id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.075 Rolnummer: A. 78213/X-8090 Zaak: Arrest 193075 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:05 Fiche Arrest nr 193.075 van 6 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.075 van 6 mei 2009 in de zaak A. 78.213/X-8090. In zake : de n.v. TRANSPORT DEVOS ANDRÉ, die woonplaats kiest bij advocaat C. VAN MARCKE, kantoor houdende te 8570 ANZEGEM, Kerkstraat 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. TRANSPORT DEVOS ANDRÉ op 9 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 januari 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen het besluit van 17 april 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van 19 december 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anzegem tot weigering van de vergunning voor het inkuipen van opslagtanks voor mazout en afgewerkte olie op een perceel gelegen te Anzegem, Stientjesstraat, kadastraal bekend sectie F, nrs. 490/f, 488/f, 488/g, 488/k, 487/d en 487/f ingewilligd wordt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 31 januari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-8090-1/9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN MARCKE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoekende partij exploiteert aan de Stientjesstraat te Anzegem een transportbedrijf dat volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk gelegen is in agrarisch gebied. Voor dit bedrijf werd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anzegem op 29 juni 1993 een milieuvergunning verleend, geldig voor een termijn van 20 jaar. 1.2. Op 4 april 1996 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij het gemeentebestuur van Anzegem een bouwaanvraag in, strekkende tot het “inkuipen opslagtank mazout om te voldoen aan milieuvergunning & Vlarem wetgeving” (aanvraagformulier) en het “bouwen van een opslagplaats voor 50 000L mazout voor diesel en 1200L afvalolie” (plannen). Deze opslagplaats zou bestaan uit een inkuiping van een enkelwandige tank onder een afdak tegen de westelijke zijgevel van de bestaande garage-werkplaats van het bedrijf. X-8090-2/9 1.3. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anzegem stuurt het dossier op 3 mei 1996 door naar de diensten van de gemachtigde ambtenaar met een gunstig preadvies op grond van de overweging “dat de werken strekken tot milieusanering en noodzakelijk zijn om te voldoen aan de Vlaremwetgeving”. 1.4. Op 4 juni 1996 adviseert de afdeling Land van AMINAL “uit landbouwkundig oogpunt” principieel gunstig, om reden dat “geen bijkomende aantasting van het agrarisch gebied” wordt veroorzaakt en “de lokale landbouwstrukturen (...) geen nadelige invloed (zullen) ondervinden”. 1.5. Op 9 juli 1996 geeft de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL volgend gunstig advies: “De aanvraag betreft de vervanging van 2 tanks van 25.000 l door 1 van 50.000 l. De 2 tanks van 25.000 l elk zijn vergund door het C.B.S. op 29.06.93 tot 29.06.2013. In werkelijkheid zijn het echter 2 verouderde tankwagens, waarvan de isolatie is losgekomen, ... De vervanging is dus in feite een sanering. Ook zou de dieselpomp onder een afdak komen. De bouwaanvraag is dus bedoeld om maximaal te voldoen aan de milieuvergunningsvoorwaarden. Ons advies is gunstig”. 1.6. Op 4 oktober 1996 deelt de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL het volgende mee aan het gemeentebestuur van Anzegem: “We bevestigen dit gunstige advies en onderschrijven het advies van de milieudienst : de inkuiping van de vergunde mazoutopslag is een wettelijke vereiste volgens titel II van het Vlarem en volgens de opgelegde vergunningsvoorwaarden”. 1.7. Op 30 juli 1996 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies, waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat het de uitbreiding betreft van een niet agrarisch bedrijf; dat uit de gegevens niet blijkt dat de twee tanks niet meer voldoen aan de milieuvergunningsvoorwaarden; dat het vervangen van deze 2 tanks door één grotere de kwaliteit van het leefmilieu niet zal bevorderen”. X-8090-3/9 1.8. Op 19 december 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anzegem de vergunning. 1.9. Op 13 februari 1997 tekent de verzoekende partij tegen voornoemde weigeringsbeslissing administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 1.10. Met een besluit van 17 april 1997 willigt de bestendige deputatie voormeld beroep in. In dit vergunningsbesluit wordt onder meer het volgende overwogen: “Overwegende dat volgend uit het advies van de afdeling Milieuvergunning het ontwerp te aanzien is als een noodzakelijk gevolg van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, zodat het ontwerp vatbaar is voor toepassing van artikel 43§2, 6e lid,
- b)van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat uit de feiten blijkt dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat het ontwerp niet in strijd is met de wettelijke bepalingen en een goede plaatselijke aanleg”. 1.11. Op 23 mei 1997 stelt de gemachtigde ambtenaar tegen voormeld vergunningsbesluit administratief beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. In het beroepschrift wordt onder meer het volgende gesteld: “De bouwplaats is gelegen in een door het gewestplan vastgelegd agrarisch gebied. De betreffende constructies van de opslag van brandstoffen ten behoeve van een transportbedrijf, zijn niet in overeenstemming met de vastgelegde ordening en bestemming van het gewestplan. Dat het een vervanging betreft van bestaande opslagtanks kan niet als argument worden aanvaard gezien deze bestaande tanks niet worden vergund. Dat de met deze aanvraag bedoelde werken noodzakelijk zouden zijn in toepassing van het decreet van 28/06/1985 betreffende door de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, blijkt niet uit het aanvraagdossier. Door AMINAL Afdeling Milieuvergunningen wordt enkel een gunstig advies verleend en niet gesteld dat deze werken noodzakelijk zijn”. 1.12. Op 30 januari 1998 willigt de minister het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep in en weigert hij de vergunning. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: X-8090-4/9 “Overwegende dat uit het stedenbouwkundig-technisch onderzoek blijkt dat er een milieuvergunning werd verleend voor 2 tanks met een capaciteit van 25000 l; dat er echter 2 oude tankwagens werden aangewend als opslagruimte; dat in de milieuvergunning de voorwaarde werd opgelegd dat, indien deze 2 vergunde tanks enkelwandig zijn, (...) overeenkomstig artikel 533 van Vlarem II ze dienen te worden ingekuipt; dat de aanvraag één tank met een inhoud van 50000 l betreft ter vervanging van 2 oude tankwagens; dat deze tankwagens niet als vergund kunnen beschouwd worden; dat niet uit het dossier blijkt dat de inkuiping van een mazouttank met een inhoud van 50000 l het noodzakelijk gevolg is van enige van de hogerbedoelde overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden; dat aan de voorwaarden vermeld in hoger vernoemd artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 niet werd voldaan”. 2. Ten gronde - eerste middel 2.1. Het aangevoerde eerste middel In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de materiële motiveringsplicht. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Het beroep van de bevoegde gemachtigde ambtenaar, zoals uiteengezet in het schrijven dd. 23.05.1997, houdt twee argumenten in. Namelijk enerzijds: ‘Dat het een vervanging betreft van bestaande opslagtanks kan niet als argument worden aanvaard gezien deze bestaande tanks niet worden vergund.’ Het tweede argument betreft: ‘Door Aminal afdeling milieuvergunningen wordt enkel een gunstig advies verleend en niet gesteld dat deze werken noodzakelijk zijn.’ Deze motivering is op beide vlakken manifest onjuist, terwijl ook de Minister deze argumentatie volgt. Er kan niet de minste twijfel bestaan dat het vergunde tanks betroffen, gezien verzoekster onder haar stuk 15 de milieuvergunning voorlegt, terwijl dit ook bevestigd wordt door Aminal afdeling milieuvergunningen in hun schrijven dd. 09.07.1996: ‘De twee tanks van 25.000 liter elk zijn vergund door het C.B.S. op 29.06.1993 tot 29.06.2013.’ Bij schrijven dd. 04.10.1996 bevestigt Aminal afdeling milieuvergunningen nogmaals: ‘We bevestigen dit gunstige advies en onderschrijven het advies van de milieudienst: de inkuiping van de vergunde mazoutopslag is een wettelijke vereiste volgens titel II van het Vlarem en volgens de opgelegde vergunningvoorwaarden.’ Aangezien bovendien de Bestendige Deputatie terecht stelde: ‘Overwegende dat het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij K.B. van 04.11.1977, desbetreffende eigendom zich situeert in een agrarisch gebied; dat volgens de bepalingen van art 11.4.1 van het K.B. van 28.12.1972, houdende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen dit gebied enkel bestemd is voor agrarische en para-agrarische bedrijven en de voor dergelijke bedrijven noodzakelijke gebouwen; dat art. 43 §2, 6/ lid B van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996, X-8090-5/9 toelaat dat afgeweken wordt van de voorschriften van het gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het Decreet van 28.06.1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, sterkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu; dat deze uitbreiding slechts de vermeerdering tot gevolg kan hebben die het noodzakelijk gevolg is van de hiervoor vermelde voorwaarden; ... Overwegende dat volgend uit het advies van de afdeling milieuvergunning het ontwerp te aanzien is als een noodzakelijk gevolg van overeenkomstig het Decreet van art. 28.06.1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarde strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, zodat het ontwerp vatbaar is voor toepassing van art. 43 § 2, 6/ lid B van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996; dat uit de feiten blijkt dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat het ontwerp niet in strijd is met de wettelijke bepalingen en een goede plaatselijke aanleg;’ Desondanks laat de Vlaamse Minister van leefmilieu en infrastructuur zich misleiden omtrent het feit dat het vergunde tanks betroffen: ‘Dat deze tankwagens niet als vergund kunnen beschouwd worden.’ Op dit punt wordt dan ook de materiële motiveringsplicht geschonden, in die zin dat de besluitnemende overheid dwaalt omtrent de feiten waarop de beslissing berust. Aangezien ten gevolge hiervan ook de Vlaamse Minister van leefmilieu en infrastructuur stelt: ‘Dat niet uit het dossier blijkt dat de inkuiping van een mazouttank met een inhoud van 50.000 liter het noodzakelijk gevolg is van enige van de hoger bedoelde overeenkomstig het Decreet van 28.06.1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden.’ Aangezien de Vlaamse Minister van leefmilieu en infrastructuur hier ook op dit punt dwaalt (cf. supra) Aangezien bijgevolg de besluitnemende overheid hier verkeerde motieven ten grondslag van haar beslissing legt. Aangezien verzoekster namelijk voldoende heeft aangetoond dat de aanvraag de vervanging van twee tanks van 25.000 liter door 1 van 50.000 liter betreft, waarbij deze geïntegreerd worden en waarbij deze tanks vergund waren, terwijl de bouwaanvraag bedoeld is om maximaal te voldoen aan de milieuvergunningsvoorwaarden, die zelfs het verkrijgen van een bouwvergunning oplegt. Aangezien namelijk art. 2 § 2 van de milieuvergunning bepaal(
- t)dat de aanvangsdatum van de milieuvergunning verdaagd wordt tot dat zolang de benodigde bouwvergunning niet is verleend. Aangezien bovendien Aminal afdeling milieuvergunningen duidelijk stelt in haar schrijven dd. 04.10.1996 dat: ‘Meneer de Burgemeester, Inzake hogervermelde bouwaanvraag hebben we reeds advies uitgebracht aan de afdeling ROHM West-Vlaanderen; kopie van dit advies is als bijlage bijgevoegd. We bevestigen dit gunstige advies en onderschrijven het advies van de milieudienst: de inkuiping van de vergunde mazoutopslag is een wettelijke vereiste volgend titel II van het Vlarem en volgens de opgelegde vergunningsvoorwaarden. Met hoogachting,’ X-8090-6/9 Het is dan ook duidelijk dat het bestreden besluit niet geschraagd wordt door de rechtens vereiste feitelijke en juridische correcte motiveringen. Aangezien de materiële motiveringsplicht ook op een tweede wijze geschonden wordt, in die zin dat de motiveringen van de Minister onduidelijk zijn en zichzelf tegenspreken. De Minister motiveert: ‘Overwegende dat uit het stedenbouwkundig- technisch onderzoek blijkt dat er een milieuvergunning werd verleend voor twee tanks met een capaciteit van 25.000 liter; dat er echter twee oude tankwagens werden aangewend als opslagruimte; dat in de milieuvergunning de voorwaarde werd opgelegd dat, indien deze twee vergunde tanks enkelwandig zijn, er overeenkomstig art. 533 van Vlarem II ze dienen te worden ingekuipt; dat de aanvraag 1 tank met een inhoud van 50.000 liter betreft de vervanging van twee oude tankwagens; dat deze tankwagens niet als vergund kunnen beschouwd worden; dat niet uit het dossier blijkt dat de inkuiping van een mazouttank met een inhoud van 50.000 liter het noodzakelijke gevolg is van enige van de hoger bedoelde overeenkomstig het Decreet van 28.06.1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden; dat aan de voorwaarden vermeld in hogergenoemd art. 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22.10.1996 niet werd voldaan;’ Aangezien de Minister namelijk bepaalt dat er een milieuvergunning werd verleend voor twee tanks met een capaciteit van 25.000 liter, terwijl hij verder stelt dat deze tankwagens niet als vergund kunnen beschouwd worden. Aangezien de Minister uiteindelijk niet motiveert waarom de vergunde tanks niet zouden vergund zijn. (?)”. 2.2. Beoordeling van het eerste middel Artikel 43, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidde toentertijd als volgt: “(...) Bij het verlenen van een gunstig advies mag de gemachtigde ambtenaar afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op : (...)
- b)hetzij het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu; (...)”. Het bestreden besluit bevat als enig draagkrachtig weigeringsmotief de overweging dat “niet uit het dossier blijkt dat de inkuiping van een mazouttank (...) het noodzakelijk gevolg is van (...) overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden”. X-8090-7/9 Er wordt niet gespecifieerd uit welk concreet element het voorstaande zou blijken. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het gebrek aan noodzaak van de inkuiping zijn verklaring vindt in het feit dat het Vlarem II-besluit deze inkuiping “enkel vereist voor enkelwandige tanks”. Het bestreden besluit kan onmogelijk op laatstgenoemd motief steunen, aangezien uit de gegevens van de zaak blijkt dat de aanvraag betrekking heeft op een enkelwandige tank. Het eerste middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 30 januari 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen het besluit van 17 april 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen waarbij het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van 19 december 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Anzegem tot weigering van de vergunning voor het inkuipen van opslagtanks voor mazout en afgewerkte olie op een perceel gelegen te Anzegem, Stientjesstraat, kadastraal bekend sectie F, nrs. 490/f, 488/f, 488/g, 488/k, 487/d en 487/f ingewilligd wordt. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-8090-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes mei 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-8090-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div