id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.183 Rolnummer: A. 192458/IX-6343 Zaak: Arrest 193183 - Penitentiair recht - 11/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-15 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:06 Fiche Arrest nr 193.183 van 11 mei 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.183 van 11 mei 2009 in de zaak A. 192.458/IX-
- In zake : Jurgen MICHIELS, die woonplaats kiest bij advocaat F. MENS, kantoor houdende te TESSENDERLO, Stationsstraat 24/001 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jurgen MICHIELS op 5 mei 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Hasselt van 13 maart 2009, waarbij verzoeker volgende tuchtsanctie wordt opgelegd : “3 maanden individueel regime (geen gemeenschappelijke eredienst gelet op risico smokkel van goederen, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten) + 6 maanden glasbezoek moeder”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2009, om 11.45 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. MENS, die verschijnt voor de verzoeker en van attaché X. LAUREYNS, die verschijnt voor de verweren- de partij; IX-6343-1/4 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.
- De verzoeker verblijft in de gevangenis te Hasselt. 1.
- Op 7 maart 2009 ontvangt de verzoeker het bezoek van zijn moeder in de strafinrichting. 1.
- Uit camerabeelden kan volgens het penitentiair personeel blijken dat op voornoemde datum de moeder van de verzoeker “een verdachte substantie” aan hem doorgaf. Er wordt een rapport aan de directeur opgemaakt. 1.
- De gevangenisdirecteur start een tuchtprocedure op, en op 13 maart 2009 vindt een hoorzitting plaats, tijdens dewelke de verzoeker wordt bijgestaan door zijn raadsman. 1.
- Op 13 maart 2009 beslist de directeur om aan de verzoeker de volgende straf op te leggen : “3 maanden individueel regime (geen gemeenschappelijke eredienst gelet op het risico van smokkel van goederen, individuele wandeling, geen gemeen- schappelijke activiteiten) + 6 maanden glasbezoek moeder”. 1.
- Dit is de bestreden beslissing die op dezelfde dag ter kennis wordt gebracht van de verzoeker. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige IX-6343-2/4 middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
- In verband met de eerste voorwaarde, de uiterst dringende noodzakelijkheid, voert de verwerende partij aan dat de bestreden beslissing reeds dateert van 13 maart 2009, terwijl het verzoekschrift pas op 5 mei 2009 per fax werd ingediend. Verzoeker heeft met andere woorden ruim anderhalve maand gewacht om zijn vordering aanhangig te maken. Het gedrag van de verzoeker is dan ook niet in overeenstemming met de uiterst dringende noodzakelijkheid. Bijgevolg is niet voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
- 2.
- De rechtspleging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is van die aard dat het recht van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum beperkt wordt. Met het oog op de gelijkheid tussen de procespartijen is dan ook vereist dat de verzoeker zichzelf geen langere termijn toekent dan nodig om zijn vordering in te stellen. Van de verzoeker wordt met andere woorden verwacht dat hij de nodige diligentie aan de dag legt, en dat hij niet onredelijk lang wacht met het indienen van zijn verzoekschrift. Te dezen blijkt dat de bestreden beslissing is genomen op 13 maart 2009, en dat de voorliggende vordering is ingesteld bij een verzoekschrift dat gedateerd is op 5 mei 2009 en dat op 5 mei 2009 aangetekend naar de Raad van State is gestuurd. Onder de rubriek “hoogdringendheid en vordering tot schorsing”, verantwoordt de verzoeker niet waarom hij zo lang gewacht heeft om de vordering in te dienen. Die rubriek gaat bovendien hoofdzakelijk over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en in beperkte mate over de uiterst dringende noodzakelijk- heid. Het argument ter zitting, ontwikkeld door de verzoeker in verband met de “prikacties” van de bewakers gericht tegen de gedetineerden die een procedure bij de Raad van State aanhangig maken, kan niet worden aangenomen. Nu de lange termijn tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het instellen van de voorliggende vordering niet wordt verantwoord en gelet op de rechtspraak van de Raad van State die een termijn van vijf dagen IX-6343-3/4 redelijk acht, te rekenen vanaf de kennisgeving van de bestreden beslissing, om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in het penitentiair tuchtrecht in te dienen, is de ingestelde vordering niet ontvankelijk.
- Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 11 mei 2009, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-6343-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.183 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.