id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.281 Rolnummer: A. 167735/VII-34983 Zaak: Arrest 193281 - Milieuvergunningen - 14/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Fiche Arrest nr 193.281 van 14 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.281 van 14 mei 2009 in de zaak A. 167.735/VII-34.983. In zake : Peter IMPENS, wonende te VOORDE, Geraardsbergsesteenweg 640 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. tussenkomende partij : het INTERGEMEENTELIJK SAMENWERKINGSVERBAND VOOR MILIEU (ILVA IGS), dat woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P. J. VERVOORT, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Peter IMPENS op 14 november 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juli 2005 waarbij het beroep van Ortaire DE MEERLEER en Noël DE WEVER ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 10 februari 2005, houdende het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan ILVA IGS om haar inrichting voor de op- en overslag van afvalstoffen, gelegen aan het Turkeveld te Geraardsbergen, te veranderen door uitbreiding en toevoeging, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd; VII-34.983-1/26 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 16 januari 2006 ingediend door ILVA IGS; Gelet op de beschikking van 19 januari 2006 die de tussenkomst van ILVA IGS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker die in persoon verschijnt, van advocaat I. LAUREYS die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de ver- werende partij, en van advocaat M. VALKENIERS die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De betwisting betreft een terrein gelegen op de grens van de gemeenten Ninove en Geraardsbergen, waar vroeger een stortplaats werd geëxploi- VII-34.983-2/26 teerd. De eerste vergunning daartoe werd verleend op 30 november 1973, aan een rechtsvoorganger van de tussenkomende partij. Bij de vaststelling van het gewestplan krijgt het terrein de bestemming zone voor openbaar nut met nabestemming bosgebied. Het paalt aan twee natuurgebieden en is voor de rest ingesloten in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Er ligt in de nabije omgeving ook een gebied voor dagrecreatie en woongebied met landelijk karakter. 1.2. Op 20 april 1989 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een vergunning voor de verdere exploitatie van de stortplaats, voor een termijn van tien jaar. Na beroep door de exploitant worden de vergunningsvoorwaarden aangepast. In 1996 wordt het storten stopgezet. Op 31 juli 1997 worden de vergunningsvoorwaarden voor de afwerking van de stortplaats gewijzigd. 1.3. Op 22 november 2001 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning, voor een termijn van twintig jaar, voor de opslag en mechanische bewerking van 100 ton houtafval. Het gaat niet om het hervatten van stortactiviteiten, maar om een tussentijdse opslag en bewerking van houtafval afkomstig van verschillende containerparken, dat vervolgens naar een verwerker wordt gebracht. De vergunning betreft de percelen Geraardsbergen, Afdeling 9, Sectie B, nummers 385, 386, 388/a, 389/c, 390/a en 391/a en Ninove, Afdeling 10, Sectie B, nummer 503. Al deze percelen waren eerder begrepen in de vergunning voor de exploitatie van de stortplaats. 1.4. Op 12 augustus 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen bij wege van aktename vergunning voor de uitbreiding met onder meer het stallen van zes voertuigen en/of aanhangwagens en de opslag van 5.000 liter brandstof. 1.5. Op 9 juli 2004 dient de tussenkomende partij een milieuvergun- ningsaanvraag in voor de verandering van de inrichting. 1.6. Op 10 februari 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning voor de uitbreiding met de opslag en overslag van maximum : - 150 ton witglas; - 150 ton groen en bruin glas; VII-34.983-3/26 - 150 ton gemengd glas; - 750 ton betonpuin; - 650 ton steenpuin; - 320 ton verhakseld snoeiafval. Aan de vergunde inrichting wordt het perceel Ninove, Afdeling 10, Sectie B, nummer 485/a toegevoegd. Ook nu gaat het om aanvoer vanuit verschillende containerparken, en afvoer naar verwerkers. Er wordt administratief beroep ingediend door twee buurtbewo- ners. 1.7. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend :
- a)de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) adviseert gunstig;
- b)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig;
- c)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig, en stelt twee bijzondere vergunningsvoorwaarden voor;
- d)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig, en stelt bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden voor. 1.8. Op 27 juli 2005 wordt het bestreden besluit genomen : het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de vergunning wordt bevestigd mits toevoeging van de voorgestelde bijzondere vergunningsvoorwaarden. De verenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften wordt als volgt gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming bosgebied volgens het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei 1978; Gelet op het feit dat de inrichting : - paalt aan een natuurgebied; - paalt aan een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; - gelegen is op een afstand van circa 240 meter van een gebied voor dagrecre- atie; - gelegen is op een afstand van circa 330 meter van een woongebied met landelijk karakter; Gelet op het feit dat de site zich bevindt aan de rand van een voormalige stortplaats; Overwegende dat voor onderhavige aanvraag tevens een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag werd ingediend; dat op 24 januari 2003 de stedenbouw- kundige vergunning werd verleend voor het aanleggen van een verharde stapelplaats voor de tijdelijke opslag en mechanische behandeling van houtafval; VII-34.983-4/26 Overwegende dat door een eindafdeklaag op het stort te voorzien (waarvoor tevens een stedenbouwkundige aanvraag werd ingediend), wordt overgegaan tot de voorbereiding van de nabestemming bosgebied; dat onderhavige aanvraag, voorlopig nog, de zone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoor- zieningen bestendigt door de overslagzone met loodsen en bunkers in functie van de houtafvalverwerkingsinstallatie uit te breiden; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften (...)"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt twijfels uit bij verzoekers belang : "Ter adstruering van haar belang verwijst de verzoekende partij naar haar woonplaats die volgens de 'bijgevoegde schets' op slechts 100 meter gelegen is van de inrichting. Er wordt niet nader gepreciseerd wat met de 'inrichting' juist wordt bedoeld: is dit de buiten exploitatie gestelde stortplaats of de inrichting voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag die tot de thans bestreden beslissing heeft geleid of verwijst verzoeker naar de perceelgrenzen van de site? Bovendien wordt gerefereerd naar een zelfgemaakte schets waaruit zou blijken dat verzoeker kortbij de inrichting woont. Deze vaststelling staat evenwel in schril contrast met het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen (...) waaruit blijkt dat de dichtste woningen (en het is niet geheel duidelijk of de woning van verzoeker hierbij is begrepen) zich op ongeveer 400 meter van de inrichting bevindt. Ook het verslag van onderzoek en advies van de afdeling Milieuvergun- ningen (...) maakt op pagina 8 gewag van een afstand van 330 meter tussen de inrichting en het woongebied met landelijk karakter. In hetzelfde verslag (...) wordt aangegeven dat de containers waarin het afval wordt gedumpt zich situeren op een afstand van circa 350 meter in vogelvlucht van de dichtste woningen. Ook hier wordt niet gepreciseerd of dit de woning van de verzoeken- de partij is. Er zijn derhalve meer dan gegronde redenen om de bewering van verzoeker met betrekking tot de ligging van zijn woning ten opzichte van de aangevraagde inrichting in twijfel te trekken zodat zijn belang niet evident is. In acht genomen het vorenstaande valt het sterk te betwijfelen of de bestreden handeling voor verzoeker wel griefhoudend is, of met andere woorden deze hem een nadeel berokkent. Dit alles klemt des te meer nu dient vastgesteld dat de verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de inspraak- en beroepsmogelijkheden in het raam van de vergunningsprocedure zodat zich de vraag stelt of hij, door het aldus betoonde gebrek aan interesse, wel over voldoende belang beschikt om de verleende vergunning te laten vernietigen"; VII-34.983-5/26 2.2. Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift zijn belang als volgt omschrijft : "Verzoekende partij woont aan de Geraardsbergsesteenweg (perceel nr. 577/c), dit is in de onmiddellijke omgeving van de inrichting. (Uit bijgevoegde schets blijkt dat zij slechts op 100 m afstand ervan woont) (...)"; dat hij in zijn memorie van wederantwoord het volgende daaraan toevoegt : "(...) Wat betreft de precieze situering van de inrichting ten opzichte van woonplaats van verzoekende partij Verzoekende partij woont aan de Geraardsbergsesteenweg (perceel nr. 577/c), dit is in de onmiddellijke omgeving van de inrichting of, zoals de verwerende partij stelt, 'de site'. Niet betwist zal worden dat perceel, kadastraal gekend onder Ninove, afdeling 10, sectie B, nr. 503 deel uitmaakt van de 'site', dit is een perceel waarop de middels het bestreden besluit vergunde activiteiten plaatsvinden. Uit een uittreksel van het kadasterplan blijkt dat de afstand tussen verzoekers perceel en voornoemd perceel nr. 503 - het dichtstbijgelegen perceel van de site waarop de exploitatie plaatsvindt - exact 144 m bedraagt (...). Gelet op de omvang van de vergunde activiteiten - het steeds maar uitbreiden ervan op een plaats waar dit niet kan - is een afstand van 144 m wel degelijk te beschouwen als de onmiddellijke omgeving. (...) Het is ongehoord dat verwerende partij verder meent te moeten beweren dat verzoekende partij geen nadeel ondervindt van de uitvoering van de bestreden beslissing. De uitvoering van de vergunde activiteiten breng(
- t)heel wat nadelen met zich. Zo is er niet alleen de geluidsoverlast doch tevens heel wat stofhinder. Noch verwerende noch tussenkomende partij zou er attent moeten worden opgemaakt dat de problematiek van het 'fijn stof', hoe dit ook wordt veroorzaakt en waarover recent in de media heel wat te doen is geweest - en terecht -, tot heel wat meer ziektes, en in het ergste geval, overlijdens aanleiding is geweest. Bovendien brengt de bestreden beslissing eveneens met zich dat heel wat vrachtvervoer van en naar het stort plaatsvindt. Dit vervoer is inherent aan de vergunde activiteiten en zou er niet moeten zijn wanneer de (na)bestemming van het gewestplan nageleefd wordt. (...) Verwerende partij meent er tenslotte, ten onrechte, te moeten op wijzen dat verzoekende partij geen belang zou hebben omdat geen gebruik werd gemaakt van de inspraak- en beroepsmogelijkheden. Het verzuim tijdens een openbaar onderzoek opmerkingen te maken of bezwaren te formuleren tegen beslissingen, impliceert niet dat verzoekende partij zijn belang zou 'verwerkt' hebben om een ontvankelijk annulatieberoep te formuleren tegen de latere, griefhoudende beslissing (...)"; dat verzoeker in zijn laatste memorie nog het volgende stelt : "Verzoekende partij woont aan de Geraardsbergsesteenweg (perceel nr. 577/c), dit is in de onmiddellijke omgeving van de inrichting. Uit bijgevoeg- de schets blijkt dat zij slechts op 150 m afstand ervan woont.Verzoeker brengt nog een paar foto's aan genomen vanuit de leefruimte van zijn woning welke illustreren dat de hele winkel aan voorzieningen welke reeds op het oude stort zijn uitgebouwd niet alleen dicht bij de woninggordel langs de Geraardsbergse- steenweg /Aalstsesteenweg liggen, maar dat zij tevens bijzonder storend zijn in het landschap. Er is immers geen sprake van enig behoorlijk groenscherm. Evident kan een rij opgesnoeide canada-populieren nooit dergelijke functie VII-34.983-6/26 vervullen en de uitbaatster van de installaties vertikt het enkele meter(
- s)van haar terrein in functie van dat groenscherm prijs te geven. Verzoeker heeft dagelijks last van lawaai voortkomende van de activiteiten op die percelen (geraas van vallend en brekend glas, stenen en van de houtversnipperaars), van een ongelooflijke stofneerslag telkens de wind uit die richting waait, en van industriële activiteiten midden in een gordel van natuurgebieden en op wat reeds jarenlang een aangelegd bos had moeten zijn geweest. Hij is niet alleen in deze ervaring: alle omwonende(
- n)ervaren dezelfde negatieve gevolgen van deze geforceerde herbestemming van het oude stort. Zij zijn echter van oordeel geweest dat er geen vijftig gelijkaardige beroepen aanhan(g)ig dienden te worden gemaakt en dat één enkel beroep kon en kan volstaan om deze hele toestand door de hoogste administratiefrechterlij- ke instantie te laten beoordelen. Voor alle duidelijkheid dient gesteld dat het erf van verzoeker niet alleen een woonhuis langs de straat omvat maar ook een tuin, ingericht op de achterliggen- de grond. Welnu de achtergrens van de eigendom van verzoeker komt in rechte lijn op 160 meter van de kwestige door Ilva uitgebaatte inrichtingen, zoals de hele installatie voor de gaswinning en misschien 180 meter van de plaats waar het glas en stenen worden gestort en in enorme opslagvakken worden gestuwd door bulldozers en gelijkaardig materiaal. Meer het voortdurend gedruis van de dergelijke stoffen aanvoerende zware vrachtwagens, het zenuwslopende konstante ver dragende gepiep van de waarschuwingssirenes bij het man(o)euvreren en storten op de stortplaats en het slaan met of op de laadbak- ken om de 'resten' uit de opliggers te verwijderen. Geïntimeerde en tussenkomende partijen weten zeer goed dat in een landelijk gebied de mensen veel buiten leven, vooral vanaf de lente, en kunnen dus niet ernstig gaan argumenteren dat de overlast voor verzoeker en de hele buurt niet reëel zou zijn"; 2.3. Overwegende dat zowel verzoeker, de verwerende partij als de verschillende adviesverlenende instanties verschillende afstanden hanteren van de inrichting tot verzoekers woning; dat zelfs indien de door de verwerende partij opgegeven afstanden correct zouden zijn, men, gelet op de geringe afstand in vrij open ruimte, en gelet op de aard van de inrichting waar de activiteiten - laden en lossen van containers met glas, steen- en betonpuin, verhakselen van houtafval - grotendeels in open lucht gebeuren, bezwaarlijk kan stellen dat verzoeker nauwelijks iets zal merken van de exploitatie; dat dit volstaat om hem het vereiste belang te geven bij zijn annulatieberoep; dat de omstandigheid dat hij niet eerder tijdens het openbaar onderzoek of de administratieve procedure is opgetreden, hem dat belang niet ontneemt; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat verzoeker in het enige middel de schending aanvoert van "het gewestplan 'Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem'", van artikel 12.4.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtings- VII-34.983-7/26 besluit), van de formele en materiële motiveringsplicht en van het vertrouwensbegin- sel; dat verzoeker het enige middel als volgt toelicht : "De percelen waarop de inrichting is voorzien, zijn volgens het gewestplan 'Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem' gelegen in een gebied voor gemeen- schaps- en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming bosgebied. Uit het feitenrelaas blijkt bovendien -en dit kan door de verwerende partij niet worden betwist- dat de stortactiviteiten in het voorjaar van 1996 definitief zijn gestaakt. Dit impliceert dat de vergunning sedert het voorjaar van 1998 op grond van artikel 28, §1, 3/ van het milieuvergunningsdecreet van rechtswege is vervallen omdat de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. Die stelling wordt bevestigd door hetgeen door ILVA zelf wordt neergeschreven in het 'Jaarrapport deponie Voorde 2003'. In dat stuk wordt expliciet gesteld dat de vergunning reeds sinds maart 1998 is vervallen omdat er gedurende twee jaar geen activiteit was (gesloten) en dat een nieuwe vergunning niet meer wordt aangevraagd. Vervolgens had de nabestemming verwezenlijkt dienen te worden. In dat verband kan niet volstaan worden met het argument dat al gedurende jaren wordt gewerkt aan het realiseren van die nabestemming. Er mag toch wel verwacht worden dat de nabestemming binnen een redelijke termijn wordt verwezenlijkt hetgeen in casu niet het geval is daar reeds 7 jaar erover heen zijn gegaan. Minstens moet worden aangenomen dat vanaf het voorjaar 1998 het gewestplanvoorschrift op het vlak van de nabestemming - met name bosgebied - van kracht werd en er derhalve geen enkele activiteit meer kon worden vergund noch stedenbouwkundige vergunning kon worden verleend die daarmee in strijd is. Zelfs uit de op 20 april 1989 verleende vergunning blijkt dat na afwerking van de stortplaats een bos met inheemse en streekeigen boom- en heestersoor- ten aangeplant diende te worden (stuk 1). Uit dat besluit vloeit voort dat eenmaal de stortactiviteiten waren beëindigd (of gestopt) -d.i. voorjaar 1998- de percelen niet langer de bestemming 'gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen' hadden doch wel 'bosgebied'. Luidens artikel 12.4.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, zijn de bosgebieden de beboste of de te bebossen gebieden, bestemd voor het bosbedrijf. Daarin zijn gebouwen toegelaten, noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. Uit voormeld artikel volgt dat gebieden die nog niet bebost zijn, bebost moeten worden en dat de te bebossen bosgebieden niet bestemd zijn voor het behoud van de bestaande toestand doch voor de exploitatie van bossen (R.v.St., VZW NATUURPARK 'HET BROEK', nr. 32.321, 24 maart 1989). In concreto moet worden vastgesteld dat met de bestreden beslissing de stortactiviteiten alleen maar worden gereactiveerd, bestendigd en zelfs uitgebreid (er is zelfs een activiteit vergund die is ingedeeld in de eerste klasse volgens bijlage 1 van titel I van het Vlarem). Dit is onverenigbaar met bovenvermeld gewestplanvoorschrift, zeker wanneer wordt vastgesteld wat er bijkomend wordt vergund. In de bestreden beslissing wordt dit zelfs expliciet gesteld, nl. als volgt: '(...); dat onderhavige aanvraag, voorlopig nog, de zone voor gemeen- schaps- en openbare voorzieningen bestendigt door de overslagzone met loodsen en bunkers in functie van de houtafvalverwerkingsinstallatie uit te breiden;'. VII-34.983-8/26 Als gevolg van de bestreden beslissing wordt het tot 22 november 2021 mogelijk de bijkomende stortactiviteiten uit te voeren, d.i. voor de komende 16 jaar. Een dergelijke handelwijze leidt er uiteindelijk toe dat de nabestem- ming volgens het gewestplan nooit zal worden gerealiseerd, omdat men telkens nieuwe vergunningsaanvragen indient en vergunningen bekomt. De verzoekende partijen mochten er echter op vertrouwen dat ingevolge de definitieve stopzetting van de stortactiviteiten in het voorjaar van 1996 en het verval van rechtswege van de milieuvergunning in het voorjaar van 1998 enkel nog activiteiten zouden worden gepland en uitgevoerd met het oog op de realisatie van de nabestemming. Aldus zou na meer dan 20 jaar de rust terugkeren. De bestreden beslissing schendt op die manier niet alleen de hoger ingeroepen bepalingen doch bevat tevens een interne contradictie in die zin dat blijkbaar de nabestemming toch gerealiseerd wordt, doch anderzijds tal van bijkomende activiteiten worden vergund"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de thans voorliggende aanvraag geen betrekking heeft op de oude stortplaats doch wel op de bij besluit van 22 november 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen vergunde inrichting voor de opslag en het mechanisch behandelen van houtafval en dit op de kadastrale percelen bekend onder Geraards- bergen, Afdeling 9, Sectie B, perceelnummers 385, 386, 388/a, 389/c, 390/a en 391/a en onder Ninove, Afdeling 10, Sectie B, perceelnummer 503, dat met deze aanvraag een verandering werd beoogd van de met het besluit van 22 november 2001 vergunde inrichting, met name een uitbreiding op dezelfde percelen met bijkomende activiteiten en een toevoeging door ingebruikname van een gedeelte van het tot op heden niet vergunde perceel 485/a, dat het perceel 485/a aansluitend en oostelijk is gelegen ten opzichte van het reeds vergunde perceel 503 en noord-oostelijk is gescheiden met de reeds vergunde percelen 385, 386, 388/a, 389c, 390/a en 391/a door de Molenbeek, dat dit alles blijkt uit de in bijlage 12 van de aanvraag gevoegde kadastrale plannen, dat al deze percelen geen uitstaans hebben met de klasse 2-stortplaats vergund bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 20 april 1989, dat de stortplaats immers grotendeels is gelegen op andere percelen, met name de nummers 391/c, 392, 393, 394, 395, 397/a, 397/b, 398/a, 398/b, 399, 400, 401/c en 481bis, dat deze stortplaats reeds geruime tijd buiten gebruik is, dat de eindafdek, met het oog op de realisatie van de nabestemming, reeds werd voltooid, dat één en ander voldoende blijkt uit een door de afdeling Milieu-inspectie opgesteld proces-verbaal, dat van stortactiviteiten dan ook geen sprake is, dat ten andere ook blijkt uit het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen en uit de bestreden beslissing dat met de realisatie van de nabestemming "bosgebied" derhalve aanvang werd genomen, dat verzoeker eraan voorbij lijkt te gaan dat de "hoofdbestemming" van het gebied VII-34.983-9/26 waarin de kwestieuze percelen gelegen zijn, volgens het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen betreft alwaar de bestemming bosgebied slechts moet worden gerealiseerd eens de percelen niet meer in functie van openbaar nut gebruikt worden of elk nut voor gemeenschaps- en openbare voorzieningen verliezen; 3.3.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst in hoofdorde meent dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, of zijn belang minstens heeft verwerkt; dat zij in de eerste plaats opmerkt dat de beweringen van verzoeker intern tegenstrijdig zijn en hem niet het verhoopte voordeel kunnen verschaffen, dat immers, ingeval de stelling van verzoeker wordt gevolgd, met name dat de voorschriften voor bosgebied van toepassing zijn, er thans geen eindafwerking en geen nazorg kan plaatsvinden, zodat de nabestemming bosgebied nooit gerealiseerd zal kunnen worden, dat de bosgebieden volgens artikel 12.4.2 van het inrichtingsbesluit immers enkel bestemd zijn voor het bosbedrijf, dat gebouwen enkel zijn toegelaten indien zij noodzakelijk zijn voor de exploitatie en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, dat het duidelijk is dat er in zuiver bosgebied geen ruimte is voor de noodzakelijke infrastructuur in het kader van de afwerking en de nazorg van de klasse 2-stortplaats conform de vereisten van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), dat het door verzoeker ingeroepen middel derhalve zou beletten dat de nabestemming bosgebied voor de voormalige stortplaats in ophoging ten gepaste tijde wordt gerealiseerd, dat het middel dan ook niet dienstig is voor de aspiraties van verzoeker; dat de tussen-komende partij daarenboven stelt dat het belang van verzoeker precair is in die zin dat hij in zijn optiek is benadeeld door de vaststelling van de gewest- planbestemming in 1978 en niet door het thans bestreden besluit, dat zodoende moet worden vastgesteld dat hij geen rechtstreeks belang heeft bij zijn middel, dat verzoeker in het middel verzucht dat door de realisatie van de nabestemming bosgebied na twintig jaar eindelijk de rust kan weerkeren, dat het duidelijk is dat verzoeker zich benadeeld voelt door de aanwezigheid van de desbetreffende zone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorziening conform de gewestplanbestem- ming en eigenlijk kritiek heeft op deze gewestplanbestemming, dat verzoeker de vaststelling van het gewestplan had moeten aanvechten, hetgeen hij blijkbaar niet heeft gedaan, dat het nadeel uit het gewestplan voortvloeit en niet uit het thans bestreden besluit, dat hij dan ook geen belang heeft bij het middel dat in feite gericht is tegen het gewestplan; VII-34.983-10/26 Overwegende dat de tussenkomende partij voorts aanvoert dat verzoeker zijn belang bij zijn enige middel verwerkt heeft, dat hij immers heeft nagelaten de milieuvergunning voor de houtoverslag van 22 november 2001 aan te vechten, dat dit de basisvergunning is waarvan thans de verandering wordt vergund, dat deze vergunning voor houtoverslag eveneens werd verleend op een ogenblik dat de stortactiviteiten volgens verzoeker waren gestopt en de bestemming "bosgebied" beweerdelijk in werking was getreden, dat in deze vergunning duidelijk werd gesteld dat de inrichting planologisch verenigbaar is, gezien de ligging in een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, dat verzoeker geen beroep heeft aangetekend tegen deze basisvergunning waarvan thans de uitbreiding wordt gevraagd, dat verzoeker zijn belang bij het middel heeft verwerkt, dat hetzelfde geldt bij de stedenbouwkundige vergunning van 24 juni 2005 voor de realisatie van de eindafdek, dat in dit besluit zaken worden vergund die in de optiek van verzoeker onverenigbaar zijn met de bestemming bosgebied, dat verzoeker dit besluit evenmin heeft aangevochten, niettegenstaande hij in onderhavig verzoekschrift toch meent dat de site sinds 1998 geacht moet worden te liggen in bosgebied waar de voorschriften van artikel 12.4.2 van het inrichtingsbesluit gelden, dat verzoeker geen rechtstreeks belang heeft bij het middel, dat hij minstens zijn belang heeft verwerkt betreffende de beweerde inwerkingtreding van de nabestemming bosgebied in 1998; 3.3.2. Overwegende dat de tussenkomende partij in ondergeschikte orde aanvoert dat het middel niet gegrond is; dat zij vooreerst meent dat het middel in feite faalt en stelt dat verzoeker misleidt door te beweren dat met het bestreden besluit de stortactiviteiten "gereactiveerd" worden, dat met het bestreden besluit enkel en alleen de bestaande inrichting voor houtopslag en -overslag wordt uitgebreid om logistieke redenen, dat deze op- en overslag gebeurt naast de stortplaats in ophoging in de zone op maaiveldniveau die nooit door de tussen- komende partij werd gebruikt als stortplaats doch enkel als wegenis-, manoeuvreer- en onderhoudsruimte voor de vrachtwagens, dat in de stortzone enkel en alleen activiteiten plaatsvinden in het kader van de eindafwerking van de stortplaats en de nazorg, dat verzoeker op een simplistische manier meent dat op de stortplaats in ophoging zonder meer onmiddellijk na het stopzetten van de stortactiviteiten een bos zou moeten verrijzen, dat zelfs ingeval het wenselijk zou zijn om een bos aan te planten op het voormalige klasse 2-stort, opgemerkt moet worden dat dit milieutech- nisch niet haalbaar is en dat de bepalingen van Vlarem II inzake de afwerking en nazorg dit niet zouden toelaten, dat het advies van de afdeling Bos & Groen in dezen duidelijk is, dat eerst de afwerking en nazorg moet plaatsvinden en dat binnen vijf jaar er opnieuw een evaluatiemoment zal worden ingelast, dat daarenboven OVAM VII-34.983-11/26 al opmerkte dat de ontwikkeling van hoogstammige bomen moet worden verhinderd om beschadiging van de afdeklaag te voorkomen; 3.3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij van oordeel is dat het middel ook faalt naar recht; dat zij stelt dat er kennelijk geen schending voorligt van het gewestplan of van artikel 12.4.2 van het inrichtingsbesluit, om de eenvoudige reden dat de desbetreffende percelen volgens het gewestplan zijn gelegen in gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen en het voorwerp van de aanvraag de realisatie van de nabestemming bosgebied niet in het gedrang brengt, dat de bewering als zou het beweerde verval van de milieuvergunning van 1998 met zich brengen dat de percelen niet langer de bestemming "gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen" hebben doch wel "bosgebied", niet begrepen kan worden, dat in die milieuvergunning als voorwaarde enkel werd opgelegd dat "na afwerking van de stortplaats een bos met inheemse en streekeigen boom- en heestersoorten dient aangeplant te worden", dat thans de voormalige klasse 2-stortplaats wordt afgewerkt conform de bepalingen van Vlarem II en dat na de afwerking de nazorg zal moeten plaatsvinden, dat volgens de afdeling Bos & Groen er binnen vijf jaar een evaluatiemoment zou worden ingevoerd voor de realisatie van het "bos", dat dan kan worden overlegd welk type bos het meeste kans van slagen heeft, dat het duidelijk is dat de tussenkomende partij in overleg met de bevoegde overheden al het mogelijke doet om de destijds opgelegde vergunningsvoorwaarde na te leven, dat deze voorwaarde in rechte uiteraard op geen enkele manier kan worden begrepen als zou de nabestemming bosgebied gerealiseerd worden eens er niet langer wordt gestort, dat het immers enkel en alleen gaat om een vergunnings- voorwaarde, niet om een gewestplanvoorschrift dat zou voorschrijven wanneer de nabestemming gerealiseerd moet worden, dat zo een aanvullend gewestplanvoor- schrift overigens een reglementair karakter heeft en aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State zou moeten worden voorgelegd, dat er voor het desbetreffende gewestplan geen aanvullende voorschriften werden opgenomen betreffende de bestemming gebieden voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzie- ningen met nabestemming bosgebied, dat in andere welbepaalde gewestplannen wél uitdrukkelijk wordt voorzien in aanvullende stedenbouwkundige voorschriften die bepalen wanneer een welbepaalde nabestemming in werking treedt : "- Zo bijvoorbeeld in het gewestplan Veurne - Westkust, vastgesteld bij K.B. van 6 december 1976, dat in artikel 2 voorziet in een gebied voor gemeen- schapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat. Volgens dit artikel krijgen de gronden 'bij afbraak van het bestaande gebouwencomplex' de VII-34.983-12/26 bestemming van natuurgebied en worden de voorschriften van toepassing die gelden voor deze bestemming. - In het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij K.B. van 4 november 1977, wordt in artikel 1 een aanvullend voorschrift opgenomen voor reservegebieden voor beperkte industriële uitbreiding (...). Dit artikel bepaalt dat die bestem- ming slechts kan worden verwezenlijkt nadat zij is vastgesteld in een bijzonder plan van aanleg. - In dezelfde zin overwoog de Raad van State in verband met een reservege- bied voor ontginningen zoals bepaald in artikel 7 van het gewestplan van Limburgs Maasland 'dat de overheid, alvorens een bouw- of exploitatievergun- ning te kunnen verlenen, voor het gehele gebied een plan voor de realisatie van de door de grondkleur in het gewestplan gegeven nabestemming moet hebben goedgekeurd(') (R.v.St., 90.620, BECOGRI, 30 oktober 2000). - In het gewestplan Antwerpen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 28 oktober 1998, werd een aanvullend voorschrift industriegebied met nabestemming natuurgebied opgenomen, waarin gesteld wordt dat het betrokken gebied de bestemming van natuurgebied krijgt 'wanneer die bedrijven hun huidige bedrijfsactiviteit niet meer voortzetten en geen andere bedrijfsactiviteiten uitoefenen die tot dezelfde bedrijfssector behoren'"; dat zij voorts stelt dat, hoewel deze voorbeelden niet eenduidig aangeven wanneer de nabestemming te dezen geacht wordt gerealiseerd te zijn, zij alleszins aangeven dat de realisatie van de nabestemming afhangt van ofwel de volledige stopzetting van de huidige bedrijfsactiviteit of elke andere bedrijfsactiviteit die tot dezelfde sector behoort dan wel van een positieve beslissing van de overheid, dat de realisatie van de nabestemming evenwel in geen geval afhangt van de aspiraties en verzuch- tingen van omwonenden die menen recht te hebben op deze of gene bestemming, dat er te dezen geen positieve beslissing is genomen van een bevoegde overheid die de bestemming gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen heeft opgeheven en het gebied heeft bestemd tot bosgebied, dat er evenmin een stopzetting voorligt van de huidige bedrijfsactiviteit of van een bedrijfsactiviteit die tot dezelfde bedrijfssector behoort, dat het feit dat er niet meer op de klasse 2-stortplaats wordt gestort uiteraard niet betekent dat de bedrijfsactiviteit van de tussenkomende partij is stopgezet, dat zij integendeel de site verder wenst te benutten voor opslag en overslag van bepaalde recycleerbare huishoudelijke afvalstoffen op de zone op maaiveldniveau naast de stortzone in ophoging, dat het duidelijk is dat de desbetreffende percelen nog worden aangewend voor doeleinden van openbaar nut conform de gewestplanbestemming; 3.3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij verder stelt dat er geen schending is van het vertrouwensbeginsel, dat het vertrouwensbeginsel inhoudt dat de rechtszoekende moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan, dat het VII-34.983-13/26 bestuur de door haar opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van het rechtssub- ject dus niet mag beschamen, dat verzoeker te dezen meent dat hij er op mocht vertrouwen dat na het beweerde verval van de milieuvergunning voor de exploitatie van de klasse 2-stortplaats in 1998 de nabestemming bosgebied in werking zou treden en dat er vanaf dat ogenblik geen vergunningen zouden worden afgeleverd voor activiteiten die thuishoren in een zone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, dat verzoeker niet kan worden bijgetreden, dat het niet duidelijk is wat verzoeker bedoelt : "Bedoelt hij dat hij er op mocht vertrouwen dat de nabestemming bosgebied in werking treedt vanaf het beweerde verval van de stortvergunning?"; dat de tussenkomende partij meent dat dit niet kan worden aangenomen om de volgende redenen : "Verzoeker meent in die hypothese dat hij recht heeft op de inwerkingtreding van een bepaalde regelgeving. De voorschriften van het gewestplan hebben immers verordenende kracht. Het is zo dat verwachtingen bij wijze van regelgeving kunnen worden opgewekt door de overheid. Het vertrouwensbegin- sel houdt dan in dat de burger van het bestuur mag verwachten dat de uitgevaardigde normen blijven gelden totdat zij zijn opgeheven of door andere zijn vervangen. Hij mag met name verwachten dat regelen waarvan de toepassing termijngebonden is, niet hangende de termijn worden gewijzigd (...). Dit is in casu helemaal niet aan de orde. Wel integendeel, er bestaat geen aanvullend gewestplanvoorschrift dat voorschrijft op welk ogenblik de nabestemming bosgebied in werking treedt. Verzoekende partij kan dan ook niet beweren dat zijn vertrouwen door de overheid beschaamd werd omdat de nabestemming niet gerealiseerd zou zijn op een ogenblik dat verzoeker dit zou willen. Verzoekende partij kan zijn timing niet opdringen aan de planopmaken- de of vergunningverlenende overheid die in het algemeen belang moet handelen. Er moet overigens opgemerkt worden dat volgens de rechtspraak van de Raad van State een rechtsonderhorige als dusdanig geen recht heeft op het behoud van een welbepaalde gewestplanbestemming. In diezelfde zin moet eveneens aangenomen worden dat een rechtsonderhorige geen recht heeft op de realisatie van een welbepaalde nabestemming, minstens niet wanneer de realisatie van deze nabestemming geenszins gebonden is aan een termijn of een welbepaalde gebeurtenis in een aanvullend gewestplanvoorschrift. De bewering van verzoeker kan ook begrepen worden in de zin dat hij meent dat de vergunningverlenende overheid zijn vertrouwen heeft geschonden door de vergunning te verlenen voor de verandering van de bestaande houtoverslag. Dat kan evenmin aangenomen worden om de volgende redenen. Het desbetreffende voorschrift van het gewestplan heeft verordenende kracht en blijft van toepassing zolang het niet wordt opgeheven of vervangen door een ruimtelijk uitvoeringsplan. De vergunningverlenende overheid is verplicht om zich bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag te gedragen naar de verordenende kracht van het gewestplan. Als overheid van actief bestuur is zij zelfs niet bij machte om bepaalde voorschriften van het gewestplan overeen- komstig artikel 159 Grondwet buiten toepassing te laten, mocht dit al aan de orde zijn, quod in casu certe non. Welnu, de minister heeft de aanvraag gewoon getoetst aan de thans geldende gewestplanvoorschriften en heeft terecht VII-34.983-14/26 overwogen dat de aanvraag verenigbaar is met de toepasselijke stedenbouwkun- dige voorschriften. Verzoekende partij betwist overigens niet dat het voorwerp van de aanvraag verenigbaar is met de bestemming gebieden voor gemeen- schaps- en openbare nutsvoorzieningen, alleen meent zij dat de nabestemming bosgebied sinds 1998 in werking is getreden, hetgeen niet kan worden aangenomen"; 3.3.5. Overwegende dat de tussenkomende partij ten slotte stelt dat de motiveringsplicht evenmin is geschonden, dat verzoeker volledig nalaat aan te geven waarom hij meent dat de motiveringsplicht is geschonden, dat hij alleen aanvoert dat het bestreden besluit een contradictie zou bevatten "in die zin dat blijkbaar de nabestemming toch gerealiseerd wordt, doch anderzijds tal van bijkomende activiteiten worden vergund", dat het bestreden besluit uitdrukkelijk verwijst naar het gunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen; dat zij voorts de overwegingen betreffende de planologische verenigbaarheid uit het bestreden besluit citeert en stelt dat verzoeker onmogelijk kan beweren dat hij in het bestreden besluit de redenen niet kan terugvinden waarom de vergunningverlenende overheid van mening is dat de aanvraag verenigbaar is met de gewestplanbestem- ming, dat van enige tegenstrijdigheid in de motivering evenmin sprake is, dat het duidelijk is dat de realisatie van de nabestemming niet van vandaag op morgen kan gebeuren, maar dat het voormalige stort eerst moet worden afgewerkt waarna een periode van nazorg in acht moet worden genomen, dat uitdrukkelijk kan worden verwezen naar het advies van de afdeling Bos & Groen van 21 januari 2005 betreffende de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de eindafdek waarin wordt gesteld dat er inzake de realisatie van de nabestemming bosgebied binnen vijf jaar een evaluatiemoment zal worden ingelast, dat tevens kan worden verwezen naar het gunstige advies van de afdeling Bos & Groen van 3 september 2002 betreffende de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de bestaande houtoverslag, dat het verlenen van een milieuvergunning voor de verandering van de bestaande inrichting van houtoverslag, niet tegenstrijdig is met het gegeven van de nabestem- ming bosgebied, dat het bestreden besluit uitdrukkelijk overweegt dat er op dit moment wordt overgegaan tot de voorbereiding van de nabestemming en dat de zone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen voorlopig nog kan worden bestendigd, dat onderhavige aanvraag daarenboven betrekking heeft op een zone op maaiveldniveau naast de stortzone in ophoging, waar dus nooit door de tussen- komende partij werd gestort, dat het materiële motiveringsbeginsel evenmin is geschonden, dat verzoeker nalaat om aan te geven waaruit de schending volgens hem bestaat, dat het bestreden besluit gegrond is op in rechte en in feite aanvaardba- re motieven die de beslissing kunnen dragen, dat betreffende de planologische VII-34.983-15/26 verenigbaarheid van het voorwerp van de aanvraag geen twijfel kan bestaan, dat uit het administratief dossier blijkt dat alle vergunningverlenende en adviserende instanties van oordeel zijn dat de houtoverslag waarvan met onderhavige aanvraag de verandering en uitbreiding wordt gevraagd, thuishoort in het gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming bosgebied, dat voor zover er al enige onduidelijkheid zou kunnen bestaan over de invulling van het desbetreffende gewestplanvoorschrift, opgemerkt moet worden dat het hier een discretionaire beoordeling betreft van de vergunningverlenende overheid en dat verzoeker niet aannemelijk kan maken dat deze overheid een kennelijk onredelijke invulling heeft gegeven van de desbetreffende stedenbouwkundige voorschriften; 3.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de verwerende partij vooreerst stelt dat "de voorliggende aanvraag (...) geenszins betrekking (heeft) op de oude stortplaats...", dat dit merkwaardig is nu blijkt dat de oorspronkelijke vergunning van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen zeker betrekking had op percelen die thans ook het voorwerp uitmaken van de aan de bestreden beslissing voorafgaande aanvraag, dat het feit dat thans activiteiten plaatsvinden op percelen van het vroegere stort, zelfs wordt bevestigd door een proces-verbaal van de lokale politie van Ninove dat aan verzoeker ter beschikking werd gesteld door een derde-omwonende, dat onder de rubriek "Vaststellingen ter plaatse" staat te lezen dat "op deze plaats (...) worden er momenteel werken uitgevoerd. Het in het verleden gestorte huisvuil wordt er met graafmachines opgegraven. Met terreinwagens wordt dit huisvuil naar de achtergele- gen terreinen (...) gevoerd. De ontstane putten ingevolge de graafwerken worden onmiddellijk opgevuld met zand en vervolgens aangedrukt met een boldermachine", dat dergelijke activiteiten niets te maken hebben met de sanering van het stort doch enkel en alleen dienen om de betrokken percelen "gebruiksklaar" te maken voor de nieuwe vergunde activiteiten, dat de verwerende partij tot tweemaal toe bevestigt dat de stortplaats niet meer wordt uitgebaat of dat de stortplaats reeds geruime tijd buiten gebruik is, dat de op 20 april 1989 verleende ARAB-vergunning, geldend voor tien jaar, aldus is komen te vervallen in het voorjaar van 1998, dat vanaf dat ogenblik enkel nog werken kunnen worden vergund met het oog op de realisatie van de nabestemming bosgebied, dat de verwerende partij er met haar redenering lijkt naar te streven dat die stelling misschien wel juist is doch slechts beperkt is tot de percelen waarop destijds werd gestort, dat die visie niet opgaat, dat de percelen waarop destijds werd gestort alsook deze waarop thans de inrichting is voorzien, volgens het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem zijn gelegen in een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming VII-34.983-16/26 bosgebied, dat het niet kan dat de nabestemming slechts zou worden beperkt tot die percelen waarop destijds werd gestort en geen betrekking zou hebben op de overige percelen gelegen in het gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, dat het volledige gebied thans de bestemming bosgebied heeft; dat verzoeker voorts stelt dat hij er in geslaagd is een bouwvergunning van 29 april 1997 te bemachtigen die aan de tussenkomende partij werd verleend, strekkende tot het uitvoeren van beplantingen op de stortplaats, dat die vergunning twee zaken betekent, dat dit enerzijds aangeeft dat vanaf die datum zelfs de tussenkomende partij ervan overtuigd was dat de bestemming van het gebied "bosgebied" was en dat anderzijds enkel nog met die bestemming verenigbare werken konden worden vergund, dat dit ook met zich meebrengt dat vanaf die datum geen met die bestemming strijdige activiteiten kunnen worden vergund, dat de verwerende partij zelfs stelt dat met de realisatie van de nabestemming is begonnen, wat zoveel betekent als toegeven dat de bestemming van het gebied inderdaad bosgebied is, dat er aldus geen sprake meer is van een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen doch slechts van een bosgebied, dat luidens artikel 12.4.2 van het inrichtingsbesluit de bosgebieden de beboste of de te bebossen gebieden zijn, bestemd voor het bosbedrijf, dat daarin gebouwen, noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, zijn toegelaten op voorwaarde dat deze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf al was het maar tijdelijk, dat uit voornoemd artikel volgt dat gebieden die nog niet bebost zijn, bebost moeten worden en dat de te bebossen bosgebieden niet bestemd zijn voor het behoud van de bestaande toestand doch voor de exploitatie van bossen, dat in ieder geval de middels het bestreden besluit vergunde activiteiten onverenigbaar zijn, zelfs wanneer het gaat om een uitbreiding van het voorwerp van een op 12 juli 2001 verleende vergunning, dat de handelwijze zelfs aangeeft dat van nabestemming nog helemaal geen sprake zal zijn, temeer blijkt dat de uitbreiding wordt nagestreefd, dat niet valt in te zien hoe de tussenkomende partij ertoe komt te stellen dat het middel niet dienstig zou zijn vermits met voorliggende vordering precies wordt beoogd te beletten dat met het gewestplan strijdige activiteiten worden vergund en uitgevoerd, dat een vergun- ningsaanvraag, bij gebreke van een bijzonder plan van aanleg, rechtstreeks wordt getoetst aan de voorschriften van het gewestplan, omdat een in een gewestplan vastgestelde bestemming uit zichzelf rechtsgevolgen heeft, dat geen enkele bepaling aan de vergunningverlenende overheid de bevoegdheid verleent om aan een gewestplanvoorschrift uitwerking te onthouden, dat de handelwijze van de verwerende partij aangeeft dat zij aan het gewestplanvoorschrift uitwerking onthoudt, dat zij er niet mee kan volstaan dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn, aangezien door het verder uitbreiden van het voorwerp en het indienen van VII-34.983-17/26 nieuwe aanvragen het tegendeel blijkt, dat in tegenstelling tot hetgeen de tussenk- omende partij meent, verzoeker niet is benadeeld door het gewestplanvoorschrift, dat thans de bestemming van het gebied immers bosgebied is, en niet valt in te zien hoe verzoeker aldus zou kunnen zijn benadeeld omdat het naleven van die bestemming de nodige rust met zich zal brengen; 3.5. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat de exploitant van deze vergunde maar niettemin onwettige activiteiten zich profileert als grote afvalverwerker, dat die activiteiten niet kunnen worden gerangschikt onder werken of handelingen van algemeen belang zoals beschreven in het "besluit van de Vlaamse Regering dd. 05 mei 2000", dat indien artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening hierop onder bepaalde omstandigheden afwijkingen voorziet, te dezen niet aan de voorwaarden is voldaan, dat de verwerende partij dan ook ten onrechte het eerder bij haar aangebrachte beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen heeft verworpen, dat de beslissing moet worden vernietigd, dat in concreto moet worden vastgesteld dat met de bestreden beslissing de afvalverwerking en stortactiviteit worden gereactiveerd, bestendigd en zelfs uitgebreid, dat dit onverenigbaar is met bovenvermeld gewestplanvoorschrift, zeker wanneer wordt vastgesteld wat er bijkomend wordt vergund, dat dit in de bestreden beslissing zelfs expliciet als volgt wordt gesteld : "(...); dat onderhavige aanvraag, voorlopig nog, de zone voor gemeenschaps- en openbare voorzieningen bestendigt door de overslagzone met loodsen en bunkers in functie van de houtafvalverwerkingsinstallatie uit te breiden"; dat als gevolg van de bestreden beslissing het tot 22 november 2021 mogelijk wordt de bijkomende afvalverwerkingsactiviteiten uit te voeren, dat de reële (na)bestemming van de gehele stortplaats de uitbouw van bosgebied is, dat er planologisch geen bedrijfsgebouwen of (semi-)industriële activiteiten worden toegestaan in dergelijke gebieden die als kwetsbaar worden aanzien, dat de tussenkomende partij blijkbaar boven al deze wetten en regels staat, vermits zij niet alleen de huidige activiteiten ontplooit maar ook sinds jaar en dag grote oppervlak- ten, aansluitend bij de stortplaats, voor haar afvalverwerkingsactiviteit dienstbaar heeft gemaakt en dit in onbetwistbaar waardevol landschappelijk gebied; 3.6. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat een reglementaire bepaling, met name de bestemming zone van openbaar nut, niet tot één activiteit kan worden beperkt, dat de gewestplannen luidens artikel VII-34.983-18/26 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, verordenende kracht bezitten, dat een gewestplan dus geen rechtshandeling met individuele strekking is, maar wel een reglementair besluit, dat om te komen tot dergelijke beperkende invulling van het bestemmingsvoorschrift, een verwijzing naar de vermeende feitelijke omstandigheden ten tijde van de totstandkoming van het gewestplan niet voldoende lijkt, dat het niet duidelijk is op basis van welke rechtsgrond de opslag en mechanische bewerking van houtafval onverenigbaar zou zijn met de bestemming zone van openbaar nut, dat indien het de intentie van de bevoegde overheden was om het bestemmingsvoorschrift dermate restrictief in te voeren, met name de beperking tot één activiteit (stortplaats), zij deze bestemmingzone verder kon specificeren in een aanvullend bestemmingsvoorschrift in het betrokken gewestplan, dat dit evenwel niet is gebeurd, dat men de interpretatie van het litigieuze bestemmingsvoorschrift niet mag laten afhangen van het gebruik van de percelen, dat de thans voorliggende aanvraag geen betrekking heeft op de oude stortplaats doch wel op de bij besluit van 22 november 2001 vergunde inrichting voor de opslag en het mechanisch behandelen van houtafval, dat met de thans voorliggende aanvraag een verandering werd beoogd van de met het besluit van 22 november 2001 vergunde inrichting, met name een uitbreiding op dezelfde percelen met bijkomende activiteiten en een toevoeging door ingebruikname van een gedeelte van het tot op heden niet vergunde perceel 485/a, dat het perceel 485/a aansluitend en oostelijk gelegen is ten opzichte van het reeds vergunde perceel 503 en noord-oostelijk gescheiden is met de reeds vergunde percelen 385, 386, 388/a, 389/c, 390/a en 391/a door de Molenbeek, dat indien de redenering gevolgd wordt dat het gebruik van de bewuste percelen de inhoud van het bestemmingsvoorschrift bepaalt, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing geen betrekking heeft op de percelen die gebruikt werden als stortplaats, dat dit in concreto betekent dat de percelen die niet gebruikt werden als stortplaats, hun hoofdbestemming nog niet vervulden, dat het dan ook evident is dat voor deze percelen geen sprake kan zijn van de realisatie van hun nabestemming, dat een verdere exploitatie van de stortplaats afhankelijk is van de plannen van de eigenaar en/of gebruiker van het gebied; 3.7.1. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie bij haar standpunt blijft dat het middel niet ontvankelijk is; dat zij betoogt dat indien men aanneemt dat de nabestemming bosgebied van toepassing is geworden ten gevolge van het feit dat er niet meer wordt gestort op de klasse 2-stortplaats, men ook niet kan beweren dat er nog activiteiten kunnen worden vergund op grond van de hoofdbestemming gemeenschapsvoorziening met betrekking tot de stortplaats, VII-34.983-19/26 ook niet ingeval deze activiteiten de nabestemming mogelijk maken, dat de visie dat activiteiten die volgens artikel 12.4.2 van het inrichtingsbesluit niet toegelaten zijn in bosgebieden, wel kunnen worden toegelaten omdat zij de nabestemming faciliteren, niet kan worden aangenomen gelet op de vaste rechtspraak van de Raad van State volgens dewelke alles wat volgens het inrichtingsbesluit niet uitdrukkelijk toegelaten is in een bepaald bestemmingsgebied eigenlijk verboden is, dat het onderscheid tussen een bosgebied dat nog moet worden ontwikkeld en een bosgebied dat reeds is gerealiseerd, geen steun vindt in het inrichtingsbesluit en niet kan worden aangenomen, dat de activiteiten met betrekking tot de klasse 2-stortplaats zijn toegelaten omdat deze in overeenstemming zijn met de thans geldende gewestplanbestemming zone voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzie- ningen en omdat deze de nabestemming bosgebied niet in het gedrang brengen, dat als verzoeker het bestaan van deze gewestplanbestemming zone voor openbaar nut niet wenst te erkennen, de consequentie is dat de activiteiten inzake eindafdek en nazorg niet kunnen worden toegelaten, en meteen dat de nabestemming in de praktijk niet kan worden verwezenlijkt, dat men om deze reden zich wel degelijk kan afvragen of verzoeker wel belang heeft bij het enige middel; dat de tussenkomende partij voorts herhaalt dat verzoeker minstens zijn belang heeft verwerkt en stelt dat het beweerde nadeel voortvloeit uit de vaststelling van het gewestplan in 1978 dewelke niet werd aangevochten, dat verzoeker de basismilieuvergunning en - bouwvergunning niet heeft aangevochten, dat men een onderscheid moet maken tussen het belang dat verzoeker moet aantonen bij zijn annulatieberoep enerzijds en bij het hierin opgeworpen middel anderzijds, dat het feit dat het een beperkte uitbreiding betreft, inderdaad van belang kan zijn bij de beoordeling van zijn belang bij het verzoekschrift, dat een verzoeker volgens de rechtspraak van de Raad van State niet het belang kan worden ontzegd om te ageren tegen een uitbreiding om reden dat hij niet is opgetreden tegen de basisvergunning, dat dit ook logisch is aangezien het kan zijn dat een verzoeker vreest om onoverkomelijke hinder te ondervinden die duidelijk gerelateerd is aan de uitbreiding van de inrichting, dat dit te dezen niet aan de orde is, dat verzoeker geen specifiek probleem heeft met de beperkte uitbreiding, maar een principieel bezwaar heeft tegen de afgifte van vergunningen op grond van de gewestplanbestemming openbaar nut met ingang van 1996, zijnde het ogenblik wanneer de stortactiviteiten gestopt zijn en de bestemming bosgebied in werking zou zijn getreden volgens verzoeker, dat het niet is omdat verzoeker een belang kan hebben bij zijn verzoekschrift dat hij beschikt over een belang bij het ingeroepen enige middel, dat verzoeker evenmin de corresponderende stedenbouwkundige vergunning voor de met het bestreden besluit vergunde verandering van de op- en overslag heeft aangevochten, dat hij ten overvloede heeft VII-34.983-20/26 nagelaten om de intussen verleende stedenbouwkundige vergunning die correspon- deert met de thans bestreden milieuvergunning voor de verandering van de op- en overslag aan te vechten, dat deze intussen werd verleend door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 18 juli 2007, dat de gewestelijke stedenbouwkun- dige ambtenaar terecht heeft overwogen dat "het project volkomen bestaanbaar is met de vigerende bestemming", dat alle instanties de aanvraag gunstig hebben geadviseerd, dat in het bijzonder moet worden gewezen op het gunstige advies van het agentschap voor Natuur en Bos buitendienst Oost-Vlaanderen van 6 maart 2007, dat hierin er terecht wordt van uitgegaan dat de werken gelegen zijn in een zone voor openbaar nut en dat de werken geen invloed hebben op de toekomstige inrichting conform de nabestemming bosgebied; 3.7.2. Overwegende dat de tussenkomende partij voorts stelt dat zij het niet eens is met veronderstellingen die voorbijgaan aan het bestemmingsvoorschrift zoals het werd vastgesteld, dat de premisse dat het desbetreffende gewestplanvoor- schrift enkel toelaat om aldaar de bestaande stortplaats verder te exploiteren, niet kan worden bijgetreden, dat het een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen met nabestemming bosgebied betreft en geen stortgebied, dat uit de toelichtingsnota bij het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem niet blijkt dat het de bedoeling is geweest van de opsteller van het gewestplan om een restrictieve en van het inrichtingsbesluit afwijkende invulling te geven aan de gewestplanbestemming gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, dat ingeval het destijds werkelijk de bedoeling was om enkel de bestaande stortplaats verder te exploiteren, men dit destijds wel uitdrukkelijk had bepaald in een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift, dat bijvoorbeeld het gewestplan Turnhout uitdrukkelijk voorziet in een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift voor "stortgebieden met nabestemming bosgebied", dat artikel 2 daarvan het volgende bepaalt : "De gebieden die als 'Stortgebieden' zijn aangeduid, zijn bestemd voor het storten van huisafval en niet-giftige stoffen. Over de opening van een stortterrein wordt beslist door de Staat, de provincie of de gemeente. Het storten dient op zodanige wijze te geschieden dat, na stopzetting ervan, het terrein harmonisch in het landschap kan worden geïntegreerd. Na de sluiting van de stortplaats dienen, met inachtneming van de land- schapsbepalende elementen van de omgeving, de nodige werken en handeling- en te worden uitgevoerd opdat het gebied de bestemming (kan) hebben die door de grondkleur in het gewestplan is aangegeven"; dat de tussenkomende partij voorts aanvoert dat men het bestaande voorschrift "gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorziening met nabestemming VII-34.983-21/26 bosgebied" niet kan substitueren naar een "stortgebied met nabestemming bosgebied" op grond van de beweerde bedoeling van de opsteller van het gewest- plan, dat de premisse dat het gewestplan zo begrepen moet worden dat er enkel eigenlijke stortactiviteiten toegelaten zijn en daarna enkel activiteiten gericht op de realisatie van de nabestemming bosgebied, niet kan worden weerhouden, dat deze premisse ingaat tegen de uitdrukkelijke tekst van het gewestplan, dat aangezien het duidelijk is dat de thans van toepassing zijnde gewestplanbestemming ruimer is dan enkel "stortgebied", niet kan worden aangenomen dat de met het bestreden besluit vergunde activiteiten in strijd zijn met de gewestplanvoorschriften, dat aangezien de van toepassing zijnde gewestplanbestemming ruimer is dan "stortgebied", evenmin kan worden aangenomen dat door de stopzetting van de eigenlijke stortactiviteiten in 1996 de initiële hoofdbestemming openbaar nut plots is opgehouden te bestaan en dat er vanaf die datum enkel nog activiteiten kunnen worden vergund met het oog op de realisatie van de nabestemming bosgebied, dat de thans vergunde activiteiten de nabestemming bosgebied niet in het gedrang brengen, gelet op de nog steeds lopende nazorg over een periode van tien jaar en de afdekwerken die gedurende deze periode nodig zijn waardoor het praktisch en juridisch nog niet mogelijk is om hier onmiddellijk een bos in te richten, dat de omstandigheid dat het gewestplanvoor- schrift in kwestie de bestemming van het gebied voor een groot deel afhankelijk zou maken van de eigenaar en/of gebruiker van het gebied, niet ten kwade kan worden geduid van de vergunningverlenende overheid of van de vergunninghouder, dat deze vaststelling sterk moet worden genuanceerd, dat aangezien het gaat om een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, de bestemming niet zozeer afhankelijk is van de intentie van de private eigenaar maar daarentegen van de noden van de gemeenschap, dat het te dezen duidelijk is dat de verandering van de vergunde inrichting van op- en overslag noodzakelijk was met het oog op het beperken van het transport en voor het ondervangen van tijdelijke opslagproblemen, dat zolang de percelen nodig zijn in functie van het openbaar nut, de hoofdbestem- ming blijft gelden en activiteiten in die zin kunnen worden vergund op voorwaarde dat zij de realisatie van de nabestemming niet onmogelijk maken; dat volgens de tussenkomende partij, het veel absurder is om de gewestplanbestemming "gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorziening" te substitueren naar de meer specifieke bestemming "stortgebied", om dan te argumenteren dat deze gesubstitu- eerde bestemming finaal een einde neemt wanneer wordt gestopt met eigenlijke stortactiviteiten "sensu strictu" maar het terrein nog wel broodnodig is voor op- en overslagactiviteiten van welbepaalde recycleerbare huishoudelijke afvalstoffen, hetgeen onmiskenbaar in het belang van de gemeenschap is en dus bestaanbaar is met de eigenlijke gewestplanbestemming; dat zij ten slotte nog verwijst naar de VII-34.983-22/26 toelichtingsnota bij het Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan "Grootstedelijk Gebied Gent" en stelt dat hierin, met betrekking tot een "zone voor ontginning met nabestemming deels agrarische zone type 1 en deels zone voor bossen" het volgende wordt gesteld : "De ontginningsputten kunnen terug worden opgevuld en bij einde der werken moet de nabestemming gerealiseerd worden. De voorschriften bepalen geen éénduidig tijdstip voor de realisatie van de nabestemming. Zo kunnen de ontginningsputten in principe terug worden opgevuld met de bedoeling deze nadien opnieuw te ontginnen", dat uit deze passage dus blijkt dat de overheid zelfs ingeval van activiteiten met een zogezegd evident eindpunt er kan van uitgaan dat er geen eenduidig tijdstip voor de realisatie van de nabestemming bestaat, en dat op dit punt inderdaad één en ander afhankelijk kan zijn van de exploitant en a fortiori van de noden van de gemeen- schap, dat is aangetoond dat het te dezen gaat om een zuiver gebied voor gemeen- schaps- en openbare nutsvoorzieningen, dus om een bestemming die als dusdanig géén evident eindpunt heeft maar daarentegen blijft gelden zolang de desbetreffende gronden gebruikt worden in functie van het openbaar nut zoals omschreven in het inrichtingsbesluit; 3.8.1. Overwegende dat indien nog werken nodig zijn om op een voormalige stortplaats de nabestemming bosgebied te realiseren, deze werken verenigbaar moeten zijn met de bestemming; dat wat verzoeker aanvecht niet dergelijke werken zijn doch andere activiteiten, die vreemd zijn aan zowel de exploitatie van een stortplaats als aan het realiseren van de bestemming bosgebied; dat zoals hierna zal blijken de vergunde activiteiten niet in overeenstemming zijn met de bestemming van het gebied; dat verzoeker bijgevolg zijn belang niet verwerkt heeft door de basisvergunning van 22 november 2001 voor de opslag van 100 ton houtafval niet aan te vechten; dat de thans bestreden vergunning een uitbreiding met de opslag van 150 ton witglas, 150 ton groen en bruin glas, 150 ton gemengd glas, 750 ton betonpuin, 650 ton steenpuin en 320 ton verhakseld snoeiafval betreft; dat zulks cijfermatig een uitbreiding van de capaciteit van 100 ton tot 2270 ton betekent en verzoeker wel degelijk belang heeft deze uitbreiding aan te vechten; dat voorts de stedenbouwkundige vergunning van 24 juni 2005 voor de eindafdek van de stortplaats geen uitstaans heeft met de bij de bestreden beslissing vergunde activiteiten zodat hij, door ook die beslissing niet aan te vechten, zijn belang bij huidig beroep niet heeft verwerkt; VII-34.983-23/26 3.8.2. Overwegende dat op het ogenblik dat het gewestplan Aalst- Ninove-Geraardsbergen-Zottegem werd vastgesteld er reeds een stortplaats werd geëxploiteerd op het terrein dat voorwerp is van de onderhavige betwisting; dat het terrein zelf volledig omringd is door natuurgebied en door landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat hieruit voortvloeit dat het gewestplan, door vast te stellen dat het terrein enkel bestemd wordt voor de verdere exploitatie van de stortplaats, met nabestemming bosgebied, duidelijk bedoelt dat na het beëindigen van de exploitatie van de stortplaats onmiddellijk daarop, aansluitend de verwezen- lijking van de bestemming bosgebied wordt aangevangen zonder dat hiervoor nog een plan nodig is; dat het gewestplan er niet in voorziet om dit terrein nadien te bestemmen voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; dat de opdracht van het gewestplan om als nabestemming een bos te creëren dan ook duidelijk is; dat de argumentatie van de verwerende partij dat "de bestemming bosgebied slechts dient gerealiseerd te worden eens de percelen niet meer in functie van openbaar nut gebruikt worden of elk nut voor gemeenschaps- en openbare voorzieningen hebben verloren" om die reden ook verworpen wordt; dat bovendien de exploitatie van een stortplaats een einde neemt wanneer de stortplaats volgestort is, zodat het einde van de stortactiviteiten relatief gemakkelijk bepaalbaar is; dat het "verder (...) benutten voor opslag en overslag van bepaalde recycleerbare huishoudelijke afvalstoffen op de zone op maaiveldniveau naast de stortzone in ophoging" niet kan worden ondergebracht in wat een normale stortactiviteit hoort te zijn; dat bovengronds opslaan en overslaan van afval, zij het tijdelijk, niet gelijk te stellen is met storten van afval; dat de interpretatie van de tussenkomende en de verwerende partij die er op neer komt dat de bestemming gemeenschapsvoorziening- en en openbare nutsvoorzieningen voor onbepaalde en lange tijd blijft gelden zolang de tussenkomende partij het terrein wenst te gebruiken, of tot zolang de overheid een nieuw plan vaststelt dat de bestemming bosgebied moet verwezenlijken, zonder meer indruist tegen de duidelijke bedoeling van het gewestplan; dat, ten slotte, het aanbrengen van de eindafdeklaag op de stortplaats het einde inluidt van de stortactiviteiten waarna de nabestemming gerealiseerd moet worden en waarna bijgevolg geen andere activiteiten op het terrein nog kunnen plaatsvinden dan die welke de realisatie van die nabestemming beogen; dat door activiteiten van opslag en overslag van afval toe te laten de overheid het gewestplan miskent; dat het enige middel gegrond is, VII-34.983-24/26 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 juli 2005 waarbij het beroep van Ortaire DE MEERLEER en Noël DE WEVER ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 10 februari 2005, houdende het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan het INTERGEMEENTELIJK SAMENWERKINGSVERBAND VOOR MILIEU om haar inrichting voor de op- en overslag van afvalstoffen, gelegen aan het Turkeveld te Geraardsbergen, te veranderen door uitbreiding en toevoeging, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-34.983-25/26 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien mei tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-34.983-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.281 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div