id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.896 Rolnummer: A. 191436/IX-6220 Zaak: Arrest 192896 - Tucht (openbaar ambt) - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:04 Fiche Arrest nr 192.896 van 30 april 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.896 van 30 april 2009 in de zaak A. 191.436/IX-6220 In zake : Johan STEEGEN, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te Diest, Schellekensberg 28, tegen : de politiezone Bilzen-Hoeselt-Riemst, die woonplaats kiest bij advocaat J. NULENS, kantoor houdende te Hasselt, Kolonel Dusartplein 34/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan STEEGEN op 13 februari 2009 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de voorzitter van het politiecollege van de politiezone Bilzen-Hoeselt-Riemst van 6 oktober 2008, waarbij hem de tuchtstraf van de waarschuwing wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, opgesteld door adjunct-auditeur J. NEUTS, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 23 maart 2009, waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 april 2009; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-6220-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat A. STRACKX die, loco advocaat J. NULENS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. NEUTS, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT: Gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker is commissaris van politie in de politiezone Bilzen- Hoeselt-Riemst. 1.
- Op 12 juni 2008 stelt de voorzitter van het politiecollege van de voornoemde politiezone ten laste van de verzoeker een inleidend tuchtverslag op, waarin melding wordt gemaakt van de volgende feiten: “In ‘Het Belang van Limburg’ d.d. 09-02-2008 is een artikel verschenen met de titel ‘Bewakingscamera’s Brugstraat werken al jaar niet. Uit een mail d.d. 11-02-2008 van Ir. Frank Parthoens blijkt dat deze informatie pertinent onjuist is. Op het politiecollege d.d. 14-03-2008 werd u geïnterpelleerd over de persmededelingen met betrekking tot de camera’s op de Brugstraat. U moet het beleid mee verdedigen en dergelijke uitspraken niet aan de pers doen.” Luidens het inleidend verslag staan deze feiten vast, kunnen ze aan de verzoeker worden toegerekend en maken ze in zijnen hoofde een tuchtvergrijp uit. De voorzitter van het politiecollege deelt in dat verslag zijn voornemen mede om de verzoeker op grond van de voormelde feiten de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. IX-6220-2/7 1.
- Op 28 juli 2008 dient de verzoeker een verweerschrift in en vraagt hij om te worden gehoord. 1.
- Op 22 augustus 2008 heeft een hoorzitting plaats voor het politiecollege, waarop de verzoeker niet zelf aanwezig is, maar hij wordt er vertegenwoordigd door een vakbondsafgevaardigde, die zijn schriftelijke besluiten neerlegt. 1.
- Op 6 oktober 2008 beslist de voorzitter van het politiecollege om de verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. 1.
- Blijkens de notitie die is aangebracht op het tuchtbesluit, wordt dat besluit op 22 oktober 2008 aan de verzoeker voor kennisneming en ontvangst voorgelegd, maar “weigert [hij] te tekenen wegens onwettigheid van de uitspraak”. 1.
- Met een op 5 december 2008 ter post aangetekend verzonden schrijven wordt de bestreden beslissing aan de verzoeker betekend. Dat aangetekend schrijven wordt op 8 december 2008 door de postbode tevergeefs op de woonplaats van de verzoeker aangeboden. De postbode laat een bericht achter dat het aangeboden aangetekende schrijven op het postkantoor kan worden afgehaald. Op 15 december 2008 wordt dat aangetekend schrijven in het postkantoor te Bilzen aan de verzoeker overhandigd. Ontvankelijkheid 2.
- De verwerende partij werpt in de nota die zij in het kader van het administratief kort geding heeft ingediend, een exceptie van onontvankelijkheid van verzoekers vordering op wegens laattijdigheid. Zij betoogt dat zij de verzoeker op 22 oktober 2008 in kennis heeft gesteld van de bestreden beslissing, doordat zij hem een afschrift ervan heeft overhandigd. Aangezien de verzoeker weigerde om dat afschrift voor kennisneming en ontvangst te ondertekenen, heeft zij de bestreden beslissing met een aangetekend schrijven van 5 december 2008 aan de verzoeker betekend. Met verwijzing naar de beroepstermijn bij de Raad van State, die is bepaald bij artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 IX-6220-3/7 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, leidt de verwerende partij uit de voormelde gegevens af dat de verzoeker het voorliggende verzoekschrift laattijdig bij de Raad van State heeft ingediend. 2.2.
- Luidens artikel 4, derde lid, van het voormelde besluit van de Regent verjaren de beroepen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien zij noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. Artikel 37, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Politietuchtwet) bepaalt met betrekking tot de kennisgeving van de eindbeslissing over de tuchtvordering aan het betrokken personeelslid: “Op grond van het volledige dossier en het verweer, deelt de gewone tuchtoverheid, bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, aan het betrokken personeelslid de uitspraak mee. [...]” Krachtens deze wetsbepaling diende de bestreden beslissing aan de verzoeker tegen ontvangstbewijs te worden overhandigd of met een aangetekend schrijven te worden betekend. 2.2.
- Volgens de verwerende partij werd de bestreden beslissing op 22 oktober 2008 aan de verzoeker ter kennis gebracht, doordat zij een afschrift ervan aan de verzoeker heeft overhandigd. Uit het door de verwerende partij neergelegde administratief dossier blijkt dat op het tuchtbesluit de notitie werd aangebracht dat dit besluit op 22 oktober 2008 aan de verzoeker voor kennisneming en ontvangst werd voorgelegd, maar dat hij “weigert te tekenen wegens onwettigheid van de uitspraak”. Daargelaten of deze notitie, nu geen ondertekend ontvangstbewijs voorligt, kan worden aangenomen als een genoegzaam bewijs van een daadwerkelijke overhandiging van de bestreden beslissing aan de verzoeker, moet hoe dan ook worden opgemerkt dat de verwerende partij deze beslissing alleszins ook op de tweede wijze waarin door artikel 37, eerste lid, van de Politietuchtwet is voorzien, aan de verzoeker ter kennis heeft gebracht, namelijk door de betekening ervan bij een ter post aangetekende brief. Die brief werd op vrijdag 5 december 2008 verzonden en -zo blijkt uit inlichtingen die op vraag van de auditeur- IX-6220-4/7 verslaggever werden verstrekt door de postontvanger te Bilzen- op maandag 8 december 2008 op de woonplaats van de verzoeker aangeboden. Van die aanbieding is bericht gelaten en de verzoeker heeft op 15 december 2008 de brief afgehaald in het postkantoor. Opdat een betekening bij een ter post aangetekende brief op geldige wijze zou geschieden, volstaat het dat de postbode zich aan de woning van de belanghebbende aanmeldt en, als hij de brief niet persoonlijk aan de belanghebbende of een gemachtigde kan overhandigen, in de brievenbus van de belanghebbende een bericht achterlaat waarin deze ervan wordt verwittigd dat de brief ter zijner beschikking is in het postkantoor. De termijn om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, begint alsdan te lopen de dag waarop het aangetekend schrijven ter woonplaats van de belanghebbende is aangeboden en niet pas de dag waarop dat schrijven in het postkantoor is afgehaald. Te dezen is de beroepstermijn derhalve ten laatste alleszins aangevangen ingevolge de aanbieding van het aangetekend schrijven met de bestreden beslissing op de woonplaats van de verzoeker op 8 december
- Hij eindigde dan op 6 februari
- Het annulatieberoep ingediend door de verzoeker met een ter post aangetekend schrijven van 13 februari 2009 is dienvolgens laattijdig. 2.2.
- De argumentatie van de verzoeker ter terechtzitting dat de aangetekende kennisgeving op 8 december 2008 niet volstond om de beroepstermijn bij de Raad van State te doen ingaan, vermits krachtens artikel 57ter van de Politietuchtwet daarvoor een tweede kennisgeving noodzakelijk was, kan niet worden bijgevallen. Artikel 57ter van de Politietuchtwet bepaalt: “Alle aan een personeelslid krachtens deze wet gerichte stukken, door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven, worden geacht meegedeeld te zijn, zelfs indien het personeelslid daar geen ontvangst van bevestigt, zodra bedoelde stukken hem tweemaal werden voorgelegd.” IX-6220-5/7 Deze bepaling laat toe om de stukken die tweemaal aan het personeelslid werden voorgelegd, als medegedeeld te beschouwen, zelfs indien het personeelslid er geen ontvangst van bevestigt (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 50- 1173/001, 17). Ze impliceert geenszins dat een opgelegde tuchtmaatregel tot twee keer toe aan het betrokken personeelslid moet worden ter kennis gebracht opdat de beroepstermijn bij de Raad van State zou aanvangen. 2.2.
- De opgeworpen exceptie is gegrond. Het beroep tot nietigverklaring is derhalve niet ontvankelijk, de vordering tot schorsing evenmin. 2.
- De zaak wordt definitief beslecht met toepassing van artikel 93, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-6220-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 april 2009, door : de HH. B THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6220-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.896 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div