← België

Arrest 193077 - Apothekers en apotheken - 07/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.077 Rolnummer: A. 187785/VII-37171 Zaak: Arrest 193077 - Apothekers en apotheken - 07/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:05 Fiche Arrest nr 193.077 van 7 mei 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.077 van 7 mei 2009 in de zaak A. 187.785/VII-37.171. In zake : de BVBA VANDEN BERGHE en DE SMEDT, die woonplaats kiest bij advocaat R. ASCRAWAT, kantoor houdende te VEURNE, Kaaiplaats 10 tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR GENEESMIDDELEN EN GEZONDHEIDSPRODUCTEN, dat woonplaats kiest bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-KRUIS, Karel van Manderstraat 123. tussenkomende partij : de NV APOTHEEK VESALIUS, die woonplaats kiest bij advocaat A. DECLERCK, kantoor houdende te HARELBEKE, Kortrijksesteenweg 387. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA VANDEN BERGHE en DE SMEDT op 7 april 2008 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de minister van Volksgezondheid van 6 juni 2007 waarbij aan de NV APOTHEEK VESALIUS een vergunning wordt verleend voor de overbrenging van een voor het publiek opengestelde apotheek buiten de onmiddellijke nabijheid van de Iepersestraat 381 te Roeselare naar de Ieperstraat 288-290 te Roeselare; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 3 juni 2008 ingediend door de NV APOTHEEK VESALIUS; Gelet op de beschikking van 5 juni 2008 die de tussenkomst van de NV APOTHEEK VESALIUS toelaat; VII-37.171-1/15 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VANDEN BERGHE die, tevens loco advocaat R. ASCRAWAT verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat J. HOSTE die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. DECLERCK, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: 1. De feiten 1.1. Op 26 mei 2004 dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning voor de overbrenging van een voor het publiek opengestelde officina van de Iepersestraat 381 te Roeselare naar de Iepersestraat 288-290 te Roeselare. Zij voegt bij haar aanvraag stavingsstukken toe. De afstand tussen de beide adressen bedraagt volgens de tussenkomende partij 416 meter. VII-37.171-2/15 1.2. De omliggende apotheken worden met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de aanvraag. De verzoekende partij verzet zich hiertegen, onder meer bij aangetekende brief van 23 februari 2006. 1.3. Er worden een aantal adviezen uitgebracht: - de provinciale geneeskundige commissie adviseert op 5 maart 2006 gunstig; - de gouverneur van West-Vlaanderen adviseert op 13 april 2006 ongunstig; - de farmaceutische inspecteur adviseert op 15 april 2006 gunstig; - de apothekersvereniging voor KORTRIJK en omliggende onthoudt zich; - het directoraat-generaal geneesmiddelen adviseert op 17 september 2006 gunstig. 1.4. De vestigingscommissie verklaart de aanvraag op 25 september 2006 ontvankelijk. 1.5. Op de zittingen van 23 oktober 2006 en 29 januari 2007 verzoekt de vestigingscommissie nog om bijkomende onderzoeksmaatregelen. De tussen- komende partij dient een gedetailleerde plattegrond op schaal op te sturen waarop nauwkeurig de vooropgestelde invloedssfeer van de geplande apotheek wordt aangeduid, gestaafd door bevolkingscijfers, afgeleverd door een officiële dienst. Deze stukken worden door de tussenkomende partij aan de vestigingscommissie bezorgd. 1.6. De farmaceutisch inspecteur brengt op 11 april 2007 een gunstig advies uit over deze stukken. 1.7. De vestigingscommissie adviseert op 14 mei 2007 eveneens gunstig. 1.8. De verwerende partij volgt het advies van de vestigingscommissie en verleent op 6 juni 2007 de vergunning aan de tussenkomende partij. Dit is de bestreden beslissing. VII-37.171-3/15 2. Ten gronde Eerste middel Standpunten van de partijen 2.1.1. De verzoekende partij roept de schending in van de artikelen 4, §§ 1 en 2ter, 9, 10 en 12 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken (hierna : koninklijk besluit van 25 september 1974) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. In essentie komt het middel er op neer dat de aanvraag tot overbrenging van de betrokken apotheek niet op ontvankelijke wijze werd ingediend en dat de onderzoeksmaatregelen die de vestigingscommissie nam er op gericht waren de aanvraag ontvankelijk te maken. 2.1.2. In de memorie van antwoord wijst de verwerende partij er op dat ingevolge het koninklijk besluit van 29 juni 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 september 1974 in strengere ontvankelijkheidsvereisten wordt voorzien teneinde "nepaanvragen" te vermijden, dat het aan de vestigingscommissie toekomt om de aanvragen zowel op hun ontvankelijkheid als op hun gegrondheid te onderzoeken, dat het omvangrijk dossier van de tussenkomende partij voldoet aan artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 en dat de vestigingscommissie in de procedure ten gronde bijkomende onderzoeksmaatregelen kan bevelen met het oog op de beoordeling van de voorwaarden, bepaald in artikel 1, § 5bis, 3/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974. 2.1.3. De tussenkomende partij meent dat artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 vereist dat bij elke aanvraag bepaalde stukken worden gevoegd, dat dit een formele verplichting betreft om te vermijden dat lukraak aanvragen zouden worden ingediend zonder ernstige grondslag en dat dit voorschrift los staat van de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag en niet belet dat in de loop van het onderzoek nog aanvullende stukken aan het dossier worden toegevoegd. Uit het administratief dossier blijkt volgens haar dat de aanvraag volledig was. VII-37.171-4/15 2.1.4. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat de toepasselijke regelgeving nergens voorziet dat de aanvrager nog een kans krijgt om zijn dossier, dat niet aan de voorwaarden van artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 voldoet, te regulariseren via het neerleggen van aanvullende stukken. 2.1.5. In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog, kort samengevat, dat de vestigingscommissie, mogelijk onder indruk van de omvang van het dossier, geoordeeld heeft dat het dossier geen "nepdossier" was omdat prima facie alle vereiste stukken waren toegevoegd. Zij meent dat de vestigingscommissie later, bij een grondig onderzoek, heeft vastgesteld dat sommige stukken inhoudelijk op essentiële punten gebrekkig waren en dan, "omdat zij niet meer terug kon (..), via zogenaamde onderzoeksmaatregelen (die er geen waren) het dossier op onwettige wijze (heeft) verder gezet". Beoordeling 2.1.6. Artikel 4, § 2ter, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, ingevoegd bij koninklijk besluit van 29 juni 2003, bepaalt dat de aanvraag slechts ontvankelijk is, "indien het aanvraagformulier (...) deugdelijk is ingevuld, (...) de stukken bedoeld in § 1, tweede lid, bij de aanvraag gevoegd zijn en (...) het bewijs van betaling van de retributie bedoeld in § 2bis bij de aanvraag gevoegd is". De vestigingscommissie dient ingevolge artikel 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, meteen bij ontvangst van het dossier na te gaan of de aanvraag ontvankelijk is. Indien de aanvraag niet voldoet aan de vereisten bedoeld in het reeds aangehaalde artikel 4, § 2ter, brengt zij met toepassing van het tweede lid van dat artikel een negatief advies uit, op grond van de onontvankelijkheid van de aanvraag. Indien de vestigingscommissie van oordeel is dat geen dergelijk advies kan worden gegeven, stelt zij, met toepassing van het derde lid, zonder zich uit te spreken over de ontvankelijkheid, de dag vast waarop de aanvraag op een zitting zal worden behandeld. Bij haar aanvraag voegde de tussenkomende partij een uitgebreide bundel stavingsstukken toe. Op grond van die stukken kon de vestigingscommissie op de zitting van 25 september 2006 de aanvraag ontvankelijk verklaren. De VII-37.171-5/15 vestigingscommissie heeft daarbij de procedure zoals bepaald in artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 nageleefd en heeft gewacht tot op de zitting om zich over de ontvankelijkheid uit te spreken. De bewering van de verzoekende partij dat er geen wettelijke basis voor de afzonderlijke ontvankelijkheidsverklaring van 25 september 2006 was, is dan ook niet correct. Aangezien de aanvraag van de tussenkomende partij bij aanvang reeds volledig was in de zin van artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, waren de onderzoeksmaatregelen die de vestigingscommissie met toepassing van artikel 10 van het voormelde koninklijk besluit heeft bevolen, niet bedoeld om de tussenkomende partij toe te laten vooralsnog een ontvankelijk dossier in te dienen. Zij waren bedoeld om de vestigingscommissie toe te laten over de grond van de zaak te oordelen, met name over de vraag of voldaan was aan de voorwaarde van de "betere demografische spreiding". Het feit dat de onderzoeksmaatregelen betrekking hadden op stukken waarvan melding wordt gemaakt in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 bewijst niet dat de aanvraag onontvankelijk is. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel Standpunten van de partijen 2.2.1. De verzoekende partij roept de schending in van artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stelt dat de tussenkomende partij door nieuwe stukken en elementen naar voor te brengen in wezen een nieuw dossier heeft ingediend, dat tot een nieuw advies en een nieuwe kennisgeving noopte. Zij meent dat de adviesverlenende instanties en belanghebbende derden enkel met kennis van zaken advies kunnen uitbrengen als alle essentiële stukken van meet af aan voorliggen. 2.2.2. De verwerende partij antwoordt dat de aanvullingen telkens geschiedden op uitdrukkelijke vraag van de vestigingscommissie, die zich steunde op artikel 10 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 en dat, indien de vestigingscommissie bijkomende onderzoeksmaatregelen vordert, de nieuwe stukken VII-37.171-6/15 niet aan de omliggende apotheken ter kennis moeten worden gebracht, noch voor advies moeten worden voorgelegd. 2.2.3. De tussenkomende partij betoogt dat het middel is gesteund op een foutieve interpretatie van artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 en dat het niet is omdat de aanvrager een aantal argumenten of feitelijke gegevens nader toelicht of actualiseert dat het om een nieuwe aanvraag zou gaan. Zij vervolgt dat het middel ook feitelijke grondslag mist, aangezien de actualisering van de bevolkingscijfers louter het gevolg was van de abnormaal lange duur van de behandeling van de aanvraag. Volgens haar ging het om een minimale wijziging, waarbij op vraag van de farmaceutische inspecteur een bijkomende berekening werd gemaakt van het aantal inwoners "in de hypothese dat de theoretische invloedssfeer van de geplande vestiging beperkt zou worden op basis van de halverwege afstand met de apotheek Van Steenbrugge". 2.2.4. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij in hoofdzaak nog dat, als essentiële gegevens later wijzigen, de adviesverlenende instanties hun advies zo nodig moeten kunnen actualiseren. 2.2.5. In de laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de ratio van het arrest van de Raad van State nr. 180.948 van 13 maart 2008 waarnaar zowel de tussenkomende partij als het auditoraatsverslag verwijzen, niet zonder meer kan worden toegepast op de voorliggende zaak, aangezien het volgens haar thans niet gaat "over de problematiek van actualisering van cijfers doch over de beoordeling van een aanvraag die niet te beoordelen was, rekening houdende met de (...) stavingsstuken die men ter zake had ingediend en die geenszins beantwoordden aan de voorschriften" van de bepaling waarvan de schending wordt ingeroepen. Beoordeling 2.2.6. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat de minister, voordat hij de vergunningsaanvraag door de vestigingscommissie laat onderzoeken, het advies van de volgende instanties inwint : "a)de Provinciegouverneur;

  1. b)de Geneeskundige Commissie van het ambtsgebied;
  2. c)de Farmaceutische Inspecteur van het ambtsgebied;
  3. d)de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties". VII-37.171-7/15 Deze procedure werd te dezen gevolgd. De verzoekende partij toont niet aan dat de "nieuwe gegevens", die de aanvrager nadien zou hebben aangebracht, de aard van de aanvraag in die mate wijzigden dat de kennisgevings- en adviesprocedure van artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 moest worden overgedaan. Het tweede middel is niet gegrond. Derde middel Standpunten van de partijen 2.3.1. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 1, § 5bis, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen (hierna: motiveringswet) en van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het gelijkheidsbeginsel. Zij meent in essentie dat in de bestreden beslissing geen consistente definitie wordt gehanteerd van het begrip "betere demografische spreiding" en dat niet, of minstens op niet consistente wijze, rekening wordt gehouden met de invloedssfeer van de omliggende apotheken waardoor deze als belanghebbende derden ongelijk worden behandeld. De bestreden beslissing laat volgens haar geen betere geografische of demografische spreiding van de apotheken toe. De verzoekende partij bespeurt in de bestreden beslissing een tegenstrijdigheid tussen de manier waarop het criterium van de "betere demografische spreiding" door de vestigingscommissie wordt omschreven en de manier waarop dit door haar concreet wordt ingevuld. Zij stelt dat men, om na te gaan of er een betere demografisch spreiding is, de invloedssfeer van de bestaande apotheek en de omliggende apotheken moet vastleggen om vervolgens na te gaan of er, ingevolge de overbrenging, meer inwoners gemakkelijker een apotheek kunnen bereiken dan vóór de overbrenging. Zij meent dat de motivering van de bestreden beslissing onjuist is omdat de Westlaan volgens haar in werkelijkheid helemaal geen barrière vormt. VII-37.171-8/15 Voorts betoogt de verzoekende partij dat de motivering gebrekkig is omdat er geen duidelijkheid bestaat over de exacte invloedssfeer van de apotheek van de tussenkomende partij. Daarbij oefent zij kritiek uit op de berekeningen en metingen en verwijst zij naar een beweerde tegenstrijdigheid tussen het "preadvies" van de farmaceutische inspecteur en het advies van de vestigingscommissie. Zij meent dat de motivering gebrekkig is, onder meer omdat de werkelijke en de theoretische invloedssfeer door elkaar worden gebruikt. Bovendien meent zij dat in de motivering niet afdoende rekening is gehouden met haar bezwaren en opmerkingen. 2.3.2. De verwerende partij antwoordt dat artikel 1, § 5bis, 3/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 niet zozeer een uitzondering vormt, maar wel een bijkomende mogelijkheid toevoegt om een binnen dezelfde gemeente gelegen apotheek over te brengen. Zij meent dat de vestigingscommissie bij aanvang van de procedure een duidelijke omschrijving van het begrip "demografische spreiding" voor ogen had, met name een betere bereikbaarheid van de apotheek voor meer inwoners. Uit de stukken van het dossier kan volgens haar worden afgeleid dat de Westlaan als "kunstmatige barrière" kan worden beschouwd. De verzoekende partij hanteert volgens haar een te beperkte visie van wat als een hindernis kan worden beschouwd. De verwerende partij wijst er op dat de verzoekende partij als enige bezwaar heeft aangetekend tegen de overbrenging van de apotheek van de tussenkomende partij. Inzake de bewering dat uit het advies van de vestigingscommissie impliciet blijkt dat de Westlaan niet als hindernis wordt aanvaard, meent zij dat in dat advies werd beoordeeld of de gevraagde overbrenging binnen of buiten de onmiddellijke omgeving plaats had. Zij meent dat de verzoekende partij niet aanduidt waar de bestreden beslissing kennelijk onredelijk zou zijn. Zij besluit dat er door de verzoekende partij niet ernstig kan worden ontkend dat het gebied tussen de wijk DE RUITER en de apotheken WALCARIUS en VANDEPUTTE een uiterst landelijk gebied is, dat het kennelijk onredelijk is van de verzoekende partij om het gebied te beperken tot de wijk DE RUITER, en dat de vestigingscommissie niet verplicht was om in haar advies te repliceren op de bezwaren van de verzoekende partij, waarmee de vestigingscommissie overigens wel rekening heeft gehouden. 2.3.3. De tussenkomende partij stelt voornamelijk dat bij de beoordeling van de criteria inzake opening of overbrenging van een apotheek enkel rekening mag worden gehouden met het door de wetgever beoogde doel, namelijk een zo doeltreffend mogelijke aflevering van de geneesmiddelen aan de bevolking in het VII-37.171-9/15 belang van de volksgezondheid. Zij meent dat de feitelijke beoordeling van de Westlaan als hindernis niet kennelijk onredelijk is en dat de uitgesponnen feitelijke argumentatie die de verzoekende partij aanvoert om zulks te betwisten, een ontoelaatbare poging is om de soevereine beoordeling ten gronde door de vergunningverlenende overheid te laten overdoen door de Raad van State. 2.3.4. De verzoekende partij gaat in haar memorie van wederantwoord dieper in op het begrip "betere demografische spreiding". Het gaat volgens haar niet op om te doen alsof haar invloedssfeer niet wordt geraakt door het feit dat de tussenkomende partij met de bestreden beslissing meer in haar richting opschuift. Zij stelt dat uit een "deurwaardersanalyse van haar ristournoregister" blijkt dat maar liefst 75 % van de mensen die dit "ristournoregister" hebben ondertekend van de andere kant van de Westlaan komen, dat er op een gegeven ogenblik wel sprake is van 900 inwoners die verhuizen van invloedssfeer, maar dat dit cijfer niet correct is en dat het juiste cijfer van het aantal bewoners van de respectieve invloedssferen nog steeds niet is gekend. Zij meent verder dat de Westlaan integraal gelegen is binnen de bebouwde kom van Roeselare en dat het niet is "omdat de andere apotheken de afbakening van de invloedssfeer niet hebben geproblematiseerd dat (
  4. de)verwerende partij niet diende te onderzoeken of deze afbakening wel realistisch is". 2.3.5. In haar laatste memorie tracht de verzoekende partij voornamelijk verder aan te tonen dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste gegevens en kennelijk onredelijk is. Daarbij betoogt zij dat geen volledige en correcte berekening werd gemaakt van het aantal inwoners voor wie de overbrenging een slechtere spreiding betekent. Zij acht het kennelijk onredelijk dat de verwerende partij de Westlaan wel en de Meensesteenweg niet als een barrière aanvaardt en situeert "de gebrekkigheid van het dossier" in het feit dat geen onverkorte toepassing van het criterium van de halve afstanden werd gemaakt. Beoordeling 2.3.6. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 bepaalt in welke gevallen een vergunning tot opening of overbrenging van een apotheek kan worden verleend. Artikel 1, § 5bis, van datzelfde koninklijk besluit, waarvan de schending wordt ingeroepen, vormt één van de concrete toepassingen van de in het artikel vernoemde criteria voor de overbrenging van de officina. Het luidt als volgt: VII-37.171-10/15 "§ 5bis. In afwijking van de §§ 4 en 5 kan, voor de aanvragen die worden ingediend na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 8 december 1999, bedoeld in § 3bis, de overbrenging van een bestaande apotheek worden toegestaan : (...) 3/ indien de overbrenging (...) plaatsvindt in dezelfde gemeente (...) en ze, (...) een betere geografische of demografische spreiding van de apotheken tot gevolg heeft, in vergelijking met de toestand vóór de overbrenging. (...)". Het komt op grond van deze bepaling aan de verwerende partij en de vestigingscommissie toe om te oordelen of de overbrenging van de apotheek een betere demografische spreiding met zich meebrengt. De Raad van State beschikt slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid bij de beoordeling of de overbrenging een betere demografische spreiding van de apotheken met zich meebrengt. Omtrent de demografische spreiding stelt het advies van de vestigingscommissie van 14 mei 2007 dat, "als na de gevraagde overbrenging, apotheek Vesalius NV gemakkelijker bereikbaar is voor meer inwoners (...), (zulks) de spreiding van de apotheken en een doelmatige geneesmiddelenbevoorrading in de gemeente Roeselare ten goede (zal) komen". Om na te gaan of er sprake is van een betere demografische spreiding onderzoekt de vestigingscommissie de invloedszone van de apotheek van de tussenkomende partij na overbrenging. Het is niet kennelijk onredelijk van de vestigingscommissie en van de andere adviserende instanties om de betere demografische spreiding te beoordelen aan de hand van de invloedszone van de apotheek na overbrenging en niet te kijken naar de bewoners die tot de invloedszone van de andere apotheken behoren. Bij de afbakening van de invloedszone moet immers geen rekening worden gehouden met de leefbaarheid van de bestaande of nog te vestigen apotheken omdat de regeling van het koninklijk besluit van 25 september 1974, zoals voorgeschreven in artikel 4, § 3, 1/, vierde lid, van het koninklijk besluit nummer 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, is uitgewerkt met het oog op een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening en niet met het oog op de economische leefbaarheid van bestaande of nog te vestigen apotheken. De voorliggende regelgeving sluit aldus niet uit dat ten gevolge van de vestiging van een bijkomende apotheek de invloedssfeer VII-37.171-11/15 van de bestaande apotheken wordt verkleind. De vestigingscommissie dient dus niet, zoals de verzoekende partij voorhoudt, de invloedszone van de apotheek van de verzoekende partij aan te tonen. Anders dan wat de verzoekende partij beweert, houdt de vestigingscommissie wel degelijk rekening met de gemakkelijke bereikbaarheid van de apotheek na overbrenging. Dit is namelijk vervat in de afbakening van de invloedszone van de apotheek zelf. Zoals uit het advies blijkt, wordt rekening gehouden met de afstand die de bewoners moeten afleggen om de apotheek te bereiken. Er wordt eveneens rekening gehouden met de kunstmatige barrières en hindernissen die de bewoners belemmeren om de apotheek te bereiken. Het voormelde advies toont aan dat, als gevolg van de overbrenging, een aantal inwoners die oorspronkelijk tot de invloedszone behoorden van de apotheek van de verzoekende partij, gemakkelijker zullen worden bediend door de apotheek van de tussenkomende partij, gelet op de grotere nabijheid van de apotheek na overbrenging en de belemmering als gevolg van de Westlaan. Door de invloedzones van de onderscheiden apotheken af te bakenen, wordt rekening gehouden met de andere apotheken en dus met de betere demografische spreiding ervan. Bij haar onderzoek in concreto dient de vestigingscommissie onder meer na te gaan of er hindernissen zijn die zich verzetten tegen een onverkorte toepassing van het criterium van de halve afstanden. Een drukke verkeersweg die alleen op bepaalde punten via verkeerslichten en zebrapaden kan worden overgestoken, kan redelijkerwijze als een hindernis worden aanzien die een invloed heeft op de afbakening van de invloedszone. De bewering van de verzoekende partij dat enkel rekening kan worden gehouden met hindernissen die niet of nauwelijks kunnen worden overgestoken, zoals een rivier/kanaal, een spoorweg of een autosnelweg, is onjuist. Bij de afbakening van de invloedszone van de geplande apotheek ten aanzien van de omliggende apotheken, moet wel worden vermeden dat dezelfde inwoners twee of meer malen worden meegerekend als behorende tot de invloedssfeer van verschillende apotheken. Daarbij is niet vereist dat al de inwoners die in een invloedszone zijn afgebakend, zich daadwerkelijk in die apotheek zullen bevoorraden. VII-37.171-12/15 In haar advies gaat de vestigingscommissie ervan uit dat het criterium van de halve afstand niet onverkort van toepassing is, gelet op de Westlaan. Zij rekent de inwoners die volgens de halve afstandsregel nog net tot de invloedszone van de apotheek van de verzoekende partij behoren, toch tot de invloedszone van de apotheek van de tussenkomende partij omdat de apotheek in de richting van de Westlaan is verschoven. Hierdoor breidt de invloedszone van de apotheek na overbrenging uit met bijna 900 inwoners. De verzoekende partij toont niet aan dat het kennelijk onredelijk is om de Westlaan als een hindernis te aanzien die zich verzet tegen de onverkorte toepassing van het criterium van de halve afstand. De mening van de verzoekende partij dat de Westlaan geen dergelijke hindernis vormt, toont niet de onwettigheid van de beoordeling door de vestigingscommissie aan. De verwijzing naar het advies dat de vestigingscommissie op 30 januari 2006 heeft uitgebracht naar aanleiding van de overbrenging van de apotheek van de verzoekende partij in de onmiddellijke omgeving, toont evenmin aan dat de huidige beoordeling door de vestigingscommissie onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. In het advies van 30 januari 2006 ging de vestigingscommissie uit van de ligging van de apotheek van de verzoekende partij vóór de overbrenging. Doordat de beide apotheken in elkaars richting opschuiven, dient de invloedszone van de onderscheiden apotheken opnieuw te worden afgebakend. Het getuigt van een onderzoek in concreto om opnieuw na te gaan wat de invloed is van de Westlaan bij het bepalen van de invloedszone nu de betrokken apotheken op een nieuwe locatie zijn gelegen. Het feit dat de invloedszones op een andere manier kunnen worden ingedeeld, volstaat niet om aan te tonen dat het advies van de vestigingscommissie onjuist of kennelijk onredelijk is. De kritiek van de verzoekende partij dat de motivering gebrekkig is omdat er geen duidelijkheid bestaat over de exacte invloedssfeer van de apotheek van de tussenkomende partij, kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. De verzoekende partij toont niet aan dat de farmaceutische inspecteur en de vestigingscommissie onzorgvuldig te werk zijn gegaan bij het bepalen van deze invloedszones. Het feit dat de adviezen van de inspecteur en de vestigingscommissie op bepaalde punten niet ten volle met elkaar zouden overeenstemmen, hoewel beiden een gunstig advies verlenen, bevestigt het discretionair karakter van de afbakening en de berekening, maar toont niet het onwettig karakter aan van de bestreden beslissing. VII-37.171-13/15 De kritiek van de verzoekende partij, met verwijzing naar het verslag van landmeter CALLENS, dat de farmaceutische inspecteur op verkeerde wijze de regel van de halve afstand toepast, kan evenmin tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. De verzoekende partij gaat er immers aan voorbij dat de vestigingscommissie in haar verslag niet louter het criterium van de halve afstand toepast, maar ook rekening houdt met het feit dat de Westlaan een hindernis vormt die van belang is bij het bepalen van de invloedszone. De verzoekende partij bekritiseert de overweging van de vestigingscommissie dat er 900 mensen wonen in het gebied tussen de as Westlaan en de as Abeelstraat-Lindenstraat, en dat de meesten hiervan zijn ingedeeld in de invloedszone van de apotheek van de tussenkomende partij na overbrenging. Dit cijfer is gebaseerd op stukken die de tussenkomende partij verkreeg van de stad ROESELARE. De tussenkomende partij heeft het aantal inwoners van de straten nadien op het plan aangeduid. De verzoekende partij toont niet aan dat de bevolkingscijfers van de stad ROESELARE, waarmee de tussenkomende partij haar aanvraag stoffeerde, verkeerd zouden zijn. Uit het advies van de vestigingscommissie kan minstens impliciet worden afgeleid waarom de argumenten van de verzoekende partij niet werden aanvaard. Op de vestigingscommissie rust geen motiveringsplicht zoals opgelegd door artikel 149 van de Grondwet en zij is er dan ook niet toe gehouden om punt per punt de geopperde bezwaren te beantwoorden. Het derde middel is niet gegrond, VII-37.171-14/15 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven mei tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.171-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.077 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.