← België

Arrest 193179 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.179 Rolnummer: A. 191559/X-14091 Zaak: Arrest 193179 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:06 Fiche Arrest nr 193.179 van 11 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.179 van 11 mei 2009 in de zaak A. 191.559/X-14.091. In zake : 1. Johny SCHOENAERS, 2. Margaretha BEYENS, die woonplaats kiezen bij advocaten C. DE NYN en J. PINOY, kantoor houdende te 1840 LONDERZEEL, Oudemanstraat 25, bus 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Johny SCHOENAERS en Margaretha BEYENS op 20 februari 2009 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 23 december 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diest en van de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar en vernietiging van het besluit van 17 januari 2008 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verlening van een vergunning voor de regularisatie van het verbouwen van een bestaande hoeve op een perceel gelegen te Diest, Asdonkstraat, kadastraal bekend sectie L, nrs. 327/m en 327/l; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2009; X-14.091-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. HOEBEEK, die loco advocaten C. DE NYN en J. PINOY verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een hoevegebouw, gelegen aan de Asdonkstraat 10 te Molenstede, een deelgemeente van de stad Diest. 1.2. De eigendom is volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest gesitueerd in natuurgebied. Ter plaatse is geen bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan van kracht, noch zijn er verkavelingsvoorschriften. 1.3. De eerste verzoeker heeft op 8 november 2004 een stedenbouwkundige vergunning verkregen om het gebouw te verbouwen binnen het bestaande volume. 1.4. Bij proces-verbaal van 18 januari 2006 stelt de bevoegde ambtenaar ter plaatse vast dat de bouwwerken in strijd met de voormelde stedenbouwkundige vergunning worden uitgevoerd, meer bepaald: “Deze vergunning voorzag een houten roostering met OSB-panelen als vloer voor de eerst(

  1. e)verdieping. Heden stel ik vast dat er betonnen welfsels zijn gebruikt. De rechter zijgevel van de woning en ongeveer 1/3 van de achtergevel zijn volledig herbouwd. De bestaande garage tegen de rechter zijgevel van de woning is volledig afgebroken en vervangen door een nieuwbouw. X-14.091-2/9 Een gedeelte van de oorspronkelijke gemetste funderingen is vervangen door betonnen funderingen. De afgeleverde vergunning voorzag geen herbouwen van muren of herbouwen van de garage. De nok van het dak ligt ongeveer 50 cm hoger dan de oorspronkelijke nok”. 1.5. Op 26 oktober 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Diest een aanvraag in strekkende tot “het regulariseren van de verbouwingswerken aan een bestaande hoeve, het wijzigen van de dakbedekking en de plaats van de inbuizing van de gracht”. 1.6. Het college van burgemeester en schepenen weigert met een besluit van 30 april 2007 de vergunning af te leveren. 1.7. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant willigt met een besluit van 17 januari 2008 het beroep van de verzoekende partijen tegen de voormelde weigeringsbeslissing in omdat: “- er (...) voldaan (
  2. is)aan de toepassing van de uitzonderingsbepalingen van art. 145bis van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de aanvraag betreft een verbouwing binnen het bestaande bouwvolume; S het betreft een historische woning op een perceel dat historisch reeds aan het omliggende natuurgebied onttrokken was; S de verbouwing gebeurt met respect voor de landelijke omgeving en het eenvoudige karakter van de woning”. 1.8. Zowel de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar als het college van burgemeester en schepenen van de stad Diest stellen tegen deze beslissing van de deputatie beroep in bij de bevoegde minister. Op 3 september 2008 vindt op de diensten van de administratie van de minister een hoorzitting plaats, in aanwezigheid van de eerste verzoeker, de technisch raadgever en de raadsman van de verzoekende partijen. 1.9. Met het bestreden besluit van 23 december 2008 willigt de minister beide beroepen in en weigert hij de stedenbouwkundige vergunning af te geven aan de verzoekende partijen: “Overwegende dat het terrein van de aanvraag volgens het gewestplan Aarschot-Diest, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, gelegen is in een natuurgebied; dat overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de X-14.091-3/9 toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de natuurgebieden, die de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden omvatten, bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu, dat in die gebieden enkel jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk; Overwegende dat voor het gebied van de aanvraag geen bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan bestaat; dat het terrein niet gelegen is in een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid voorliggende aanvraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende de goede aanleg van de plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan; Overwegende dat de voor deze aanvraag relevante beschouwingen als volgt kunnen worden samengevat: 1/ De voorgelegde aanvraag betreft volgens de aanvraagdocumenten de regularisatie van het verbouwen van een bestaande hoeve. Op 8 november 2004 werd door het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor het verbouwen van deze hoeve. De aanvraag betrof het aanpassen van raam- en deuropeningen, het metselen van een gevelsteen voor de bestaande gevels, het opmetselen van nieuwe binnenwanden en de inrichting van het gebouw. De ‘verbouwing’ werd evenwel uitgevoerd in strijd met de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning. Op 18 januari 2006 werd door het agentschap Inspectie RWO een proces-verbaal opgesteld voor het uitvoeren van bouwwerken niet conform met de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning. De werken werden stilgelegd. De aanvrager stelt in zijn beroepsschrift aan de deputatie dat door het wijzigen van de vensteropeningen en de kwaliteit van de muur de stabiliteit van het gebouw in het gedrang kwam en dit gedeelte van de gevel (de oostelijke zijgevel en 1/3 van de noordelijke gevel) diende te worden gesloopt en dat de toestand van de bestaande houten roostering te slecht was en het behoud ervan onverantwoord zou zijn geweest. De garage aan de oostelijke zijgevel van het hoofdgebouw werd afgebroken en heropgebouwd, de oostelijke zijgevel van het hoofdgebouw werd afgebroken en heropgebouwd over de volledige hoogte, de achtergevel van het hoofdgebouw werd over ongeveer 1/3 van de lengte afgebroken en heropgebouwd, de westelijke zijgevel werd deels heropgebouwd, de raamopeningen werden anders uitgevoerd dan op de oorspronkelijke vergunning voorzien, de vloeren en hun draagstructuur werden verwijderd en vervangen door betonnen welfsels, de dakstructuur werd verwijderd en vervangen, waarbij de nokhoogte werd verhoogd met ongeveer 50 centimeter, de schouwen werden heropgemetst. Het is de bedoeling van de aanvrager om het gebouw af te werken met een grotendeels rieten dak (2/3 riet, 1/3 boomse pannen, donkergrijs). De gevels werden voorzien van een voorzet handvorm gevelsteen, het buitenschrijnwerk wordt voorzien in geschilderd hout. 2/ Het terrein van de aanvraag is gelegen in het westen van de stad Diest, ten noordoosten van het centrum van de deelgemeente Molenstede, op de hoek van de Eikelenberg en de Asdonkstraat, 2 voldoende uitgeruste lokale gemeentewegen. De omgeving van het terrein wordt gekenmerkt door de belangrijke natuurwaarden ervan. Het terrein is gelegen op de rand van de vallei van het Zwart Water en aan de voet van de Ekelenberg of Eikelenberg. De vallei van het Zwart Water, aan de overzijde van de Asdonkstraat maakt deel uit van het Habitatrichtlijngebied BE2400014 Demervallei. De Eikelenberg, en meer specifiek ook alle aan het terrein aanpalende percelen, werden geselecteerd als een VEN-gebied. Het terrein zelf, op het gebouw en de X-14.091-4/9 voortuinstrook na, is op de biologische waarderingskaart ingekleurd als biologisch waardevol gebied, de Asdonkstraat is ingekleurd als een complex van biologisch minder waardevolle, waardevolle en zeer waardevolle elementen. Bebouwing komt in de ruimere omgeving eerder beperkt en geïsoleerd voor. De onmiddellijke omgeving van het terrein wordt gekenmerkt door bebossing van de Eikelenberg op de noordelijk en westelijk aanpalende percelen en akkers in de vallei van het Zwart Water ten zuiden en zuidoosten van het terrein. In het noordoosten bevinden zich verder langs de Asdonkstraat nog 2 geïsoleerde woningen. Bij deze woningen werden volgens de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur van het agentschap Inspectie RWO ook bouwovertredingen vastgesteld en geverbaliseerd. 3/ Bij een terreinbezoek werd vastgesteld dat de plannen niet overeenstemmen met de werkelijk uitgevoerde toestand. Met name in de noordelijke gevel werd een groter gedeelte metselwerk afgebroken en heropgebouwd dan aangeduid op de plannen. Ook een deel van de westelijke kopgevel werd heropgebouwd, wat niet vermeld wordt op de plannen. Hierdoor wordt met de aanvraag de indruk gewekt dat de verbouwingen aan de lange noordelijke gevel eerder beperkt blijven en dat de westelijke kopgevel integraal bewaard bleef, wat dus geenszins klopt. De voorgelegde aanvraag dient dan ook alleen al omwille van deze, voor de beoordeling belangrijke, onnauwkeurigheden geweigerd te worden. 4/ Met betrekking tot bestaande gebouwen in natuurgebied kunnen de uitzonderingsbepalingen van artikel 145bis en 195bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening toegepast worden. Deze uitzonderingsbepalingen zijn bij deze concrete aanvraag beperkt, aangezien de aanvraag gelegen is in een natuurgebied, wat beschouwd wordt als een ruimtelijk kwetsbaar gebied. Algemeen bepaalt artikel 145bis dat de bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordelingen door de vergunningverlenende overheid van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor ondermeer het verbouwen van bestaande gebouwen binnen het bestaande bouwvolume. Hiertoe dienen een aantal voorwaarden vervuld te zijn. Artikel 195bis stelt dat de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een gunstig advies kan afwijken van de voorschriften van een plan van aanleg indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van instandhoudings- en onderhoudswerken die betrekking hebben op de stabiliteit van een bestaande, vergunde woning, gebouw of constructie, met uitsluiting van verkrotte woningen, gebouwen of constructies. De aanvrager werd bij voorafgaande besprekingen met de stad Diest en het agentschap R-O Vlaanderen op de hoogte gebracht van de heersende regelgeving. Tijdens deze besprekingen, op 16 december 2003 en 2 maart 2004, werd, zowel volgens de stad Diest als volgens het agentschap R-O Vlaanderen, uitdrukkelijk gesteld dat de verbouwingswerken niet verder konden gaan dan voorgesteld in het eerste ontwerp en niet mochten leiden tot een feitelijke herbouw. In de voorgelegde aanvraag werd de oostelijke kopgevel, met een oppervlakte van ongeveer 31 m² afgebroken en heropgebouwd, evenals alle muren van de garage, met een oppervlakte van ongeveer 31 m², ongeveer 7 strekkende meter van de achtergevel (ongeveer 25m²) en ongeveer 2 m² van de westelijke kopgevel. In alle gevels werden nog verschillende raam- en deuropeningen gewijzigd en werden de muren ondermetseld. Dit betekent dat in het totaal ongeveer 95 m² van het totaal van 194 m² van de oppervlakte van de dragende buitenmuren werd vervangen, of bijna 50%. Ongeveer 50% van de dragende buitenmuren werden bewaard. Daar bovenop werden alle binnenmuren, ook de dragende, vervangen, werden de houten vloeren en hun draagstructuur vervangen door betonnen welfsels, werd het volledige dak en de X-14.091-5/9 dakstructuur vernieuwd en werden de funderingen over een grote oppervlakte vernieuwd. Dit alles laat toe te besluiten dat de ingrepen niet langer als loutere verbouwingen kunnen bestempeld worden maar eerder het karakter van een herbouwen hebben gekregen. Herbouwen van een bestaand gebouw in een natuurgebied behoort niet tot de mogelijkheden van artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Gelet op het voorgaande dient de vraag gesteld te worden of de woning niet verkrot was op het ogenblik van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. In de nota van toelichting bij de regularisatieaanvraag wordt gesteld dat bij de uitvoering van de verbouwingswerken werd vastgesteld dat bepaalde onderdelen van het gebouw zich in veel slechtere staat bevonden en onvoldoende stabiliteit kon gegarandeerd worden, dat het wijzigen van de vensteropeningen de achtergevel aanzienlijk verzwakte en het om deze reden onverantwoord werd geacht bepaalde te zwakke delen van het gebouw te behouden. Bijkomend werd gesteld dat de houten roostering te sterk aangetast was en werd vervangen door een betonnen roostering en dat de garage, aangebouwd aan de woning, structureel onstabiel was waardoor het totale slopen zich opdrong. In zijn beroepschrift voor de deputatie stelt de aanvrager zelf dat door het wijzigen van de vensteropeningen en de kwaliteit van de muur de stabiliteit van het gebouw in het gedrang kwam en dit gedeelte van de gevel (de oostelijke zijgevel en 1/3 van de noordelijke gevel) diende te worden gesloopt en dat de toestand van de bestaande houten roostering te slecht was en het behoud ervan onverantwoord zou zijn geweest. De eigenaar stelt met andere woorden zelf vast dat de woning niet voldeed aan de elementaire eisen van stabiliteit en dat ze om deze reden diende herbouwd te worden. 5/ De voorgelegde aanvraag impliceert ontegensprekelijk ook een volumevermeerdering. Voor wat betreft de verhoging van de nok stelt de aanvrager dat de dakstructuur (helling en hoogte) werden behouden maar dat er isolerende panelen aangebracht zullen worden en een dakbedekking in stro, waarbij de totale dikte met ongeveer 50 centimeter verhoogd zal worden. Dit is echter contradictorisch met de ingediende plannen en de vaststellingen bij het plaatsbezoek. Boven op de nieuwe welfselvloer werd een ringbalk met een hoogte van 20 à 30 centimeter geplaatst en de dakhelling werd steiler uitgevoerd (van ongeveer 36/ naar 39/), wat tot een verhoging van het gehele dak heeft geleid. De toepassing van een strodak zal deze verhoging nog vergroten. Een verhoging van de dakstructuur met 50 centimeter over een totale oppervlakte van ongeveer 140 m² heeft, zonder de volumevermeerdering ten gevolge van het voorzetmetselwerk en van de verdikking van de dakbedekking in stro meegerekend, een volumevermeerdering met zo’n 70 m³ tot gevolg. Deze volumevermeerdering vindt zijn oorzaak niet in een technische noodwendigheid maar in een vergroting van het nuttige volume van de zolderruimte door het hoger aanzetten van de dakstructuur en het verhogen van de nokbalk. Uitbreidingen aan woningen in natuurgebied vallen eveneens buiten de uitzonderingsbepalingen van artikel 145bis. De voorgelegde aanvraag is in strijd met de planologische voorschriften van het gewestplan, de werken vallen buiten de uitzonderingsbepalingen van artikel 145bis en 195bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Verdere opportuniteitsafwegingen kunnen er dan ook niet in resulteren dat er voorbij kan gegaan worden aan de vermelde legaliteitsbelemmering voor het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning. 6/ De aanvraag behelst ook de regularisatie van een inbuizing van de baangracht ter hoogte van de Asdonkstraat. Een bestaande inbuizing van 5,80 meter lang, vlakbij de hoek met de Eikelenberg en een inbuizing van 5 meter lang, langs de Eikelenberg, worden weggenomen. De resterende inbuizing langs de Asdonkstraat, met een lengte van ongeveer 19 meter wordt X-14.091-6/9 naar het oosten toe verlengd met een nieuwe inbuizing van 10,80 meter, zodat de totale lengte van deze inbuizing op ongeveer 29,80 meter komt. Deze aanvraag valt onder toepassing van de provinciale stedenbouwkundige verordening met betrekking tot het overwelven van grachten, baangrachten en niet-gerangschikte onbevaarbare waterlopen, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 7 februari 2007 (Belgisch Staatsblad 28 februari 2007). Deze verordening bepaalt in artikel 4 dat het overwelven of inbuizen van grachten, baangrachten en niet-gerangschikte onbevaarbare waterlopen vergunningsplichtig is en dat een vergunning slechts kan verleend worden indien de overwelving of inbuizing strikt noodzakelijk is om toegang te krijgen tot een aanpalend perceel. De toegang en dus de overwelving of inbuizing kan maximaal 5 meter breed zijn en per perceel is niet meer dan 1 toegang vergunbaar. Om uitzonderlijke redenen die de aanvrager moet motiveren met dwingende technische argumenten kan een vergunning tot overwelving of inbuizing worden gegeven voor een ander doel dan het verlenen van toegang of kan afgeweken worden van de maximum breedte van 5 meter of van het maximum van 1 toegang per perceel. In de voorgelegde aanvraag wordt nergens een motivatie met dwingende technische argumenten gegeven om een totale inbuizing van 29,80 meter te vergunnen. De verwijdering van een bestaande inbuizing betekent niet dat een heraanleg elders mogelijk is. Voor de nieuwe overwelving is het maximum van 5 meter van toepassing. De aanvraag is dan ook in strijd met de provinciale stedenbouwkundige verordening. 7/ In bijkomende orde wordt vastgesteld dat de verschijningsvorm van het gebouw door het wijzigen van de dakhelling en de dakbedekking in riet ingrijpend gewijzigd wordt. In de aanvraag wordt gesteld dat de vormgeving en materiaalkeuze voortvloeien uit de zorg om het gebouw zijn authentieke karakter uit de jaren 1950 terug te geven. De motivering van de aanvrager kan echter niet bijgetreden worden. Nergens in het dossier wordt een bewijsstuk toegevoegd dat aantoont hoe het gebouw er vóór 1960 uitzag. Op 2 bijgevoegde foto’s die volgens de opschriften dateren uit de jaren 1940 is een langsgevelhoeve te zien met een dakbedekking in pannen en enkele raam- en deuropeningen. De deuropeningen komen niet overeen met de ingediende plannen, de ramen hebben geen luiken en de plint is niet voorzien in blauwe hardsteen maar in een cementering met steenmotief. Overwegende dat de overheid zorg moet dragen voor een kwalitatieve woonomgeving vanuit de plicht opgelegd in artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen; dat het standpunt van de gemeente en van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar kan bijgetreden worden; dat het in eerste instantie tot de bevoegdheid van de gemeente behoort om te waken over de goede ruimtelijke ordening van haar grondgebied; dat er geen redenen zijn om de motivering van de gemeente te heroverwegen; dat de ingediende plannen onnauwkeurig opgemaakt zijn en niet de werkelijk uitgevoerde toestand weergeven; dat het project in strijd is met de planologische voorschriften van het gewestplan en met de provinciale stedenbouwkundige verordening; dat de aanvraag om die redenen dan ook niet in aanmerking komt voor afgifte van een stedenbouwkundige vergunning”. 2. Grondvoorwaarden voor de schorsing 2.1. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de X-14.091-7/9 vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Artikel 17, § 3 van dezelfde wet bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat het enig verzoekschrift dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet moet aangeven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden. 2.2. De verzoekende partijen laten wat betreft de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende gelden: “Door de weigering van de stedenbouwkundige vergunning kan er op heden niet verder gewerkt worden aan het gebouw in kwestie. Er werden voorlopige maatregelen tot afdekking van het gebouw genomen, doch deze kunnen op lange termijn het gebouw niet beschermen tegen totale teloorgang. De handhaving van de bestreden beslissing en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid om het gebouw af te werken en te beschermen tegen de weerselementen zal een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan verzoekende partij berokkenen”. 2.3. De verwerende partij repliceert dat het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel “enkel en alleen te wijten (
  3. is)aan hun eigen onwettig optreden en (...) niet (kan) leiden tot een schorsing van de bestreden beslissing”, “de bestreden beslissing niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partijen de kwestieuze bouwwerken moeten afbreken” en niet is aangetoond dat het beweerde nadeel ernstig is. 2.4. Het aangevoerde nadeel mag niet te wijten zijn aan het eigengereid handelen van de verzoekende partijen. X-14.091-8/9 Zoals de verwerende partij terecht betoogt, is het aangevoerde nadeel het gevolg van het onwettig handelen van de verzoekende partijen, met name het zonder de vereiste stedenbouwkundige vergunning uitvoeren van de betrokken werken. Het nadeel vloeit dus niet voort uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. 2.5. Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf mei 2009, door : de H. P. LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. P. LEFRANC. X-14.091-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.179 Gerelateerde publicatie(
  4. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.238 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.