← België

Arrest 193101 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.101 Rolnummer: A. 187330/XIV-30164 Zaak: Arrest 193101 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:05 Fiche Arrest nr 193.101 van 8 mei 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.101 van 8 mei 2009 in de zaak A. 187.330/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. PEPERMANS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 3 maart 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 6518 van 29 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2397 van 19 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.164-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. SCHOUTEN, die loco advocaat L. PEPERMANS de verzoekende partij bijstaat en van attaché A. VAN DE VOORDE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten . Schending van art. 29/2 en 39/75 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoeker meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieraan niet voldoet. Verzoeker zal in eerste instantie uiteenzetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoeker zal in tweede instantie uiteenzetten dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht.
  3. Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking. De kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Cornet formule'. "In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals hoving jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similor domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law". ( ECJ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976 ; ECJ 45/76 Cornet BVv Produktschap voor Siergewassen XIV-30.164-2/14 Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtssyteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrechten" eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutio- nele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeenschapsrecht". Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschapsrecht
  4. Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over grondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon. Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn4, alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden'. Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschapsrecht aanvaardt. De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschapsrecht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschaps- recht. Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben en de rechtstreekse werking ervan . Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: "Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeenschappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten. " De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoeker verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDA- MENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE XIV-30.164-3/14 GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONALE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPSRECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoeker ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht.
  5. Volle rechtsmacht Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. Dat voor zover verzoekster verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroept daar het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. Verzoeker betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptreden. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren. De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before 4.'19 De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen". Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvaststelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreiniging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontrei- niging.. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende — marginale — toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen, maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt
  6. Deze zaak betrof een handhavingsbesluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs XIV-30.164-4/14 op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststelling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede — quasirechterlijke — gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk
  7. Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandigheden kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen.
  8. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad,. voor Vreemdelingenbetwisting- en ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar Afghanistan. XIV-30.164-5/14 Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoeker van mening is dat hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat daarenboven de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebruik heeft gemaakt van een stuk dat zich niet in het dossier bevond op het ogenblik dat verzoeker er nog nuttig van kon kennis nemen met name het UNHCR rapport inzake Afghanistan, en meer bepaald de update van november
  9. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt het volgende in het bestreden arrest in overweging 3.4: "De Raad stelt vast dat diverse rapporten... Dit district komt niet voor op de lijst van locaties waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is (update november 2007)" onderlijning door verzoeker aangebracht Dat noch verzoeker noch het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen deze update hebben gevoegd in het dossier. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve zelf over gaat tot een onderzoek van de asielaanvraag evenwel zonder deze stukken aan een tegensprekelijk debat te onderwerpen zodat minstens art. 39/75 van de Vreemdelingenwet geschonden is. Dat daarenboven gesteld kan worden dat de Raad strikt genomen haar bevoegdheid te buiten is gegaan door zelf onderzoek te verrichten, met name de ambtshalve toevoeging van de update van het rapport van Afghanistan. Verzoeker is dan ook van mening dat in onderhavig geval de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen art. 39/2 § 1 geschonden heeft, doordat het in tegenstelling wat het artikel stelt zelf overgegaan is tot onderzoek terwijl zij enkele en alleen de bevoegdheid heeft in het geval bijkomend onderzoek vereist (wat in casu duidelijk het geval is gezien de RW er zelf onderzoek naar doet) het dossier opnieuw dient over te maken aan het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoeker verwijst naar het arrest van 25.01.2008 van de Raad van State (nr. 178.960) waarin een identieke situatie heeft geleid tot een cassatie van de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat".”; 1.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste en enig middel voert verzoeker de schending aan van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten [blijkt]. Bovendien acht verzoeker eveneens de artikelen 29/2 en 39/75 van de Vreemdelingenwet geschonden. Verzoeker meent dat zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals wettelijk vastgesteld in de aangehaalde middelen. Hij meent verder dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De natuur van de asielaan- vraag houdt immers een actuele beoordeling in op het moment van de finale beslissing. Dit recht wordt beperkt doordat verzoeker na het indienen van "onderhavig" beroep (wellicht bedoelt verzoeker het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen) geen geactualiseerde memorie kan bijbrengen. Er is dan ook geen sprake van een jurisidictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft, aldus verzoeker. De rechten van verdediging zijn grondrechten, die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht, net zoals het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht vormt dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht, aldus verzoeker. Verzoeker meent dat deze grondrechten rechtstreekse werking hebben. XIV-30.164-6/14 Verzoeker besluit dat de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet. Hij verwijst naar artikel 6 EVRM om zijn betoog te ondersteunen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient ambtshalve over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak en diende zij zich er meer bepaald van te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar zijn land van herkomst, Afghanistan. Bovendien is het voor verzoeker in casu verboden om zich dienstig te verweren tegen de repliek van het Commissariaat-generaal. Verder heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebruik gemaakt van een stuk dat zich niet in het dossier bevond op het ogenblik dat verzoeker er nog nuttig van kon kennis nemen, met name het UNHCR-rapport inzake Afghanistan, en meer bepaald de update van november 2007, aldus verzoeker. Nochtans hebben noch verzoeker noch het Commissariaat-generaal deze update in het dossier gevoegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat derhalve zelf over tot een onderzoek van de asielaanvraag evenwel zonder deze stukken aan een tegensprekelijk debat te onderwerpen zodat minstens artikel 39/75 van de Vreemdelingenwet is geschonden. Daarenboven meent verzoeker dat de Raad strikt genomen haar bevoegdheid is te buiten gegaan door zelf onderzoek te verrichten, met name de ambtshalve toevoeging van de update van het rapport van Afghanistan. Verzoeker is dan ook van mening dat in onderhavig geval de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 39/2, §1 heeft geschonden, doordat het in tegenstelling wat het artikel zelf stelt is overgegaan tot onderzoek terwijl zij enkel en alleen de bevoegdheid heeft in het geval bijkomend onderzoek [is] vereist (wat in casu duidelijk het geval is gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er zelf onderzoek naar doet) het dossier opnieuw dient over te maken aan het Commissariaat-generaal. Verzoeker verwijst naar het arrest van 25 januari 2008 van de Raad van State (nr. 178.960) waarin een identieke situatie heeft geleid tot een cassatie van de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoeker vraagt aan de Raad van State een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie. - In hoofdorde is het middel niet ontvankelijk, gezien het hoofdzakelijk een wetskritiek inhoudt en geen betrekking heeft op de concrete weigeringsmotieven die het bestreden arrest dragen. Verder ziet verweerder niet in wat verzoeker bedoelt met de schending van artikel 29/2 van de Vreemdelingenwet, gezien dit artikel onbestaande is in de Vreemdelingenwet. Dit onderdeel van het eerste middel mist juridische grondslag. In zoverre verzoeker artikel 39/2 Vreemdeling- enwet zou bedoelen, verwijst verweerder naar zijn antwoord hieronder. - In ondergeschikte orde is het middel ongegrond. Verzoeker vergist zich daar waar hij beweert dat er geen sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. - Verweerder wenst immers te benadrukken dat artikel 39/2, § 1, al. 2, 1/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen preciseert dat de Raad "de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen of hervormen". Een dergelijke hervormingsbevoegdheid kan men ontegensprekelijk analyseren als zijnde een volheid van rechtsmacht. Hetzelfde artikel 39/2, §1, al. 2, 2/, voorziet dat de Raad enkel over een vernietigingsbevoegdheid beschikt in bepaalde gevallen die zeer beperkte hypotheses betreffen, ofwel wanneer aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan worden hersteld (bijvoorbeeld wanneer de asielzoeker niet werd gehoord door de Commissaris-generaal), ofwel omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming van de beslissing zonder aanvullende onderzoeks- maatregelen hiertoe te moeten bevelen. In dit geval echter dient, eens de vernietiging is uitgesproken, de Commissaris-generaal zich opnieuw over de aanvraag uit te spreken rekening houdende met het gezag van gewijsde van de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen; zijn beslissing kan op zijn beurt aangevochten worden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het recht op een beroep met volheid van rechtsmacht wordt aan de verzoeker dus geenszins ontzegd. Het (ontvankelijk) jurisdictioneel beroep bij de Raad heeft devolutieve werking en wordt in zijn geheel bij de Raad aanhangig gemaakt. Dit houdt in dat de bevoegdheid van de Raad niet beperkt is tot het onderzoek van de (wettigheid van de) XIV-30.164-7/14 beslissing van de Commissaris-generaal maar in wezen inhoudt dat de zaak is overgegaan met al de feitelijke en juridische vragen die er mee samenhangen. De feitelijke elementen die de partijen aanbrengen kunnen door de rechter getoetst worden aan bronnen van algemene bekendheid of bronnen aanwezig in het rechtsplegingsdossier. Indien de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen geen rekening zou kunnen houden met een nieuwe situatie, dan zou dit een miskenning zijn van de bijzondere realiteit van de asielproblematiek (en de beoordeling in volle rechtsmacht). Verzoeker faalt daar waar hij tracht aan te tonen dat een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen doeltreffende voorziening in rechte is. De Raad voor Vreemdelingenbeslissingen sprak het bestreden arrest uit in volledige overeenstemming met de wet. De Raad spreekt zich immers — binnen de aangehaalde middelen zoals die zijn uiteengezet in het inleidende verzoekschrift- opnieuw uit over de grond van de zaak en niet enkel over de regelmatigheid of wettigheid van de beslissing van de Commissaris-generaal, die de Raad in het geheel niet bindt. De Raad kan de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal bevestigen op dezelfde of andere gronden, dan wel hervormen en bijvoorbeeld het statuut van vluchteling toekennen, dan wel dit statuut weigeren doch bijvoorbeeld subsidiaire rechtsbe- scherming toekennen. In beroep is de Raad volledig vrij binnen het aanhangige geschil dat bepaald wordt door het verzoekschrift. - Verweerder verwijst verder betreffende de "volheid van rechtsmacht" naar het arrest van 7 november 2000, Kingsley tg. Verenigd Koninkrijk (§ 58) citeren, waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overwogen: "La Cour juge en règle générale inhérent à la notion de controle juridictionnel que, si un moyen d'appel est considéré comme valable, la juridiction procédant au controle puisse annuler la décision attaquée et rendre elle-même une nouvelle décision ou renvoyer l'affaire devant le même organe ou un organe différent." (Vrije vertaling: Het Hof oordeelt algemener wijze dat het inherent is aan het begrip jurisdictionele controle dat, als een beroepsmiddel als geldig wordt beschouwd, het rechtscollege dat de controle uitoefent, de aangevochten beslissing kan vernietigen en zelf een nieuwe beslissing kan nemen of de zaak verwijzen naar hetzelfde of een verschillend orgaan). Het Europees Hof — verenigde kamers — heeft overigens deze rechtspraak bevestigd bij arrest van 22 mei 2002 in dezelfde zaak Kingsley. - De memorie van toelichting die aan de basis lag van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen komt trouwens tegemoet aan de door de verzoeker ingeroepen argumenten.' "Inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (§ 1), beschikt de Raad over volheid van rechtsmacht, d.w.z. dat de Raad het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en hij als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegdheid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen beslissingen (cfr. de definitie gegeven door A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002) ongeacht het motief waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de vreemdelingen de bestreden beslissing heeft gesteund. Deze «hervorming» of «herziening» van de bestreden beslissing houdt in dat de Raad de hoedanigheid van vluchteling of van persoon die de status subsidiaire bescherming geniet, kan «toekennen» of «weigeren» aan de vreemdeling die in beroep is gekomen tegen een geheel of gedeeltelijk voor hem ongunstige beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Dit is de draagwijdte van de bevoegdheid bepaald in § 1, 1/ van de ontworpen bepaling. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid van volle rechtsmacht kan de Raad op dezelfde gronden en met eenzelfde appreciatiebevoegdheid beslissen als de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Het beroep is immers devolutief en wordt in zijn geheel aanhangig gemaakt bij de Raad. De Raad is derhalve niet gebonden door het motief waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing heeft gesteund: de bevoegdheid «bevestigen» mag duidelijk niet in deze zin worden uitgelegd. Zo kan bijvoorbeeld de Raad een beslissing genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen op grond van artikel 52 van de vreemdelingenwet bevestigen op dezelfde of op andere gronden, dan wel hervormen of — indien bijvoorbeeld essentiële elementen ontbreken XIV-30.164-8/14 die inhouden dat de Raad de bestreden beslissing niet kan bevestigen of hervormen zonder dat hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen moeten worden bevolen — vernietigen. De uitoefening van deze bevoegdheid van volle rechtsmacht geschiedt uitsluitend op basis van het rechtsplegingsdossier — i.e. het administratief dossier waarop de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gesteund om tot de aangevochten administra- tieve beslissing te komen, te samen met de procedurestukken (i.e. het verzoekschrift incl. de erbij gevoegde bijlagen; de nota van de verwerende partij; in voorkomend geval het aanvullend schriftelijk verslag en de replieknota bedoeld in artikel 39/76, § 1, eerste lid) — en van de nieuwe gegevens die overeenkomstig artikel 39/76, § 1, op ontvankelijke wijze bij het onderzoek mogen worden betrokken. De Raad heeft voorts geen eigen onderzoeksbevoegdheid. Hij kan noch zijn administratie noch derden noch de CGVS opleggen een aanvullend onderzoek te doen. Het is evenwel niet absoluut uit te sluiten dat het voorgaande zal volstaan om tot een op afdoende motieven gesteunde beslissing te komen. Twee hypothesen kunnen zich immers aandienen. Allereerst kan aan de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal een dergelijke substantiële onregelmatigheid kleven dat ze door de Raad niet meer kan worden hersteld. Dit zal bijvoorbeeld in de regel het geval zijn wanneer de asielzoeker niet zou zijn gehoord door de commissaris-generaal omdat de oproeping naar een verkeerd adres werd verzonden. Deze substantiële vereiste die het horen inhoudt, kan op het niveau van de Raad niet worden goedgemaakt (behalve indien duidelijk uit het dossier en/of de verklaringen van de partijen ter terechtzitting blijkt dat het verzoek moet worden aangenomen of verworpen of indien de verzoeker geen belang heeft) en zonder dit verhoor kan redelijkerwijze worden besloten dat geen deugdelijke beslissing (in de ene of de andere zin) kan worden genomen. In de tweede plaats zou het kunnen voorvallen dat in de gegevens waarop de Raad vermag acht te slaan (zie supra) essentiële elementen nodig voor het hervormen of bevestigen van de beslissing, ontbreken, die inhouden dat de Raad niet kan komen tot een gemotiveerde beslissing zonder dat aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe zouden moeten worden bevolen. Ook in dit geval kan de Raad, wegens het ontbreken van essentiële gegevens die inhouden dat hij zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen geen uitspraak kan doen over de grond van het geschil, het dossier «terugzenden» naar de commissaris-generaal ongeacht of diens beslissing al dan niet onwettig is. Technisch vertaalt dit «terugzenden» zich door een vernietiging. Dit houdt in dat de zaak opnieuw aanhangig is bij de CGVS die beslist met respect voor het gezag van gewijsde van de beslissing. De Raad belast zich derhalve niet met aanvullend onderzoek op straffe van anders buiten zijn door deze wet bepaalde bevoegdheden te gaan. Dit is vanzelfsprekend ingegeven door de bezorgdheid om de werklast van de Raad te verlichten, maar ook om een effectieve controle uit te oefenen op de wijze waarop de commissaris-generaal en zijn adjuncten de dossiers behandelen. De mogelijkheid tot «terugzending» is evenwel geen bevoegdheid die naar vrijheid van de Raad kan worden uitgeoefend. In de eerste plaats moet de Raad, op straffe van anders zijn toegewezen bevoegdheden te miskennen, onderzoeken of hij zijn volle rechtsmacht kan uitoefenen. Pas als hij vaststelt dat dit niet mogelijk is om één van beide limitatief bepaalde redenen, mag de Raad de bestreden beslissing vernietigen en het dossier derhalve «terugzen- den». De motieven die deze uitzonderingsbevoegdheid rechtvaardigen zullen duidelijk uit de beslissing moeten blijken. Bovendien raakt de (miskenning) van deze bepalingen de bevoegdheid van de Raad. Die is van openbare orde en bij miskenning ervan kan een van de partijen in het geding tegen deze beslissing wegens miskenning van de van openbare orde zijnde bevoegdheidsregels, een voorziening in cassatie indienen. Zo kan, in antwoord op de vraag ter zake van de Raad van State in zijn advies, de Raad slechts «nieuwe gegevens» in aanmerking nemen binnen de perken voorzien in de wet op straffe van dit wettelijk begrip te miskennen. Uiteraard kan hij op grond van dergelijke «gegevens» de bestreden beslissing niet vernietigen noch hervormen buiten de gevallen waarin de wet hem toelaat ze in aanmerking te nemen. De vraag of deze «gegevens» al dan niet relevant zijn, stelt zich derhalve op dit niveau van de procedure niet, wel de vraag of deze gegevens kunnen worden ondergebracht onder de in artikel 39/76 gehanteerde definitie. Indien dat niet het geval XIV-30.164-9/14 is, kan de Raad derhalve enkel besluiten dat dit geen nieuwe gegevens zijn in de zin van artikel 39/
  11. Hieruit volgt dat de weigering om met deze gegevens rekening te houden omdat ze niet als nieuw te beschouwen zijn in de zin van artikel 39/76 niet belet dat deze gegevens nog dienstig kunnen worden aangevoerd ter adstructie van een latere asielaanvraag. De bevoegde overheid zal dan deze gegevens dienen te toetsen aan het bepaalde in artikel 51/8 — dat geen identieke inhoud heeft - zonder uiteraard te zijn gebonden op dat vlak door het gezag van het arrest van de Raad dat immers niet heeft onderzocht of dit «nieuwe gegevens» zijn ter adstructie van een navolgende asielaanvraag ex art. 51/8 van de vreemdelingenwet. Het gezag van gewijsde ter zake strekt zich niet verder uit dan het dispositief en de noodzakelijk ermee verbonden overwegingen die — het weze herhaald — enkel uitspraak kunnen doen over de vraag of de voor de Raad aangevoerde gegevens «nieuwe gegevens» zijn in de zin van artikel 39/
  12. Indien de Raad nadien geadieerd wordt omtrent een beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de minister omdat de nieuwe asielaanvraag niet in aanmerking te nemen omdat de aangevoerde gegevens niet «nieuw» zijn in de zin van artikel 51/8 van de vreemdelingenwet, zal de Raad in dit geval enkel dienen te toetsen of de minister het laatstgenoemde wettelijke begrip heeft miskend. Anders is het indien de Raad de gegevens heeft aangenomen als «nieuwe gegevens» in de zin van het genoemde artikel 39/76 doch —mede deze gegevens in acht genomen — heeft geoordeeld de status van vluchteling of van persoon die de status van subsidiaire bescherming geniet, niet toe te kennen. In dat geval heeft het arrest van de Raad ter zake gezag van gewijsde. Indien de betrokken vreemdeling ter gelegenheid van een nieuwe asielaanvraag deze gegevens opnieuw aanvoert als «nieuwe gegevens» in de zin van artikel 51/8 van de vreemdelingenwet, zal dit botsen op het gezag van gewijsde van de beslissing van de Raad." - Verweerder meent dan ook dat de vraag of de lidstaten dienen te "voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83" niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, voorziet. Centraal staat derhalve de beoordeling van een 'geschil' (met alle feitelijke en juridische vragen die er mee samenhangen) en niet de beoordeling van een 'beslissing' van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. - De mogelijkheid tot het indienen van een replieknota (op de verweernota van de Commissaris- generaal) is —buiten de mogelijkheden voorzien in artikel 39/76, §1, al. 6 en artikel 39/81 (annulatieprocedure) van de wet van 15 december 1980 - niet voorzien in de Vreemdelingenwet, noch in het Procedurereglement van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen. Niets stond verzoeker er echter aan in de weg om zijn standpunt en zijn reactie op de verweernota mee te delen tijdens het contradictoir debat voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen. Immers, essentieel daarbij is dat elke partij met de verschillende (ver- weer-)middelen van de andere partij geconfronteerd wordt en de volstrekte mogelijkheid heeft daarop te antwoorden, hetzij mondeling 'ter zitting.), hetzij schriftelijke. Verzoeker toont in het geheel niet aan dat hij hiertoe niet de mogelijkheid heeft gehad tijdens de zitting voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. - Verweerder benadrukt integendeel dat de verzoekende partij op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 16 januari 2008 is gehoord en dat het standpunt van de verzoekende partij in de bestreden beslissing wordt weergegeven. Verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat hij niet de kans heeft gehad zijn visie uiteen te zetten waardoor de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden (beschikking R.v.St. nr. 1000 van 26 juli 2007). - Verzoeker beweert bovendien dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebruik heeft gemaakt van een stuk dat zich niet in het dossier bevond, met name het UNHCR-rapport inzake Afghanistan van november 2007 en aldus een "bijkomend onderzoek" heeft gevoerd en heeft bovendien dit stuk niet aan het tegensprekelijk debat onderworpen. Verweerder ontkent met klem dat de Raad "bijkomend onderzoek" heeft verricht, zoals verzoeker blijkt te menen, door zich te steunen op een stuk dat zich niet in het administratief dossier bevindt. Verweerder benadrukt immers dat in de beslissing van de Commissaris-generaal van 7 september 2007 wordt verwezen naar bepaalde rapporten die zich in het administratief dossier bevinden, onder XIV-30.164-10/14 meer met lijsten van het UNHCR van april
  13. Ook in de verweernota van het Commissari- aat- generaal van 24 oktober 2007 werd de geactualiseerde UNHCR-lijst toegevoegd van 2 september 2007 en werd er door de verwerende partij benadrukt dat de algemene conclusies van het geactualiseerde antwoorddocument van Cedoca niet verschillen van het voorgaande antwoorddocument. Het district Surkh Rod in de provincie Nangarhar waar verzoeker beweerde van afkomstig te zijn, kwam noch op de lijst van april 2007, noch op de geactualiseerde lijst van september 2007 voor als locatie waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is. Ook verzoekende partij verwees in haar beroepsschrift naar de geactualiseerde lijst van september
  14. Gelet op de informatie die aanwezig is in het rechtsplegingsdossier en de standpunten die de partijen daarover voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben ingenomen tijdens de zitting van 16 januari 2008, kan niet worden gesteld dat het om informatie buiten het rechtsplegings- dossier gaat. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat van een bepaalde lijst een "update november 2007" in het bestreden arrest wordt vermeld (R.v.St, beschikking, nr. 2090 van 6 februari 2008). Het district Surkh Rod in de provincie Nangarhar kwam evenmin op deze lijst voor als locatie waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is. - Daar waar verzoeker beweert dat richtlijn 2004/83 effectief processuele grondrechten voor individuen biedt, antwoordt verweerder dat deze richtlijn tot doel heeft minimumnormen vast te stellen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, alsmede de inhoud van de verleende bescherming te bepalen. Richtlijn 2005/85 daarentegen is in de eerste plaats bedoeld om in de Europese Gemeenschap een minimumkader voor procedures voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus in te voeren. - In zoverre verzoekende partij (volgens hem enkel ter verduidelijking) verwijst naar artikel 6 van het EVRM antwoordt verweerder dat de principes van dit artikel thans niet direct van toepassing zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doet immers noch over burgerlijke rechten noch over de gegrondheid van een strafvervolging uitspraak. Hij is er door de wet mee belast na te gaan of de betrokkene beantwoordt aan de definitie van vluchteling zoals bepaald in voornoemd Vluchtelingenverdrag. In dit verband wenst verweerder ook te verwijzen naar rechtspraak van de Raad van State die stelt dat artikel 6 EVRM niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen. Dit onderdeel van het middel is dan ook niet ontvankelijk (R.v.St., 13 maart 2007, nr. 181.070 en R.v.St., 6 juni 2007, nr. 182.901) Een schending van de rechten van verdediging en van de artikelen 39/2, §1 en 39/75 Vreemdelingenwet kan in casu niet worden vastgesteld. Het eerste en enig middel is onontvankelijk, minstens ongegrond. Verweerder beklemtoont tot slot dat het bestreden arrest van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in een overzicht van de rechtspleging en de weergaven van het asielrelaas de middelen van verzoeker op omstandig gemotiveerde wijze bespreekt. Het arrest wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Uit de redengeving blijkt duidelijk dat de middelen van verzoekende partij zijn behandeld en onderzocht. Verweerder meent dat derhalve aan de motiveringsplicht van jurisdictionele beslissingen is voldaan, aangezien de bestreden beslissing duidelijk de redenen vermeldt waarop zij werd gesteund.”; 1.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “De verwijzing naar Belgische rechtspraak is voor het overgrote deel irrelevant gezien de materie ressorteert onder het Europees Gemeenschapsrecht. Dat het aspect ‘volle rechtsmacht’ in overeenstemming dient te zijn met het begrip ‘volle rechtsmacht’ zoals het geïnterpreteerd wordt door het gemeenschapsrecht. Verzoekster verwijst naar de arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak ‘Organisatie van Volksmujahedeen van Iran tegen de Raad van de Europese Unie’ van 12.12.2006, zaak T 228-
  16. Meer bepaald deriveert het arrest uit Richtlijn 2004/38 (vrijheid van XIV-30.164-11/14 verkeer en niet 2004/83) rechtsbeginselen, (meer bepaald uit art 31.3 van de Richtlijn) dat er ‘rechtsmiddelen dienen te worden voorzien met de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen’; Dat zulks in casu bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onmogelijk is.”; 1.
  17. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris-generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat het aldus bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep een devolutieve werking heeft, waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de hand van de voor hem aangevoerde middelen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan hervormen, zonder door de motieven van de deze laatste gebonden te zijn; dat het beroep tegen de beslissingen van de commissaris-generaal op grond van artikel 39/70 van de Vreemdelingenwet een schorsende werking heeft; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 eveneens heeft geoordeeld dat uit de voornoemde elementen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in beginsel over volle rechtsmacht beschikt, wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdeling- enwet optreedt en dat de rechtzoekenden niet van een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg zijn beroofd; dat het Grondwettelijk Hof in het voornoemde arrest uitdrukkelijk heeft overwogen dat het “hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vergezeld van de mogelijkheid voor de partijen en hun advocaat om hun opmerkingen mondeling voor te dragen op de terechtzitting, zoals daarin is voorzien in het tweede lid van artikel 39/60, (...) geen afbreuk (doet) aan het recht op een rechterlijke toetsing en een daadwerkelijk rechtsmiddel”; dat de vraag of de lidstaten XIV-30.164-12/14 dienen “te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83” niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de Vreemdelingenwet precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij wat betreft artikel 6, eerste lid, van het E.V.R.M. evenmin dienend is omdat die verdragsbe- paling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nooit heeft gevraagd om op de nota van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te repliceren en dat uit het rechtsplegingsdossier niet blijkt dat zij daarover ter terechtzitting enige opmerking heeft gemaakt; dat zij zulks niet voor het eerst voor de Raad van State als administratieve cassatierechter kan vragen; dat het middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan; Overwegende dat het motief omtrent de situatie in het district waarvan de verzoekende partij afkomstig is, mede het voorwerp van het debat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vormde; dat dit blijkt uit het op 26 september 2007 door de verzoekende partij bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep, waar de verzoekende partij in het derde middel verwijst naar een update van de lijst van het UNHCR van 2 september 2007; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van 7 september 2007 verwijst naar rapporten die zich in het administratief dossier bevinden, waaronder lijsten van het UNHCR van april 2007; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn verweernota voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar een update van september 2007 en daarbij opmerkt dat de conclusie van de geactualiseerde lijst niet verschilt van die van de eerdere lijst; dat de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf heeft gesteld dat rekening met de situatie op het ogenblik van het nemen van de beslissing moet worden gehouden en dat zij naar recente gebeurtenissen heeft verwezen; dat, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, de vaststelling dat het district Surkh Rod uit de provincie Nangarhar niet voorkomt op de lijst van locaties waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is (update november 2007), derhalve niet op informatie buiten het rechtsplegingsdossier betrekking heeft doch slechts een bevestiging vormt van de lijsten die expliciet in het debat werden betrokken; dat het middel in die mate ongegrond is; XIV-30.164-13/14
  18. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.164-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.