id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.171 Rolnummer: A. 188495/XIV-30366 Zaak: Arrest 193171 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:06 Fiche Arrest nr 193.171 van 11 mei 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.171 van 11 mei 2009 in de zaak A. 188.495/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat C. MARCHAND, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Berckmansstraat 83 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 6 juni 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 10.903 van 5 mei 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2917 van 19 juni 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.366-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat Z. CHIHAOUI, die loco advocaat C. MARCHAND verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché A. VAN DE VOORDE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 29 november 2001 en zich op 30 november 2001 vluchteling verklaart; dat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 7 april 2005 de verzoekende partij erkent als vluchteling; dat op 9 januari 2008 de commissaris-generaal beslist tot de intrekking van de vluchtelingenstatus; Overwegende dat de verzoekende partij op 28 januari 2008 tegen deze laatste beslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 5 mei 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 57/6 eerste lid 7/, van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en artikel 1 C Verdrag van Genève dd. 28 juli 1951; Dat het bestreden arrest laat gelden dat " Uitgaande de schending van artikel 1,A en van artikel 1,C van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, moet worden opgemerkt dat, gezien bedoelde artikelen geen directe werking hebben in de Belgische rechtsorde, de schending ervan niet dienstig kan worden aangevoerd (...) De verwijzing naar het verdrag van Wenen in verband met de interpretatie is bijgevolg evenmin dienstig (...) Aangezien de bestreden beslissing in casu echter gesteund werd op artikel 57/6, eerste lid, 7/ van de wet van 15 december 1980, zoals vermeld in de conclusie van de bestreden beslissing, en niet op voormeld artikel 55/3, is de Commissaris-generaal stricto senso niet verplicht om rekening te houden met de inhoud en des interpretatievan artikel 1 C"; Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bijgevolg de directe werking van het verdrag van Genève in de interne Belgische rechtsorde, alsook de bindende kracht van de desbetreffende interpretatie betwist; Dat Mevrouw Véronique LeBlanc dienaangaande laat gelden dat "La Convention de Genève est un traité interétatique au sens de l'article deuxième de la Convention de Vienne sur le droit des traites. C'est un accord international conclu par écrit entre Etats et régi par le droit international. Les engagements pris par les Etats au titre de ce traité produisent des effets de XIV-30.366-2/12 droit entre les parties contractantes. La Convention de Genève est un traité multilatéral négocié sous les auspices de l'Organisation des Nations Unies (ONU). Elle est entrée en vigueur le 21 avril 1954 au quatre vingt dixième jour qui a suivi la date de depót du sixième instrument de ratification (article 43). Elle a, depuis son entree en vigueur, force obligatoire pour sas partjes contractantes qui sopt liées par la règle « pacta sunt servanda » de l'article 26 de la Convention sur droit des traités. L'interprétation de la Convention de Genève se fait, conformément aux articles 31 et 33 de la Convention de Vienne ainsi gu'à une jurisprudence constante de la Cour Internationale de Justice en la matière, en fonction de sa « lettre et son esprit ». On utilise pour cela la doctrine, la jurisprudence, et les Conclusions de Comité Exécutif du Programma du Haut Commissaire des Nations Unies pour les Refug.iés. » Dat het Verdrag van Genève niet uitdrukkelijk bepaalt dat ze inroepbaar is in de interne rechtsorde; Dat het zeer uitzonderlijk is dat een internationaalrechtelijke regel zelf bepaalt dat hij inroepbaar moet zijn in de interne orde van de betrokken Staten; Dat er in het internationaal recht geen vaste definitie bestaat van het concept van inroepbaarheid in de interne rechtsorde en dat de definitie en toepassing van dit concept grondig kan verschillen in functie van het nationale rechtsstelsel; Dat een verdragsbepaling in de Belgische orde slechts, werking heeft eens zij ten aanzien van België in werking is getreden overeenkomstig het internationaal verdragsrecht, voor zover zij niet het voorwerp uitmaakt van een door België gemaakt voorbehoud en voor zover het verdrag in kwestie niet is opgeschort, opgezegd of op energerlei andere wijze is beëindigd; Dat niettegenstaande België tendeert naar een monistische benadering inzake de doorwerking van internationaalrechtelijke regels in de Belgische rechtsorde, dienen verdragen, om deel te kunnen uitmaken van de Belgische rechtsorde, de instemming van alle bevoegde parlementaire assemblees (artikel 167 G.W.) en zijn de verdragverplichtingen slechts tegenwerpbaar aan particulieren voor zover ze in het Belgisch staatsblad werden bekendge- maakt. Daarenboven dienen zij ook op het internationale vlak in werking te zijn getreden; Dat in casu aan bovenvermelde verplichtingen -gelet op de ondertekening van het Verdrag op 28 juli 1951, respectievelijk de goedkeuring door de wet van 26 juni 1953, de publicatie in het Belgisch staatsblad op 4 oktober 1954 en de inwerkingtreding op 22 april 1954- is voldaan waardoor men kan stellen dat het Verdrag van Genève geïncorporeerd werd in de Belgische rechtsorde; Dat de incorporatie in de interne orde van een verdrag evenwel niet voldoende is teneinde te kunnen spreken van een "selfexecuting karakter" van een verdragsbepaling; Dat het verdrag tevens inroepbaar moet zijn; Dat een verdragbepaling in de nationale rechtsorde slechts inroepbaar is, wanneer
(1)het verdrag geïncorporeerd is in de interne rechtsorde en
(2)de verdragsbepaling voldoende volledig en duidelijk (self-sufficient) is geformuleerd zodanig dat de rechter de toepassing ervan kan verzekeren zonder dat verdere vervollediging of precisering door de nationale wetgever noodzakelijk is; Dat de rechtstreekse werking niet de wijze van incorporatie van een verdrag in de nationale rechtsorde aanduidt, 'doch de eigenschap (het "self-sufficient" karakter) waaraan de bepaling moet voldoen opdat de rechter deze zou kunnen toepassen; Dat artikel 1 C van de Conventie van Genève een "self-executing bepaling" is, daar het gaat om een "self-sufficient" bepaling dat deel uitmaakt van een verdrag dat geïncorporeerd is in de Belgische interne orde; De Verdragsbepalingen zijn immers "volledig en nauwkeurig" en zijn niet afhankelijk van discretionaire uitvoeringsmaatregelen; Daarbij komt dat zoals blijkt uit bovenvermelde uiteenzetting het Verdrag van Genève in de Belgische rechtsorde werd geïncorporeerd; Dat wanneer de rechter vaststelt dat hij een dergelijke bepaling (self-executing) kan toepassen, dan moet hij ze toepassen en er voorrang aan verlenen boven elke nationale rechtsregel, ook al is deze laatste van een latere datum; Dat de verhouding tussen de verdragen en de interne wet niet is geregeld in de Belgische Grondwet. XIV-30.366-3/12 Dat het Hof van Cassatie, in een arrest van 27 mei 1971 inzake de NV Fromagerie Franco-Suisse "Le Ski" als beginsel gesteld heeft dat verdragen voorrang hebben op de interne wet. Uit die rechtspraak volgt.dat verdragen vanaf de bekrachtiging ervan in principe hogere normen zijn die primeren boven alle andere normen van intern recht en dus eveneens boven de grondwettelijke normen. Als dusdanig zijn de normen van de overeenkomsten van toepassing, zelfs wanneer ze worden tegengesproken door de interne normen. Dat in casu de rechter voorrang had moeten verlenen aan de toepassing van artikel 1 C verdrag van Genève, of had hij minstens aan artikel 57/6 eerste lid, 7/ van de wet van 15 december 1980 een volkenrechtconforme uitlegging moeten geven in de zin dat zij conform artikel 1 C diende te worden geïnterpreteerd; Dat gelet op bovenvermelde uiteenzetting, het Verdrag van Genève wel degelijk directe werking heeft in de interne Belgische rechtsorde en dat de interpretatie conform het Verdragenverdrag diende te geschieden; Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter oordeelde dat het Verdrag van Genève geen directe werking had, zodat verzoeker de schending van onderhavige verdragsbepaling niet dienstig kon aanvoeren; Dat deze conclusie ertoe leidde dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de grond tot intrekking van de vluchtelingenstatus, zoals voorzien in artikel 57/6, eerste lid 7/, van de wet van 15 december 1980 niet restrictief heeft geïnterpreteerd zoals het krachtens artikel 1 C van het Verdrag van Genève en conform de proceduregids6 had moeten doen; Dat ze daarentegen artikel 57/6 eerste lid 7 ruim interpreteerde -gelet op de vage bewoordingen van onderhavig artikel- door te stellen dat " Artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 bepaalt : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen is bevoegd (...) om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in te trekken ten aanzien van de vreemdeling die als vluchteling is erkend of aan wie de subsidiaire bescher- mingsstatus werd toegekend (...) alsmede ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijk gedrag later wijst dat hij geen vervolging vreest. (...) Voormeld wetsartikel laat de Commissaris-generaal expliciet toe om de vluchtelingen- status in te trekken (...) De beoordeling van het persoonlijke gedrag van een asielzoeker in het kader van artikel 57/6 eerste lid 7/, van voormelde wet is een feitenkwestie, waarbij noodzakelijkerwijze verschillende elementen betreffende dit gedrag in overweging dienen genomen te worden. Relevante elementen zijn onder meer de frequentie van terugkeer, de periode van verblijf, de reden van terugkeer, de wijze van in -en uitreizen en de gedragingen van de asielzoeker in zijn land van herkomst ("J In casu moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing omstandig motiveert waarom in hoofde van verzoeker, geen vrees voor vervolging meer kan aangenomen worden omwille van zijn persoonlijke gedragingen. Dit gedrag wordt niet betwist door verzoeker." Dat artikel 57/6 eerste lid 7/ van de wet van 15 december 1980 conform het Verdrag van Genève in die mate diende te worden geïnterpreteerd dat "de intrekking omwille van het persoonlijke gedrag van verzoeker" overeenkomt met de beëindiginggronden van de vluchtelingenstatus welke betrekking hebben op het persoonlijke gedrag van verzoeker, zoals vermeld in artikel 1 C 1); 2); 3); 4) Verdrag van Genève; Dat onderhavige bepaling immers stelt dat " dit Verdrag houdt op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A, indien:
(1)Hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit;
(2)Hij, indien hij zijn nationaliteit had verloren, deze vrijwillig heeft herkregen;
(3)Hij een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit;
(4)Hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield;" Dat bovenvermelde beëindiginggronden immers betrekking hebben op het persoonlijk gedrag van verzoeker; Dat Marquet Nicole dienaangaande stelt dat “certaines clauses résultent d’une modification de circonstances, personnelle au réfugié, conséquence d’actes volontaires posés par lui. Ces actes impliquent la reprise volontaire de la protection nationale ou l’obtention de la protection XIV-30.366-4/12 nationale d’un autre pays (...) il peut retourner volontairement s’établir dans son pays d’origine”; Dat de beëindiginggronden zeer restrictief dienden te worden geïnterpreteerd gelet op de bewoordingen "The cessation clauses are negative in character and are exhaustively enumerated. They should therefore be interpreted restrictively, and no other reasons may be adduced by way of analogy to justify the withdrawal of refugee status"; Dat de intrekking "omwille van het persoonlijke gedrag van verzoeker" bijgevolg enkel betrekking kon hebben op de beëindiginggronden zoals voorzien in artikel 10 verdrag van Genève; Dat in casu de intrekking van de vluchtelingenstatus op basis van artikel 57/6, eerste lid 7/ zich niet beperkte tot de verificatie van bovenvermelde beëindiginggronden, doch ook anderé zoals "de frequentie van terugkeer, de periode van verblijf, de reden van terugkeer, de wijze van in -en uitreizen en de gedragingen van de asielzoeker in zijn land van herkomst Dat gelet op de feiten eigen aan deze zaak, meer bepaald de multiple terugreizen naar het herkomstland, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen diende vast te stellen of er al dan niet sprake was van een vestiging in de zin van artikel 10 Verdrag van Genève, rekening houdende met de interpretatie die dienaangaande werd verleend en het verdrag van Wenen; Dat dit niet gebeurde; Dat volledigheidshalve kan worden gesteld dat de multiple reizen immers geen vestiging uitmaken zoals bedoelt in artikel 1 C, gelet op de desbetreffende interpretatie van onderhavig artikel zoals vervat in de proceduregids; Deze beëindiginggrond immers wordt als volgt geïnterpreteerd "La clause envisage le rétablissement volontaire, ce qui s'entend d'un retour dans le pays de la nationalité ou de la résidence habituelle antérieure en vue d'y établir sa résidence permapente. Si un réfugié, muni non pas d'un pasreport national mais par exemple d'un titre de voyage délivré par son pays de résidence, se rend dans son pays d'origine, pour y faire un séjour temporaire, cela ne constitue pas une volonté de s'y «établir» et n'implique pas la perte du statut de réfugié en vertu de la clause à l'examen"" Dat door andere gronden tot intrekking van de vluchtelingenstatus aan te nemen dan deze die vervat liggen in het Verdrag van Genève, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikelen 1 C van het Verdrag van Genève en artikel 57/6 eerste lid 7/ van de wet van 15 december 1980 schendt; Dat de terminologie (beëindiging of intrekking) die hierbij gebezigd wordt geen invloed heeft op de stelling dat artikel 57/6 eerste lid 7/ overeenkomt met de beëindiginggronden zoals voorzien in artikel 1 c verdrag van Genève, daar de Belgische wet indertijd een artikel 57/6 eerste lid, 2/ voorzag dat het Commissariaat-generaal bevoegd achtte om " De Commissaris- Generaal is bevoegd (...) 2/ om de hoedanigheid van vluchteling in de zin van de Internationale verdragen die België binden, in te trekken"; Dat dit artikel betrekking had op de beëindiginggronden van de Conventie van Genève zoals vervat in artikel 1C; Dat de stellingname "volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat artikel 1 C van het verdrag van Genève van 28 juli 1951 betrekking heeft op de beëindiging van de vluchtelingen- status, terwijl artikel 57/6, eerste lid, 7/ van de wet van 15 december 1980 handelt over de intrekking van deze status" teneinde de veronderstelling te onderbouwen dat de verdragsbepa- ling 1C met de desbetreffende interpretatie niet moet worden gerespecteerd ingeval van een intrekking op basis van artikel 57/6 eerste lid 7/, niet opgaat, nu blijkt dat de vluchtelingenstatus steeds diende te worden ingetrokken indien de vluchteling zich in de beëindigingvoorwaarden bevond van artikel 1 C van het Verdrag van Genève en dat een beëindiging van de vluchteling- enstatus ipso facto niet van rechtswege plaatsvond.”; XIV-30.366-5/12 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Verzoekers beroepen zich in een eerste middel op een schending van artikel 57/6 eerste lid 7/ van de Vreemdelingenwet en artikel 1 C van de Vluchtelingenconventie. Verzoekers menen dat artikel 1 C van de Vluchtelingenconventie directe werking heeft en men hier mee rekening dienden te houden. Verweerder stelt vooreerst vast dat artikel 57/6 eerste lid 7/ van de Vreemdelingenwet een bevoegdheid omschrijft van de commissaris-generaal terwijl verzoekers met dit beroep de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestrijden. Artikel 57/6 eerste lid 7/ van de Vreemdelingenwet kan dan ook niet dienstig worden ingeroepen. In casu bevestigde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op basis van artikel 39/2 van de Vreemdelingen de beslissingen van de commissaris-generaal. Verder wenst verweerder op te merken dat de vluchtelingenstatus van verzoekers niet werd opgeheven zoals verzoekers menen, maar hun vluchtelingenstatus werd ingetrokken. Enkel op grond van artikel 55/3 van de Vreemdelingenwet, welke verwijst naar artikel 1 C van de Vluchtelingenconventie, kan de inhoud en interpretatie van artikel 1 C van de Vluchtelingen- conventie
(5)en
(6)relevant worden ingeroepen. De beslissingen zijn echter niet gesteund op artikel 55/3 van de Vreemdelingenwet zodat men geen rekening diende te houden met de inhoud en interpretatie van artikel 1 C van de Vluchtelingenconventie. Voor de volledigheid wenst verweerder nog op te merken dat verzoekers de feiten niet meer kunnen betwisten. De Raad van State als cassatierechter kan zich niet in de plaats stellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het eerste middel is onontvankelijk, minstens ongegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Met betrekking tot het eerste middel : Dat het commissariaat-generaal in haar memorie van antwoord stelt dat artikel 57/6 eerste lid 7/ ‘niet dienstig’ kan worden ingeroepen aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en op basis van artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet de beslissing van de commissaris- generaal bevestigde. Dat dienaangaande kan worden opgemerkt dat artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen regelt inzake het annulatieberoep tegen beslissing van het commissariaat-generaal. Dat belet evenwel niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de uitoefening van de krachtens artikel 39/2 §2 erkende bevoegdheid andere nationale of internationale bepalingen zou miskennen ingeval deze verkeerdelijk worden toegepast door hetzij ze geheel niet toe te passen daar waar een toepassing zich opdringt, of ze wel degelijk toe te passen, doch in strijd met een bepaling die een hogere rechtsnorm inhoudt of de interpretatie die aan deze bepaling werd gegeven. Dat dit in casu het geval is, daar zoals hierboven reeds uitengezet, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 57.6 eerste lid 7/ toepaste, weliswaar niet conform de internationale bepalingen, waardoor de wettigheid van de toegepaste regel per definitie in het gedrang komt. Het is bijgevolg een logisch gegeven om het artikel waarvan de schending manifest wordt vastgesteld, aan te halen, eerder dan te verwijzen naar de bevoegdheidsregels. De verwerende partij laat eveneens in haar memorie van antwoord gelden dat de inhoud en de interpretatie van artikel 1 C van het Vluchtelingenconventie relevant kan worden ingeroepen indien de vluchtelingenstatus zou zijn ingetrokken op basis van artikel 55/3 aangezien artikel XIV-30.366-6/12 55/3 verwijst naar artikel 1 C van de Vluchtelingenconventie, en niet ingeval de intrekking geschiedt op basis van artikel 57/6 eerste lid, 7/ Vreemdelingenwet. Deze redenering gaat niet op, temeer hierboven reeds werd uiteengezet dat de Conventie van Genève directe werking heeft in de Belgische rechtsorde. Het Verdrag heeft bijgevolg voorrang op de nationale bepalingen, waarvan de draagwijdte per definitie niet beperkt kan worden door een nationale bepaling; (verwerende partij gaat er immers vanuit dat enkel de expliciete verwijzing naar de hogere rechtsnorm relevant kan zijn). Dat zou immers betekenen dat de wettelijke bepalingen de toepassing en de draagwijdte van een internationale bepaling zou detemineren, terwijl de nationale bepalingen krachtens de theorie der normenhiërarchie en het arrest van het Hof van Cassatie inzake de NV Fromagerie Franco-Suisse ‘Le Ski’, in overeenstemming moet zijn met de hogere rechtsnorm. Het gegeven dat artikel 55/3 van de Vreemdelingenwet een uitdrukkelijke verwijzing inhoudt naar artikel 1 C van het Vluchtelingenverdrag, komt alleen de rechtszekerheid ten goede, doch ze mag in geen geval een invloed hebben op de toepassing van de Conventie van Genève, inzonderheid op de beperkende intrekkinggronden die in dit verdrag zijn opgenomen. Het gegeven dat artikel 57/6 eerste lid 7/ geen uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 1C inhoudt, belet niet dat het Verdrag van Genève directe werking heeft en behoudt en dat ze op een zeer duidelijke en gelimiteerde wijze beëindiginggronden opsomt. Het Verdrag is in de wettelijkheidstoetsing van een intrekking van de Vluchtelingenstatus niet weg te cijferen, daar iedere beëindiginggrond, ongeacht de benaming (beëindiging of intrekking) aan het Verdrag dient te worden getoetst om de Verdragsconformiteit na te gaan. Het bestreden arrest schendt bijgevolg artikel 56/7 eerste lid 7/ van de Vreemdelingenwet en artikel 1C van het Vluchtelingenverdrag.”; 2.1.
- Overwegende dat artikel 57/6, eerste lid, 7/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), luidt als volgt: “De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bevoegd : (...) 7° om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in te trekken ten aanzien van de vreemdeling die als vluchteling is erkend of aan wie de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, of van valse verklaringen, of van valse of vervalste documenten, die doorslaggevend zijn geweest voor de erkenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, alsmede ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijk gedrag later erop wijst dat hij geen vervolging vreest; (...)”; Overwegende dat artikel 1, C,
(1)en
(4)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag), luidt als volgt: “C. Dit Verdrag houdt op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A, indien:
- Hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit; (...)
- Hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield; (...)”; Overwegende dat artikel 11 van de Richtlijn 2004/83/EG VAN DE RAAD van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van XIV-30.366-7/12 derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming, gelijkaardige beëindigingsgronden voorziet als deze van artikel 1, C,
(1)en
(4)van het Vluchtelingenverdrag; dat de voorbereidende werken van deze Richtlijn het volgende stellen: “1. Dit artikel betreft situaties waarin de vluchtelingenstatus blijft bestaan totdat een van de beëindigingsclausules vervat in artikel 1 (C) van het Verdrag van Genève in werking treedt. (
- a)Hernieuwde vrijwillige inroeping van de nationale bescherming Volgens dit punt heeft een vluchteling die de instanties van zijn land van herkomst vrijwillig om een vorm van diplomatieke bescherming verzoekt welke enkel beschikbaar is voor onderdanen van dat land, zoals de verstrekking of verlenging van een nationaal paspoort, en die deze bescherming ook verkrijgt de vluchtelingenstatus niet langer nodig. (...) (
- d)Vrijwillige hernieuwde vestiging in het land van herkomst Deze bepaling betreft vluchtelingen die naar hun land van herkomst terugkeren. Wanneer de betrokkene geregeld heen en weer reist houdt hij of zij op vluchteling te zijn. Of dit werkelijk het geval is dient in elk geval op grond van objectieve feiten te worden beoordeeld. In het algemeen dient ervan te worden uitgegaan dat regelmatig bezoek aan het land van herkomst binnen een gegeven periode gelijkstaat met een hernieuwde vestiging in het betrokken land. (...)”; Overwegende dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties stelt dat omtrent de beëindiging van de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 1, C van het Vluchtelingenverdrag een onderscheid moet gemaakt worden tussen de vreemdeling die slechts occasioneel terugkeert en diegene die op regelmatige basis terugkeert; dat in het artikel van MARQUET, waarnaar de verzoekende partij verwijst, wordt gesteld dat de beëindigingsgronden van artikel 1, C,
(1)en
(4)van het vluchtelingenverdrag meestal samen moeten worden bekeken omdat de grens tussen beide vaak vaag is, dat het afleveren van een paspoort door de autoriteiten van het land van herkomst een vermoeden is van het feit dat de vreemdeling zich terug onder de bescherming van zijn land van herkomst wenst te stellen, een vermoeden dat nog wordt versterkt indien de vluchteling inderdaad naar zijn land van herkomst is teruggekeerd, dat ook de omstandigheden waarin de terugkeer plaatsvindt daarbij een grote rol spelen en dat de terugkeer naar het land van herkomst, ongeacht de vraag of er al dan niet een paspoort werd aangevraagd bij de nationale autoriteiten, in beginsel tot de toepassing van de beëindigingsgronden zal leiden, tenzij er sprake is van dwingende redenen; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de status van vluchteling kan worden ingetrokken wanneer de vreemdeling herhaaldelijk terugkeert naar zijn land van herkomst en bijgevolg, zoals wordt verwoord in artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet, het persoonlijk gedrag van de vreemdeling erop wijst dat hij geen vervolging meer vreest; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 5.
- van het bestreden arrest derhalve terecht stelt dat “indien een asielzoeker terugkeert naar zijn land van herkomst, (...) dergelijke terugkeer aan aanwijzing (kan) zijn dat hij geen of niet langer vervolging vreest ten opzichte van dat land, wat inhoudt dat hij volgens de definitie van vluchteling niet of XIV-30.366-8/12 niet langer kan beschouwd worden als vluchteling” en, in punt 5.4., dat “de beoordeling van het persoonlijke gedrag van een asielzoeker in het kader van artikel 57/6, eerste lid, 7/, van voormelde wet, (...) een feitenkwestie (is), waarbij (...) verschillende elementen betreffende dit gedrag in overweging dienen genomen te worden. (...) onder meer de frequentie van terugkeer, de periode van verblijf, de reden van terugkeer, de wijze van in- en uitreizen en de gedragingen van de asielzoeker in zijn land van herkomst”; dat in het bestreden arrest wordt vastgesteld dat de verzoekende partij in totaal elf tot twaalf keer is teruggekeerd via gecontroleerde grensovergangen, dat zij er langere tijd verbleef, dat zij er uitdrukkelijk in de openbaarheid trad en dat er over haar optreden in de pers werd bericht; dat in het bestreden arrest bovendien wordt vastgesteld dat de verzoekende partij tijdens een persconferentie die zij zelf organiseerde in augustus 2005 sprak over haar plan om definitief terug te keren naar Albanië en dat de verzoekende partij in een interview in juni 2006 zei dat zij van plan was om in Albanië te blijven en af en toe naar het buitenland te trekken, gezien zij toch Belgische documenten bezat; dat, daargelaten de vraag of artikel 1, C, van het Vluchtelingenverdrag directe werking heeft in het Belgisch recht, dient te worden vastgesteld dat artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, geen ruimere interpretatie geeft dan artikel 1, C, van het Vluchtelingenverdrag wat betreft het verlies van de status van vluchteling; dat de verzoekende partij aldus geen schending van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet aantoont; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter ook niet bevoegd is om zelf in de beoordeling van de feiten te treden; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 31 Verdrag van Wenen; Dat artikel 1 C van het Verdrag van Genève conform artikel 31 van het Verdragenverdrag dient te worden geïnterpreteerd teneinde een schending van artikel 31 van het Verdrag van Wenen te voorkomen; Dat dit artikel het volgende bepaald "Een verdrag moet te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag. Behalve met de context dient ook rekening te worden gehouden met iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen, ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de partijen inzake de uitlegging van het verdrag is ontstaan, iedere ter zake dienende regel van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de partijen kan worden toegepast'; Overwegende dat de interpretatie van het vluchtelingenverdrag van Genève een opmerkelijke evolutie heeft ondergaan sinds haar totstandkoming in 1951, die een nieuwe norm vestigt, dat deel uitmaakt van het internationaal recht; Dat het hier niet gaat om precies de inhoud van deze regel te bepalen, maar wel om vast te stellen dat er een nieuw beginsel gevestigd is overeenkomstig de rechtspraak van het Internationaal Hof van Justitie; Dat de normen, die ter gelegenheid van internationale bijeenkomsten werden aangenomen, duidelijk de totstandkoming van een nieuwe norm aangeven waaruit ook zijn universele aanvaarding blijkt; Dat de staten die aanwezig waren bij dergelijke bijeenkomsten, de mogelijkheid hadden hun standpunten kenbaar te maken, en aanvaardden, in de meeste gevallen met unanimiteit, tal van verklaringen waarvan de vorm en de inhoud de bindende kracht bepaalde; Ook al hebben deze verdragen en verklaringen een verschillende bindende waarde ten aanzien van een staat, toch XIV-30.366-9/12 vestigt ze een internationale norm waarmee rekening dient te worden gehouden, teneinde aan een verdrag, op het ogenblik van haar interpretatie, een inhoud toe te kennen conform artikel 31 van het Verdrag van Wenen; Dat wanneer men nalaat een dergelijke interpretatie te geven, men de bepalingen schendt die dit middel voorziet; Dat het Uitvoerend Comité van het Hoog Commissariaat van de vluchtelingen van de Verenigde Naties in deze materie een proceduregids heeft samengesteld teneinde de verdragsluitende staten toe te laten de verdragsbepalingen conform de geest en de letter van het verdrag te interpreteren; Hierbij dient men te onderstrepen dat België lid is van dit comité sinds haar oprichting in 1951 en deelgenomen heeft aan de stemming van de aanbevelingen die bij consensus werden aangenomen; Dat het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen laat gelden dat de beëindiginggronden strikt dienen te worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 1 C Verdrag van Genève; Rekening houdende met onderhavige proceduregids is de uitgebreide interpretatie van artikel 1 C verdrag van Genève niet conform artikel 31 Verdrag van Wenen; De intrekking van de vluchtelingenstatusis immers gebaseerd op een het persoonlijke gedrag van verzoeker, een zeer vage grond die krachtens artikel 57/6 eerste lid, 7/ een intrekking rechtvaardigt, doch in het licht van het verdrag met de geëigende interpretatie conform artikel 31 verdrag van Wenen ontoelaatbaar is en bijgevolg onderhavige verdragsbe- paling schendt; Dat het verdrag van Wenen een directe werking heeft in de interne Belgische rechtsorde; Dat een verdrag dat regelmatig is geïmplementeerd in het interne recht een rechtsbron is voor de administratie; Dat België het Verdrag van Wenen geratificeerd heeft en dat het verdrag sinds 1 oktober 1992 van kracht is in de interne Belgische juridische orde; Dat ze bijgevolg regelmatig is geïmplementeerd in het interne recht; Dat bijgevolg het verdrag directe werking heeft;" De klassieke rechtsleer stelt, dat een verdrag directe werking heeft, wanneer ze aan de overeenkomstsluitende staten verplichtingen oplegt die voldoende duidelijk en precies zijn opdat' deze kunnen worden ingeroepen voor de nationale rechtbanken zonder dat vereist is dat de overeenkomstsluitende staat uitvoeringsmaatregelen zou moeten nemen;15 Dat dit concept overigens aanvaard is in het internationaal recht;" Dat het Europees Hof van Justitie van oordeel is dat een bepaling, die aan de rechtsonderho- rigen een recht toekennen of die een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting opleggen aan de staat, directe werking heeft;'? Dat bijgevolg een bepaling directe werking heeft wanneer ze aan de Staat een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting opgelegd; Dat het concept van de directe werking dus veel ruimer is dan de stelling die klassieke rechtsleer poneert;' Qu' « il existe de nombreuses situations dans lesquelles des dispositions conventionnelles internationales sont susceptibles de trouver application sur le plan interne alors même qu'elles ne donnent pas naissance á des droits ou á des obligations pour les particuliers. Il en est notamment ainsi lorsque le particulier, sans revendiquer personnellement aucun « droit », se borne à soulever l'incompatibilité d'une mesure arrêtée par la puissance publique avec les dispositions d'un traité international » ; Overwegende dat een verdrag met directe werking voorrang heeft op het interne recht; Dat de Raad van State deze stelling sinds vele jaren onderschrijft; Overwegende dat een verdrag uitdrukkelijk gewag kan maken van de al dan niet directe werking; Dat wanneer zulks niet het geval is, men de bedoeling van de contracterende partijen dient te achterhalen (sur tout ceci voy. J., SALMON, op. cit.) ; Dat het Hof van Cassatie, in een arrest waarbij de vraag werd gesteld de directe werking van een verdrag te bepalen, het volgelde heeft uitgesproken, « la notion d'applicabilité directe d'un traité envers des nationaux de l'Etat qui l'a conclu implique que l'obligation assumée par cet Etat soit exprimée d'une manière complete et précise et que les parties contractantes aient eu l'intention de donner au traité l'objet de conférer des droits subjectifs ou d'imposer des obligations aux individus » ; Overwegende dat de intentie van de contracterende partijen noch het enige criterium is, noch het determinerende criterium; Dat er gevallen bekend zijn, waarbij de rechtbanken de intentie van de overeenkomstslui- tende partijen, omtrent de mogelijkheid van inroepbaarheid van een verdrag voor de interne rechtbanken, niet nagaan ; Dat het Hof van Cassatie reeds aanvaard heeft om de conformiteit, van interne akten aan internationale bepalingen, die geen directe werking hebben, te verifiëren; Qu’oune telle fagon de procéder est justifiée : en effet, dans la mesure ou la disposition internationale limite la liberté d'action de l'Etat, rien n'interdit aux tribunaux internes de vérifier que l'Etat est demeuré à l'intérieur des lirnites ainsi tracées, sans qu'il lui importe de savoir quelle a été à cet egard l'intention des négociateurs » (M., WAELBROECK, op. cit., p. 36); XIV-30.366-10/12 Dat zelfs wanneer een verdrag geen directe werking heeft, zij niettemin haar juridisch karakter in de interne orde behoudt en bijgevolg deel uit maakt van de dwingende bepalingen die de administratie te allen tijde dient te respecteren; Overwegende dat een onderzoek naar de directe werking van het verdrag van Wenen
(1969), in het bijzonder artikel 31, in onderhavig geval gepast is; Dat dit artikel een duidelijke, precieze en onvoorwaardelijke verplichting oplegt; Dat we kunnen veronderstellen dat dit eveneens de intentie was van de overeenkomstslui- tende partijen; Dat in ieder geval de ontstentenis van deze intentie niet bewezen is; Dat zelfs wanneer men verondersteld dat deze bepaling geen directe werking zou hebben, hij niettemin zijn juridisch karakter behoudt en voor de administratie een dwingende regel uitmaakt; BESLUIT Het bestreden arrest schendt de artikelen 57/6 eerste lid 7/ van de wet van 15 december 1980, 1 C Verdrag van Genève dd. 28 juli 1951 en 31 Verdrag van Wenen (Verdragenverdrag) aangezien de intrekking van de vluchtelingenstatus in casu gegrond is op een zeer ruime nationale bepaling, zijnde artikel 57/6 eerste lid, 7/ terwijl de intrekking enkel kon geschieden in het licht van artikel 1 C Verdrag van Genève, dat duidelijk het restrictief karakter van onderhavige bepaling poneert; Dat de toepassing van artikel 57/6 eerste lid 7/ bijgevolg enkel kon worden toegepast indien ze conform de Conventie van Genève werd geïnterpreteerd, wat niet gebeurde, daar het arrest duidelijk gewag, maakt van intrekkinggronden die geenszins voorzien zijn in artikel 1 C van de Conventie van Genève, en dit ongeacht de aangewende terminologie "beëindiging of intrekking".”; 2.2.2. Overwegende, gelet op de ongegrondheid van het eerste middel, dat ook het tweede middel ongegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.366-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.366-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.171 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div