id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.138 Rolnummer: Zaak: Arrest 193138 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 11/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-15 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:06 Fiche Arrest nr 193.138 van 11 mei 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.138 van 11 mei 2009 in de zaken A. I. 122.035/IX-3352 II. 129.316/IX-
- In zake : Tatiana ROGIER, wonende te OOSTERZELE, Lijsterstraat 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tatiana ROGIER op 4 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de minister van Landsverdediging van 22 maart 2002 waarbij haar kandidatuur voor deelname aan de toelatingsproeven, de cursussen en het vergelijkend kwalificatie-examen voor toetreding tot de graad van adjudant-chef, sessie 2002, wordt geweigerd (zaak A. 122.035/IX-3352); Gezien het verzoekschrift dat Tatiana ROGIER op 15 november 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de minister van Landsverdediging van 17 september 2002 waarbij haar kandidatuur voor deelname aan de toelatingsproeven, de cursussen en het vergelijkend kwalificatie-examen voor toetreding tot de graad van adjudant-chef, sessie 2002, opnieuw wordt geweigerd (zaak A. 129.316/IX-3574); Gezien de memorie van antwoord en de toelichtende memorie in de zaak A. 122.035/IX-3352; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederant- woord in de zaak A. 129.316/IX-3574; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-3352-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 26 januari 2009 waarbij de terechtzitting in de beide zaken wordt bepaald op 20 april 2009, datum waarop de zaken werden uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 4 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekster, die verschijnt in persoon, en van kolonel militair administrateur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaken 1.
- De verzoekster is op het ogenblik van de bestreden beslissingen adjudant bij de Luchtmacht. Zij maakt deel uit van de Staf Groepering Transmissie Intermachten Territoriaal Commando (budgetbeheer). 1.
- Op 20 april 2001 maakt de Sectie Administratie van de Divisie Personeel van de Generale Staf van de Krijgsmacht richtlijnen bekend met betrekking tot de toelatingsproeven, de cursussen en het vergelijkend kwalificatie- examen voor toetreding tot de graad van adjudant-chef, sessie
- In die richtlijnen is onder meer bepaald dat de kandidaat die wenst deel te nemen, zijn kandidatuur stelt met een model B vóór 1 juni 2001, dat -in het geval van een gunstige beoordeling door de korpscommandant- de deelname automatisch wordt aanvaard en het model B niet wordt verzonden naar JSP-A/C en dat -in het geval van een ongunstige beoordeling door de korpscommandant- het model B ten laatste op 1 juli 2001 bij JSP-A/C moet toekomen. IX-3352-2/13 1.
- Op 17 mei 2001 stelt de verzoekster, bij middel van een model B, haar kandidatuur om deel te nemen aan de toelatingsproeven, de cursussen en het vergelijkend kwalificatie-examen voor toetreding tot de graad van adjudant-chef, sessie
- 1.
- Op 23 mei 2001 verstrekt de korpscommandant van de verzoekster, luitenant-kolonel van het vliegwezen M. Pinoy, een ongunstig advies met betrekking tot haar kandidatuur. Hij wijst onder meer op haar minder goede beoordelingen, gebrek aan inspanningen, opgelopen straffen en veelvuldige afwezigheden. Op 30 mei 2001 dient de verzoekster tegen dit advies een verweerschrift in, maar op 7 juni 2001 beslist de korpscommandant zijn advies te handhaven. 1.
- Op 14 september 2001 stelt generaal-majoor J.P. Bovy, Chef van de Divisie Personeel (JSP), aan de minister van Landsverdediging voor om de kandidatuur van de verzoekster niet te aanvaarden. 1.
- Op 27 september 2001 deelt eerste sergeant-majoor M. Buylaert van de Sectie Administratie van de Divisie Personeel (JSP-A) met betrekking tot het dossier van de verzoekster aan de Commandant van de Groepering Transmissie het volgende mee: “Er wordt gevraagd om ASAP een advies uit te brengen door de Comd St Gpg Tr inzake dit dossier van betrokkene. Tevens dient er ook een advies uitgebracht te worden door St ITC-G1 AG. Nadien wordt er gevraagd om ASAP dit dossier door te sturen naar JSP- A/C/PROM teneinde dit dossier volledig te kunnen behandelen om dit te kunnen voorleggen aan Kab MLV.” 1.
- Naar aanleiding van de voormelde mededeling verstrekt kolonel stafbrevethouder P. Tinant, Commandant van de Groepering Transmissie, op 9 oktober 2001 het volgende ongunstige advies over de kandidatuur van de verzoekster: “Gezien haar rendement en beschikbaarheid binnen de Staf van de Gpg Tr onvoldoende zijn en na een globale evaluatie en beoordeling gebaseerd op: - de analyse van haar persoonlijk dossier - mijn kennis sinds 1999 van de betrokkene IX-3352-3/13 - haar vermoede en onvoldoende geschiktheid op karakteriële, fysieke en professionele vlakken de graad van AdjChef te bekleden, ben ik [het] met het advies van de KorpsComd helemaal eens.” De verzoekster dient tegen dit ongunstige advies een verweerschrift in, dat door kolonel stafbrevethouder P. Tinant op 22 oktober 2001 wordt ondertekend voor “gezien”. 1.
- Op 25 oktober 2001 verstrekt generaal-majoor J-M. Jockin, Generaal Adjunct van het Intermachten Territoriaal Commando, eveneens een ongunstig advies. Volgens hem beschikt de verzoekster niet over de morele en fysische hoedanigheden om de graad van adjudant-chef te bekleden. Tegen dat ongunstige advies dient de verzoekster op 20 november 2001 een verweerschrift in. 1.
- Op 30 november 2001 ondertekent generaal-majoor J-M. Jockin het verweerschrift van de verzoekster voor “gezien”. Hij stelt tevens: “Bij nader inzien, behoud ik mijn ongunstig advies. Betreffende de motivering van dit advies, is het inderdaad aan te raden om de details te lezen van de AGR van betrokkene, zoals gedetailleerd door LtKol Pinoy in zijn oorspronkelijke motivering, hetzij een totaal van 22,5 dagen AGR op 83 werkdagen.” 1.
- Op 8 februari 2002 stelt directeur-generaal P. Thilly van de Defensiestaf Algemene Directie Human Resources van de Krijgsmacht aan de minister van Landsverdediging voor om de verzoekster “niet te aanvaarden als kandidaat AdjtChef sessie 2002”. 1.
- De minister van Landsverdediging neemt op 22 maart 2002 de volgende beslissing: “Kandidaat BM LuM die ongunstig wordt voorgesteld (sessie 2002)
- Betreft : Adjt Tatiana Rogier - A90917 - AG 22 St Gpg Tr
- Voorstel : De kandidatuur van de hierboven genoemde onderofficier (Mod B Nr 01-005698 van 23 Mei 01) wordt geweigerd en zij mag niet deelnemen aan het vergelijkend kwalificatie-examen van adjudant-chef. IX-3352-4/13
- Motivering In rechte : Koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst, artikel 15, § 1, eerste lid, 2/ (Reg A16-D3). In feite : Betrokkene bezit niet de morele hoedanigheid die vereist is voor de uitoefening van de functies van AdjtChef, [wat blijkt uit]: A. Haar evaluatienota Uit de beoordeling van de evaluatienota’s (zie bijlage aan Mod B Nr 01-005698 van 23 mei 01) blijkt dat betrokkene er op regelmatige tijdstippen op gewezen werd dat zij een ernstige inspanning diende te leveren, termen als ‘doet geen inspanning’, ‘niet geïnteresseerd’, ‘veelvuldig afwezig’, worden bij herhaling aangehaald. In het evaluatieverslag van ATCC schrijft de KorpsComd : onvoldoende, niet aangepast aan het Mil Ops midden, aanvaardt geen enkele beslissing van een overste, slechte invloed en onaangepast gedrag. B. Haar strafblad Uit het strafblad (zie bijlage B aan Mod B van 23 Mei 2001) blijkt dat betrokkene gestraft werd voor verbaal gedrag van seksuele aard, ten onrechte beschuldigingen t.o.v. een collega van ongewenst seksueel gedrag, gebrek aan eerbied jegens een meerdere (Kon Familie en Gpg Comd), leugenachtige verklaringen in publiek en gebrek aan respect t.o.v. hoge militairen. C. Haar onvoldoende geschiktheid Op karakterieel vlak : geeft blijk van weinig integriteit, aanwezigheid, beschikbaarheid, gedrag t.o.v. meerderen, collega’s en ondergeschikten. Algemeen besluit Om redenen hierboven uiteengezet en rekening houdend met de rechtvaardigingsgronden van betrokkene, beslis ik dat betrokkene niet over de morele hoedanigheid beschikt voor de uitoefening van de functies van de graad waarvoor zij kandidaat is.” Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het beroep in de zaak A. 122.035/IX-
- 1.
- Met een nota van 6 augustus 2002 deelt luitenant-kolonel militair administrateur R. Gerits aan de minister van Landsverdediging mee dat “de verstrekte motivatie voor de weigeringsbeslissing wellicht als niet adequaat zal bestempeld worden door de Raad van State”. Hij adviseert om de beslissing van 22 maart 2002 in te trekken, doch stelt dat er voldoende elementen voorhanden zijn om de kandidatuur van de verzoekster opnieuw te weigeren. 1.
- Op 17 september 2002 neemt de minister van Landsverdediging de volgende beslissing: IX-3352-5/13 “Weigering deelname aan het vergelijkend kwalificatie-examen adjudant- chef 2002
- Betreft Adjt T. Rogier, A90917, AG 22
- Beslissing Na inzage van het verzoekschrift A. 122.035/IX-3352 dat op 05 Jun 02 geregistreerd werd bij de Raad van State trek ik de beslissing van 22 Mar 02 waarbij de kandidatuur van betrokkene geweigerd werd in. Na studie van het persoonlijk dossier en van het Model B van 23 Mei 01 weiger ik de kandidatuur echter opnieuw.
- Motivering a. In rechte : KB van 25 Okt 63, Art 15, § 1, eerste lid, 2/ (Reg A16-D3). b. In feite : de morele hoedanigheden Betrokkene bezit niet de morele hoedanigheid die vereist is voor de uitoefening van de functie van adjudant-chef Bij deze appreciatie baseer ik mij op de volgende overwegingen : - dat kolonel vlieger SBH Nuyts op 03 Okt 86 m.b.t. betrokkene stelde ‘Ik meen mijn advies van 4 Sep 86 te moeten ombuigen naar ongunstig en dat wegens : a. alhoewel op 4 Sep de afgewogen eindwaarde van het spilcijfer de 240 punten niet overschrijdt, heeft betrokkene zich nadien aan feiten schuldig gemaakt, een toekomstig 1Sgt onwaardig (recidive). Deze feiten werden op 25 Sep 86 bestraft met een zware straf van 4 dagen, waartegen betrokkene beroep heeft aangetekend op 29 Sep 86; b. uit hetgeen voorafgaat wordt de wijze van dienen en het gedrag van Sgt Rogier als onvoldoende beschouwd’ (persoonlijkheidsnota 19 Aug 86); - dat luitenant-kolonel van het vliegwezen Debackere op 23 Mar 87 m.b.t. betrokkene stelde: ‘Wordt gunstig voorgesteld voor bevordering tot 1Sgt, alhoewel deze OOffr een ernstige inspanning moet leveren om haar rendement te verhogen’ (persoonlijkheidsnota 09 Mar 87); - dat majoor van het vliegwezen Dolfen op 28 Mar 88 m.b.t. betrokkene stelde: ‘Deze OOffr doet geen ernstige inspanning om haar rendement te verhogen’; dat deze beoordeling bevestigd werd door luitenant-kolonel van het vliegwezen Debackere, dat betrokkene voor de beoordelingsfactoren ‘initiatief’, ‘verantwoordelijkheidsgeest’ en ‘plichtsbewustzijn’ de laagste kwotering ‘0’ kreeg op 5 mogelijke kwoteringen (persoonlijkheidsnota 22 Mar 88); - dat majoor van het vliegwezen Dolfen op 10 Mei 89 m.b.t. betrokkene stelde: ‘Deze OOffr dient (en kan) een ernstige inspanning te doen om algemeen rendement te verbeteren’ (persoonlijkheidsnota 26 Apr 89); - dat kapitein-commandant van het vliegwezen Van den Eede op 26 Feb 90 m.b.t. betrokkene stelde: ‘Deze OOffr moet en kan meer tastbare bewijzen van verbetering tonen’, dat dit op 02 Mar 90 bevestigd werd door luitenant-kolonel van het vliegwezen Debackere (persoonlijkheidsnota 20 Feb 90); IX-3352-6/13 - dat betrokkene ter gelegenheid van de persoonlijkheidsnota’s opgesteld op 09 Aug 91 en 04 mei 94 hoofdzakelijk weinig flatterende scores ‘1’ bekwam op 5 mogelijke scores; - dat kapitein-commandant Salme op 19 Jun 95 m.b.t. betrokkene onder meer stelde ‘Sinds haar aankomst in het Museum heeft de persoon in kwestie niet de minste interesse betoond voor haar werk. Ze neemt geen enkel initiatief en doet geen enkele inspanning om zich in de groep in te schakelen’ (persoonlijkheidsnota 19 Jun 95); - dat kolonel van het vliegwezen Vervoort, commandant ATCC Semmerzake, in zijn antwoord op de aanvraag van betrokkene van 06 Aug 97 om gehoord te worden door de Comd van het HK Comdo TAF stelt : ‘
- De argumentatie van betrokkene brengt het ATCC en zijn kader ten onrechte in diskrediet.
- Betrokkene is niet aangepast aan een militair operationeel midden daar zij geen enkele beslissing van een overste aanvaardt. Alle energie en tijd, nodig voor haar stage 7074, gaat verloren in procedureslagen. Het dient niet gesteld dat de stage slecht verloopt.
- Gezien de slechte invloed van betrokkene op haar omgeving en haar onaangepast gedrag zal ik haar na de stage, wat het resultaat ook moge wezen, ter beschikking stellen van het Hoofdkwartier.’; - dat in het stageverslag m.b.t. betrokkene dat op 09 Okt 97 werd opgesteld door luitenant van het vliegwezen Bogaert en adjudant-chef Verbinnen wordt gesteld: ‘Gezien de zeer zwakke basiskennis, elk gebrek aan initiatief en zin tot vervolmaking kan Adjt T. Rogier A/90917 het ambt van 7074 noch in een operationele, logistieke of administratieve functie waarnemen.’; - dat deze beoordeling eveneens op 09 Okt 97 als volgt wordt bevestigd door luitenant-kolonel van het vliegwezen Wouters: ‘Wegens de zeer zwakke basiskennis, elk gebrek aan initiatief, zin tot vervolmaking en interesse voor de specialiteit 7074, die leiden tot een vermelding ‘onvoldoende’, is betrokkene totaal ongeschikt voor het uitoefenen van het ambt 7074’; - dat luitenant-kolonel van het vliegwezen Wouters op 16 Dec 97 in een model B waarbij een verandering van ambt wordt voorgesteld stelt : ‘d. het weinige krediet dat betrokkene nog heeft bij het kader van de eenheid en een groot deel van haar collega’s zal een negatieve invloed hebben op enerzijds de goede werking van de dienst en anderzijds het goed functioneren van betrokkene in de eenheid, wat een eventuele hypotheek kan leggen op het slagen in de vorming voor een ander ambt’; - dat betrokkene op 11 Jun 97 gestraft werd met twee dagen eenvoudig arrest wegens ‘oneerbiedig gedrag t.o.v. een meerdere’; - dat betrokkene op 25 Jun 97 werd gestraft met een vermaning wegens ‘leugenachtige verklaringen’; - dat betrokkene op 16 Okt 97 werd gestraft met vijf dagen eenvoudig arrest wegens ‘ten onrechte beschuldigen van een collega van ongewenst seksueel gedrag’; - dat al de voorgaande elementen aantonen dat betrokkene tot eind 97 hoegenaamd geen vlekkeloze carrière achter de rug had en IX-3352-7/13 zeker niet als een ‘voorbeeldig onderofficier’ kon bestempeld worden; - dat betrokkene in het licht van wat voorafgaat geen argumenten kan ontlenen aan haar carrière tot eind 97 die in haar voordeel zouden kunnen pleiten bij de beoordeling van haar kandidatuur; - dat de evaluatienota opgesteld m.b.t. 99 melding maakt van de volgende te verbeteren punten ‘- moet de bevelen die haar gegeven worden aanvaarden zonder ze te bekritiseren; - verbergt zich nogal vlug eens achter de daden van haar collega’s of lageren in graad om haar daden te verrechtvaardigen, terwijl zij juist het voorbeeld zou moeten geven’; - dat betrokkene op 23 Feb 00 werd gestraft met twee dagen eenvoudig arrest wegens ‘Gebrek aan eerbied jegens een meerdere (Reg A2 Par 705 b) (Koninklijke Familie + Gpg Comd) Recht op vrije meningsuiting : - Eerbied t. o. v. Staatshoofd (Reg A2, Art 824 a) - Morele en materiële belangen van de Staat behartigen (goede naam van de Krijgsmacht) (Reg A2, Art 824 d) - Geen afbreuk doen aan eer of waardigheid van hun staat of ambt (Reg A2, Art 824 b). Geen goed gebruik gemaakt van de materiële middelen die haar ter beschikking gesteld worden (A2, Art 401 h); - dat betrokkene voor wat betreft de evaluatie in 2000 slechts de score ‘4’ bekwam voor de criteria ‘loyaliteit en integriteit’ en ‘zin voor discipline’, wat niet overeenkomt met een score ‘5’ ‘Goed: heeft voldaan aan de vereisten voor zijn functie of zijn niveau’; - dat betrokkene op 21 Mar 01 werd gestraft met acht dagen eenvoudig arrest wegens ‘Op 13 Nov 2000 tijdens de 1ste Algemene vergadering van het vrouwelijk personeel heeft de betrokkene de eer en de waardigheid van een militair aangetast en in het publiek lasterlijke verklaringen afgelegd ten opzichte van een militair en tegenover de symboliek van de prijs van de Stafchef van de Luchtmacht (Ref : Reg A2, Art 403, § a en b - Art 705, § b). Tijdens het discussieforum, georganiseerd ter gelegenheid van 25 jaar aanwezigheid van vrouwelijk Pers heeft betrokkene in aanwezigheid van ongeveer 1.000 personen door haar uitlatingen een gebrek aan respect getoond ten opzichte van hoge militairen van onze krijgsmacht door hen op een onwaardige manier te benoemen en hun eer aangetast door hen kwade bedoelingen of achterbakse handelingen toe te schrijven en overhaaste en niet gegronde veralgemeningen te gebruiken’; - dat betrokkene voor wat betreft de evaluatie in 2001 slechts de score ‘4’ bekwam voor de criteria ‘zin voor discipline’, wat niet overeenstemt met een score ‘5’ ‘Goed : heeft voldaan aan de vereisten voor zijn functie of zijn niveau’; - dat de voornoemde elementen dan ook niet toelaten om betrokkene als een goed keuronderofficier te bestempelen voor de genoemde criteria in de periode 1999-2001; - dat betrokkene dan ook bezwaarlijk kan beschouwd worden als iemand die over de nodige morele hoedanigheden beschikt die vereist zijn voor de uitoefening van de functies van de hogere graad van adjudant-chef in de hogere categorie der hoofd- onderofficieren. IX-3352-8/13 c. In feite : de lichamelijke hoedanigheden Op basis van de veelvuldige afwezigheden om gezondheidsredenen gedurende de volledige loopbaan (zie blad der afwezigheden om gezondheidsredenen) en het feit dat betrokkene bij de evaluaties in 1999, 2000 en 2001 slechts een score ‘4’ bekwam voor het criterium ‘fysiek weerstandsvermogen’ en dus geen score ‘5’ die overeenstemt met de beoordeling ‘Goed : heeft voldaan aan de vereisten voor zijn functie of zijn niveau’, oordeel ik dat betrokkene niet de lichamelijke hoedanigheden bezit die vereist zijn voor de uitoefening van de functies van de hogere graad van adjudant-chef in de hogere categorie der hoofdonderofficieren.” Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het beroep in de zaak A. 129.316/IX-
- Ze wordt met een nota van 14 november 2002 aan de verzoekster betekend. 1.14 Op 30 april 2008 bevestigt de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform een op 19 februari 2008 in eerste aanleg genomen beslissing van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform, waarbij de verzoekster, met toepassing van artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, definitief ongeschikt voor de dienst wordt verklaard. Tegen deze beslissing stelt de verzoekster bij de Raad van State een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in. Deze zaak is ingeschreven op de algemene rol onder het nummer A. 188.468/IX-
- In zijn arrest nr. 189.928 van 29 januari 2009 stelt de Raad van State in hoofde van de verzoekster de afstand van het geding vast, wegens het niet indienen van een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging na de verwerping van verzoeksters vordering tot schorsing bij arrest nr. 186.507 van 25 september
- Samenvoeging
- Uit de uiteenzetting van de gegevens van de zaken A. 122.035/IX-3352 en A. 129.316/IX-3574, blijkt dat deze beide zaken nauw samenhangen. Ze worden dan ook samengevoegd. IX-3352-9/13 Rechtspleging 3.
- In de zaak A. 122.035/IX-3352 werpt de verzoekster in haar toelichtende memorie op dat de memorie van antwoord van de verwerende partij laattijdig is ingediend, waardoor ze uit de debatten moet worden geweerd. 3.
- Met een op 3 juli 2002 ter post aangetekend verzonden schrijven heeft de griffie van de Raad van State in de voornoemde zaak een kopie van het verzoekschrift tot nietigverklaring naar de verwerende partij gezonden en heeft zij de verwerende partij erop gewezen dat zij krachtens artikel 6 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: bestuursrechtspraak) van de Raad van State over een éénmalige niet verlengbare termijn van zestig dagen beschikte om een memorie van antwoord in te dienen en het administratief dossier neer te leggen. De verwerende partij heeft dit schrijven van de griffie op 4 juli 2002 ontvangen. De termijn voor het indienen van een memorie van antwoord verstreek voor de verwerende partij derhalve op 2 september
- Blijkens de poststempel aangebracht op de enveloppe waarmee de memorie van antwoord ter post aangetekend naar de Raad van State werd verzonden, heeft de verwerende partij deze memorie pas op 23 september 2002 en derhalve laattijdig ingediend. De memorie van antwoord wordt dan ook uit de debatten geweerd en kan slechts als een inlichting in aanmerking worden genomen. Ontvankelijkheid Zaak A. 122.035/IX-3352
- De in deze zaak bestreden beslissing is door de minister van Landsverdediging op 17 september 2002 ingetrokken. Het beroep in deze zaak heeft aldus zijn voorwerp verloren. In haar toelichtende memorie vraagt de verzoekster dat het voorwerp van het beroep zou worden uitgebreid tot de beslissing van de minister van Landsverdediging van 17 september 2002 waarbij haar kandidatuur opnieuw werd geweigerd. Deze vraag is doelloos, vermits de verzoekster die beslissing met een afzonderlijk annulatieberoep bestrijdt in de zaak A. 129.316/IX-
- IX-3352-10/13 Hierna wordt met betrekking tot de laatstgenoemde zaak weliswaar besloten tot de onontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan actueel belang van de verzoekster. Een eventuele uitbreiding van het beroep in de zaak A. 122.035/IX-3352 tot de beslissing van de minister van Landsverdediging van 17 september 2002 waarbij de kandidatuur van de verzoekster opnieuw werd geweigerd, zou daaraan niet kunnen verhelpen, maar integendeel op hetzelfde ontvankelijkheidsbezwaar stuiten. Zaak A. 129.316/IX-3574
- In zijn arrest nr. 189.928 van 29 januari 2009 heeft de Raad van State de afstand van het geding vastgesteld in de zaak waarin de verzoekster de nietigverklaring vordert van de beslissing van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform waarbij zij, met toepassing van artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, definitief ongeschikt wordt bevonden voor de dienst. Ondertussen had de staatsraad-verslaggever, in het licht van de genoemde beslissing, met een brief van 20 januari 2009 aan de verzoekster gevraagd om mee te delen of zij nog een actueel belang heeft bij nietigverklaring van de beslissing die het voorwerp vormt van het voorliggende beroep. De verzoekster heeft daarop geantwoord in een op 26 februari 2009 ter griffie van de Raad van State ontvangen brief. Uit de elementen die door de verzoekster worden aangehaald en die zij ter terechtzitting herhaalt, kan worden afgeleid dat zij het feit dat geen verzoek tot voortzetting van de procedure werd ingediend in de zaak nr. A. 188.468/IX-5939, toeschrijft aan de beslissing van haar raadsman, in overleg met haar vakorganisatie, om de zaak niet verder te behartigen. De verzoekster voert aan dat deze beslissing buiten haar medeweten werd genomen en dat zij nooit de intentie heeft gehad om de voormelde procedure stop te zetten. Dit antwoord van de verzoekster doet evenwel geen afbreuk aan de vaststelling dat de beslissing van de Militaire Commissie van Beroep voor geschiktheid en Reform van 30 april 2008 waarbij de verzoekster, met toepassing van artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, definitief ongeschikt is bevonden voor de dienst, onaantastbaar is geworden en de verzoekster inmiddels de Krijgsmacht IX-3352-11/13 definitief heeft verlaten. De verzoekster brengt in haar antwoord op het schrijven van de staatsraad-verslaggever geen enkel gegeven aan dat kan verantwoorden dat zij in die omstandigheden nog een actueel belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Bij ontstentenis van een dergelijk belang moet tot de onontvankelijkheid van haar beroep worden besloten. Kosten
- Vermits het teloorgaan van het voorwerp van het beroep in de zaak A. 122.035/IX-3352 uitsluitend aan de verwerende partij moet worden toegeschreven, is het gepast in die zaak de genoemde partij te verwijzen in de kosten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 122.035/IX-3352 en A. 129.316/IX-3574 worden samengevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 122.035/IX-3352, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 129.316/IX-3574, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekster. IX-3352-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 11 mei 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3352-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.