← België

Arrest 192998 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 05/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.998 Rolnummer: A. 97812/IX-2616 Zaak: Arrest 192998 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 05/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:04 Fiche Arrest nr 192.998 van 5 mei 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.998 van 5 mei 2009 in de zaak A. 97.812/IX-2616. In zake : Eric ROOS, wonende te DEURNE, Van Dornestraat 67 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric ROOS op 24 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: “I. IN HOOFDORDE: [...] het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen. II. IN ONDERGESCHIKTE ORDE: [...] sommige bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen. III. IN ONDERGESCHIKTE ORDE: [...] de impliciete weigering om een statuut vast te stellen: (

  1. a)dat een procedure van wedertewerkstelling van de ambtenaren wier betrekking wordt afgeschaft, bevat; (
  2. b)waarin aan de ambtenaar -wat de inhoud van de hem toegekende evaluatie betreft- een recht op beroep bij de directieraad wordt gegeven indien hij niet de meest positieve waardering gekregen heeft; (
  3. c)waarin de ambtenaar kan genieten van de voordelen vermeld in de artikelen 12 tot 15 van het koninklijk besluit van 13 november 1967; (
  4. d)dat aan de ambtenaar in elke stand van de tuchtprocedure het recht geeft op de bijstand van een persoon naar eigen keuze; (
  5. e)dat de mogelijkheid inhoudt om aan de ambtenaren de tuchtstraffen ‘terechtwijzing’ en ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ toe te kennen; (
  6. f)waarin het de tuchtbeslissende overheid verboden is een tuchtstraf op te leggen die zwaarder is dan de straf die in laatste instantie werd voorgesteld; (
  7. g)waarin wordt vastgesteld op welke wijze aan bepaalde vaste afgevaardig- den een bevordering of soortgelijke verhoging in graad of in loopbaan in overtal wordt toegekend”; IX-2616-1/5 Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 29 oktober 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Rechtspleging 1.1. De verzoeker werpt in zijn memorie van wederantwoord op dat de verwerende partij niet op een regelmatige wijze een memorie van antwoord heeft ingediend en een administratief dossier heeft neergelegd, aangezien niet blijkt dat de Vlaamse regering een beslissing heeft genomen om zich tegen het voorliggende beroep tot nietigverklaring te verweren en één van haar leden heeft aangewezen om haar te vertegenwoordigen en een advocaat met een mandaat ad litem te belasten. 1.2. Een advocaat die verschijnt als gevolmachtigde van een bepaalde partij, moet in beginsel niet van een bijzondere volmacht doen blijken. Dit is niet anders wanneer die partij een rechtspersoon is. Te dezen wordt Meester Devers, die IX-2616-2/5 verklaart op te treden voor de Vlaamse Gemeenschap, dus vermoed een regelmatige opdracht van de verwerende partij te hebben ontvangen. De verzoeker bewijst het tegendeel niet. Het vereiste dat een beslissing van het bevoegde orgaan van een rechtspersoon wordt voorgelegd, waarbij dat orgaan beslist om in rechte te treden, geldt voor het instellen van een beroep, niet voor het verweer tegen een beroep dat door een andere partij aanhangig is gemaakt. De exceptie kan niet aangenomen worden. Ontvankelijkheid 2.1. Met brieven van 18 juni 2007 en 3 september 2007, die ter post aangetekend en tegen ontvangstbewijs naar het adres van de verzoeker werden verzonden, heeft de toenmalige staatsraad-verslaggever geïnformeerd naar de belangstelling van de verzoeker voor de verdere afhandeling van de zaak en naar het actuele belang van de verzoeker bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. Deze brieven werden door de postdiensten op het adres van de verzoeker aangeboden, maar wegens diens afwezigheid niet uitgereikt. Niettegen- staande bericht werd achtergelaten dat deze brieven op het postkantoor konden worden afgehaald, heeft de verzoeker daaraan geen gevolg gegeven. Er moet ook worden opgemerkt dat het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen, onder meer voor de administratieve diensten van het Gemeenschapsonderwijs, waarvan de verzoeker op het ogenblik van het indienen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring personeelslid was, inmiddels volledig werd opgeheven bij artikel XII 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 16 maart 2007. Het bestreden besluit is dienvolgens op de verzoeker niet meer van toepassing. IX-2616-3/5 In die omstandigheden rijzen ernstige twijfels over het actuele belang van de verzoeker bij zijn beroep. Wanneer de zaak is vastgesteld om ter openbare terechtzitting te worden behandeld, mag van hem worden verwacht dat hij op die terechtzitting daaromtrent duidelijkheid schept. 2.2. Ter terechtzitting voert de verzoeker aan dat hij om reden van ziekte van zijn echtgenote geen kennis heeft gekregen van de aanbieding van de voormelde brieven op zijn adres, zodat hij niet in de mogelijkheid is geweest om ze op het postkantoor af te halen en te beantwoorden. Voorts laat hij gelden dat het bestreden besluit weliswaar werd opgeheven door het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid, maar dat de middelen die hij tegen het bestreden besluit aanvoert evengoed kunnen worden betrokken op de nieuwe rechtspositieregeling die door het voornoemde besluit van de Vlaamse regering met ingang van 1 januari 2006 is ingevoerd. Hij vraagt dan ook de uitbreiding van het voorwerp van zijn beroep tot die nieuwe rechtspositieregeling. 2.3. Daargelaten of de door de verzoeker ingeroepen ziekte van zijn echtgenote een overmachtssituatie uitmaakt, die kan verantwoorden dat de brieven van 18 juni 2007 en 3 september 2007 van de toenmalige staatsraad-verslaggever, waarbij werd geïnformeerd naar verzoekers actuele belang bij zijn beroep, onbeantwoord zijn gebleven, waardoor uit dat gegeven geen gebrek aan actueel belang in hoofde van de verzoeker zou kunnen worden afgeleid, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de verzoeker ook ter terechtzitting niet aannemelijk maakt dat een nietigverklaring van het bestreden besluit thans zijn belangen nog kan dienen. De vage bewering dat de door hem aangevoerde middelen ook kunnen worden betrokken op de rechtspositieregeling die is uitgewerkt door het voornoem- de besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 is daartoe ontoereikend, te meer daar die nieuwe rechtspositieregeling, formeel maar ook inhoudelijk, geen loutere herneming is van de regeling waarin door het bestreden besluit werd voorzien. De verzoeker laat voorts niet gelden dat het bestreden besluit gedurende de periode dat het zijn rechtspositie heeft bepaald, voor hem nadelige rechtsgevolgen heeft teweeggebracht die alsnog door een vernietiging van dat besluit teniet kunnen worden gedaan. IX-2616-4/5 Derhalve blijkt uit niets dat de verzoeker nog een actueel belang bij zijn beroep heeft, zodat dat beroep niet ontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 mei 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2616-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.998 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.