id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.102 Rolnummer: A. 186975/XIV-30179 Zaak: Arrest 193102 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:05 Fiche Arrest nr 193.102 van 8 mei 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.102 van 8 mei 2009 in de zaak A. 186.975/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN PRAET, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Franz Courtensstraat 29 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 8 februari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 5462 van 7 januari 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2312 van 11 maart 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.179-1/20 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HENDRICKX, die loco advocaat S. BUYSSE verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché A. VAN DE VOORDE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Machtsoverschrijding; Schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten . Doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent dat de verzoeker niet als vluchteling erkend dient te worden noch hem de subsidiaire bescherming dient toegekend; Terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het in volheid van rechtsmacht had dienen te onderzoeken en een beslissing nam tegen de wet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingevolge de bepalingen van het art. 39/2 enkel de volgende bevoegdheid zou hebben met betrekking tot de beslissing van de Commissa- ris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan meer bepaald : 1/ bevestigen of hervormen ; 2/ vernietigen omwille van substantiële onregelmatigheden of vernietigen omwille van het ontbreken van essentiële elementen gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierdoor niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. Dat de huidige Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkele appreciatiebevoegdheid meer opneemt. Dat dit onder het oud wetgevend kader wel het geval was, doch actueel nog steeds nodig en verplicht is gelet op het onderstaande Verzoekende partij betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals wettelijk vastgesteld in aangehaalde middelen. Verzoekende partij meent dat zij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Verzoekende partij meent dat zij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat haar beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekende partij na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal in eerste instantie uiteenzetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Verzoeker zal in tweede instantie uiteenzetten dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep XIV-30.179-2/20 behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte in derde instantie aantonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrechten volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht.
- schending van de Grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten hebben rechtstreekse werking. Doordat de kern van het afdwingen van procedurele regels in het nationale recht met betrekking tot het EU gemeenschapsrecht is vervat in de Rewe Comet formule'. "In the absence of Community rules governing the matter, it is for the domestic Legal system of each Member State to designate the courts and tribunals having jurisdiction and to lay down the detailed procedural rules governing actions for safeguarding rights which individuals derive from the direct effect of Community law. However, such rules must not be less favourable than those governing similar domestic actions, nor render virtually impossible or excessively difficult the exercise of rights conferred by Community law". ( ECJ. 33/76 Rewe-Zentralfinanz eG & rewe-Zentral AG v. landwirtschafstskammer fur das Saarland, 1976 ; ECJ 45/76 Comet BVv Produktschap voor Siergewassen Eigen vertaling: Wanneer het Gemeenschapsrecht de materie niet behandelt, dient het eigen rechtsysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken aan te duiden en dient zij gedetailleerde procedurele regels voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het Gemeenschapsrecht. Echter deze regels mogen enerzijds niet minder gunstig zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het Gemeenschapsrecht virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Richtlijn 2004/83 biedt effectief processuele grondrechten voor individuen. De richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de "grondrechten" eigen aan het EU recht. Dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Overweging 10 stelt: Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen. Dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie deze erkend in de rechtspraak of "grondrechten zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutio- nele tradities van de lidstaten voorvloeien als beginselen van Gemeenschapsrecht". Het EHJ heeft reeds verschillende keren geoordeeld dat de algemene rechtsbeginselen waartoe ook de grondrechten behoren integraal deel uitmaken van het gemeenschapsrecht. Welke grondrechten juist deel uitmaken van het gemeenschapsrecht bepaalt het EHJ niet. Er bestaat geen lijst van grondrechten. Het achterliggende beginsel dat het EHJ gebruikt in zijn rechtspraak over grondrechten is de bescherming van de waarheid en de vrijheid van de menselijke persoon. Het EHJ haalt deze grondrechten en fundamentele vrijheden uit de constitutionele tradities welke aan de Lidstaten gemeen zijn4, alsook uit de internationale verklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de Lidstaten hun medewerking hebben verleend of waartoe ze later zijn toegetreden. Zo heeft het EHJ al enkele keren een grondrecht uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten als integraal deel uitmakend van het gemeenschapsrecht aanvaard. De bescherming van de grondrechten als integraal onderdeel van het gemeenschapsrecht geldt niet enkel met betrekking van de maatregelen van de EU zelf. De bescherming geldt ook XIV-30.179-3/20 voor maatregelen die de Lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschaps- recht'. Zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht waaronder het asielrecht in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Dat in elk geval deze grondrechten rechtstreekse werking hebben. Dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een samenvatting vormt van deze grondrechten. De rechtsleer stelt onder andere: “Het Handvest voegt dus strikt genomen geen rechte toe, maar visualiseert enerzijds de bekende op neutrale wijze en expliciteert anderzijds de potentie van de het gemeenschappelijk constitutioneel erfgoed en de internationale verplichtingen van de lidstaten, onder de vorm van zogenaamde nieuwe rechten.” De preambule van het Handvest laat over de bedoeling ervan geen twijfel bestaan: "Onder eerbiediging van de bevoegdheden en taken van de Gemeenschap en de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, bevestigt dit Handvest de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele verdragen, uit het EVRM, uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie en van het Europees Hof voor de rechten van de Mens. Verzoeker verwijst naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2 . AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDA- MENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONALE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPSRECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht. Dat verzoeker ook betoogt dat het recht op een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht. volle rechtsmacht Doordat verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Dat de principes van het recht van verdediging eveneens te ontwaren vallen art. 6 EVRM welke uiteraard ook een grondrecht vormt in het gemeenschapsrecht. Terwijl voor zover verzoekster verwijst naar art. 6 EVRM, zij dit enkel doet om het begrip volle rechtsmacht nader uiteen te zetten. Dat zij derhalve geen schending van het artikel op zich inroept daar het asielrecht in de huidige stand van de rechtspraak niet van toepassing is op asielaanvragen. Zodat betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtsmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing zijn door het feit dat dit een grondrecht uitmaakt in het gemeenschapsrecht. 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptreden. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren. De eis van 11,11 jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: `to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.'1/ De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om XIV-30.179-4/20 expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen". Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van lul! jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvaststelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreiniging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontrei- niging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende — marginale — toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt
- Deze zaak betrof een handhavingsbesluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststelling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede — quasirechterlijke — gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk". Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van XIV-30.179-5/20 oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandigheden kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit evenwel niet heeft gedaan. Gebrek aan rechten van verdediging en volle rechtsmacht Zodat toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar zijn land van herkomst. Dat het een schending van de rechten van verdediging is daar verzoeker van mening is dat hij zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. Dat deze mogelijkheid in casu verboden is. Dat verzoeker aangaande de gewijzigde toestand een memorie wenste neer te leggen doch dat dit verboden is. Immers Het CGVS besliste om zijn beleid te herzien Na bovengenoemde rechtspraak besliste het CGVS om zijn beleid te herzien. Het CGVS deelde op de contactverga- dering van het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen van 13/11 mee dat personen uit risicogebieden in Zuid en Oost Afghanistan nu al in aanmerking kunnen komen voor subsidiaire bescherming. De veiligheidssituatie in Kaboel en Noord-Afghanistan wordt momenteel geherevalueerd. Deze evaluatie zou openbaar gemaakt worden wanneer ze afgerond is (stuk 2 verzoekende partij) Op heden is er nog geen standpunt ingenomen. De Raad diende dan ook het dossier te onderzoeken in volheid van rechtsmacht minstens (quod non) het heronderzoek te bevelen. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luiden: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat".”; XIV-30.179-6/20 1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Voorafgaandelijk wenst verweerder te wijzen op de slechte kwaliteit van de afdruk van het verzoekschrift, wat de leesbaarheid van het verzoekschrift geenszins bevordert. Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappe- lijke constitutionele tradities van de lidstaten [blijkt]; machtsoverschrijding. Verzoeker meent dat zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals wettelijk vastgesteld in de aangehaalde middelen. Hij meent verder dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht tegen een beslissing van het Commissariaat- generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De natuur van de asielaan- vraag houdt immers een actuele beoordeling in op het moment van de finale beslissing. Dit recht wordt beperkt doordat verzoeker na het indienen van "onderhavig" beroep geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Er is dan ook geen sprake van een jurisidictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft, aldus verzoeker. Verzoeker besluit dat de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient ambtshalve over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak en diende zij zich er meer bepaald van te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar zijn land van herkomst. Bovendien is het voor verzoeker in casu verboden om zich dienstig te verweren tegen de repliek van het Commissari- aat-generaal. Verzoeker vraagt aan de Raad van State twee prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie. - In hoofdorde is het middel niet ontvankelijk, gezien het louter een wetskritiek inhoudt en geen betrekking heeft op de concrete weigeringsmotieven die het bestreden arrest dragen. Bovendien benadrukt verweerder dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen. Daargelaten de vraag of machtsoverschrij- ding als cassatiemiddel tegen een jurisdictionele beslissing kan worden aangewend, zet de verzoekende partij niet concreet uiteen op welke wijze machtsoverschrijding zou zijn gepleegd (Beschikking, R.v.St. nr. 1684 van 7 december 2007). Daarenboven wie machtsoverschrijding aanvoert, moet daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aanbrengen waaruit kan worden afgeleid, dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Opdat daarenboven van machtsoverschrijding sprake kan zijn, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing zijn geweest. De bewering van de verzoekende partij dat er sprake is van machtsoverschrijding wordt niet aangetoond en kan bijgevolg niet worden bijgetreden (Beschikking, R.v.St. nr. 1447 van 26 oktober 2007). - In ondergeschikte orde is het middel ongegrond. Verzoeker vergist zich daar waar hij beweert dat er geen sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. - Verweerder wenst immers te benadrukken dat artikel 39/2, § 1, al. 2, 1/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen preciseert dat de Raad "de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen of hervormen". Een dergelijke hervormingsbevoegdheid kan men ontegensprekelijk analyseren als zijnde een volheid van rechtsmacht. Hetzelfde artikel 39/2, § 1 al. 2, 2/, voorziet dat de Raad enkel over een vernietigingsbevoegdheid beschikt in bepaalde gevallen die zeer beperkte hypotheses betreffen, ofwel wanneer aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan worden hersteld (bijvoorbeeld wanneer de asielzoeker niet werd gehoord door de Commissaris-generaal), ofwel omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming van de beslissing zonder aanvullende onderzoeks- XIV-30.179-7/20 maatregelen hiertoe te moeten bevelen. In dit geval echter dient, eens de vernietiging is uitgesproken, de Commissaris- generaal zich opnieuw over de aanvraag uit te spreken rekening houdende met het gezag van gewijsde van de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen; zijn beslissing kan op zijn beurt aangevochten worden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het recht op een beroep met volheid van rechtsmacht wordt aan de verzoeker dus geenszins ontzegd. Het (ontvankelijk) jurisdictioneel beroep bij de Raad heeft devolutieve werking en wordt in zijn geheel bij de Raad aanhangig gemaakt. Dit houdt in dat de bevoegdheid van de Raad niet beperkt is tot het onderzoek van de (wettigheid van de) beslissing van de Commissaris-generaal maar in wezen inhoudt dat de zaak is overgegaan met al de feitelijke en juridische vragen die er mee samenhangen. De feitelijke elementen die de partijen aanbrengen kunnen door de rechter getoetst worden aan bronnen van algemene bekendheid of bronnen aanwezig in het rechtsplegingsdossier. - Indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou kunnen houden met een nieuwe situatie, dan zou dit een miskenning zijn van de bijzondere realiteit van de asielproblematiek (en de beoordeling in volle rechtsmacht). Verzoeker faalt daar waar hij tracht aan te tonen dat een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen doeltreffende voorziening in rechte is. - Daarbij kan men zelfs het arrest van 7 november 2000, Kingsley tg. Verenigd Koninkrijk (§ 58) citeren, waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overwogen: "La Cour juge en règle générale inhérent à la notion de controle juridictionnel que, si un moyen d'appel est considéré comme valable, la juridiction procédant au controle puisse annuler la décision attaquée et rendre elle-même une nouvelle décision ou renvoyer l'affaire devant le même organe ou un organe différent." (Vrije vertaling: Het Hof oordeelt algemenerwijze dat het inherent is aan het begrip jurisdictionele controle dat, als een beroepsmiddel als geldig wordt beschouwd, het rechtscollege dat de controle uitoefent, de aangevochten beslissing kan vernietigen en zelf een nieuwe beslissing kan nemen of de zaak verwijzen naar hetzelfde of een verschillend orgaan). Het Europees Hof — verenigde kamers — heeft overigens deze rechtspraak bevestigd bij arrest van 22 mei 2002 in dezelfde zaak Kingsley. - De memorie van toelichting die aan de basis lag van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen komt trouwens tegemoet aan de door de verzoeker ingeroepen argumenten.' "Inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (§ 1), beschikt de Raad over volheid van rechtsmacht, d.w.z. dat de Raad het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en hij als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil, waarbij hij de bevoegdheid heeft tot hervorming of tot bevestiging van de door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen genomen beslissingen (cfr. de definitie gegeven door A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002) ongeacht het motief waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de vreemdelingen de bestreden beslissing heeft gesteund. Deze «hervorming» of «herziening» van de bestreden beslissing houdt in dat de Raad de hoedanigheid van vluchteling of van persoon die de status subsidiaire bescherming geniet, kan «toekennen» of «weigeren» aan de vreemdeling die in beroep is gekomen tegen een geheel of gedeeltelijk voor hem ongunstige beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Dit is de draagwijdte van de bevoegdheid bepaald in § 1, 1/ van de ontworpen bepaling. Bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid van volle rechtsmacht kan de Raad op dezelfde gronden en met eenzelfde appreciatiebevoegdheid beslissen als de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Het beroep is immers devolutief en wordt in zijn geheel aanhangig gemaakt bij de Raad. De Raad is derhalve niet gebonden door het motief waarop de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing heeft gesteund: de bevoegdheid «bevestigen» mag duidelijk niet in deze zin worden uitgelegd. Zo kan bijvoorbeeld de Raad een beslissing genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen op grond van artikel 52 van de vreemdelingenwet bevestigen op dezelfde of op andere gronden, dan wel hervormen of — indien bijvoorbeeld essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad de bestreden beslissing niet kan bevestigen of hervormen zonder dat hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen moeten worden bevolen — vernietigen. XIV-30.179-8/20 De uitoefening van deze bevoegdheid van volle rechtsmacht geschiedt uitsluitend op basis van het rechtsplegingsdossier — i.e. het administratief dossier waarop de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gesteund om tot de aangevochten administra- tieve beslissing te komen, te samen met de procedurestukken (i.e. het verzoekschrift incl. de erbij gevoegde bijlagen; de nota van de verwerende partij; in voorkomend geval het aanvullend schriftelijk verslag en de replieknota bedoeld in artikel 39/76, § 1, eerste lid) — en van de nieuwe gegevens die overeenkomstig artikel 39/76, § 1, op ontvankelijke wijze bij het onderzoek mogen worden betrokken. De Raad heeft voorts geen eigen onderzoeksbevoegdheid. Hij kan noch zijn administratie noch derden noch de CGVS opleggen een aanvullend onderzoek te doen. Het is evenwel niet absoluut uit te sluiten dat het voorgaande zal volstaan om tot een op afdoende motieven gesteunde beslissing te komen. Twee hypothesen kunnen zich immers aandienen. Allereerst kan aan de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal een dergelijke substantiële onregelmatigheid kleven dat ze door de Raad niet meer kan worden hersteld. Dit zal bijvoorbeeld in de regel het geval zijn wanneer de asielzoeker niet zou zijn gehoord door de commissaris-generaal omdat de oproeping naar een verkeerd adres werd verzonden. Deze substantiële vereiste die het horen inhoudt, kan op het niveau van de Raad niet worden goedgemaakt (behalve indien duidelijk uit het dossier en/of de verklaringen van de partijen ter terechtzitting blijkt dat het verzoek moet worden aangenomen of verworpen of indien de verzoeker geen belang heeft) en zonder dit verhoor kan redelijkerwijze worden besloten dat geen deugdelijke beslissing (in de ene of de andere zin) kan worden genomen. In de tweede plaats zou het kunnen voorvallen dat in de gegevens waarop de Raad vermag acht te slaan (zie supra) essentiële elementen nodig voor het hervormen of bevestigen van de beslissing, ontbreken, die inhouden • dat de Raad niet kan komen tot een gemotiveerde beslissing zonder dat aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe zouden moeten worden bevolen. Ook in dit geval kan de Raad, wegens het ontbreken van essentiële gegevens die inhouden dat hij zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen geen uitspraak kan doen over de grond van het geschil, het dossier «terugzenden» naar de commissaris-generaal ongeacht of diens beslissing al dan niet onwettig is. Technisch vertaalt dit «terugzenden» zich door een vernietiging. Dit houdt in dat de zaak opnieuw aanhangig is bij de CG VS die beslist met respect voor het gezag van gewijsde van de beslissing. De Raad belast zich derhalve niet met aanvullend onderzoek op straffe van anders buiten zijn door deze wet bepaalde bevoegdheden te gaan. Dit is vanzelfsprekend ingegeven door de bezorgdheid om de werklast van de Raad te verlichten, maar ook om een effectieve controle uit te oefenen op de wijze waarop de commissaris-generaal en zijn adjuncten de dossiers behandelen. De mogelijkheid tot «terugzending» is evenwel geen bevoegdheid die naar vrijheid van de Raad kan worden uitgeoefend. In de eerste plaats moet de Raad, op straffe van anders zijn toegewezen bevoegdheden te miskennen, onderzoeken of hij zijn volle rechtsmacht kan uitoefenen. Pas als hij vaststelt dat dit niet mogelijk is om één van beide limitatief ..bepaalde redenen, mag de Raad de bestreden beslissing vernietigen en het dossier derhalve «terugzen- den». De motieven die deze uitzonderingsbevoegdheid rechtvaardigen zullen duidelijk uit de beslissing moeten blijken. Bovendien raakt de (miskenning) van deze bepalingen de bevoegdheid van de Raad. Die is van openbare orde en bij miskenning ervan kan een van de partijen in het geding tegen deze beslissing wegens miskenning van de van openbare orde zijnde bevoegdheidsregels, een voorziening in cassatie indienen. Zo kan, in antwoord op de vraag ter zake van de Raad van State in zijn advies, de Raad slechts «nieuwe gegevens» in aanmerking nemen binnen de perken voorzien in de wet op straffe van dit wettelijk begrip te miskennen. Uiteraard kan hij op grond van dergelijke «gegevens» de bestreden beslissing niet vernietigen noch hervormen buiten de gevallen waarin de wet hem toelaat ze in aanmerking te nemen. De vraag of deze «gegevens» al dan niet relevant zijn, stelt zich derhalve op dit niveau van de procedure niet, wel de vraag of deze gegevens kunnen worden ondergebracht onder de in artikel 39/76 gehanteerde definitie. Indien dat niet het geval is, kan de Raad derhalve enkel besluiten dat dit geen nieuwe gegevens zijn in de zin van artikel 39/
- Hieruit volgt dat de weigering om met deze gegevens rekening te houden omdat ze niet XIV-30.179-9/20 als nieuw te beschouwen zijn in de zin van artikel 39/76 niet belet dat deze gegevens nog dienstig kunnen worden aangevoerd ter adstructie van een latere asielaanvraag. De bevoegde overheid zal dan deze gegevens dienen te toetsen aan het bepaalde in artikel 51/8 — dat geen identieke inhoud heeft - zonder uiteraard te zijn gebonden op dat vlak door het gezag van het arrest van de Raad dat immers niet heeft onderzocht of dit «nieuwe gegevens» zijn ter adstructie van een navolgende asielaanvraag ex art. 51/8 van de vreemdelingenwet. Het gezag van gewijsde ter zake strekt zich niet verder uit dan het dispositief en de noodzakelijk ermee verbonden overwegingen die — het weze herhaald — enkel uitspraak kunnen doen over de vraag of de voor de Raad aangevoerde gegevens «nieuwe gegevens» zijn in de zin van artikel 39/
- Indien de Raad nadien geadieerd wordt omtrent een beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de minister omdat de nieuwe asielaanvraag niet in aanmerking te nemen omdat de aangevoerde gegevens niet «nieuw» zijn in de zin van artikel 51/8 van de vreemdelingenwet, zal de Raad in dit geval enkel dienen te toetsen of de minister het laatstgenoemde wettelijke begrip heeft miskend. Anders is het indien de Raad de gegevens heeft aangenomen als «nieuwe gegevens» in de zin van het genoemde artikel 39/76 doch —mede deze gegevens in acht genomen — heeft geoordeeld de status van vluchteling of van persoon die de status van subsidiaire bescherming geniet, niet toe te kennen. In dat geval heeft het arrest van de Raad ter zake gezag van gewijsde. Indien de betrokken vreemdeling ter gelegenheid van een nieuwe asielaanvraag deze gegevens opnieuw aanvoert als «nieuwe gegevens» in de zin van artikel 51/8 van de vreemdelingenwet, zal dit botsen op het gezag van gewijsde van de beslissing van de Raad." - Verweerder meent dan ook dat de vraag of de lidstaten dienen te "voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83" niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, voorziet. Centraal staat derhalve de beoordeling van een 'geschil' (met alle feitelijke en juridische vragen die er mee samenhangen) en niet de beoordeling van een 'beslissing' van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. - De mogelijkheid tot het indienen van een replieknota (op de verweernota van de Commissaris- generaal) is —buiten de mogelijkheid voorzien in artikel 39/76, §1, al. 6, van de wet van 15 december 1980- niet voorzien in de Vreemdelingenwet, noch in het Procedureregle- ment van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Niets stond verzoeker er echter aan in de weg om zijn standpunt en zijn reactie op de verweernota mee te delen tijdens het contradictoir debat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Immers, essentieel daarbij is dat elke partij met de verschillende (verweer-)middelen van de andere partij geconfronteerd wordt en de volstrekte mogelijkheid heeft daarop te antwoorden, hetzij mondeling Eter zitting, hetzij schriftelijke. Verzoeker toont in het geheel niet aan dat hij hiertoe niet de mogelijkheid heeft gehad tijdens de zitting voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. - Verweerder benadrukt integendeel dat de verzoekende partij op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 28 november 2007 is gehoord en dat het standpunt van de verzoekende partij in de bestreden beslissing wordt weergegeven. Verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat hij niet de kans heeft gehad zijn visie uiteen te zetten waardoor de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden (beschikking R.v.St. nr. 1000 van 26 juli 2007). - Daar waar verzoeker beweert dat richtlijn 2004/83 effectief processuele grondrechten voor individuen biedt, antwoordt verweerder dat deze richtlijn tot doel heeft minimumnormen vast te stellen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, alsmede de inhoud van de verleende bescherming te bepalen. Richtlijn 2005/85 daarentegen is in de eerste plaats bedoeld om in de Europese Gemeenschap een minimumkader voor procedures voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus in te voeren. Een schending van de rechten van verdediging kan in casu niet worden vastgesteld. Het eerste middel is onontvankelijk, minstens ongegrond.”; XIV-30.179-10/20 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; dat zij op het einde van haar “samenvattende memorie” enkel stelt dat zij “kennis neemt van het verweer van de verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at (zij) volhardt in (haar) middelen”; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet verduidelijkt wat het verband is van de titel “Voorafgaandelijk” met de door haar ontwikkelde “middelen tot nietigverklaring” of met de bestreden beslissing; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris-generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat het aldus bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep een devolutieve werking heeft, waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de hand van de voor hem aangevoerde middelen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan hervormen, zonder door de motieven van de deze laatste gebonden te zijn; dat het beroep tegen de beslissingen van de commissaris-generaal op grond van artikel 39/70 van de Vreemdelingenwet een schorsende werking heeft; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 eveneens heeft geoordeeld dat uit de voornoemde elementen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in beginsel over volle rechtsmacht beschikt, wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdeling- enwet optreedt en dat de rechtzoekenden niet van een daadwerkelijke jurisdictionele XIV-30.179-11/20 waarborg zijn beroofd; dat het Grondwettelijk Hof in het voornoemde arrest uitdrukkelijk heeft overwogen dat het “hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vergezeld van de mogelijkheid voor de partijen en hun advocaat om hun opmerkingen mondeling voor te dragen op de terechtzitting, zoals daarin is voorzien in het tweede lid van artikel 39/60, (...) geen afbreuk (doet) aan het recht op een rechterlijke toetsing en een daadwerkelijk rechtsmiddel”; dat de vraag of de lidstaten dienen “te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83” niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de Vreemdelingenwet precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03 uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij wat betreft artikel 6, eerste lid, van het E.V.R.M. evenmin dienend is omdat die verdragsbepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nooit heeft gevraagd om op de nota van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te repliceren en dat uit het rechtsplegingsdossier niet blijkt dat zij daarover ter terechtzitting enige opmerking heeft gemaakt; dat zij zulks niet voor het eerst voor de Raad van State als administratieve cassatierechter kan vragen; dat het eerste middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om twee prejudiciële vragen te stellen moet worden ingegaan; Overwegende, wat de weigering tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft, dat in punt 8.
- van het bestreden arrest wordt verwezen naar de lijsten van het UNHCR met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en district, waarbij wordt vastgesteld dat de verzoeken- de partij voorhoudt van Kaboel afkomstig te zijn, een stad die niet op de voormelde lijst voorkomt; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen terecht overweegt dat zij voor haar beoordeling over “volheid van bevoegdheid” beschikt; dat de verzoekende partij geen schending van een bepaling of beginsel in het bestreden arrest aannemelijk maakt door te verwijzen naar een beleidswijziging van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, temeer daar de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar het resultaat van een vergadering van 13 november 2007 zou hebben verwezen en daar zij zelf aangeeft dat die informatie op Zuid- en Oost-Afghanistan en niet op de stad Kaboel betrekking heeft; dat de Raad van State als XIV-30.179-12/20 administratieve cassatierechter niet bevoegd is om zelf in de beoordeling van de feiten te treden, in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat het eerste middel ook in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verzoeker verwijst naar het eerste middel en stelt dat zijn recht op een beroep in volle rechtsmacht en zijn recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Doordat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ondertekend werd op 12 december
- Dat het Handvest door verzoeker kan ingeroepen worden op grond van het adagium "patere legem quem ipsi fecisti" en dit enkel in de verticale wijze. Hij kan het met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat. Doordat de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het Handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken'''. Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau , van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No.
- p. 20 ev. (www.unhcr.orq) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Terwijl de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Zodat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. Dat voor het overige verzoeker verwijst naar het eerste middel.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: XIV-30.179-13/20 “In een tweede middel voert verzoeker een schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aan. Verzoeker verwijst naar het eerste middel en stelt dat zijn recht op een beroep in volle rechtsmacht en zijn recht op verdediging eveneens grondrechten zijn welke door het Handvest worden gegarandeerd. Dit Handvest werd op 12 december 2007 ondertekend en kan op grond van het adagium "patere legem quem ipsi fecisti" worden ingeroepen en dit enkel op verticale wijze. Hij kan dit met andere woorden inroepen ten aanzien van de Belgische Staat, aldus verzoeker. - Verweerder meent dat verzoeker in zijn verzoekschrift slechts een algemene theoretische uiteenzetting over de toepassing van de waarborgen voorzien in artikel 47 van voornoemd Handvest in het kader van het asielrecht geeft, maar hij nergens concreet aantoont dat de Raad één van deze waarborgen zou hebben geschonden of dat het beroep bij de Raad niet zou voldoen aan een "doeltreffende voorziening" (zie supra antwoord onder punt 2.1). Bovendien merkt verweerder op dat het Handvest tot op heden niet juridisch afdwingbaar is, gezien het ratificatieproces nog steeds niet is afgerond. Ook het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar de verzoekende partij in het middel verwijst, stelt uitdrukkelijk dat "het Handvest geen bindend rechtsinstrument is"
- Het beginsel "patere legem quem ipsi fecisti" is hier niet van toepassing gezien de uitdrukkelijke intentie van de lidstaten om het Verdrag van Lissabon (waaraan het Handvest werd gehecht als een Protocol) in werking te laten treden op 1 januari 2009, mits alle akten van bekrachtiging zijn neergelegd
- De verzoekende partij loopt hier vooruit op een verdrag dat nog geen juridisch bindende kracht heeft gekregen. Overigens is het hoogst betwijfelbaar of dit algemeen rechtsbeginsel van toepassing zou zijn op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, gezien het de rechters is verboden bij wege van algemene en als regel geldende beschikking uitspraak te doen in zaken die aan hun oordeel zijn 014 onderworpen. Deze in artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek neergelegde regel geldt voor alle met een iurisdictionele opdracht belaste organen, bijgevolg ook voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De rechter beslist geval per geval zonder een rechtsregel te mogen uitvaardigen die voortaan toepasselijk zal zijn. De jurisdictionele beslissing is een specifieke beslissing in die zin dat de gevolgen niet verder reiken dan het geschil waarover uitspraak wordt gedaan
- Verweerder ziet dan ook niet goed in hoe het adagium "patere legem quem ipsi fecisti" op de Raad van toepassing zou kunnen zijn of hoe het bestreden arrest dit adagium zou hebben geschonden. Het tweede middel is onontvankelijk, minstens ongegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; dat zij op het einde van haar “samenvattende memorie” enkel stelt dat zij “kennis neemt van het verweer van de verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at (zij) volhardt in (haar) middelen”; 2.
- Overwegende dat uit de behandeling van het eerste middel reeds blijkt dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat het tweede middel niet-ontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: XIV-30.179-14/20 “Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Doordat Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/
- De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de Koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissa- ris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Terwijl op de zitting van de Raad was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door een attaché. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat de attaché een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. Ondergeschikt meent verzoeker dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in elk dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. Verzoeker stelt vast dat van de opgeworpen procedurekwestie geen spoor in het arrest hieromtrent te vinden. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. Dat zulks een machtiging een procedurestuk betreft dat zich in het dossier dient te bevinden. Dat een algemene machtiging niet kan en indien er zulks een algemene machtiging zou bestaan dan diende de Commissa- ris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zulks een bewijs ten laatste op de zitting voor te brengen. Zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook toepassing had moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: “§.
- Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegenwoordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Terwijl, toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Verzoekende partij meent dat deze procedure geenszins voldoet omwille van het feit dat er geen enkel onderzoek is gevoerd in feiten. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoekende partij geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer zij terug zou keren naar het land van herkomst. Uiteraard schendt dit het recht van verdediging. Volgens de rechtspraak van Uw Raad dient ook de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zorgvuldig te gedragen bij het nemen van zijn beslissingen. XIV-30.179-15/20 Dat het middel derhalve gegrond is. Dat verzoeker ook aantoont dat er een schending is. Er is een schending van de wet en een machtsoverschrijding. Dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen grondige controle naar het onderzoek van het Commissariaat Generaal werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelingenconventie, en in de zin van de subsidiaire bescherming bij een terugkeer naar zijn land. Dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in diens Arrest een foutieve datum wordt opgenomen in het Arrest dat de Zitting immers dateert van na 7 januari 2007 en het Arrest 7 januari 2007 dateert. Dat dit niet correct is en de wet schendt. Dat de motivatie in de bestreden beslissing, die besluit tot de ongegrondheid van verzoekers ingestelde beroep, niet correct en onwettig is. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers nalaat de situatie van de mensen- rechten grondig te beoordelen, waardoor de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt. Dat derhalve verzoeker wegens zijn vlucht, wordt vervolgd bij een terugkeer naar zijn land waardoor zijn vrees en ressorteert onder de Vluchtelingenconventie. Dat de Raad van State niet oordeelt in feiten maar wel dient na te gaan of de overheid de feiten correct heeft vastgesteld. Dat de feiten hier niet werden vastgesteld. Dat de herziening van het beleid door het CVSG niet dienstig kon worden aangebracht. Dat de bestreden beslissing de wet en hogere rechtsnormen zoals reeds uiteengezet hierdoor schendt. Dat verweerder derhalve een fout maakte en de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, niet afdoende motiveerde en de wetgeving schond. Het is zo is dat de rechten van verzoeker zijn in zijn land van herkomst niet gevrijwaard zijn. Amnesty International: Aanvallen (zelfmoordaanslagen, onthoofdingen, ontvoeringen) van de Taliban tegen burgers in Afghanistan nemen toe. De aanvallen zijn wijdverbreid en systematisch. Dit schrijft Amnesty in het rapport "All who are not friends, are enemies: Taleban abuses against civilians" van 19 april
- Gericht doelwit waren onder meer activisten voor vrouwenrechten, overheidsfunctionarissen, gezondheidspersoneel en leraren. In 2006 werden verder tenminste 756 burgers gedood door bermbommen of zelfmoordaanslagen. Amnesty maakt zich zorgen over het escalerende aantal burgerdoden in het gewapend conflict in Afghanistan (persbericht, 22 juni 2007). In 2006 vielen er volgens cijfers van de Afghaanse overheid 700 burgerdoden. In de eerste 4 maanden van 2007 zijn er al tot 380 burgers gedood volgens cijfers van de VN. De toegang van humanitaire organisaties tot sommige gebieden in het zuiden is beperkt, waardoor essentiële hulp en medische zorg voor miljoenen Afghanen bemoeilijkt is. Meer dan 100.000 mensen zijn hun huizen in de zuidelijke provincies inmiddels ontvlucht. Nederlands ambtsbericht van 31 januari 2007 De veiligheidssituatie is in heel Afghanistan aanzienlijk verslechterd, inclusief Kabul, zo meldt het nieuwe ambtsbericht van 31 januari 2007 over Afghanistan dat op 19 april 2007 openbaar is gemaakt. Het ambtsbericht beslaat de periode februari tot en met oktober
- De informatie in het ambtsbericht is dus al weer meer dan een half jaar oud. Het ambtsbericht meldt dat het er alle schijn van heeft dat president Karzai steeds meer invloed aan het verliezen is ten gunste van de voormalige Noordelijke Alliantie en krijgsheren uit het zuiden. Bovendien lijken in Kabul de conservatieve islamitische krachten aan invloed te winnen. In het zuiden heeft de Taliban aan kracht gewonnen. De centrale regering heeft weinig effectieve macht buiten Kabul. Het land is verre van stabiel te noemen en de onveiligheid is toegenomen. Sinds de omverwer- ping van het Talibanregime in 2001 is het jaar 2006 het meest gewelddadig geweest. Het aantal incidenten tussen anti-regeringseenheden enerzijds en regeringstroepen en internationale strijdkrachten anderzijds is sterk toegenomen. Naast anti-regeringstroepen zijn vooral lokale commandanten verantwoordelijk voor de huidige onveilige situatie. De armoede in Afghanistan is groot en er dreigen serieuze water- en voedseltekorten te ontstaan voor miljoenen Afghanen. De mensenrechtensituatie in Afghanistan is in de verslagperiode onveranderd zorgwekkend gebleven. XIV-30.179-16/20 Dit blijkt duidelijk uit het dossier en uit de stukken die werden gevoegd aan het administratief dossier door verzoeker. Het is zo dat mijn verzoekende partij geen bescherming kan genieten losstaande van de bepalingen van de Conventie van Genève. Dit werd niet nagegaan in de asielprocedure. Men motiveert niet op afdoende wijze waarom de subsidiaire bescherming niet kan verleend worden. Enkel een algemene stijlformule wordt opgenomen in de beslissing. Voor de interpretatie van het begrip 'reëel risico' verwijst de RVV in voorgaande Arresten naar de rechtspraak van het EHRM omtrent artikel 3 EVRM. Het Hof oordeelde dat zelfs een klein risico voldoende is om te komen tot een mogelijke schending van artikel 3 EVRM. Het begrip reëel mag niet worden verengd tot 'waarschijnlijkheid' en dus tot 'het aantal keer dat een dergelijk incident zich zou voordoen' Dat verzoeker in zijn verzoekschrift opwierp dat elke instantie inzake asiel-subsidiaire bescherming ook de "protection subsidaire subsidaire" dient te controleren (cfr. het discours van Prof. Dr. Carlier in dit verband.) Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Dat het recht op leven van artikel 2 EVRM niet alleen behoort tot de meest fundamentele rechten van het EVRM, waarvan geen enkele afwijking is toegestaan in vredestijd, maar beschermt bovendien, samen met het verbod van foltering van artikel 3 EVRM, één van de meest fundamentele waarden die de democratische staten die de Raad van Europa vormen (Hof Mensenrechten 27 september 1995 (McCamilVerenigd Koninkrijk) PubL Eur. Court HR.R 1996, Senek nr. 324). Dat hoewel de verdragsluitende Staten het recht hebben om de toegang, het verblijf en de verwijdering van niet-onderdanen te controleren en noch het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens noch de Aanvullende Protocollen ervan het recht op politiek asiel bevestigen, moet nochtans in principe aangenomen worden dat artikel 3 EVRM één van de grondbeginselen van de democratische samenlevingen huldigt, door de foltering of de onmenselijke en vernederende straffen of behandelingen in absolute termen te verbieden. Het is niet anders wanneer voornoemd artikel 3 van toepassing is inzake uitzetting. Dat zelfs de intriges van de persoon in kwestie hoe onaanvaardbaar en gevaarlijk ze ook mogen zijn, kunnen niet in aanmerking worden genomen. De bescherming die door voornoemd artikel 3 wordt verzekerd is dus ruimer dan die voorzien in artikel 33 van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen De uitzetting zou bijgevolg artikel 3 E.V.R.M schenden zolang hij een ernstig risico loopt op folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen (Hof Mensenrechten, 17 december 1996, (Ahmed/Oostenrijk), Rev.Dr. étr. 1997, 88). De vrees die verzoekende partij heeft werd bevestigd in de aangebrachte mensenrechtenrap- porten voor de Raad. Volgens recente berichtgeving dd 09/08/07 werd gemeld dat de situatie nog explosiever is dan ooit.”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een derde middel haalt verzoeker een schending aan van de artikelen 39/56 en 39/59 van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van het Koninklijk Besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. In casu werpt verzoeker in zijn verzoekschrift op dat uit geen enkel stuk uit het administra- tief dossier blijkt dat de attaché, die de Commissaris-generaal op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vertegenwoordigde, een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-generaal is. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissaris-generaal en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. - In zoverre dat uit het administratief dossier en de bestreden beslissing blijkt dat verzoekende partij en zijn raadsman zonder enig voorbehoud op de terechtzitting van de Raad XIV-30.179-17/20 voor Vreemdelingenbetwistingen van 28 november 2007 zijn verschenen en dat zij geen opmerking of voorbehoud hebben geformuleerd over de vertegenwoordiging van het Commissariaat-generaal, benadrukt verweerder dat een verzoekende partij in een administratief cassatieberoep geen rechtsmiddel kan doen gelden dat zij niet vooraf heeft onderworpen aan het administratief rechtscollege waarvan zij de beslissing bestrijdt (beschikkingen R.v.St. nr. 1388 van 16 oktober 2007; R.v.St. nr. 2056 van 4 februari 2008 en R.v.St. nr. 2057 van 4 februari 2008). Het middel is bijgevolg onontvankelijk. - Verder repliceert verweerder dat er ten aanzien van attaché XXX, die tijdens de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 28 november 2007 de Commissaris-generaal vertegenwoordigde, een vermoeden van rechtmatige procesvertegenwoordiging bestaat. Dit vermoeden wordt ondersteund door de volgende feitelijke elementen: niet alleen blijkt dat attaché XXX zich ter terechtzitting heeft aangediend als procesvertegenwoordiger van de verwerende partij, bovendien was attaché XXX in het bezit van de verweernota (en een kopie van het administratief dossier) van de verwerende partij (R.v.St. nr. 91.846 van 21 december 2000; R.v.St., nr. 94.368 van 27 maart 2001; R.v.St., nr. 103.333 van 7 februari 2002). - Er bestaat overigens peen enkele rechtsregel die aan de Commissaris-generaal voorschrijft bij zijn verweer voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing voor te leggen waarbij hij een attaché aanstelt om zich in rechte te vertegenwoordigen. In die zin kan dergelijke beslissing bezwaarlijk als een "procedurestuk" worden beschouwd. Ook de Raad van State bevestigde uitdrukkelijk dat er geen verplichting bestaat voor de Commissaris-generaal om het machtigingsbesluit in het administratief dossier op te nemen (zie Beschikking, R.v.St. nr. 2056 van 4 februari 2008). - Verweerder ziet dan ook, gelet op voormelde vaststellingen, geen reden om toepassing te maken van artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet, gezien verwerende partij wel degelijk rechtmatig werd vertegenwoordigd. Verzoeker brengt zelf peen concrete gegevens of elementen aan die aan de gegrondheid van voornoemd vermoeden doen twijfelen en die toelaten te betwisten dat attaché XXX niet over de vereiste volmacht zou beschikken. Hij beweert enkel dat uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat de attaché, die de Commissa- ris-generaal op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vertegenwoordigde, een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-generaal was. Een loutere bewering volstaat echter niet. Verzoekende partij dient aan te tonen dat de betrokken gemachtigde ambtenaar niet over de vereiste volmacht beschikte (R.v.St, X, 19 maart 2004, nrs. 129.464 en 129.470). Een loutere bewering die niet door concrete elementen wordt ondersteund, volstaat des te minder gezien de door verzoeker ingeroepen bepaling (artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet) de afwezigheid van de verwerende partij ter terechtzitting gelijkstelt/sanctioneert met het vermoeden van instemming met de vordering. De redelijkheid vereist in dat geval meer dan een loutere bewering. Verzoeker werpt op dat het arrest foutief gedateerd is; het arrest draagt als datum 7 januari 2007 terwijl de zitting voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van na deze datum dateert. Verweerder beaamt dat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen foutief gedateerd is maar wijst er verder op dat deze materiële vergissing op geen enkele wijze afbreuk doet aan de vaststellingen in dit arrest en geenszins de wettelijkheid ervan beïnvloedt. Verzoeker meent dat de motivering in het arrest niet correct en onwettig is; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nagelaten heeft de situatie van de mensenrechten in zijn geboorteland zoals weergegeven in de door hem neergelegde rapporten grondig te beoordelen terwijl zijn rechten in zijn land van herkomst niet gevrijwaard worden; dat de bestreden beslissing onvoldoende motiveert waarom hem de subsidiaire bescherming niet kan verleend worden. Verweerder repliceert dat uit het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen wel degelijk rekening heeft gehouden met de door verzoeker neergelegde rapporten doch van mening is dat een verwijzing naar algemene rapporten niet volstaat om aan te tonen dat verzoeker in zijn land van herkomst werkelijk wordt bedreigd en vervolgd of dat er wat hem betreft een reëel risico op lijden van ernstige schade bestaat zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. Aangaande de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus werpt verweerder op dat het bestreden arrest, verwijzend naar de lijsten van het UNHCR opgesteld XIV-30.179-18/20 met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en district in Afghanistan, duidelijk motiveert waarom verzoeker de subsidiaire bescherming niet kan toegekend worden; verzoeker beweerde afkomstig te zijn van de stad Kabul, dewelke niet voorkomt op voormelde UNHCR lijst. Verweerder wenst er aan toe te voegen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door te verwijzen naar de betreffende lijsten van het UNHCR aangeeft dat de hierin vervatte informatie haar voorkeur geniet en wordt impliciet doch zeker de eventuele andersluidende informatie, vervat in andere rapporten verworpen. Het derde middel is onontvankelijk, minstens ongegrond.”; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; dat zij op het einde van haar “samenvattende memorie” enkel stelt dat zij “kennis neemt van het verweer van de verwerende partij”, “(d)at dit verweer geen afbreuk doet aan de opgeworpen middelen in al haar onderdelen” en “(d)at (zij) volhardt in (haar) middelen”; 3.
- Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 28 november 2007 door attaché XXX werd vertegenwoordigd en dat de verzoekende partij aanwezig was, bijgestaan door haar raadsman; dat nergens uit blijkt dat de verzoekende partij op die zitting een opmerking over de vertegenwoordiging van de commissaris-generaal heeft gemaakt; dat geen enkele bepaling of beginsel er de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in die omstandigheden toe verplicht om in het administratief dossier stukken te voegen over het mandaat van de kwestieuze ambtenaar of om daar in zijn arrest specifiek op in te gaan; dat het derde middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de vermelding van 7 januari “2007” in plaats van “2008” als datum van uitspraak van het bestreden arrest een materiële vergissing in dat arrest vormt, die de strekking ervan op generlei wijze heeft beïnvloed en die niet tot cassatie ervan kan leiden; dat het derde middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij verder andermaal stelt dat de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou voldoen “omwille van het feit dat er geen enkel onderzoek is gevoerd in feiten”, dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen “ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak en er zich meer bepaald dient van te vergewissen dat de verzoekende partij “geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer zij terug zou keren naar het land van herkomst”; dat bij de behandeling van het eerste middel reeds is vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu wel degelijk over volle rechtsmacht beschikt; dat in het bestreden arrest op onderbouwde wijze wordt overwogen dat de stad Kaboel, vanwaar de verzoekende partij voorhoudt afkomstig te zijn, in veilig XIV-30.179-19/20 gebied ligt zodat de subsidiaire beschermingsstatus niet wordt toegekend; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij voor het overige een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de toestand in Afghanistan voorstelt, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het derde middel in die mate niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.179-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.