id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.185 Rolnummer: Zaak: Arrest 193185 - Monumenten en Landschappen - 12/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:06 Fiche Arrest nr 193.185 van 12 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.185 van 12 mei 2009 in de zaken A. 135.557/X-11.381 (I) 151.439/X-11.864 (II) In zake : I. + II.
- Patrick DE PAUW,
- Elisabeth TEPPER, die woonplaats kiezen bij advocaten F. HAUMONT en M. SCHOLASSE, kantoor houdende te 1300 WAVER, Chemin du Stocquoy 1-3 tegen : I. + II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick DE PAUW en Elisabeth TEPPER op 16 april 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 februari 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten waaronder omwille van het algemeen belang gevormd door de historische en socio-culturele waarde als monument wordt beschermd de villa “Beaumesnil”, met omgevende tuin met nog deels behouden oorspronkelijke aanleg, gelegen te Knokke-Heist, Zoutelaan 126, kadastraal bekend sectie F, nr. 293/a; (I); Gezien het verzoekschrift dat Patrick DE PAUW en Elisabeth TEPPER op 4 mei 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 januari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende bescherming als monument, stads- of dorpsgezicht omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, in casu de architectuur-historische waarde en de socio-culturele waarde als monument van de villa “Beaumesnil”, met omgevende tuin met nog X-11.381+11.864-1/13 deels behouden oorspronkelijke aanleg, gelegen te Knokke-Heist, Zoutelaan 126, kadastraal bekend sectie F, nr. 293/a; (II) Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in beide zaken; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 1 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelasten in beide zaken; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 6 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC in beide zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. ERARD, die loco advocaten F. HAUMONT en M. SCHOLASSE verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P.-J. STAELENS, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET in beide zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging De zaken A. 135.557/X-11.381 en A.151.439/X-11.864 zijn dermate met elkaar verbonden dat het wenselijk is dat ze worden samengevoegd. X-11.381+11.864-2/13
- Feiten 2.
- Met een motiveringsnota van 4 november 2002 adviseert de afdeling monumenten en landschappen, na een situering en schets van de historische achtergrond van de residentiële badplaats het Zoute en een uitvoerige beschrijving van de villa Beaumesnil aan de Zoutelaan 126 te Knokke, wat volgt: “Dient te worden beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, in casu de architectuurhistorische en de socio-culturele waarde : De villa z.g. ‘Beaumesnil’ met omgevende tuin met nog deels behouden oorspronkelijke aanleg, gelegen te Knokke-Heist, Knokke, Zoutelaan 126, bekend ten kadaster, Knokke-Heist, 2de Afdeling, Sectie F, perceelsnummer 293 a. De historische, in casu de architectuurhistorische waarde, wordt als volgt beschreven : S Als zijnde representatief voor de geïndividualiseerde duinhuizen die worden opgetrokken aan de Oostkust, meer bepaald in Het Zoute, in het tweede kwart van de 20ste eeuw, bij de verdere uitbouw van de badplaats, in casu de residentiële villawijk. Dit type van ‘vrijetijdsarchitectuur’ introduceert in de ontwikkeling van de kustarchitectuur een nieuwe woonvorm en -stijl. De villa z.g. ‘beaumesnil’ wordt in 1933 opgetrokken aan de Zoutelaan, de rechtlijnige hoofdas van het Zoute. Dit als rechtstreeks gevolg van de verkaveling en bebouwing van de omliggende duingronden vanaf de jaren
- S Als zijnde een fraaie statige villa in cottagestijl met uitgesproken Anglo-Normandische stijlkenmerken in tuin met deels behouden oorspronkelijke aanleg. Opmerkelijk is het uitzonderlijke gaaf bewaard en rijkelijk uitgewerkt materiaalgebruik, met de perfect bewaarde afwerking : de hoge ongeschilderde bakstenen sokkel en de deels bepleisterde licht overkragende bovenbouw. Zeldzaam is dat bij deze villa echt vakwerk is gebruikt, o.m. in de puntgeveltoppen, waarvan enkele met windborden en volhouten gevelvelden. S Als getuige van het oeuvre van de belangrijke lokale architect Florimond Vervalcke (Knokke), één van de meest actieve architecten die, bij de verdere uitbouw van Het Zoute in het interbellum, de residentiële villawijk mee gestalte geeft. De socio-culturele waarde wordt als volgt omschreven : S Als ‘document’ dat de sfeer en wooncultuur van de zomerse vakantieganger weerspiegelt uit de toeristische periode in het interbellum aan de Oostkust, wanneer de residentiële badplaats Het Zoute verder uitgebouwd wordt en nieuwe villa’s en hotels worden opgetrokken voor het steeds groeiend aantal badgasten”. 2.
- Op 10 februari 2003 beslist de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken, op grond van de voormelde motieven in de motiveringsnota, om onder meer de villa Beaumesnil “met omgevende tuin met nog deels behouden oorspronkelijke aanleg” op een ontwerp van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorspgezichten te plaatsen. X-11.381+11.864-3/13 Een afschrift van dat besluit wordt bij aangetekende brief van 27 februari 2003 aan onder meer de eerste verzoeker verstuurd. Het betreft het bestreden besluit in zaak I. 2.
- Tijdens het openbaar onderzoek dient de eerste verzoeker een bezwaarschrift in waarin hij erop wijst dat de villa met tuin is gelegen in woongebied volgens het gewestplan en binnen het goedgekeurd bijzonder plan van aanleg nr. K-09 wijk Prins Karellaan (hierna het BPA), dat het voorlopig beschermingsbesluit enkel instandhoudings- en onderhoudswerken onder bepaalde voorwaarden toelaat, dat de erfdienstbaarheden in strijd met artikel 5, § 1 van het monumentendecreet niet worden vermeld, dat het voorlopig beschermingsbesluit de toepasselijke voorschriften van het BPA miskent, dat het de uitvoering van een recent verleende stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van een carport onmogelijk maakt en het gelijkheidsbeginsel schendt omdat naburige villa’s niet op de lijst werden opgenomen en dat de motivering slechts uit standaardformules bestaat. 2.
- Het college van burgemeester en schepenen van Knokke brengt op 11 april 2003 voorwaardelijk gunstig advies uit. De provinciale afdeling ruimtelijke ordening brengt op 15 april 2003 gunstig advies uit. De bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen brengt op 2 mei 2003 gunstig advies uit. 2.
- Met een nota van 7 mei 2003 weerlegt de afdeling monumenten en landschappen de bezwaren van de eerste verzoeker als volgt: “
- Een bescherming als monument is niet in tegenspraak met het BPA, doch vormt er een aanvulling en verfijning van. De bestemmingen en stedenbouwkundige voorschriften van de BPA’s blijven van toepassing in die mate dat er rekening gehouden wordt met het bindend advies van Monumenten en Landschappen. S Het beleidsmatig streven naar een coördinatie tussen ruimtelijke ordening en monumenten en landschappen en naar de integratie van het cultureel erfgoed in de ruimtelijke structuur- en uitvoeringsplannen doet uiteraard geen afbreuk aan de decretale bevoegdheid tot het beschermen van monumenten en stads- en dorpsgezichten. S De bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten is een bevoegdheid van het Vlaamse gewest en niet van de gemeentelijke regelgever die bevoegd is voor het opmaken en wijzigen van BPA’s. S Bijkomend kan nog worden opgemerkt dat de integratie van de beschermde monumenten en landschappen in de ruimtelijke structuur- en uitvoeringsplannen nog geen feit is. Het streven naar deze integratie is vnl. bedoeld voor het behoud van ons cultureel erfgoed en kan dus X-11.381+11.864-4/13 uiteraard niet uitgelegd worden tegen de bescherming van monumenten en landschappen. Een voorzichtig begin van de integratie is alvast te vinden in artikel 195bis van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de ruimtelijke ordening. Voor de beschermde monumenten geldt geen gebiedsbeperking. Het uitvoeren van zonevreemde bouwwerken of functiewijzigingen aan een beschermd monument kan in principe in elk bestemmingsgebied worden uitgevoerd. S Bij de bescherming als monument zou er aldus geen sprake kunnen zijn van strijdigheid met de planologische voorschriften. S Het is vanzelfsprekend dat een bescherming van een monument geen bevriezing inhoudt. Instandhoudings- en onderhoudwerken worden niet tegengewerkt door een bescherming, die weliswaar het behoud van het pand beoogt waardoor volledige afbraak niet meer mogelijk is. De wijzigingen die men wil aanbrengen aan een gebouw dienen voorgelegd te worden ter advies aan de dienst Monumenten en Landschappen. De procedures voor onderhouds- en restauratiepremies worden begeleid door de dienst Monumenten en Landschappen; de financiële tegemoetkomingen liggen vast in de betreffende wet-, decreet- en regelgeving. S Een mogelijke bescherming als monument tast op generlei wijze het eigendomsrecht van de eigenaars aan. Het niet vermelden van de erfdienstbaarheden in het betrokken besluit, wijst er op dat er geen bijkomende specifieke erfdienstbaarheden worden opgelegd dan deze vermeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten, gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995 en in het Besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten. S Betreffende de reeds toegekende stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van een carport werd door de dienst Monumenten en Landschappen middels een schrijven dd. 16 april 2003 bevestigd geen bezwaren te hebben tegen de uitvoering ervan. Hierdoor vervalt ook het bezwaar ter vordering van schadevergoeding.
- In de ‘Inventaris van het bouwkundig erfgoed in Knokke-Heist’ (opgemaakt door onze diensten in 2001), werd al het waardevol bouwkundig erfgoed opgenomen van betreffende gemeente. In de straatinleidingen werd het begeleidend waardevol bouwkundig erfgoed opgenomen, de meer beeldbepalende panden werden met een korte typering opgenomen als item. Dit gebeurde ook met de panden gelegen langs de Zoutelaan. Na grondige selectie en evaluatie van de panden in Het Zoute (aan de hand van o.m. literatuur- en archiefonderzoek) werd onderhavige lijst beschermingsvoorstellen opgemaakt. S De villa ‘Beaumesnil’ onderscheidt zich van de overige -lokaal waardevolle- panden in Het Zoute om redenen gestaafd aan de hand van de waarden in het gemotiveerd advies. Bovendien werd de betreffende villa reeds enkele jaren terug door vzw Sint-Lucasarchief aangeduid als ‘te beschermen als monument’ (...), wat stellig kan beschouwd worden als een objectief criterium.
- De motivering van het rangschikkingbesluit bevat enkele formuleringen die terugkeren bij andere representatieve en ter bescherming voorgestelde panden in Het Zoute, eigen aan de in wezen zelfde context en/of bouwperiode. Toch wordt bij elk afzonderlijk besluit individuele waarden aangehaald die motiveren waarom juist betreffend pand zich onderscheidt van het andere -lokaal waardevolle- bouwkundig erfgoed in de villawijk. Hier in casu de aangehaalde architectuurhistorische X-11.381+11.864-5/13 waarde betreffende o. m. aanleg van de tuin, materiaalgebruik en - afwerking (o. m. gebruik van echt vakwerk)”. 2.
- Op 3 juli 2003 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) eenparig een gemotiveerd gunstig advies uit. De KCML neemt de motieven voor de bescherming in de voormelde motiveringsnota over. 2.
- Met het in zaak II bestreden besluit van 27 januari 2004 beslist de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken tot bescherming als monument van de villa met omgevende tuin. De minister neemt ter verantwoording de motieven van de KCML over in de bestreden akte.
- Ontvankelijkheid van het beroep in de eerste zaak (A.135.557) 3.
- Door het definitieve beschermingsbesluit (het bestreden besluit in de zaak sub II) heeft het in deze zaak bestreden besluit geen rechtsgevolgen meer. Zelfs indien het definitieve beschermingsbesluit zou worden vernietigd, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is, kan het voorlopig beschermingsbesluit overeenkomstig artikel 5, § 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet) geen uitwerking meer hebben. De verzoekers hebben bijgevolg geen actueel belang meer bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. 3.
- Het beroep tot nietigverklaring is onontvankelijk.
- Ten gronde (zaak II - A. 151.439) 4.1.
- In een eerste middel voeren de verzoekers de schending aan van de artikelen 7 en 8, § 2 van het monumentendecreet omdat het bestreden besluit “geen melding maakt van de algemene en eventuele specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud noch melding maakt van de bijzondere beperkingen” waardoor zij “niet in staat (zijn) gesteld om (...) de algemene voorschriften te kennen inzake instandhouding en onderhoud” die nochtans eigendomsbeperkingen zijn. Zij laten gelden dat “een loutere verwijzing naar de geldende wetgeving inzake voorschriften van instandhouding en onderhoud (...) verzoekers niet in staat (stellen) X-11.381+11.864-6/13 deze voorschriften te kennen” en dat evenmin “de bijzondere beperkingen die met het oog op de vrijwaring van de wezenlijke kenmerken van het beschermde monument aan het eigendomsrecht worden gesteld”, zoals vereist in artikel 8, § 2 van het monumentendecreet, worden vermeld in het bestreden besluit. 4.1.
- Artikel 2 van het bestreden besluit bepaalt dat met het oog op de bescherming de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het onderhoudsbesluit), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 maart 1994, van toepassing zijn. Het onderhoudsbesluit bevat geen erfdienstbaarheden maar een geheel van onderhouds- en instandhoudingsverplichtingen. Die voorschriften in het onderhoudsbesluit zijn principieel van rechtswege van toepassing op de definitief beschermde monumenten. Artikel 1 van dit besluit, met als rechtsgrond artikel 5, §§ 3 en 4, en artikel 11, § 1 van het monumentendecreet, bepaalt immers dat dit besluit van toepassing is op onder meer de monumenten en de stads- en dorpsgezichten die met toepassing van het monumentendecreet definitief beschermd zijn, en dat de voorschriften van dit onderhoudsbesluit slechts van toepassing zijn voor zover zij niet afwijken van de specifieke voorschriften bepaald in het definitieve beschermingsbesluit. Dit besluit legt aldus verplichtingen op die gelden voor alle beschermde monumenten, zelfs indien deze niet uitdrukkelijk in het beschermingsbesluit zelf zijn vermeld. In het bestreden besluit werden geen specifieke voorschriften opgenomen. Bijgevolg vinden de door de verzoekers bedoelde eigendomsbeperkingen hun grondslag in het onderhoudsbesluit dat door de Vlaamse regering werd genomen in uitvoering van het monumentendecreet en in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. Het middel is ongegrond. 4.2.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 5, § 1 van het monumentendecreet omdat het bestreden besluit en het voorlopig beschermingsbesluit “geen melding maken van de erfdienstbaarheden die met het oog op de bescherming worden opgelegd” en “een enkele verwijzing naar de wet inzake instandhouding en onderhoud van monumenten, zoals onder artikel 2 van het bestreden besluit wordt gedaan, (...) niet op geldige wijze artikel 5, § 1 van het voormeld decreet (kan) vervangen daar waar duidelijk wordt gesteld dat de ontwerpen van lijst de erfdienstbaarheden vermelden die met het oog op de bescherming worden opgelegd” zodat de erfdienstbaarheden “hen dan ook niet X-11.381+11.864-7/13 tegenstelbaar” zijn en het voorlopig beschermingsbesluit overeenkomstig artikel 5, § 1 van het monumentendecreet nietig is. 4.2.
- De regelmatigheid van het (definitief geworden individuele) besluit van 10 februari 2003 kan niet meer betwist worden, ook niet bij wege van een op artikel 159 van de Grondwet gesteunde exceptie van onwettigheid. Het tweede middel is in zoverre onontvankelijk. In zoverre het middel het bestreden besluit bekritiseert gaat het op in het eerste middel dat ongegrond werd bevonden. 4.3.
- Het derde middel is genomen uit de schending van het bij ministerieel besluit van 23 juni 1988 goedgekeurde BPA nr. K-09 wijk Prins Karellaan (hierna: het BPA) en van de artikelen 2, § 1, en 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- De verzoekers betogen dat het kwestieuze terrein gelegen is in de zone 1.1 en 1.2 van het BPA waar nieuwbouw, verbouwings- en uitbreidingswerken onder de gestelde voorwaarden mogelijk zijn, en “het bestreden besluit (...) het(...) onmogelijk (maakt) om tot de verwezenlijking van dergelijke door het BPA toegelaten werken over te gaan” zodat het “de uitvoering van het voormeld BPA in al zijn bepalingen onmogelijk” maakt. 4.3.
- Om wettig te zijn moet een beschermingsbesluit, zoals iedere individuele overheidsbeslissing, kunnen worden ingepast in bestaande wetten en in bestaande, regelmatig vastgestelde hogere rechtsnormen, zijnde niet alleen de normen die de tot beschermen bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, maar ook de verordenende bepalingen die andere administratieve overheden tot stand hebben gebracht, als met name de voorschriften van definitief vastgestelde plannen van aanleg. Uit wat voorafgaat volgt niet dat de bescherming van een monument ipso facto in strijd is met de bestemming woongebied die werd aangevuld met het BPA en dat in een gebied dat volgens het gewestplan is bestemd voor bewoning aangevuld met de voorschriften van het BPA geen bescherming als monument of als dorps- of stadsgezicht mogelijk is. De verzoekers houden niet voor dat het bestreden besluit strijdig zou zijn met de gewestplanbestemming woongebied. Van een onwettigheid van het beschermingsbesluit wegens schending van het BPA kan slechts sprake zijn wanneer bepaalde voorschriften van X-11.381+11.864-8/13 het beschermingsbesluit de verwezenlijking ervan verhinderen. Op zich is het niet onwettig dat met toepassing van het monumentendecreet bijkomende bepalingen en verplichtingen worden opgelegd. 4.3.
- Het kwestieuze terrein is volgens het gewestplan Brugge-Oostkust gelegen in een woongebied waarvoor de aanvullende voorschriften van zone 1.1 en 1.2 volgens het BPA gelden. Die zone is bestemd voor “alleenstaande of gekoppelde eengezinswoningen (voor percelen tot maximum 2.000m²) of alleenstaande of gekoppelde eengezinswoningen en dubbelwoonsten (voor percelen vanaf 2.000m²)” waar ingeval de “bestaande toestand niet strookt met deze van het BPA (...) bij volledige nieuwbouw de bestemming volgens het BPA (dient) doorgevoerd” te worden en waar “verbouwings- en/of uitbreidingswerken aan deze gebouwen zijn (...) toegelaten binnen de perken opgelegd door het BPA”. 4.3.
- Het feit dat het kwestieuze terrein van de verzoekers sedert de goedkeuring van het BPA is gelegen in de BPA zones 1.
- en 1.
- heeft dus niet tot gevolg dat zij hoe dan ook de door hen beoogde nieuwbouw-, verbouwings- en/of uitbreidingswerken kunnen doen. Te dezen omvat het bestreden beschermingsbesluit geen specifieke beperkingen of verbodsbepalingen. In artikel 2 worden zonder meer de beschikkingen van het voormelde onderhoudsbesluit van toepassing verklaard. De verzoekers tonen niet aan dat deze beschikkingen de verwezenlijking van het BPA zouden verhinderen. Het middel is niet gegrond. 4.4.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekers stellen dat de villa Beaumesnil als monument wordt beschermd in tegenstelling tot “de onroerende goederen gelegen aan de Elisabethlaan te Knokke-Heist aan de nummers 25-27 en 43 (die) hetzelfde uitzicht hebben”, “het onroerend goed dat te koop wordt geboden in het tijdschrift Immo Thalassa”, “het onroerend goed gelegen aan de Karenlaan 1” dat “dezelfde stijl en kenmerken” heeft, “het onroerend goed gelegen (is) juist naast de eigendom van verzoeker (aan de Zoutelaan nr. 128) en dat nog in zijn volledige originele bouwstaat bestaat als een statige villa in cottagestijl met uitgesproken Anglo-Normandische stijlkenmerken met hoge ongeschilderde bakstenen en met de aanwezige andere kenmerken die in het bestreden rangschikingsbesluit worden aangehaald”. X-11.381+11.864-9/13 4.4.
- Het gelijkheidsbeginsel kan slechts geschonden zijn indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. Het behoort aan de verzoekers die aanvoeren dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen. 4.4.
- Deze grief werd door de eerste verzoeker als een bezwaar geformuleerd in de beschermingsprocedure die geleid heeft tot de gemotiveerde, door de verzoekers inhoudelijk niet betwiste weerlegging door de afdeling monumenten en landschappen (randnummer 2.5). 4.4.
- In die omstandigheden maken de verzoekers niet aannemelijk dat zij in gelijke omstandigheden op een verschillende wijze werden behandeld dan derden. Het vierde middel is bijgevolg ongegrond. 4.5.
- Het vijfde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna de motiveringswet). De verzoekers betogen dat het bestreden besluit “tal van vage argumenten en feitelijke vergissingen inhoudt en de realiteit ter plaatse verkeerd beoordeelt door ondermeer abstractie te maken van de in het verleden gedane wijzigingen, verbouwingswerken en met de veranderingen en bijgebouwen die in de voorbije jaren werden gedaan en/of opgericht aan en op de eigendom van verzoekers en de omgevende tuin” en “uit standaardformules” bestaat. Zij stellen dat “de historische waarde van de eigendom (...) volledig verdwenen is nu vaststaat dat sedert 1995 zij daaraan systematisch verbouwingswerken hebben uitgevoerd die de sloping van de het oorspronkelijke materiaal met zich mee hebben gebracht alsook de tuin die volledig werd heraangelegd zodat men ook ten onrechte (...) spreekt over ‘tuin met deels behouden oorspronkelijke aanleg’”. 4.5.
- In artikel 1 van het bestreden beschermingsbesluit wordt uitdrukkelijk gemotiveerd waarom de bescherming van de villa Beaumesnil met omgevende tuin met nog deels behouden oorspronkelijke aanleg als monument door de overheid van algemeen belang wordt geacht. Zoals hierboven werd weergegeven, wordt de historische, te dezen architectuurhistorische en de socioculturele waarde van de villa uitdrukkelijk omschreven in het beschermingsbesluit. De juridische en X-11.381+11.864-10/13 feitelijke overwegingen die aan het beschermingsbesluit ten grondslag lagen, worden uitdrukkelijk vermeld in het besluit en de verzoekers konden met kennis van zaken uitmaken of zij al dan niet beroep gingen instellen tegen het beschermingsbesluit. De formele motiveringsverplichting die volgt uit de motiveringswet werd niet geschonden. 4.5.
- Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel als monument beschermingswaard is. De Raad vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. 4.5.
- Te dezen vinden de hiervoor aangehaalde motieven voor de architectuurhistorische en socioculturele waarde van de villa met omgevende tuin steun in de motiveringsnota van het bestuur Monumenten en Landschappen, die zelf gebaseerd is op een aantal historische en andere publicaties, en in de hiervoor aangehaalde gemotiveerde weerlegging door hetzelfde bestuur van de bezwaren die de eerste verzoeker heeft ingediend in het kader van de beschermingsprocedure. Deze architectuurhistorische en socioculturele gegevens zijn concreet. De verzoekers, die zich grotendeels beperken tot een louter hernemen van hun tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren die door het bestuur werden weerlegd, tonen met een niet ondertekend verslag van hun architect met vage aanwijzingen van “wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke plannen van de villa” niet aan dat deze concrete gegevens onjuist zouden zijn te meer omdat in de beschrijving van de villa met tuin in de motiveringsnota sprake is van een latere uitbreiding met twee volumes zonder monumentwaarde, een vernieuwde tuinmuur, een tuin die enkel aan de voorzijde nog een oorspronkelijke aanleg heeft, een vernieuwd interieur en aankleding van de villa en een deels vernieuwde balkenzoldering. Het feit dat dezelfde waarden als die van de beschermde villa, kunnen toegekend worden aan andere, niet beschermde villa’s, doet aan die vaststelling niets af. Het vijfde middel is niet gegrond. X-11.381+11.864-11/13 4.6.
- Het zesde middel is genomen uit de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europese Verdrag voor de Bescherming van de rechten van de Mens. De verzoekers betogen dat hun eigendomsrecht wordt aangetast omdat het wordt “verzwaard met erfdienstbaarheden” zonder enige verantwoording. 4.6.
- Uit de bescherming als monument vloeien beperkingen voort die rechtens geen onteigening en evenmin een eigendomsberoving zijn, doch wel als een beperking van het “recht op het ongestoord genot van hun eigendom”, zoals het wordt omschreven in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, dienen te worden aangemerkt. Een beperking van “het ongestoord genot” van het eigendom houdt evenwel niet ipso facto een schending in van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. Het tweede lid van artikel 1 bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”. Het monumentendecreet maakt de bescherming van een monument mogelijk “omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang (...)”. De auteurs van het bedoeld decreet hebben de bescherming en het behoud van monumenten, stads- en dorpsgezichten noodzakelijk geacht omdat “de grote bevolkings- en bewoningsdichtheid, de snel voortschrijdende industrialisering en de vlugge verstedelijking van het gehele grondgebied dit patrimonium (het materieel kunstpatrimonium) meer en meer bedreigen” (Memorie van Toelichting, Parl. St., Ned. Cult. R., 1973-1974, 122/1, p. 1). Een beschermingsbesluit zoals te dezen om reden van de architectuurhistorische en socioculturele waarde kan dan ook worden ingepast in artikel 1, tweede lid, van het Eerste Aanvullend Protocol. Uit de bespreking van het vijfde middel is reeds gebleken dat het bestreden besluit is gesteund op draagkrachtige motieven. Het zesde middel is ongegrond. X-11.381+11.864-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A. 135.557/X-11.381 en A. 151.439/X-11.864 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf mei 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.381+11.864-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div