← België

Arrest 192901 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 30/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.901 Rolnummer: A. 191052/XII-5682 Zaak: Arrest 192901 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 30/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:04 Fiche Arrest nr 192.901 van 30 april 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.901 van 30 april 2009 in de zaak A. 191.052/XII-

  1. In zake : Carina DEBRUYNE, die woonplaats kiest te Houthulst, Steenbeekstraat 87 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij de Juridische cel van de afdeling “Advies en Ondersteuning Onderwijspersoneel”, kantoor houdende te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 15, kamer 1C
  2. verzoekster in tussenkomst : de VZW HOGER INSTITUUT VOOR GEZINSWETEN- SCHAPPEN, die woonplaats kiest te 1030 Brussel, Huart Hamoirlaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Carina Debruyne op 13 januari 2009 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 november 2008 van de algemeen directeur van het Agentschap voor Onderwijsdiensten van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming, dat zij voor haar aanstelling als godsdienstleraar door de Vlaamse Gemeenschap niet kan worden bezoldigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-5682-1/7 Gelet op de beschikking van 6 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Dieu, die verschijnt voor verzoekster, van adviseur M. Broucke, die verschijnt voor verwerende partij, en van directrice G. Jennes, die verschijnt voor verzoekster in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  4. Verzoekster studeert op 6 september 1999 af als gegradueerde in de gezinswetenschappen en behaalt op 3 september 2004 een attest van gedane studies en afgelegde examens in het kader van het behalen van het getuigschrift van pastoraal werker. Op 26 juni 2008 verwerft zij het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid, uitgereikt door CVO VIVO-VZW. Met ingang van 1 september 2008 wordt zij voor zes uren/week aangesteld als leerkracht katholieke godsdienst aan het O.L.Vrouwe-instituut te Poperinge. 1.
  5. Met brief van 20 november 2008 aan verzoekster -en met een op dezelfde datum en in quasi gelijke bewoordingen gestelde brief aan de directie van het O.L.Vrouwe-Instituut- deelt de algemeen directeur van het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee : “In september 2008 werd u in dienst gemeld als tijdelijke leerkracht Katholieke Godsdienst in het Onze-Lieve-Vrouw-Instituut te Poperinge. U bent in het bezit van een diploma HOKT SP gegradueerde gezinswetenschappen en ook een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid. XII-5682-2/7 Bij nazicht van uw dossier werd op basis van de vermelding op uw diploma behaald in het onderwijs voor sociale promotie, vastgesteld dat de opleiding die u volgde slechts 840 lestijden omvatte. Ik geef u hieronder nogmaals de toepasselijke wettelijk bepalingen hierover. Artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen en de bezoldigings- regeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars bepaalt dat ‘in afwachting dat de betrokken onderwijssectoren bij decreet geregeld worden, moet voor de basisdiploma’s uitgereikt in het onderwijs voor sociale promotie de onderwijscyclus ten minste 900 lestijden hebben omvat voor de technische en beroepsleergangen en voor het onderwijs in de beeldende kunst met beperkt leerplan en ten minste 450 lestijden voor de normaalleergangen, de pedagogische leergangen en het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie’. Uit het voorgaande blijkt dat opleidingen in het onderwijs voor sociale promotie die minder dan 900 lestijden omvatten, geen onderwijsbevoegdheid genereren, o.a. voor een betrekking in het ambt van godsdienstleraar. Dit betekent concreet dat u niet kan bezoldigd worden op basis van uw aanstelling in het ambt van godsdienstleraar. Artikel 5.49 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs wijzigt artikel 129 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen als volgt : ‘§
  6. De graad van gegradueerde, die een Centrum voor Volwassenenonderwijs heeft uitgereikt ten aanzien van een op grond van artikel 57ter geaccrediteerde opleiding, in de periode voorafgaand aan de uitreiking van het nieuwe bachelordiploma door de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling of door het overdragende Centrum voor Volwassenenonderwijs en de ontvangende ambtshalve geregistreerde instelling gezamenlijk in toepassing van artikel 57ter, § 5, is gelijkgeschakeld met de graad van bachelor. De houders van die graden zijn gerechtigd tot het voeren van de titel van bachelor’. Het voorgaande impliceert echter niet dat de bepalingen van artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 (zie hoger) niet langer geldig zouden zijn. Ik blijf bijgevolg bij mijn eerder genomen beslissing dat u geen aanspraak kan maken op een bezoldiging op basis van uw aanstelling in het ambt van godsdienstleraar en de door u voorgelegde studiebewijzen”. Het voorwerp van de vordering
  7. Met de beslissing die thans bestreden wordt neemt de verwerende partij een standpunt in over het door haar verschuldigd zijn van de betoelaging - bezoldiging- van verzoekster voor haar aanstelling in het vrij onderwijs in het ambt van godsdienstleraar, als “derde betaler”. Over die aanstelling zelf, of meer in het bijzonder de vraag of die aanstelling rechtsgeldig is gebeurd, wordt te dezen geen uitspraak gedaan. Een beslissing daarover -zo ze al zou bestaan- is niet binnen de rechtsstrijd voor de Raad van State gebracht en zou er, gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen de Raad van State en de gewone rechtbanken, niet op ontvankelijke wijze in gebracht kunnen worden. Verwerende partij betwist niet de bevoegdheid van de Raad van State om van het voorliggend geschil kennis te nemen. Nu hierna zal blijken dat de vordering wegens gebrek aan belang verworpen moet XII-5682-3/7 worden, ziet de Raad van State ook geen reden om in de huidige stand van de procedure ambtshalve een onderzoek naar zijn rechtsmacht te verrichten. De procedure
  8. Met een verzoekschrift van 8 februari 2009 heeft het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen vzw gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Dit Instituut is de instelling voor volwassenenonderwijs die destijds op grond van haar toenmalige onderwijsbevoegdheid aan verzoekster het diploma in de gezinswetenschappen heeft uitgereikt. Verzoeker in tussenkomst verklaart zelf, dat de bevoegdheid om die opleiding aan te bieden en er een diploma -thans een bachelordiploma- voor uit te reiken door de decreetgever voortaan aan de hogescholen is overgedragen. Zijn belang situeert hij luidens het verzoek tot tussenkomst in het gegeven dat er naast verzoekster “wellicht nog ‘oud- afgestudeerden’ zijn die zich gehinderd zullen zien in de ontwikkeling van een carrière in het onderwijs”. In de huidige stand van de procedure neemt de Raad van State dan ook aan dat verzoeker in tussenkomst geen persoonlijk belang heeft bij de uitkomst van de zaak en dat hij beoogt op te komen voor een belang van derden -zijn “oud-afgestudeerden”- en dat dit belang onvoldoende rechtstreeks is om op ontvankelijke wijze een tussenkomst te kunnen ondersteunen. In de huidige stand van het geding wordt het verzoek bijgevolg niet ingewilligd. De ontvankelijkheid van het beroep
  9. Onder een hoofding “ontvankelijkheid” bepaalt verzoekster in volgende bewoordingen haar belang : “Volgens de bestreden beslissing kan verzoekster niet worden bezoldigd voor haar prestaties als tijdelijke godsdienstleraar sinds 1 september
  10. Zodoende raakt het bestreden besluit op ongunstige wijze aan de geldelijke rechtspositie van betrokkene, zodat deze beslissing een persoonlijk, zeker en actueel nadeel met zich meebrengt”.
  11. Verwerende partij betwist het belang van verzoekster en werpt in de nota met opmerkingen tegen wat volgt : “Gesteld dat verzoekster, op basis van de gelijkschakeling met de graad van bachelor in toepassing van artikel 129, §6 van voornoemd decreet van 4 april 2003, voor het uitoefenen van een betrekking in het ambt van godsdienstleraar geacht moet worden onderwijsbevoegdheid te bezitten, quod non, dan nog kon ze vanaf 1 september 2008 niet met een opdracht van godsdienstleraar belast en hiervoor door het Ministerie bezoldigd worden. XII-5682-4/7 Volgens de bijlage bij voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 wordt het diploma van bachelor voor de uitoefening van het ambt van leerkracht ‘katholieke godsdienst’ als een ‘ander’, bekwaamheidsbewijs beschouwd. De andere studiebewijzen die verzoekster bezit zorgen er niet voor dat verzoekster als houder van een ‘vereist’ of ‘voldoend geacht’ bekwaamheids-bewijs moet beschouwd worden. Op grond van artikel 7, §l, d) van voornoemd besluit kan een personeelslid met een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs maar aangesteld worden als geen ander personeelslid met een ‘vereist’ of ‘voldoend geacht’ bekwaamheidsbewijs beschikbaar is. Hiertoe dient het schoolbestuur een verklaring af te leggen waaruit de onmogelijkheid blijkt om een houder van een voor dat ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor te dragen of aan te werven. In casu werd dergelijke verklaring niet afgelegd. Volgens het draaiboek in verband met de elektronische communicatie tussen scholen en het ministerie, dat in elke school gekend is, moet de school bij het veld Ve/Vo ‘J’, aanduiden indien er geen kandidaat met een vereist of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs gevonden werd (stuk 9). In de zending die van de school uitgaat werd de waarde ‘N’ aangeduid wat betekent dat het schoolbestuur dergelijke verklaring niet heeft afgelegd (stuk l). Het schoolbestuur kon die verklaring ook niet afleggen nu uit de leerkrachtendatabank van de VDAB blijkt dat op 1 september 2008 er drie kandidaten zijn die in aanmerking komen voor het geven van het vak katholieke godsdienst. Minstens één kandidaat met een vereist bekwaamheidsbewijs voor het geven van het vak katholieke godsdienst, die bij het Ministerie is geregistreerd (met name de heer [F. V.]), was op 1 september 2008 beschikbaar voor de door het Onze-Lieve-Vrouwe-Instituut te Poperinge aangeboden betrekking (stuk 10). Zelfs met een professionele bachelor als bekwaamheidsbewijs, dat volgens het besluit op de bekwaamheidsbewijzen voor het geven van het vak katholieke godsdienst als een ‘ander’ bekwaamheidsbewijs moet beschouwd worden, had verzoekster voor dat vak geen onderwijsbevoegdheid en kon ze door het ministerie niet bezoldigd worden omdat er op 1 september 2008 ten minste één personeelslid met een vereist bekwaamheidsbewijs beschikbaar was. Het beroep moet wegens gebrek aan belang als onontvankelijk worden verworpen”.
  12. Ter terechtzitting verbaast verzoekster zich over deze “vreemde wending”, omdat aan dit argument niet eerder aandacht is besteed en het in de bestreden beslissing niet ter sprake is gebracht. Met verwerende partij wordt vooralsnog aangenomen dat wanneer een fundamentele voorwaarde voor bezoldiging niet is vervuld -te dezen de onderwijsbevoegdheid van het betrokken personeelslid vanuit het oogpunt van het behaalde diploma- het bestuur niet ook nog alle andere voorwaarden moet nazien. Bij een nieuw onderzoek van het dossier zou de verwerende partij noodzakelijk ook moeten nagaan of is voldaan aan een reeks andere voorwaarden, aan welk onderzoek zij thans niet is toegekomen. De exceptie is ontvankelijk. XII-5682-5/7
  13. Blijkens de eigen bewoordingen van verzoekster is haar belang uitsluitend -of toch minstens hoofdzakelijk- de bezoldiging door de Vlaamse Gemeenschap vanaf 1 september 2008 voor haar gepresteerde uren, omdat zij zou voldoen aan de regelgeving inzake bekwaamheidswijzen. Die bezoldiging door de Vlaamse Gemeenschap is op grond van de door verwerende partij aangebrachte gegevens nu net niet mogelijk, zelfs indien verzoekster ten gronde gelijk zou hebben en de decreetgever, door de gelijkschakeling van haar diploma met de graad van bachelor bij artikel 129, § 6, van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, ook geacht moet worden een (impliciete) opheffing te hebben aangenomen van het minimaal vereiste aantal lestijden van de opleiding om onderwijsbevoegdheid te genereren als bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en de godsdienstleraars. Het diploma van bachelor moet immers blijkens de bijlage bij meervermeld besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 bestempeld worden als een “ander” bekwaamheidsbewijs. Maar nu vereist het door verwerende partij vernoemde artikel 7, § 1, d), van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990, dat een personeelslid met een “ander” bekwaamheidsbewijs in het vrij onderwijs maar kan worden aangesteld als het schoolbestuur “na raadpleging van de hoofden van de betrokken erediensten op eer verklaart in de onmogelijkheid te zijn geweest een houder van een voor dit ambt vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs aan te werven”. Met de aan de Raad van State voorgelegde stukken brengt verwerende partij gegevens bij die minstens in de huidige stand van de procedure geloofwaardig maken -en overigens niet door verzoekster worden weerlegd- dat géén verklaring op eer aan de Vlaamse Gemeenschap was bezorgd én dat ten minste één andere kandidaat met een “vereist” bekwaamheidsbewijs beschikbaar was. Verwerende partij zou ook bij inwilliging van het beroep, met die gegevens voor ogen, nog steeds verplicht zijn om op basis van de vigerende regelgeving en wel op basis van een artikel waarvan verzoekster de toepasbaarheid niet betwist, te beslissen dat zij geen salaristoelage kon uitbetalen. XII-5682-6/7 Vooralsnog wordt aangenomen dat de exceptie gegrond is en dat verzoekster geen belang heeft bij haar beroep, wat de Raad van State ook tot de conclusie moet brengen dat de voorliggende vordering, als accessorium van het annulatieberoep, niet ontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het verzoek tot tussenkomst van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen vzw in het administratief kort geding wordt niet ingewilligd. Artikel
  15. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de verzoekster in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig april 2009 door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5682-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.901 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.016 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.543 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.