANSTEENKISTE sedert januari 1992 werd aangewezen om de functie van directeur uit te oefenen, dat de heer BALBAERT sedert januari 1996 werd aangewezen om de functie van directeur uit te oefenen terwijl de heer VAN CLEUVENBERGEN slechts van juni 1990 tot april 1996, hetzij minder dan 6 jaar, een functie van rang 13 binnen de Regie der Gebouwen effectief heeft uitgeoefend. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat worden 18 punten toegekend aan de heer MERTENS en mevr. VANSTEENKISTE, 16 punten aan de heer BALBAERT en 14 punten aan de heren VAN CLEUVENBERGEN en PIRAUX. 2. Verantwoordelijkheidszin Dit criterium dient om te onderzoeken op welke manier de kandidaten zich gekweten hebben van de verplichtingen van een adviseur. Er wordt overeengekomen om 16 punten toe te kennen aan de kandidaten die zich goed van hun verplichtingen gekweten hebben, er worden 2 punten minder gegeven aan diegenen die op bepaalde vlakken tekortkomingen hebben vertoond, er zal 1 bijkomend punt toegekend worden aan de kandidaten die bijkomende bijzondere of specifieke taken of verantwoorde- lijkheden uitoefenen en 2 bijkomende punten aan de kandidaten met uitzonderlijke verdiensten. IX-3853-4/13 Alhoewel de leden van de Raad van mening zijn dat alle kandidaten kwaliteiten hebben op dat vlak zijn de heren BOMBOIS en VAN GEYSTE- LEN van oordeel dat de verdiensten van mevr. VANSTEENKISTE en de heer BALBAERT, die ter zake blijk geven van een uitzonderlijk dynamisme, heel opmerkelijk zijn en zij vragen dat hen 2 bijkomende punten worden toegekend. Over dit voorstel wordt eensgezindheid bereikt binnen de Raad. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat worden 18 punten toegekend aan mevr. VANSTEENKISTE en de heer BALBAERT en 16 punten aan de heren VAN CLEUVENBERGEN, MERTENS en PIRAUX. 3. Geschiktheid voor communicatie en groepswerk Er wordt overeengekomen om 16 punten toe te kennen aan de kandidaten die ter zake over goede bekwaamheden beschikken en 1 bijkomend punt aan de kandidaten die over bijkomende bijzondere specifieke bekwaamheden beschikken. Er zal 1 punt worden afgetrokken van de kandidaten die ter zake tekortkomingen hebben vertoond. De Raad is van mening dat alle kandidaten ter zake zeer bekwaam zijn en besluit dan ook om hen 16 punten toe te kennen, 4. Synthetisch vermogen Er wordt overeengekomen om 16 punten toe te kennen aan de kandidaten die ter zake over goede bekwaamheden beschikken en 1 bijkomend punt aan de kandidaten die over bijkomende bijzondere specifieke bekwaamheden beschikken. Er zal 1 punt worden afgetrokken van de kandidaten die ter zake tekortkomingen hebben vertoond. De Raad is van mening dat alle kandidaten ter zake zeer bekwaam zijn en besluit dan ook om hen 16 punten toe te kennen, 5. Zin voor initiatief Er wordt overeengekomen om 16 punten toe te kennen aan de kandidaten die ter zake over goede bekwaamheden beschikken en 1 bijkomend punt aan de kandidaten die ter zake zeer verdienstelijk zijn. Er zal 1 punt worden afgetrokken van de kandidaten die ter zake tekortkomingen hebben vertoond. Alhoewel de leden van de Raad van mening zijn dat alle kandidaten kwaliteiten hebben op dat vlak wijzen de heren BOMBOIS en VAN GEYSTELEN op de talrijke initiatieven die door mevr. VAN STEENKISTE en de heer BALBAERT werden genomen om de opdrachten waarmee zij werden belast tot een goed einde te brengen en om de werking van hun dienst te verbeteren. Zij zijn van mening dat zij een bijkomend punt verdienen voor dit criterium. Over dit voorstel wordt eensgezindheid bereikt binnen de Raad. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat worden 17 punten toegekend aan mevr. VANSTEENKISTE en de heer BALBAERT en 16 punten aan de heren VAN CLEUVENBERGEN, MERTENS en PIRAUX. IX-3853-5/13 In totaal werd aan elke kandidaat volgend puntenaantal toegekend: 1. VANSTEENKISTE Carine (FBE 12) 85 punten 2. BALBAERT Erik (N) 83 punten 3. MERTENS Lodewijk (N) 82 punten 4. VAN CLEUVENBERGEN Erik (N) 78 punten 4. ex aequo PIRAUX Alexandre (F) 78 punten Het gedetailleerd overzicht van de aan elke kandidaat toegekende punten staat vermeld in de bij deze notulen gevoegde tabel. De leden van de Raad zijn het unaniem met elkaar eens dat de eerste plaats moet worden toegekend aan mevr. VANSTEENKISTE. Wat de 2e plaats betreft zijn sommigen van mening dat er onvoldoende rekening werd gehouden met de aanzienlijke grotere graadanciënniteit van de heer MERTENS en dat de 2e plaats derhalve aan hem zou moeten worden toegekend. Er wordt overgegaan tot een geheime stemming waarbij aan de leden wordt gevraagd om de kandidaat aan te duiden die zij het geschiktst vinden om de 2e plaats te bekleden na mevr. VANSTEENKISTE. Deze stemming heeft het volgende resultaat opgeleverd : - uitgebrachte stemmen : 13 stemmen - ten gunste van de heer BALBAERT : 9 stemmen - ten gunste van de heer MERTENS : 4 stemmen - ten gunste van andere kandidaten : 0 stemmen - onthoudingen :0 Derhalve beslist de Raad eenparig wat de eerste plaats betreft en bij meerderheid van stemmen wat de andere plaatsen betreft om de volgende voordracht van rangschikking te formuleren: 1. VANSTEENKISTE Carine (FBE 12) 85 punten 2. BALBAERT Erik (N) 83 punten 3. MERTENS Lodewijk (N) 82 punten 4. VAN CLEUVENBERGEN Erik (N) 78 punten 4. ex aequo PIRAUX Alexandre (F) 78 punten ”. 1.5. Met een brief van 6 februari 2003 dient verzoeker tegen de rangschikking van de kandidaten bezwaar in. Hij stelt dat hij “persoonlijk geen enkel probleem (heeft) met de naar voren gebrachte kwaliteiten van de twee best geplaatste kandidaten”, maar dat hij niettemin niet akkoord kan gaan met de punten die hem voor de criteria “verantwoordelijkheidszin” en “zin voor initiatief” werden toegekend, aangezien hij vanaf 1992 tot 1999, vaak in moeilijke omstandigheden, de dagelijkse leiding van de dienst Patrimonium heeft uitgeoefend, hij hierbij duidelijk het bewijs heeft geleverd van zijn verantwoordelijkheidszin en hij in dat kader talrijke initiatieven heeft genomen waarvan hij in zijn kandidaatstelling melding heeft gemaakt. Hij vraagt dat hem bijgevolg bijkomende punten -twee voor het criterium IX-3853-6/13 “verantwoordelijkheidszin” en één voor het criterium “zin voor initiatief”- zouden worden toegekend en dat de rangschikking van de kandidaten zou worden herzien. 1.6. In zijn vergadering van 19 februari 2003 onderzoekt de directieraad het bezwaarschrift van verzoeker. De directieraad oordeelt dat het bezwaarschrift “geen enkel nieuw gegeven of argument bevat dat door de Raad zou zijn vergeten of over het hoofd gezien bij het onderzoek van de kandidaturen”. De directieraad beslist bij meerderheid van stemmen de oorspronkelijke rangschikking van de kandidaten te behouden. 1.7. Bij ministeriële besluiten van 2 april 2003 worden Carine Vansteenkiste en Erik Balbaert bevorderd in de weddeschaal 13B, met ingang van 1 maart 2003, de eerste bij de Financiële Dienst, de tweede bij de Juridische Dienst. Die besluiten worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 mei 2003. Het ministerieel beluit houdende bevordering van Erik Balbaert is het bestreden besluit. Het steunt op het voorstel van de Directieraad, die ter zake “is overgegaan tot een vergelijkend onderzoek van de titels van de kandidaten”. 2. Ontvankelijkheid 2.1. In een schrijven van 19 november 2008 werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op. Volgens de verwerende partij zou verzoeker niet langer doen blijken van het rechtens vereiste actueel belang, omdat hij vanaf 1 september 2011 automatisch zal worden bevorderd in de weddeschaal A32. Deze weddeschaal komt, aldus de verwerende partij, overeen met deze waarin alle vroegere titularissen van de graad van adviseur, bezoldigd in de weddeschaal 13B, ambtshalve geïntegreerd werden op 1 december 2004. 2.2. Verzoeker beantwoordde deze exceptie in een brief van 10 januari 2009, naar aanleiding van een schrijven van 11 december 2008 van de staatsraad- verslaggever in verband met het rechtens vereiste actueel belang. IX-3853-7/13 2.3. Verzoeker schrijft in essentie dat hij pas op 1 september 2011 zal worden bevorderd in de weddeschaal A32 en dit omdat hij geslaagd is in een gecertificeerde opleiding, terwijl Erik Balbaert met ingang van 1 maart 2003 werd bevorderd in de weddeschaal 13B, zijnde de huidige weddeschaal A32. Indien verzoeker destijds bevorderd werd in de weddeschaal 13B zou hij thans de weddeschaal A32 reeds hebben bereikt. Bijgevolg wordt de exceptie verworpen en is de vordering ontvankelijk. Ten gronde 3.1. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 26, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel, doordat de directieraad, die op gemotiveerde wijze de benoemende overheid moet inlichten over de verdiensten van de kandidaten, in zijn advies geen blijk geeft van een grondig, nauwgezet en vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten. Met betrekking tot het criterium “kennis van de in de verschillende afdelingen behandelde materies” betwist verzoeker dat Erik Balbaert meer dan zes jaar ervaring zou hebben, vermits deze in de functie van adviseur slechts een graadanciënniteit heeft met ingang van 1 februari 1999. Bovendien bevat het administratief dossier volgens verzoeker geenszins het bewijs van de aanwijzing van Erik Balbaert om sedert januari 1996 de functie van directeur uit te oefenen. Inzake het criterium “verantwoordelijkheidszin” stelt verzoeker dat niet gemotiveerd wordt waarom aan hem, aan Erik Van Cleuvenbergen en aan Alexandre Piraux één bijkomend punt als gevolg van bijkomende bijzondere of specifieke taken of verantwoordelijkheden die zij zouden hebben uitgeoefend, wordt geweigerd en dat niet nader omschreven wordt waarin het uitzonderlijk dynamisme van Erik Balbaert en Carine Vansteenkiste, waardoor hen twee bijkomende punten worden toegekend, dan wel gelegen is. Met betrekking tot het criterium “zin voor initiatief” betoogt verzoeker dat aan Carine Vansteenkiste en aan Erik Balbaert één bijkomend punt wordt toegekend als gevolg van “de talrijke initiatieven die door (hen) werden genomen om de opdrachten waarmee zij werden belast tot een goed einde te brengen en om de werking van hun dienst te verbeteren”, opnieuw zonder enige nadere motivering of vergelijkend onderzoek van de kandidaturen. IX-3853-8/13 3.2. De verwerende partij antwoordt dat de directieraad de kandidaten heeft beoordeeld op basis van de bij de vacantverklaring van de betrekkingen bekendgemaakte objectieve en duidelijke criteria die verband houden met de te begeven functies en dat de rangschikking van de kandidaten wel degelijk gesteund is op een grondig, nauwgezet en vergelijkend onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten aan de hand van die criteria. Met betrekking tot het criterium “kennis van de in de verschillende afdelingen behandelde materies”, stelt zij dat de directieraad rekening wenste te houden met de werkelijke ervaring in een functie van rang 13 binnen de Regie der Gebouwen, ongeacht of die ervaring werd opgedaan als benoemde in, of als tijdelijk waarnemer van zulke functie, waardoor Erik Balbaert, die sedert januari 1996 werd aangewezen om de functie van directeur uit te oefenen, op het ogenblik van het onderzoek van de kandidaturen wel degelijk over meer dan zes jaar ervaring in deze functie beschikte. Met betrekking tot het criterium “verantwoordelijkheidszin” betoogt zij dat de directieraad, zoals vermeld in de notulen van zijn vergadering, unaniem geoordeeld heeft dat Carine Vansteenkiste en Erik Balbaert blijk geven van een uitzonderlijk dynamisme en heel opmerkelijk zijn en dat hierdoor binnen de directieraad, na overleg, erkend is dat beide kandidaten uitzonderlijke verdiensten hebben op het vlak van verantwoordelijkheidszin, wat volgens de verwerende partij een afdoende en dus ook voldoende concrete motivering is en niet beschouwd kan worden als een stijlformule. Inzake het criterium “zin voor initiatief” stelt zij dat de directieraad, zoals vermeld in de notulen van zijn vergadering, unaniem geoordeeld heeft dat Carine Vansteenkiste en Erik Balbaert talrijke initiatieven hebben genomen om de opdrachten waarmee zij werden belast tot een goed einde te brengen en om de werking van hun dienst te verbeteren en dat hierdoor binnen de directieraad erkend is dat beide kandidaten op dit vlak zeer verdienstelijk zijn, wat volgens de verwerende partij een afdoende en dus ook voldoende concrete motivering is en niet beschouwd kan worden als een stijlformule. Zij merkt ook op dat de directieraad niet tegemoet dient te komen aan alle aangebrachte argumenten, elk afzonderlijk, maar dat hij slechts de beslissende argumenten moet geven waarop hij zich steunt. Voorts wijst zij op de geheime stemming die werd gehouden naar aanleiding van de mening van sommige leden van de directieraad dat er onvoldoende rekening werd gehouden met de grotere graadanciënniteit van verzoeker, welke er echter opnieuw toe geleid heeft dat Erik Balbaert meer geschikt bevonden werd dan verzoeker om de tweede plaats van de rangschikking te bekleden na Carine Vansteenkiste en waardoor de minister kennis kreeg van de houding van de directieraad ten opzichte van elk van de kandidaten. De minister heeft zich dienvolgens aangesloten bij het IX-3853-9/13 voorstel van de directieraad en ook, expliciet, bij het vergelijkend onderzoek van titels door de directieraad. Ten slotte merkt de verwerende partij op dat een positieve motivering volstaat en dat de overheid derhalve niet moet motiveren waarom de niet gunstig gerangschikte kandidaten niet weerhouden werden. 3.3.1. Luidens artikel 26, § 1, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel, zoals van toepassing ten tijde van het bestreden besluit, wordt voor iedere bevordering door verhoging in weddeschaal die afhankelijk gesteld is van de vacature van een betrekking, een voorstel gedaan door de directieraad in de gevallen waarin dit college op grond van de artikelen 23 of 67 een met redenen omkleed advies dient te geven. In dat geval bevat het voorstel ten hoogste vijf kandidaten per vacante betrekking. Luidens artikel 23, eerste lid, van dit besluit, zoals van toepassing ten tijde van het bestreden besluit, worden bevorderingen door verhoging in weddeschaal in rang 13 die afhankelijk gesteld zijn van de vacature van een betrekking verleend, na een met redenen omkleed advies van de directieraad. 3.3.2. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht kan de Raad van State zijn beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is slechts bevoegd om na te gaan of de benoemende overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 3.3.3. Het advies van de directieraad, waarbij de benoemende overheid zich aansluit en waarnaar zij verwijst ter motivering van het benoemingsbesluit, moet de redenen vermelden waarom de ene kandidaat boven de andere wordt verkozen. Uit de stukken van het dossier, meer bepaald de notulen van de vergadering van de directieraad van 4 december 2002, blijkt dat het criterium “kennis van de in de verschillende afdelingen behandelde materies”, hoofdzakelijk tot doel heeft om, “in het bijzonder wat de ambtenaren van rang 13 betreft, de kennis IX-3853-10/13 na te gaan van de aan de Regie toevertrouwde materies en van de noodzakelijke procedures om de dossiers tot een goed einde te brengen” en dat in de directieraad desbetreffend overeengekomen werd, “om rekening te houden met de werkelijke ervaring in een functie van rang 13 binnen de Regie der Gebouwen”. Daarbij werd aangenomen om 18 punten toe te kennen bij meer dan 10 jaar ervaring, 16 punten bij meer dan 6 jaar en minder dan 10 jaar ervaring en 14 punten bij minder dan 6 jaar ervaring. De directieraad heeft Erik Balbaert ter zake 16 punten toegekend, vermits deze “sedert januari 1996 werd aangewezen om de functie van directeur uit te oefenen”. Het standpunt van de directieraad om met betrekking tot dit criterium rekening te houden met de werkelijke ervaring van de kandidaten in een functie van rang 13 en niet enkel met hun anciënniteit in een graad van rang 13 kan niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. De directieraad is dan ook binnen de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid gebleven door aan Erik Balbaert, als gevolg van zijn aanwijzing sedert januari 1996 om de functie van directeur uit te oefenen, 16 punten voor dit criterium toe te kennen. Verzoeker lijkt die aanwijzing te willen betwisten door er op te wijzen dat het administratief dossier hiervan geen enkel bewijs bevat, maar hij brengt zelf geen enkel gegeven aan waaruit het tegenovergestelde zou blijken. Uit voormelde notulen blijkt dat de beslissende elementen die door de directieraad worden gehanteerd en die ertoe hebben geleid dat Erik Balbaert als tweede wordt gerangschikt met in totaal één punt meer dan verzoeker, erin bestaan, enerzijds, dat verzoeker voor het criterium “verantwoordelijkheidszin” de beoordeling “goed” krijgt toegekend, terwijl aan Erik Balbaert desbetreffend “uitzonderlijke verdiensten” worden toegerekend en deze laatste als “heel opmerkelijk” wordt aangemerkt en blijk geeft van een “uitzonderlijk dynamisme”, en anderzijds, dat verzoeker voor het criterium “zin voor initiatief” opnieuw de beoordeling “goed” krijgt toegekend, terwijl Erik Balbaert ter zake als “zeer verdienstelijk” wordt aangemerkt en er gewezen wordt op diens “talrijke initiatieven (...) om de opdrachten waarmee (hij werd) belast tot een goed einde te brengen en om de werking van (zijn) dienst te verbeteren”. Er wordt evenwel niet uitgelegd waarop de directieraad zich voor die beoordelingen steunt. Van concrete gegevens die verduidelijken waarom op het vlak van verantwoordelijkheidszin Erik Balbaert als uitzonderlijk verdienstelijk en dynamisch wordt aangemerkt of van concrete voorbeelden van diens zeer verdienstelijke en talrijke initiatieven geven de notulen geen blijk, laat staan van een vergelijking van de titels en verdiensten van verzoeker met deze van Erik Balbaert inzake beide criteria, die zou toelaten in te zien waarom IX-3853-11/13 Erik Balbaert ter zake als verdienstelijker wordt aanzien dan verzoeker en waarin het verschil in quotering van beide kandidaten op beide vlakken gelegen is. In dit verband moet ook rekening gehouden worden met het feit dat verzoeker in zijn bezwaarschrift voor de directieraad uitdrukkelijk inging op zijn quotering voor beide criteria en dienaangaande om bijkomende punten verzocht. In de notulen van de vergadering van de directieraad van 19 februari 2003 wordt op die opmerkingen niet ingegaan. Bovendien is met betrekking tot de criteria “geschiktheid voor communicatie en groepswerk” en “synthetisch vermogen” evenmin enige motivering terug te vinden in de notulen van de vergadering van de directieraad van 4 december 2002, behalve dat “de Raad (...) van mening (
- is)dat alle kandidaten ter zake zeer bekwaam zijn en (...) dan ook (besluit) om hen 16 punten toe te kennen”. Gelet op het summier karakter van de motivering en op het gebrek aan antwoord op de bezwaren van verzoeker, is het voor de Raad van State niet mogelijk om te beoordelen of de appreciatie door de directieraad in feite en in redelijkheid aanvaardbaar is. In zoverre het middel aanvoert dat de notulen van de directieraad niet het bewijs leveren van een behoorlijke vergelijking van de titels en verdiensten van verzoeker en van Erik Balbaert, is het gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 2 april 2003 waarbij Erik BALBAERT met ingang van 1 maart 2003 wordt bevorderd in de weddeschaal 13B bij de Juridische Dienst van de Regie der Gebouwen. Artikel 2. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. IX-3853-12/13 Artikel 3. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 april 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3853-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.887 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div