← België

Arrest 193279 - Milieuvergunningen - 14/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.279 Rolnummer: A. 191188/VII-37315 Zaak: Arrest 193279 - Milieuvergunningen - 14/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Fiche Arrest nr 193.279 van 14 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.279 van 14 mei 2009 in de zaak A. 191.188/VII-37.

  1. In zake :
  2. Carolina VAN LOEY,
  3. de VZW MC DE STROECKX VRIENDEN, die woonplaats kiezen bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Carolina VAN LOEY en de VZW MC DE STROECKX VRIENDEN op 22 januari 2009 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 13 november 2008 waarbij het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 12 juni 2008, waarbij uitspraak gedaan werd over het beroep van de VZW NATUURPUNT SCHIJNVALLEI tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004 tot vergunning, voor de duur van vijf jaar, aan de VZW MC DE STROECKX VRIENDEN van drie motorcrossweekends, inclusief oefenritten, op het terrein te Wommelgem, Beemdkant en Uilenbaan, wordt ingetrokken, waarbij het beroep ingediend door de VZW NATUURPUNT SCHIJNVALLEI tegen de voornoemde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004 ongegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing van 14 juni 2004 wordt opgeheven en waarbij de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-37.315-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 maart 2009 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 23 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. GEELEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.De feiten 1.
  4. Op 15 april 2004 dient de VZW MC DE STROECKX VRIENDEN, de tweede verzoekende partij, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning om voor een termijn van tien jaar drie motorcrossweekends (inclusief oefenritten) te organiseren op terreinen gelegen te Wommelgem, langs de Beemdkant en de Uilenbaan, op de kadastrale percelen nrs. 83, 84 en 85, sectie B. Met deze aanvraag beoogt de aanvrager de verlening te verkrijgen van de vergunning waarover zij voor de afgelopen vijf jaar beschikte krachtens het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 september
  5. 1.
  6. Op 14 juni 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem de gevraagde vergunning voor een termijn van vijf jaar. VII-37.315-2/14 1.
  7. Tegen deze beslissing wordt een administratief beroep ingesteld door de VZW NATUURPUNT SCHIJNVALLEI. Dat beroep wordt bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 december 2004 ongegrond verklaard en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004 wordt bevestigd. 1.
  8. De VZW NATUURPUNT SCHIJNVALLEI stelt tegen het deputatiebesluit van 9 december 2004 een annulatieberoep in bij de Raad van State, dat uitloopt op het vernietigingsarrest nr. 179.347 van 7 februari
  9. 1.
  10. Na dit vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen. In het raam van deze procedure worden de reglementair voorgeschreven adviezen uitgebracht. 1.
  11. Op 12 juni 2008 verklaart de deputatie van de provincie Antwerpen het beroep gedeeltelijk gegrond, heft zij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem van 14 juni 2004 op en weigert zij de gevraagde vergunning. Dit besluit van 12 juni 2008 wordt op zijn beurt evenwel aangevochten bij de Raad van State met een annulatieberoep en een vordering tot schorsing (zaak A. 189.178/VII-37.229). De vordering tot schorsing wordt met het arrest nr. 189.327 van 8 januari 2009 verworpen omdat de deputatie inmiddels op 13 november 2008 het besluit ingetrokken heeft en een nieuwe beslissing genomen heeft waarbij de vergunning andermaal wordt geweigerd. 1.
  12. Het nieuwe besluit van 13 november 2008, dat aan de raadsman van de verzoekende partijen wordt betekend met een aangetekend schrijven van 20 november 2008, vormt het voorwerp van de onderhavige vordering.
  13. De ontvankelijkheid 2.
  14. De verwerende partij heeft het bestreden besluit met een gewone aangetekende brief van 20 november 2008 ter kennis van de raadsman van de verzoekende partijen gebracht. Deze raadsman betoogt dat die brief, zoals blijkt uit de aangebrachte stempel, op zijn kantoor geregistreerd is op 24 november
  15. De verwerende partij bewijst niet dat de bestreden beslissing eerder de betrokken VII-37.315-3/14 raadsman bereikt heeft. Vanaf die datum gerekend is de vordering tijdig ingediend. De raad van beheer van de tweede verzoekende partij heeft ook tijdig beslist tot het indienen van de vordering. 2.
  16. Eerste verzoekster heeft niet geparticipeerd in de aanvraag die aanleiding gegeven heeft tot het bestreden besluit. Zij mist dan ook de vereiste hoedanigheid om zich nu te verzetten tegen het besluit waarbij de milieuvergunning geweigerd wordt aan de tweede verzoekende partij, van wie de vergunningsaanvraag uitgaat.
  17. De voorwaarden voor de schorsing Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.1.
  18. In het eerste middel voert de (tweede) verzoekende partij de schending aan van artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en van het materiële motiveringsbeginsel, doordat in het bestreden besluit gesteld wordt dat de inrichting, nu zij op 1 januari 1993 niet over een vergunning beschikte, geen "bestaande inrichting" in de zin van artikel 1.1.2 van Vlarem II is, zodat de afstandsregels vermeld in artikel 5.32.10.2 van Vlarem II erop van toepassing zijn, terwijl de inrichting wel degelijk een bestaande inrichting is die ook voldoet aan de afstandsregels bepaald in artikel 5.32.10.2 van Vlarem II. Stellen dat de inrichting geen bestaande inrichting is, is dan ook volstrekt nutteloos en is zelfs niet correct. 3.1.
  19. De verwerende partij wijst erop dat de verzoekende partij voldoet aan de afstandsregels. Zij benadrukt dat de vergunningen die dateren van vóór 1993 VII-37.315-4/14 slechts voor één dag geldig waren en dat op grond daarvan niet besloten mag worden dat de omloop een "bestaande inrichting" betreft. 3.1.
  20. De verzoekende partij verwijt de verwerende partij dat zij haar motorcrossomloop als een niet-bestaande inrichting in de zin van artikel 1.1.2 van Vlarem II aanmerkt. Volgens haar moest de verwerende partij dat probleem niet onderzoeken, omdat zij toch aan de afstandsregels voldoet, en is er dan ook zonder reden gesteld dat de omloop geen bestaande inrichting is. 3.1.
  21. De omloop van de verzoekende partij voldoet inderdaad aan de reglementaire afstandsregels die voor niet-bestaande omlopen in artikel 5.32.10.2, § 1, van Vlarem II zijn vastgelegd en de vergunning is aan de verzoekende partij geweigerd om een andere reden dan het niet-vervullen van deze afstandsregels. Dat de verwerende partij in het bestreden besluit dan uiteengezet heeft waarom de omloop volgens haar als een niet-bestaande omloop beschouwd moet worden, is dan ook een overweging die niet wezenlijk is om het bestreden besluit te dragen. De eventuele onjuistheid van de stellingname van het bestuur kan niet tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit leiden. Het eerste middel is niet ernstig. 3.2.
  22. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 145sexies, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) en van het materieel motiveringsbeginsel. Zij betoogt dat artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. ingevoerd is om de organisatoren van onder meer gemotoriseerde sporten, door in de mogelijkheid te voorzien van een zonevreemde milieuvergunning, "een rechtszekere basis te geven" en dat de nieuwe decretale regeling zelfs verwijst naar haar organisatie, maar dat het bestreden besluit niet aanduidt waarom de gevraagde vergunning haar dan toch geweigerd wordt. Zij licht het middel als volgt toe : artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. laat handelingen van recreatief medegebruik toe wanneer ze wegens hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Het bestreden besluit overweegt dat de omloop en de springheuvels duidelijk waarneembaar zijn in het terrein, zodat het agrarisch gebruik van de gronden onderdrukt wordt en ondergeschikt is aan het gebruik van het terrein voor motorcrosswedstrijden, zodat het terrein meer en meer op een permanente omloop begint te lijken en er gesteld kan worden dat de realisatie van de algemene bestemming van het gebied in het gedrang komt. Het uitgangspunt van het bestuur VII-37.315-5/14 is feitelijk onjuist of minstens onvoldoende bewezen. Het gebied wordt wel degelijk door landbouwers gebruikt. Het bestuur formuleert zijn standpunt op basis van het advies van de afdeling Natuur en de afdeling Milieuvergunningen (hierna : AMV), maar het is niet duidelijk op welke stukken die vaststellingen steunen -geen bewijs van het plaatsbezoek van AMV; geen bewijs van het standpunt van de afdeling Natuur-. Het is mogelijk dat de adviserende instanties het terrein bezocht hebben kort na een motorcrosswedstrijd toen de landbouwtoestand, waarin zij het terrein na iedere wedstrijd terugbrengen -verwijderen van de noodzakelijke inrichtingen voor een wedstrijd; egaliseren van het terrein; inzaaien als gras- of hooiland-, nog niet hersteld was. In ieder geval is er geen enkel bewijs dat het terrein als permanente omloop gebruikt zou worden. Maar zelfs indien de feitelijke vaststellingen waarnaar het bestreden besluit verwijst correct zouden zijn, dan is het aangewezen motief zeker nog niet deugdelijk om de inrichting te weigeren, want dat is slechts mogelijk wanneer de inrichting de realisatie van de bestemming van het gebied in het gedrang brengt. Dit is hier zeker niet het geval, aangezien de omloop deel uitmaakt van een groot agrarisch gebied en de organisatie van drie motorcrosswedstrijden per jaar slechts een tijdelijke ingreep op de bestemming inhoudt, die de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang kan brengen. In het daarbij aansluitende derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de motiveringswet, van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, van het materieel motiveringsbeginsel en van artikel 5.32.10.2, § 1, 2/, van Vlarem II. Zij stelt dat in het bestreden besluit uiteengezet wordt, enerzijds, dat de afstandsregels van het terrein tot het naastgelegen natuurreservaat vervuld zijn en, anderzijds, dat de inrichting een verstorend effect heeft op het geluid in de omgeving, maar dat daarvoor geen deugdelijke grondslag bestaat. Zij verduidelijkt dan dat de motivering met betrekking tot de verstoring van de omgeving niet opgaat omdat er geen rekening gehouden wordt met het sporadisch karakter van de inrichting -drie wedstrijddagen per jaar- en omdat die conclusie strijdt met de eigen vaststelling dat de afstandsregels gerespecteerd zijn. Het respecteren van de reglementaire afstandsregels betekent dat de inrichting geen te grote hinder veroorzaakt en in die zin is de motivering tegenstrijdig. 3.2.
  23. De verwerende partij brengt in haar nota met opmerkingen volgende argumenten van verweer aan : - artikel 145sexies van het D.R.O. biedt het bestuur de mogelijkheid om zonevreemde inrichtingen toe te laten maar verplicht daar niet toe en in dit geval is VII-37.315-6/14 de verwerende partij om de uiteengezette redenen tot het besluit gekomen dat de vergunning geweigerd moest worden; - uit de adviezen van AMV en van de afdeling Natuur blijkt dat de gevoerde plaatsbezoeken uitgewezen hebben dat de rijpistes en talrijke springheuvels zichtbaar zijn. Zij mocht zich op die adviezen steunen, zowel voor wat de vaststelling van de feiten betreft als voor wat betreft de invloed op de omgeving, inzonderheid wat de geluidsimpact op het natuurgebied betreft; - wat de veroorzaakte hinder betreft verwijst het bestreden besluit naar de geluidshinder en de onderdrukking van het agrarisch gebruik van de gronden. De eerbiediging van de reglementaire afstandsregels verhindert niet dat het bestuur dergelijke hinder vaststelt en ook het occasioneel karakter van de inrichting belet niet dat de schade permanent kan zijn; - het bestreden besluit is afdoende gemotiveerd. 3.2.
  24. In het tweede middel betoogt de verzoekende partij in essentie dat artikel 145sexies van het D.R.O. is geschonden, vermits deze bepaling er juist is op gericht om, onder meer, in een oplossing te voorzien voor de occasionele motorcrossactiviteiten. Aan de voorwaarden van deze bepaling is in casu voldaan, vermits de aangevraagde activiteit recreatief is en het handelingen betreft van een beperkte impact, die de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Het is onjuist dat het agrarisch gebruik van de gronden onderdrukt wordt, minstens is dit niet bewezen. In elk geval komt de agrarische bestemming van het gehele agrarische gebied niet in het gedrang. In het derde middel betoogt de verzoekende partij dat de motivering als zou de inrichting te hinderlijk zijn om op die plaats te worden toegelaten, niet gegrond is. De motivering negeert immers dat de inrichting slechts een volkomen sporadisch karakter heeft, en negeert de eigen vaststelling van de verwerende partij dat aan de afstandsregels wordt voldaan. 3.2.
  25. Artikel 145sexies van het D.R.O., ingevoegd bij artikel 4, 2/, van het decreet van 22 april 2005 tot wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt : "§
  26. (...) §
  27. In alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, VII-37.315-7/14 activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het sociaal- culturele of recreatieve medegebruik, voorzover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Voor niet van stedenbouwkundige vergunningsplicht vrijgestelde werkzaamheden, handelingen of wijzigingen die verbonden zijn met occasionele of hoogdynamische sociaal-culturele of recreatieve activiteiten kan slechts een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning worden afgeleverd, of een stedenbouwkundige vergunning met als voorwaarde dat de werkzaamheden, handelingen of wijzigingen in kwestie slechts gedurende een specifieke periode of op bepaalde momenten aanwezig kunnen zijn. Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan. §
  28. De Vlaamse Regering kan nadere regels met betrekking tot de toepassing van dit artikel vaststellen". Uit deze bepaling volgt dat activiteiten van recreatief medegebruik in niet-geëigende zones van het gewestplan toegelaten kunnen worden op voorwaarde dat zij slechts een beperkte impact hebben op de realisatie van de algemene bestemming. Recreatieve activiteiten die onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen slechts op occasionele basis toegelaten worden. In dit geval staat buiten betwisting dat de exploitatie van de gevraagde activiteit principieel in strijd is met de gewestplanvoorschriften die de betrokken percelen als landschappelijk waardevol agarisch gebied aanmerken. Er wordt ook niet betwist dat de motorcrossomloop milieuvergunningsplichtig is en dat het gebruik ervan een vorm van recreatief medegebruik uitmaakt, zodat de activiteit in ieder geval slechts op occasionele basis verleend kan worden, hetgeen de organisatie van drie motorcrossweekends per jaar ook is. De aanvraag is afgewezen op grond van de vastgestelde impact van de inrichting op de plaats van het gebeuren en op het in het gedrang brengen van de algemene bestemming van het gebied. 3.2.
  29. Uit de memorie van toelichting bij het voornoemde decreet van 22 april 2005 blijkt dat de decreetgever een oplossing wenste te geven aan de problematiek van de occasionele motorcrosswedstrijden. Er wordt verduidelijkt dat de verwijzing naar de beperkte impact op het gebied betrekking heeft op, onder meer, de tijdelijkheid van de ingreep, waarbij uitdrukkelijk het voorbeeld vermeld wordt van een motorcross in agrarisch gebied die occasioneel, bijvoorbeeld maximaal drie keer per jaar wordt gehouden (Vl. Parl, 2004-2005, stuk é/1, p. 11). Uit de verdere verduidelijking (p. 12) blijkt evenwel ook dat de vaststelling van de beperkte impact geenszins betekent dat het bestuur verplicht is de vergunning te verlenen. Er wordt integendeel in de volgende bewoordingen benadrukt dat steeds een specifiek en plaatsgebonden onderzoek vereist is, dat betrekking heeft op de VII-37.315-8/14 bestemming van het gebied, op de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en op andere natuurwaarden : "Het spreekt voor zich dat voor elk toepassingsgeval een gebiedsgerichte beoordeling essentieel is, waarbij rekening gehouden wordt met de algemene bestemming van het betrokken gebied maar ook met de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en de goede ruimtelijke ordening in het algemeen. In die zin moeten de decretale bepalingen in kwetsbare gebieden (de ruimtelijk kwetsbare gebieden en degene, aangewezen op basis van andere wetgeving, zoals speciale beschermingszones) een veel striktere beoordeling krijgen dan in bepaalde andere gebieden. Zelfs binnen eenzelfde categorie van bestemmingsgebieden kan de toelaatbaarheid van de betrokken activiteiten verschillen, bijvoorbeeld wegens nabuurschap met andere bestemmingsgebieden (cf. supra) of de feitelijke toestand zoals de aanwezigheid van bepaalde natuurwaarden of het landschappelijk waardevol karakter van een gebied bestemd voor agrarisch gebruik. Bij de plaatsgebonden beoordeling moeten ook elementen zoals de toegankelijkheid van een gebied en de verkeersimpact van bepaalde activiteiten in rekening worden gebracht. Om het belang van de plaatsgebonden beoordeling te benadrukken, en om aan te geven dat de vergunningsplicht (stedenbouwkundige vergunningsplicht zowel als milieuvergunningsplicht) onverminderd blijft gelden, wordt in de tekst gesteld dat de betrokken handelingen, activiteiten e.d. kunnen worden toegelaten i.p.v. te stellen dat ze zijn toegelaten (dit is een wijziging ten opzichte van de tekst van het eerdere voorstel van decreet)". Er wordt voorts ook gesteld dat een "hoogdynamische activiteit", zoals een motorcross, veel strikter bekeken moet worden dan een "laagdynamische activiteit", zoals wandelen (p. 13). Artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. verleent aldus aan het bestuur een ruime appreciatiebevoegdheid. In het kader van zijn toezichtsbevoegdheid gaat de Raad van State na of het bij het uitoefenen van die bevoegdheid rekening gehouden heeft met gegevens die in feite juist zijn en die in rechte de genomen beslissing terdege onderbouwen, terwijl de genomen beslissing in het licht van die gegevens ook niet kennelijk onredelijk mag zijn. 3.2.
  30. De vergunning is aan de verzoekende partij geweigerd om volgende decisieve redenen : "Overwegende dat uit de gegevens van het dossier, waaronder het advies van de afdeling Natuur dd. 12 maart 2008 en het advies van AMV dd. 1 april 2008, blijkt dat de omloop duidelijk waarneembaar is in het terrein, alsook de talrijke springheuvels; dat hierdoor het agrarisch gebruik van de gronden onderdrukt wordt en meer bepaald ondergeschikt is aan het gebruik van het terrein voor motorsportwedstrijden; dat het terrein meer en meer op een permanente omloop begint te lijken; dat er dus gesteld kan worden dat de realisatie van de algemene bestemming van het gebied waarin de omloop zich situeert in de praktijk wel degelijk in het gedrang komt; VII-37.315-9/14 Overwegende dat er daarnaast ook nog de verstorende invloed is van een dergelijke luidruchtige ontspanningsinrichting of activiteiten op de omgeving; dat zoals de Afdeling Natuur aangeeft in haar advies er tijdens de exploitatieduur van de omloop onmiskenbare negatieve repercussies zijn met betrekking tot o.m. geluid op de aangrenzende natuurgebieden in het algemeen, en op het erkend natuurreservaat 'De Schijnvallei' in het bijzonder, zodat de duurzame invulling van de bestemming ook van deze gebieden door de gevraagde activiteit(en) in het gedrang komt; Overwegende dat zelfs indien alle infrastructuurvoorzieningen na elke crossactiviteit zouden verwijderd worden, niet ontkend kan worden dat deze crossactiviteiten een negatieve invloed hebben op de nabije omgeving; dat deze negatieve impact des te zwaarder wordt geacht op natuurgebieden en -reservaten, die alle ontwikkelingskansen dienen te krijgen, zodat gelet op de onmiddellijke nabijheid ervan, gesteld wordt dat de aangevraagde crossactiviteiten op deze locatie niet wenselijk zijn". 3.2.
  31. De verwerende partij heeft zich voor de feitelijke vaststellingen gesteund op het advies van de afdeling Natuur en van AMV. Met de verwijzing naar de vaststellingen die tot grondslag hebben gediend voor de redactie van deze adviezen, is op zich niets mis. Bij afwezigheid van concrete aanwijzingen omtrent feitelijke onjuistheden moest de verwerende partij niet veronderstellen dat de ambtenaren verkeerde vaststellingen gedaan zouden hebben. De verzoekende partij legt ook nu geen gegevens voor die kunnen doen twijfelen aan de objectiviteit van de vaststellingen in die adviezen. 3.2.
  32. Het advies van AMV verwijst naar een plaatsbezoek waaruit gebleken is dat de rijpistes duidelijk in het terrein zichtbaar zijn. Het advies van de afdeling Natuur stelt dat het agrarisch gebruik van de gronden slechts bijzaak is, ondergeschikt aan het gebruik van het terrein voor motorsportwedstrijden, dat de omloop en de springheuvels duidelijk waarneembaar zijn in het terrein, zodat het terrein op een permanente omloop gaat lijken, temeer daar de dranghekken en ander logistiek materiaal ook niet meer van het terrein worden verwijderd. Uit het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie blijkt ook dat de raadsman van de verzoekende partij geconfronteerd is met de vraag of de springheuvels na de activiteiten genivelleerd worden en dat hij de aanwezigheid van springheuvels niet echt ontkend heeft. De verzoekende partij betwist in het middel de juistheid van de vaststellingen gedaan door AMV en de afdeling Natuur, maar zij brengt niet het minste begin van tegenbewijs aan. Integendeel, de foto van de omloop die zij overlegt en die dagtekent van 1 januari 2002 laat duidelijk de sporen van de crossomloop zien. De internetfoto die de auditeur-verslaggever bij het dossier heeft VII-37.315-10/14 gevoegd toont bovendien duidelijk de impact van het motorcrossgebeuren aan, zowel wat de rijsporen betreft als wat de omvang van de bezetting van het terrein betreft. De raadsman van de verzoekende partij stelt ter terechtzitting wel dat hij niet kan uitmaken of de foto's die in het dossier berusten en die duidelijk sporen van het crosscircuit aantonen, niet genomen zijn kort na een motorcross, maar hij slaagt er zelf niet in enig tegenbewijs te leveren, zoals een bewijs van het inzaaien van het perceel met gras of van het gebruik van het perceel als weide- en hooiland. De omstandigheid dat de begroeiing op het perceel drie keer per jaar beschadigd wordt door het parcours van een crossomloop waarop kunstmatig heuvels worden aangebracht, terwijl de verzoekende partij er niet in slaagt het bewijs te leveren dat het terrein na elk crossgebeuren in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld en als landbouwgrond wordt gebruikt, heeft de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit kunnen brengen dat de crossomloop een significante impact heeft op het agrarisch gebied, bij zoverre zelfs dat de bestemming als agrarisch gebied van die percelen niet behouden blijft. 3.2.
  33. De verwerende partij is van oordeel dat de aangevraagde activiteiten negatieve repercussies zullen hebben op het natuurgebied in de omgeving. In de omgeving ligt het erkend natuurreservaat "De Schijnvallei". De elementen die de verzoekende partij naar voren schuift laten de Raad van State niet toe te stellen dat de verwerende partij kennelijk onredelijk gehandeld heeft wanneer zij oordeelde dat de crossactiviteiten negatieve repercussies konden hebben op de duurzame invulling van de bestemming natuurgebied. Met de verwijzing naar de omstandigheid dat er slechts drie crossen per jaar georganiseerd worden bewijst de verzoekende partij niet dat de natuurgebieden geen hinder zouden ondervinden. 3.2.
  34. De verzoekende partij benadrukt dat de reglementering voorziet in bepaalde afstandsregels voor crossomlopen en dat, nu zij aan die afstandsregels voldoet, van de verwerende partij verwacht mocht worden dat zij bijzondere redenen zou opgeven waarom in dit geval de vergunning toch geweigerd kon worden. De Raad van State volgt die redenering niet. De afstandsregels vermeld in Vlarem II zijn minimumregels waarbinnen een verbod geldt, maar die VII-37.315-11/14 de appreciatiebevoegdheid van het bestuur met betrekking tot de impact van verder gelegen inrichtingen niet verminderen. 3.2.
  35. Het tweede en derde middel zijn niet ernstig. 3.3.
  36. In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van een aantal beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de vergunning haar nu geweigerd wordt terwijl zij voorheen reeds herhaaldelijk -drie keer- een vergunning verkregen heeft voor exact dezelfde activiteit op dezelfde plaats. Zij stelt dat zij er mocht op vertrouwen dat het bestuur zijn beleidslijn zou aanhouden en dat het bestuur de verplichting heeft om de openbare dienst op bestendige en regel-matige wijze te laten werken. 3.3.
  37. De omstandigheid dat de verzoekende partij in het verleden een milieuvergunning verkregen heeft betekent niet dat zij de verwachting mag koesteren ook in de toekomst een vergunning te verkrijgen. Het bestuur moet de aanvraag telkens appreciëren in functie van alle omstandigheden van dat ogenblik. Het vertrouwensbeginsel is ondergeschikt aan het legaliteitsbeginsel en dus moest de verwerende partij onderzoeken of de aanvraag kaderde in de bestemmingsvoorschriften, zoals die nader bepaald zijn door artikel 145sexies van het D.R.O.. 3.3.
  38. Het vierde middel is niet ernstig, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  39. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  40. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-37.315-12/14 VII-37.315-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien mei tweeduizend en negen, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. A. VANDENDRIESSCHE. VII-37.315-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.279 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.994 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.