← België

Arrest 193267 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.267 Rolnummer: A. 75887/X-7811 Zaak: Arrest 193267 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Fiche Arrest nr 193.267 van 13 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.267 van 13 mei 2009 in de zaak A. 75.887/X-7811. In zake : 1. Louis SMETS, 2. Augusta VAN DEN WOUWER, die woonplaats kiezen bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160, 2. de gemeente HEIST-OP-DEN-BERG. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis SMETS en Augusta VAN DEN WOUWER op 29 september 1997 hebben ingediend om de nietig- verklaring te vorderen van het besluit van 15 juli 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep namens Augusta VAN DEN WOUWER ingesteld tegen de beslissing van 13 februari 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de verzoekende partijen de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van een stal aan de Koppenstraat te Heist-op-den-Berg, kadastraal bekend sectie E, nr. 55/r; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; Gezien de memorie van wederantwoord ten aanzien van de eerste verwerende partij en de toelichtende memorie ten aanzien van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur J. CLEMENT; X-7811-1/9 Gelet op de beschikking van 21 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 16 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VANSTIPELEN, die loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 9 februari 1995 (datum van het ontvangstbewijs) ontvangt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg een bouwaanvraag van de eerste verzoekende partij voor “het regulariseren van een stalling” op een perceel gelegen aan de Koppenstraat 3 te Heist-op-den-Berg. 1.2. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen een gebied waar een door de Koning -thans de Vlaamse Regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Krachtens het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen is het betrokken perceel gelegen in agrarisch gebied. X-7811-2/9 1.3. Het college van burgemeester en schepenen verleent op 25 april 1995 een ongemotiveerd gunstig pre-advies. 1.4. De gemachtigde ambtenaar brengt op 13 februari 1996 volgend ongunstig advies uit: “De stal en het melkhuis dienen opgericht op minstens 10m van de perceelsgrenzen en van de garage. De bestaande stal is esthetisch niet verantwoord”. 1.5. Op 6 maart 1996 vordert de gemachtigde ambtenaar krachtens artikel 65 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw op het betrokken perceel de afbraak van onder meer de stal. 1.6. Op 21 mei 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg de gevraagde vergunning. 1.7. Op 13 februari 1997 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de verzoekende partijen tegen het voormelde besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heist-op-den-Berg en wordt de regularisatievergunning opnieuw geweigerd. In dit besluit wordt onder meer overwogen hetgeen volgt: “Overwegende dat het terrein in aaneengesloten orde bebouwd is met een woning, een bergplaats, een garage, een melkhuis en een stal; dat hoewel niet enkel de stal, maar ook het melkhuis en de garage blijkbaar zonder vergunning werden opgericht, enkel van de stal de regularisatie gevraagd wordt; Overwegende dat de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land op 31 mei 1995 een gunstig advies over de aanvraag heeft uitgebracht; dat de kleine stal door de op het aanpalend terrein wonende zoon van de aanvrager, die landbouw uitoefent in nevenactiviteit, gebruikt wordt; Overwegende dat met het oog op de goede ruimtelijke ordening in agrarisch gebied agrarische gebouwen op minimum 10 m achter de gebouwen ten behoeve van het wonen en op minimum 6 m uit de perceelsgrenzen dienen te worden opgericht; dat de stal op minder dan 10 m achter de garage bij de woning en op ongeveer 0,50 m van de perceelsgrens werd opgericht; dat daardoor de goede ruimtelijke ordening in het gedrang gebracht wordt; Overwegende dat in agrarisch gebied baksteenmetselwerk als gevelmateriaal en zwarte of rode p.v.c.-golfplaten of pannen als dakbedekking dienen te worden aangewend; dat de gevels van de stal echter in grijze betonblokken en de dakbedekking in ijzeren golfplaten werd uitgevoerd; dat de gebruikte materialen in agrarisch gebied niet kunnen worden aanvaard”. X-7811-3/9 1.8. Met het bestreden besluit van 15 juli 1997 verwerpt de minister het beroep namens Augusta VAN DEN WOUWER tegen het voormelde besluit van de bestendige deputatie en wordt de regularisatievergunning opnieuw geweigerd: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het regulariseren van een bestaande stal voor rundvee; dat deze stal nieuw gebouwd werd op dezelfde plaats waar vroeger reeds een stal stond; Overwegende dat het gaat om een stal die 11m breed en 16.2m diep is, en een hoogte heeft van 3.15m tot 5.15m; dat deze stal ingeplant is op slechts 50cm van de rechter perceelsgrens, en op een afstand van 1.4m tot 50cm van de linker perceelsgrens; dat door deze zeer kleine afstand tot de perceelsgrenzen de zorg voor de openheid van het agrarisch gebied volledig op de aanpalende percelen gelegd wordt; dat het hierdoor ook niet mogelijk is om op de strook tussen de gebouwen en de perceelsgrens enige groeninkleding te voorzien; Overwegende dat het gebouw deel uitmaakt van een esthetisch onverzorgde en in zijn globaliteit zeer amalgame uitbouw die veel te diep in het open gebied dringt en die een te grote bebouwde oppervlakte voor het smalle terrein inhoudt; dat de gebruikte materialen en de uitvoeringswijze geen duurzaam verzorgd aspect van het gebouw kunnen waarborgen; dat de aanvrager zich echter bereid verklaarde om eventueel het gebouw aan de buitenzijde verder af te werken met een gevelsteen en een pannendak; Overwegende dat het linksaanpalend perceel eigendom is van de zoon van de aanvrager, die bovendien de gebruiker is van deze stal; dat het rechtsaanpalend perceel daarentegen andere eigenaars heeft; dat de hinder zich dus voornamelijk aan deze kant situeert; Overwegende dat om deze redenen het gebouw inzake perceelsinrichting niet voldoet aan de eisen van een behoorlijke ruimtelijke ordening; dat het beroep van de particulier dus verworpen dient te worden”. 2. Ten gronde 2.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen, naast machtsoverschrijding en -afwending, de schending aan van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) en van het gewestplan Mechelen. De verzoekende partijen betogen “dat de bevoegde overheden, na ettelijke jaren thans volkomen ten onrechte dwars liggen en aan de hand van niet ernstige argumenten de regularisatie van de verbouwing van de landbouwinrichting tegen(...)gaan”, “de inrichting en uitbating van verzoekers, op geen enkele wijze het landbouwgebied schenden”, “er nauwelijks nog kan gesteld worden dat dit een onaangetast landbouwgebied zou betreffen”, “(

  1. er)geen sprake is van enige uitbreiding van het bedrijf”, “de gevraagde vergunning enkel betrekking heeft op de bestaande stalling en (...) verzoekers zich bereid hebben verklaard om het gebouw aan de buitenzijde verder af te werken met gevelsteen en pannendak”, X-7811-4/9 het “niet opgaat om verzoekers (...) hun regularisatie te weigeren juist omwille van een onesthetisch uitzicht zijnde in casu een wachttoestand”, “er ter plaatse geen enkele wetgeving iets voorschrijft m.b.t. de afstand tot de perceelsgrenzen, en dat de thans vooropgestelde 10 m. volkomen uit de lucht gegrepen zijn”, “de gevraagde regularisatie zich situeert op een terrein met een gedeeltelijk bestaand groen scherm en slechts ter vervanging van een bestaande stalling werd opgericht zodat er geen sprake kan zijn van een grotere belasting van de bestaande open ruimte of van de schoonheidswaarde van het gebied”, “zich in de onmiddellijke en nabije omgeving een groot deel bouwwerken bevinden zoals woningen met bijgebouwen, zelfs industriële bedrijven” met “pal aan de overkant van de Koppenstraat een industrieel bedrijf dat zich bezighoudt met het verwerken van afbraakmaterialen (...) opgetrokken in gewone grijze betonplaten (...) als gevelmateriaal en met een zwart golfplaten dak”, zich “iets verderop in de straat (...) nog een ander bedrijfsgebouw bevindt waarvan de inplanting op de perceelsgrenzen voor zich spreekt” en “eveneens (...) buitenafwerking in grijze beton(n)en platen (...) met een grijs golfplaten dak” heeft, en “aan de achterzijde van het perceel van” verzoekende partijen zich “bovendien een industriële vrachtwagenwasserij (...) tot op enkele cm’s van de perceelsgrens” bevindt, “de facto (...) de vernieuwing van deze stal voor melk en rundvee (...) op geen enkele wijze een visuele belasting te noemen (
  2. is)voor het agrarisch gebied, gelet op de ter plaatse reeds bestaande gebouwen en landbouwbedrijven, terwijl (...) verzoekers vruchteloos gepoogd hebben om vanwege de administratie (...) de nodige instructies te bekomen voor de verdere afwerking langs de buitenkant van dit gebouw”, “in dit gebied geen verdere beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de aard van de op te richten landbouwbedrijfsgebouwen”, “het kwestieus gebouw (...) één geheel (vormt) met (het) melkhuis en (daarbij) dan ook aan(sluit)”, de “Minister zijn beslissing (dan ook) niet heeft gesteund op eigen onderzoek of onderzoek door zijn diensten en (...) de bestreden beslissing gestoeld is op onjuiste feitelijke gegevens”. In de memorie van wederantwoord voegen zij daaraan toe dat de verwerende partij “volledig is voorbijgegaan aan het feit dat ook de achterliggende percelen deel uitmaken van het bedrijf en eigendom van verzoekers en volledig open gelaten zijn als graasweides voor het melkvee” en “bovendien (...) verwarring probeert te zaaien omtrent de exacte afstand tot de perceelsgrens:(...) in werkelijkheid (staat) de stal minstens over de gehele lengte op 65 cm. van de grens (...) en het huis op 2m.45 à 1m.50, terwijl de rechts gelegen woning op 4m.20 à 9m.15 van de perceelsgrens is ingeplant met dien verstande dat de oriëntatie van de X-7811-5/9 beide huizen derwijze is, dat zij langs de straatkant meer dan 11 m. uiteen liggen, zodat de open ruimte ter plaatse gevrijwaard blijft”. 2.1.2. In beginsel is er slechts sprake van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de haar door de wet met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang gegeven bevoegdheid gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dat ander oogmerk het enige doel van de betrokken bestuurs- handeling is. De verzoekende partijen brengen geen concrete gegevens bij ter staving van de door hen aangevoerde machtsafwending, met name dat de minister zijn bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening uitsluitend zou hebben gebruikt ter verwezenlijking van een ander doel dan datgene waarvoor hem deze bevoegdheid door de wet is toegewezen, in casu de vrijwaring in het algemeen belang van de goede ruimtelijke ordening. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Er is geen reden om de zaak met toepassing van artikel 91 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verwijzen. 2.1.3. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 11 en 15 van het inrichtingsbesluit en van het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied in het toepasselijke gewestplan, zonder aan te geven waarin de schending van deze rechtsregels zou bestaan. In zoverre is het middel onontvankelijk. 2.1.4. De Raad van State is niet bevoegd de door de overheid gedane beoordeling van de aanvraag over te doen en mag zijn beoordeling van de eisen van de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheids- toezicht op een voor hem aangevochten bouwvergunning enkel bevoegd om na te gaan of de bevoegde overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. 2.1.5. Anders dan de verzoekende partijen aanvoeren, blijkt uit de gegevens van het dossier dat het bestreden besluit is gesteund op een eigen onderzoek van het dossier. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Voorts X-7811-6/9 blijkt dat de in het bestreden besluit opgegeven afmetingen en inplanting van de stal overeenstemmen met het bij de aanvraag gevoegde plan van de verzoekende partijen. Anders dan de verzoekende partijen laten veronderstellen, maakt het bestreden besluit geen gewag van een onaangetast karakter van het betrokken agrarisch gebied, doch wel van een openheid ervan. De verzoekende partijen betwisten niet de gebruikte materialen, meer bepaald grijze betonblokken en ijzeren golfplaten, en evenmin dat het links aanpalende perceel eigendom is van de zoon van de verzoekende partijen die gebruiker is van de stal en het rechts aanpalende perceel eigendom is van derden. Zij brengen voorts geen concrete gegevens aan die het mogelijk maken om te besluiten dat de minister niet met de nodige zorgvuldigheid te werk is gegaan bij het voorbereiden en nemen van het bestreden besluit of dat dit besluit gesteund zou zijn op onvolledige en/of onjuiste feitelijke gegevens. In zoverre het middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel is het ongegrond. 2.1.6. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van haar beslissing kennelijk onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij op evidente wijze een onjuist gebruik van haar beleidsvrijheid heeft gemaakt. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de verwerende partij in het bestreden weigeringsbesluit de eisen van een goede plaatselijke aanleg kennelijk onredelijk zou hebben beoordeeld door aan te nemen dat door de zeer kleine afstand tussen de stal en de perceelgrenzen de zorg voor de openheid van het agrarisch gebied volledig op de aanpalende percelen gelegd wordt en het hierdoor ook niet mogelijk is om op de strook tussen de gebouwen en de perceelgrens enige groenkleding te voorzien, voorts dat het gebouw deel uitmaakt van een esthetisch onverzorgde en in zijn globaliteit zeer amalgame uitbouw die veel te diep in het open gebied dringt en een te grote bebouwde oppervlakte voor het smalle terrein heeft, dat de gebruikte materialen en de uitvoeringswijze geen duurzaam verzorgd aspect van het gebouw kunnen waarborgen en dat het gebouw inzake perceelinrichting niet voldoet aan de eisen van een behoorlijke ruimtelijke ordening. Het middel is in zoverre ongegrond. 2.2.1. Een tweede middel is genomen uit de schending van de motiveringsverplichting. De verzoekende partijen betogen dat de minister “niet antwoordt op de door verzoekers in hun beroepsschrift aan hem gericht en de ter X-7811-7/9 gelegenheid van de hoorzitting uiteengezette argumentatie”, en “de motivering weergegeven door de (...) minister pertinent inhoudelijk onjuist is”. De verzoekende partijen betogen verder dat de minister “ervanuitgaat dat de zoon van aanvragers de enige gebruiker zou zijn van deze stal wat ten stelligste door verzoekers betwist wordt, nu deze uitbating door zowel verzoekers als de zoon samen word(
  3. t)uitgebaat zodat dan ook bijgevolg voor de juiste inschatting van de inplanting en de openheid van het terrein ter plaatse dient rekening gehouden te worden met het terrein dat in eigendom toebehoort aan deze zoon en links van het perceel van verzoekers is gelegen”. 2.2.2. Wanneer de deputatie en de Vlaamse regering op grond van artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in beroep uitspraak doen over een bouw- of verkavelings- vergunning, treden zij niet op als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de hun opgelegde motiveringsverplichting, niet er toe gehouden zijn al de in het beroep aangevoerde middelen of argumenten rechtstreeks en punt na punt te beantwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij is verantwoord. Het eerste middelonderdeel is bijgevolg ongegrond. 2.2.3. Bij de bespreking van het eerste middel is reeds gebleken dat het bestreden besluit niet is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of motieven. Ook het tweede middelonderdeel is ongegrond. 2.2.4. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden wordt er in het bestreden besluit niet van uitgegaan dat hun zoon de “enige” gebruiker van de kwestieuze stal is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-7811-8/9 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien mei 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-7811-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.267 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.