id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.287 Rolnummer: A. 192336/X-14157 Zaak: Arrest 193287 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-18 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Fiche Arrest nr 193.287 van 14 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.287 van 14 mei 2009 in de zaak A. 192.336/X-14.
- In zake :
- Guido NIJS,
- Sylvia NIJS,
- Richard CUSTERS,
- Jacqueline TIMP,
- Roeland CAMP,
- Anne-Marie VAESEN,
- Jos VASTMANS,
- Els SWENNEN,
- Jos CROIMANS,
- Rik SCHRIJVERS, die woonplaats kiezen bij advocaat K. VAES, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Herkenrodesingel 4, bus 1 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- de deputatie van de provincieraad van LIMBURG. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guido NIJS, Sylvia NIJS, Richard CUSTERS, Jacqueline TIMP, Roeland CAMP, Anne-Marie VAESEN, Jos VASTMANS, Els SWENNEN, Jos CROIMANS en Rik SCHRIJVERS op 25 april 2009 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van :
- het besluit van 17 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van LIMBURG houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor “een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten ‘Waterloos’ te Maaseik, met het bijhorende onteigeningsplan”;
- het besluit van 31 maart 2009 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende de goedkeuring van voormeld provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Waterloos” te Maaseik van de provincie Limburg; X-14.157-1/16 Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 27 april 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 8 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAES, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van de heer T. ROOSEN, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Wat de feitelijke gegevens van de zaak betreft kan vooreerst worden verwezen naar de uiteenzetting in het arrest nr. 170.824 van 7 mei 2007 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt bevolen van:
- het besluit van 19 april 2006 van de provincieraad van Limburg houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten “Waterloos” te Maaseik, met het bijhorende onteigeningsplan,
- het besluit van 19 juni 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening tot goedkeuring van bovenvermeld provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, met uitsluiting van de met blauwe rand omlijnde delen van de stedenbouwkundige voorschriften. 1.
- Op 14 juni 2007 beslist de deputatie van de provincieraad van Limburg om de procedure ten gronde bij de Raad van State niet voort te zetten (de geschorste besluiten worden met toepassing van artikel 17, § 4bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, juncto artikel 15bis, § 1 van X-14.157-2/16 het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bij arrest nr. 175.705 van 12 oktober 2007 vernietigd). 1.
- Op 5 juli 2007 beslist de deputatie tot het volledig hernemen van de procedure tot opmaak van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP). De plenaire vergadering vindt plaats op 10 september
- 1.
- Er wordt tevens besloten een plan-MER te laten opstellen met betrekking tot het ontworpen PRUP “omloop voor grond gebonden gemotoriseerde sporten” te Maaseik (Neeroeteren). De kennisgeving van het plan-MER wordt door de dienst MER volledig verklaard op 9 oktober
- Het plan-MER wordt door de dienst MER goedgekeurd op 6 maart
- Inmiddels werd in opdracht van de v.z.w. MC Maasland- Neeroeteren reeds een project-MER opgemaakt, dat door de dienst MER werd goedgekeurd op 11 december
- 1.
- Bij besluit van 16 april 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het ontwerp van PRUP “een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten ‘Waterloos’” te Maaseik met het bijhorende onteigeningsplan voorlopig vastgesteld. 1.
- Het openbaar onderzoek wordt gehouden van 9 mei 2008 tot en met 7 juli
- Er worden 350 bezwaarschriften ingediend. 1.
- Bij besluit van 2 juni 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het ontwerp van PRUP gunstig geadviseerd. 1.
- In zitting van 30 juni 2008 verleent de gemeenteraad van de stad Maaseik een voorwaardelijk gunstig advies. 1.
- Op 1 oktober 2008 adviseert de PROCORO gunstig en worden een aantal “aanpassingen/aanvullingen” voorgesteld. 1.
- Bij het tweede bestreden besluit van 17 december 2008 van de provincieraad van Limburg wordt het PRUP “een omloop met trainingsfaciliteiten X-14.157-3/16 voor gemotoriseerde sporten Waterloos” te Maaseik, omvattende een toelichtingsnota, stedenbouwkundige voorschriften, grafische plannen en het plan- milieueffectenrapport en het bijbehorende onteigeningsplan, definitief vastgesteld. 1.
- Bij het tweede bestreden besluit van 31 maart 2009 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het PRUP voor een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotorissserde sporten “Waterloos” te Maaseik van de provincie Limburg, bestaande uit twee verordenende grafische plannen met bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften, een weergave van de bestaande en juridische toestand en een bijbehorende onteigeningsplan, goedgekeurd. 1.
- Dit goedkeuringsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 april
- Over de grondvoorwaarden tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
- Uiterst dringende noodzakelijkheid 2.1.
- In het verzoekschrift zetten de verzoekende partijen de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering uiteen als volgt: “Gelet op het uitzonderlijk en ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve handeling, brengen verzoekers hierna de feiten en gegevens aan die direct aannemelijk maken dat de gevraagde schorsing — wil zij enig nuttig effect sorteren — onmiddellijk bevolen moet worden. De algemene termijnregeling inzake schorsing zal in casu inderdaad te lang uitvallen om ten volle efficiënt te zijn en om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel te voorkomen aangezien de bestreden beslissing op het punt staat om X-14.157-4/16 van kracht te worden. Verzoekers vragen om die reden dat de bestreden beslissing bij voor(b)aat zou worden geschorst. Verzoekers halen de volgende feiten en elementen aan om de uiterst dringende noodzakelijkheid te staven. Verzoekers strijden al geruime tijd tegen de verdere exploitatie van het motorcrosscircuit dat voorwerp uitmaakt van het plangebied van de bestreden beslissing. Tot aan het van kracht worden van de bestreden beslissing is dit circuit gelegen in natuurgebied, en is de aflevering - en a fortiori het gebruik - van de nodige milieu- en stedenbouwkundige vergunningen - in principe - niet mogelijk. - Op 10 juli 2008 werd echter - niettegenstaande de bestemming natuurgebied - door eerste verweerster opnieuw een milieuvergunning afgeleverd voor de verdere exploitatie van het kwestieuze circuit (...). Tegen deze vergunning werd door verzoekers beroep aangetekend bij de bevoegde minister (...). In het kader van dit beroep werden verzoekers gehoord door twee kabinetsmedewerkers van minister Crevits. Ter gelegenheid hiervan werd aan verzoekers gemeld dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een vernietigend advies had uitgebracht betreffende de gevraagde vergunning. Dit advies werd na voormelde hoorzitting aan ondergetekende raadsman van verzoekers meegedeeld. Niettegenstaande dit negatieve advies liet minister Crevits weten de beslissing van tweede verweerder over het PRUP te willen afwachten vooraleer uitspraak te zullen doen over het beroep van verzoekers tegen de milieuvergunning van 10 juli 2008 (...). Nochtans zou dit advies van de milieuvergunningscommissie voor tweede verweerder moeten (minstens kunnen) volstaan om het beroep van verzoekers tegen de milieuvergunning van 10 juli 2008 in te willigen, ook al zou de bestemming van het gebied van natuurgebied naar recreatiegebied omgevormd worden. Het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie is echter niet bindend. Verzoekers vrezen dan ook dat tweede verweerster dit advies naast zich neer zal leggen en het beroep tegen de milieuvergunning van 10 juli 2008 zal verwerpen indien de bestemmingswijziging van natuurgebied naar recreatiegebied uitwerking krijgt ten gevolge van de bestreden beslissing. Dit zou tot gevolg hebben dat de uitbater van het motorcrosscircuit onmiddellijk over de nodige exploitatievergunning zou beschikken om tot onmiddellijke uitbating over te gaan. De bestreden beslissing geeft bovendien de mogelijkheid tot het afleveren van de nodige stedenbouwkundige vergunningen om het circuit op korte termijn opnieuw operationeel te maken. Uit schriftelijke communicatie van de exploitant met de stad Maaseik blijkt dat de vergunningsaanvragen reeds ingediend zijn, en dat spoed gezet zal worden op de behandeling ervan (...) De exploitant van het circuit heeft immers begin juli - en met name op 11 juli 2009 - een wedstrijd gepland op het circuit: door de bestemmingswijziging kunnen de nodige stedenbouwkundige vergunningen afgeleverd worden voor de reliëfwijzigingen in de crosskuil, en kan deze wedstrijd plaatsvinden. Momenteel is nog een exploitatieverbod van kracht tegen de exploitant van het circuit, krachtens een rechterlijke uitspraak van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. Het exploitatieverbod geldt zolang de exploitant niet beschikt over de nodige stedenbouwkundige vergunningen. De exploitant tekende beroep aan tegen dit exploitatieverbod. De behandeling in beroep werd uitgesteld naar 19 mei
- Reden van het uitstel was de nakende tussenkomst van de beslissing van tweede verweerster over het PRUP. Gevreesd wordt dat het exploitatieverbod komt te vervallen indien er niet langer sprake is van activiteiten in natuurgebied. Bij gebreke aan onmiddellijke schorsing zal het circuit derhalve op zeer korte termijn opnieuw kunnen worden opengesteld voor de zo gehekelde crossactiviteiten, en zal ook de wedstrijd van 11 juli 2009 kunnen plaatsvinden, X-14.157-5/16 met alle buitensporige hinder voor verzoekers tot gevolg. Het hierna verder ontwikkelde ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt derhalve op zeer korte termijn. Het normale verloop van een gewone schorsingsprocedure kan dit dreigend nadeel voor verzoekers niet wegnemen. De termijnen die in deze procedure van toepassing zouden zijn om memories uit te wisselen zouden immers tot gevolg hebben dat een behandeling van dit dossier en a fortiori een uitspraak aangaande de schorsing pas na heropening - minstens ten behoeve van de wedstrijd van 11 juli 2009 en de daaropvolgende openingsdagen - zou plaatsvinden”. 2.1.
- De verzoekende partijen maken in hun uiteenzetting op grond van concrete elementen aannemelijk dat de goedkeuring van het PRUP “Waterloos” van determinerende invloed zal zijn op de uitspraak over het administratief beroep dat zij hebben ingesteld tegen de milieuvergunning die is verleend op 10 juli 2008, op de beoordeling van een aanvraag tot (regularisatie)stedenbouwkundige vergunning voor de op het betrokken terrein uitgevoerde handelingen en werken, en op het beroep van de exploitant tegen het exploitatieverbod opgelegd door de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. Uit de neergelegde stukken blijkt dat de exploitant van het circuit aankondigt op 11 en 12 juli 2009 op het betrokken circuit een wedstrijd in het kader van het WK Zijspannen te zullen organiseren. Dit gegeven wordt door de verwerende partijen niet betwist. Het is derhalve niet denkbeeldig dat de exploitant alles in het werk zal stellen om tijdig over de nodige vergunningen te beschikken. De door de verwerende partijen aangevoerde argumenten zijn niet van aard aan te tonen dat dit in geen enkel geval zou kunnen binnen een termijn die die korter is dan deze die nodig is om een uitspraak te kunnen verkrijgen over een gewone schorsingsprocedure. De verzoekende partijen maken aldus op grond van concrete en preciese gegevens aannemelijk dat het normale verloop van een gewone schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht wil de schorsing van de tenuitvoerlegging nog een nuttig effect sorteren. Er zijn ook geen gegevens voorhanden waaruit kan blijken dat de verzoekende partijen de vordering niet met de voor een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed hebben ingesteld. 2.
- Ernstige middelen 2.2.
- In een “vijfde” (lees: zesde) middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht, X-14.157-6/16 “Doordat de bestreden beslissing stelt dat de conclusie van de voorafgaande milieu-onderzoeken is dat de te verwachten hinder kan worden vermeden of beperkt worden door de voorgestelde ruimtelijke maatregelen Terwijl in werkelijkheid op grond van het plan-MER niet is aangetoond dat de in dit plan voorgestelde maatregelen tegen stofhinder, geurhinder en geluidshinder voldoende zullen zijn om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken Zodat de bestreden beslissing niet gestoeld is op deugdelijke motieven en niet zorgvuldig tot stand is gekomen, en derhalve tekort komt aan de materiële motiveringsplicht en aan het zorgvuldigheidsplicht. Toelichting Bij het tot standkomen van hun beslissingen zijn verweerders verplicht de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen teneinde tot een correcte feitenvinding te komen (...). Zowel in de voorbereiding ervan, als bij het nemen van de beslissing zelf, dienen verweerders zorgvuldig, redelijk en bedachtzaam te werk te gaan. De materiële motiveringsplicht is de vereiste van deugdelijke motieven, en houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling op motieven moet steunen waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden (...). Op grond van het plan-MER kan enkel vastgesteld worden dat de bevindingen in de discipline geluid-, stof- en geurhinder van aard zijn de bestemmingswijziging van het gebied van natuur- naar recreatiegebied af te wijzen. De vastgestelde geluidswaarden werden getoetst aan de richtwaarden van Vlarem II, zowel voor bestaande als voor nieuwe inrichtingen (...) : ‘De richtwaarde voor een bestaande inrichting bedraagt overdag 45 dB(A). De grenswaarde voor een nieuwe inrichting bedraag 40 dB(A) (richtwaarde - 5 dB(A)). De specifieke bijdrage van de activiteiten van de motorcross tijdens oefeningen bedraagt momenteel bijna 60 dB(A) aan de meest nabijgelegen woningen. Tijdens de Paastrofee (wedstrijd) bedroeg het Laeg,lh, een maat voor het specifiek geluidsniveau, 70 dB(A) aan de meest nabijgelegen woningen.’ In vergelijking met de richtwaarden voor bestaande inrichtingen wordt vervolgens een overschrijding met 15 tot 25 dB(A) vastgesteld. In vergelijking met de richtwaarde voor nieuwe inrichtingen bedraagt de vastgestelde overschrijding 20 tot 30 dB(A). In beide gevallen wordt gesteld dat ‘sanering’ ‘verplicht’ zou zijn. Vervolgens worden een aantal bijkomende ‘milderingsmaatregelen’ uitgewerkt. Het effect van maximale afscherming wordt vervolgens geëvalueerd in het plan-MER (...) : ‘met betrekking tot het geluidsaspect blijkt echter dat een reductie tot onder de milieukwaliteitsdoelstellingen niet mogelijk is.’ In de bestreden beslissing wordt gesteld dat dit probleem moet worden opgelost met een aangepaste kalender. Het valt echter niet in te zien hoe een ‘aangepaste kalender’ ervoor kan zorgen dat de milieukwaliteitsdoelstellingen wel kunnen worden gehaald. Ook betreffende de andere voorgestelde milderende maatregelen gaan verweerders er ten onrechte van uit dat deze de te verwachten hinder tot een aanvaardbaar niveau zullen beperken: samen met verzoekers komt de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie tot de conclusie dat nergens is aangetoond dat de in het plan-MER voorgestelde maatregelen de stofhinder, geurhinder en geluidshinder uitgaande van de exploitatie van het circuit tot een aanvaardbaar niveau zullen kunnen beperken. Bovendien vermogen verweerders zich niet verschuilen achter een vermeende onbevoegdheid om zich over de mogelijke gevolgen voor het X-14.157-7/16 leefmilieu van onder meer verzoekers te buigen, nu zij zogenaamd enkel over de aspecten van ruimtelijke ordening zou mogen/moeten uitspreken. Uw Raad heeft in arrest van 7 mei 2007 aangaande hetzelfde circuit reeds terecht het volgende opgemerkt (...) : ‘Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bevoegde overheden erkennen dat het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan een niet te verwaarlozen impact heeft op het leefmilieu, en dat maatregelen noodzakelijk zijn om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden, Overwegend dat, indien de provincieraad vaststelt dat een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ernstige problemen doet rijzen met betrekking tot de impact van de voorziene bestemmingen op het leefmilieu, hij in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften dient op te nemen om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden; ...’ Bovendien volstaat het niet om te voorzien in - zomaar - maatregelen. Enkel maatregelen die op een rechtszekere manier een oplossing bieden aan de vastgestelde problemen kunnen aanvaard worden om van zorgvuldige besluitvorming te spreken (...). Voor de te verwachten geluidshinder wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat deze niet tot een aanvaardbaar niveau te herleiden is. Vervolgens wordt de - door verweerders zelf onmogelijke geachte - oplossing voor dit probleem verschoven naar een nog nader te bepalen ‘aangepaste’ kalender. De voorgestelde maatregelen bieden geen rechtszekere oplossing voor de te verwachten hinder. Er is daarom sprake van onzorgvuldige besluitvorming in hoofde van verweerders. Deze heeft tegelijkertijd tot gevolg dat de bestreden beslissing niet wordt gedragen door rechtens aanvaardbare motieven die de beslissing kunnen schragen”. 2.2.2.
- In het middel voeren de verzoekende partijen onder meer aan dat het bestreden besluit door enerzijds uitdrukkelijk vast te stellen dat de te verwachten geluidshinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden herleid, doch, anderzijds de oplossing voor dit probleem door te schuiven naar een nog nader te bepalen “aangepaste kalender”, geen rechtszekere oplossing biedt voor de te verwachten hinder, zodat het niet wordt gedragen door rechtens aanvaardbare motieven en tevens getuigt van onzorgvuldige besluitvorming in hoofde van verwerende partijen. 2.2.2.
- In het plan-MER, opgemaakt in opdracht van de provincie Limburg, wordt met betrekking tot de “discipline geluid” onder punt 5.1.10 onder meer geconcludeerd wat volgt: “- Met behulp van deze maatregelen moet het mogelijk zijn om de richtwaarden voor dergelijke gebieden met minder dan 10 dB(A) te overschrijden, wat voor een bestaande inrichting toegelaten is indien alle mogelijk technische maatregelen genomen zijn en dit volgens de best beschikbare techniek. - De richtwaarde (voor bestaande inrichting) voor woongebieden zijnde 45 dB(A) zelf, is wellicht nooit haalbaar gezien de ligging van de meest nabije X-14.157-8/16 woningen. De grenswaarde (nieuwe inrichting) van 36 dB(A) à 38 dB(A) realiseren is helemaal uitgesloten”. Onder punt “
- Conclusie” vermeldt het plan-MER nog: “(...) Mbt het geluidsaspect blijkt echter dat een reductie tot onder de milieukwaliteitsdoelstellingen niet mogelijk is. Om een voldoende goede leefkwaliteit te kunnen garanderen, is op dit vlak een aanpassing van de kalender, in samenspraak met de omwonenden dan ook absoluut noodzakelijk”. Het project-MER, opgemaakt in opdracht van de v.z.w. MC Maasland Neeroeteren, komt met betrekking tot de “discipline geluid” onder punt 5.10 en onder punt “14 Eindbespreking” tot identieke conclusies. In de “Toelichtingsnota” bij het PRUP wordt onder punt “
- Planningscontext”, onder de punten 2.2.4 en 2.2.5 verwezen naar de conclusies van het betrokken plan-MER en project-MER. In het eerste bestreden besluit van 17 december 2008 van de provincieraad van Limburg wordt met betrekking tot de conclusies van het project- MER en het plan-MER overwogen wat volgt: “1 een aantal adviezen, opmerkingen en bezwaren (met achteraan tussen haakjes verwijzingen naar bovenvermeld register) worden overeenkomstig het advies van de Procoro als volgt weerlegd en geven geen aanleiding tot aanpassing van de ontwerpplannen: • In het project-MER (goedgekeurd d.d. 11 december 2006) en het plan-MER (goedgekeurd d.d. 6 maart 2008) staat inderdaad vermeld dat uit geluidsmetingen tijdens trainings- en wedstrijdsactiviteiten evenals uit het geluidsmodel blijkt dat zich zowel in de overdracht als aan de bron maatregelen opdringen om tijdens crossactiviteiten de hinder bij de omwonenden te beperken: - Maatregelen in de overdracht: gronddammen en geluidsschermen. - Bronmaatregelen: geluidsemissie per motor beperken (FIM-controle) - Een strikte monitoring en handhaving zijn vereist om de bronmaatregelen te kunnen afdwingen: controlerijstrook en een vast immissiemeetpunt zijn vereist. Als aanzet tot een voorstel geluidsnormenkader is voorgesteld twee meetpunten te voorzien binnen het crossterrein en één meetpunt ter hoogte van de woning in de Leedenweg nr.
- Met behulp van deze maatregelen moet het mogelijk zijn om de richtwaarden voor de gebieden in de omgeving met minder dan 10 dB(A) te overschrijden, wat voor een bestaande inrichting toegelaten is indien alle mogelijke technische maatregelen genomen zijn en dit volgens de best beschikbare techniek. De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden is (gezien de zeer nabije ligging van een aantal woningen) wellicht nooit haalbaar en de grenswaarde voor nieuwe inrichtingen is inderdaad uitgesloten. Overeenkomstig de sectorale voorwaarden voor omlopen uit titel II van het Vlarem gelden echter geen algemene geluidsvoorwaarden voor dergelijke omlopen maar kunnen wel specifieke geluidsvoorwaarden in de milieuvergunning worden opgenomen. Ook een beperking van het aantal openingsdagen van het circuit zal de leefkwaliteit voor de bewoners verbeteren. Een aantal van deze voorgestelde maatregelen, welke ‘ruimtelijk’ van aard zijn, werden vertaald in de X-14.157-9/16 stedenbouwkundige voorschriften van voorliggend ontwerp-PRUP. Overige maatregelen werden opgenomen in de milieuvergunning (besluit deputatie d.d. 10 juli 2008) of zullen verder vertaald worden in de stedenbouwkundige vergunningen. De locaties waar deze geluidsmetingen werden uitgevoerd, werden bepaald door erkende MER-deskundigen, welke door de overheid erkend zijn en waarvan men mag aannemen dat zij bevoegd en bekwaam zijn om hun (in hoofdzaak technische en wetenschappelijke) beoordeling van de betrokken discipline (i.c. geluid) te doen. Bovendien werden project-MER en plan-MER beiden goedgekeurd, respectievelijk op 11 december 2006 en 6 maart 2008, door de Dienst MER van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse Overheid. (B1, B201, B350)”. In het tweede bestreden besluit van 31 maart 2009 houdende goedkeuring van het PRUP wordt dienaangaande overwogen wat volgt: “Overwegende dat een plan-MER is opgemaakt voorafgaand aan de voorlopige vaststelling van het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten ‘Waterloos’ te Maaseik; dat in het plan-MER de effecten van het voorgestelde plan, op planniveau, zijn onderzocht en dat een watertoets is gebeurd; dat in de toelichtingsnota bij het PRUP hierop wordt ingegaan; dat tevens wordt aangegeven op welke wijze de in het plan-MER voorgestelde milderende maatregelen zijn vertaald in het verordenend grafisch plan en de bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en hoe zal worden omgegaan met de overige milderende maatregelen; dat daarnaast in de toelichtingsnota omstandig is ingegaan op de resultaten van het project-MER dat is opgemaakt voor het circuit Waterloos; dat de conclusie van deze milieu-onderzoeken is dat het grootste deel van de effecten vermeden of in voldoende mate beperkt kunnen worden door de voorgestelde maatregelen; dat dit evenwel niet geldt voor het geluidsaspect; dat een reductie tot onder de milieukwaliteits- doelstellingen niet mogelijk is maar dat er in het MER wordt aangegeven dat een voldoende goede leefkwaliteit kan worden gegarandeerd door een aanpassing van de kalender; dat dit dient te gebeuren in samenspraak met de omwonenden”. 2.2.2.
- Indien de provincieraad vaststelt dat een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ernstige problemen doet rijzen met betrekking tot de impact van de voorziene bestemming op het leefmilieu, dient hij in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften op te nemen om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden. Het staat aan de bevoegde minister om zich ervan te vergewissen of het aan hem ter goedkeuring voorgelegde plan aan die vereiste voldoet. De genoemde overheden komen aan de op hen rustende zorgvuldigheidsplicht tekort indien zij enerzijds wel vaststellen dat het plan niet kan voldoen aan bepaalde milieukwaliteitsnormen, doch anderzijds dat plan wel definitief aannemen, respectievelijk goedkeuren, zonder in het plan zelf op een rechtszekere manier de passende maatregelen te voorzien om daaraan te remediëren. X-14.157-10/16 2.2.2.
- Vooreerst dient op het eerste gezicht te worden aangenomen dat de betrokken inrichting, aangezien de exploitant hiervoor niet over de vereiste vergunningen blijkt te beschikken, voor de toepassing van de milieureglementering niet als een “bestaande” maar als een “nieuwe inrichting” dient te worden beschouwd. In casu erkent het ministerieel goedkeuringsbesluit uitdrukkelijk dat een reductie tot onder de milieukwaliteitsdoelstellingen niet mogelijk is wat betreft het geluidsaspect, maar gaat het er op grond van de conclusies van de beide MER rapporten van uit dat hieraan toch kan worden geremedieerd door “een aanpassing van de kalender”, die dan dient te gebeuren “in samenspraak met de omwonenden”. Deze voorgestelde remediëring vindt geen neerslag in de stedenbouwkundige voorschriften. 2.2.2.
- Aldus dient te worden vastgesteld dat in het bestreden PRUP geen rechtszekere oplossing wordt geboden voor de vaststelling in de beide MER rapporten dat de in het plan opgenomen maatregelen niet volstaan om te voldoen aan de geldende milieukwaliteitsnormen en dat “de grenswaarde (nieuwe inrichting) van 36 dB(A) à 38 dB(A) realiseren (...) helemaal uitgesloten (is)”. De argumentatie van de verwerende partijen dat het gaat om planologisch niet te vertalen maatregelen die moeten worden opgelegd in de milieuvergunning, kan op het eerste gezicht niet worden bijgetreden. Het plan vormt immers de rechtsgrond voor de realisatie van de in dat plan voorziene bestemming. Indien, zoals te dezen, deze bestemming krachtens de geldende reglementering niet realiseerbaar is omdat aan bepaalde milieukwaliteitsnormen niet kan worden voldaan, dienen dan ook in het plan zelf de nodige maatregelen te worden voorzien om hieraan te remedieren. Dit is te dezen niet het geval. 2.2.2.
- Het zesde middel is in de aangegeven mate ernstig. 2.
- Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.3.
- In het verzoekschrift zetten de verzoekende partijen wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel onder meer uiteen wat volgt: “
- Ernstig nadeel De bestreden beslissing heeft immers een onmiddellijke, rechtstreekse en nadelige weerslag op de rechtstoestand van verzoekers. Verzoekers wonen allemaal in het gehucht Waterloos te Neeroeteren, nabij het motorcrosscircuit dat het plangebied uitmaakt van de bestreden beslissing. X-14.157-11/16 Tot aan de bestreden beslissing was dit circuit gelegen in natuurgebied. Door de inwerkingtreding van de bestreden beslissing ligt het circuit in recreatiegebied, en wordt onmiddellijke regularisatie van het circuit mogelijk gemaakt, door het afleveren van de nodige stedenbouwkundigen, door het opheffen van het exploitatieverbod dat momenteel nog geldt, en door het afwijzen van het beroep dat werd ingediend tegen de inmiddels - illegaal - afgeleverde milieuvergunning van 10 juli
- Dit betekent vervolgens dat de door de club geplande wedstrijd van 11 juli 2009 kan doorgaan, en dat het circuit reeds tijdens de lente- en zomermaanden van 2009 zal worden opengesteld voor nieuwe crossactiviteiten. Aangezien de lente- en zomermaanden ook voor de omwonenden de maanden zijn waarin ook zij willen genieten van het buitenleven, is de hinder die het circuit tijdens deze maanden veroorzaakt, het ergst. De uitbating van het circuit veroorzaakt immers inderdaad zeer ernstige hinder voor elk van de verzoekers, meer bepaald geluidshinder, geurhinder en stofhinder. Zoals blijkt uit de bestreden beslissing zelf, ligt het woonlint Waterloos binnen een straal van 500 meter ten opzichte van het circuit (...). De verste woningen liggen nog op minder dan 1500 meter van het betrokken circuit. Ten bewijze van de ernstige hinder die de exploitatie van het circuit veroorzaakt wordt verwezen naar volgende stukken : a) plan-MER Zowel het project-MER bij de milieuvergunning van 10 juli 2008 als het plan-MER dat werd opgemaakt ‘in functie van’ de bestreden beslissing komen tot de vaststelling dat de omwonenden - waaronder verzoekers - door de uitbating van het circuit geconfronteerd worden met ernstige geluids- en geurhinder. Er werd op verschillende plaatsen gemeten (...) - de geluidskwaliteit bij inactiviteit van de motorcross is als goed tot zeer goed te beoordelen - tijdens activiteit worden overschrijdingen van de geluidsnormen vastgesteld van 15 dB(A) tot 30 dB(A), afhankelijk van de intensiteit van het gebruik van het circuit (oefenwedstrijd of officiële wedstrijd) en van het uitgangspunt (normen voor bestaande dan wel voor nieuwe inrichting) - voor de geurhinder komt het voorlopig MER-rapport tot de vaststelling dat negatieve tot zeer negatieve effecten worden waargenomen bij de omwonenden (Ledenweg, Waterlozeweg, Ketelstraat, Meyldersweg), die bij de overheersende windrichting -zuidwestenwind - permanent aanwezig zijn Bovendien besluiten de deskundigen van het project het plan-MER : ‘De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden, zijnde 45 dB(A) zelf, is nooit haalbaar gezien de ligging van de meest nabijgelegen woningen. De grenswaarde van 40 dB(A) realiseren is helemaal uitgesloten.’ b) eigen metingen Verzoekers schakelden reeds in 2006 een eigen geluidsdeskundige in, m.n. de heer Patrick Pans van Ecolas, erkend deskundige ‘Geluid en Trillingen’. Deze voerde metingen uit van vrijdag 19 tot maandag 22 mei 2006, inclusief tijdens de wedstrijd van 21 en 22 mei
- De resultaten van deze metingen luiden als volgt (...) : ‘* het geluid afkomstig van de motorcrossactiviteiten gehouden op zaterdag 20 en zondag 21 mei heeft een significante impact op het omgevingsgeluid. Het gemiddelde omgevingsgeluid (als Laeg-waarneming) neemt met meer dan 10 dB(A) toe t.g.v. de geluidsbelasting van deze motorcrossactiviteiten. Dergelijke geluidsverhoging is zonder meer hinderlijk voor de leefomgeving. * in vergelijking met de VLAREM-geluidsvoorwaarden voor bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 worden de richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht met meer dan 26 dB(A) overschreden.’ X-14.157-12/16 c) advies Gewestelijke Milieuvergunningscommissie De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie komt na analyse van de verschillende stukken van het dossier tot volgende conclusies - waarbij nogmaals weze benadrukt dat eerste verweerster voorafgaand aan de bestreden beslissing van dit advies en op eigen uitdrukkelijk verzoek in kennis werd gesteld (...) : ‘Overwegende dat hieruit kan besloten worden dat het niet helemaal zeker is dat de voorgestelde grenswaarde van 50 dB(A) in woongebied kan gehaald worden; dat in een ander vergund circuit te Genk een strengere grenswaarde in het woongebied wordt opgelegd van 45 dB(A); dat duidelijk gesteld wordt in het MER dat deze grenswaarde van 45 dB(A) niet gehaald kan worden in het woongebied naast het circuit van Maaseik; dat bovendien het betreffende circuit te Maaseik veel ongunstiger gelegen is dan de vergunde circuits te Lommel en Genk; dat bij het circuit van Maaseik deze bewoning zich veel dichter bij het circuit situeert ten opzichte van de situatie in Genk en Lommel; dat hieruit kan besloten worden dat de ruimtelijke ligging van het circuit te Maaseik zich niet leent voor een dergelijke exploitatie en dat bovendien de geluidshinder in het woongebied niet tot een aanvaardbaar niveau kan gereduceerd worden... ... Conclusie Overwegende dat in het MER en aanvraagdossier niet kan aangetoond worden dat de voorgestelde maatregelen tegen stofhinder, geurhinder en geluidshinder voldoende zullen zijn om de hinder uitgaande van de exploitatie van het motorcrosscircuit tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dat het bijgevolg aangewezen is om de vergunning hiervoor de weigeren’ (eigen onderlijning) d)Nederlandse Studie Uit een Nederlandse studie blijkt dat voor een motorcrosscircuit in principe een afstand van minstens 1500 m nodig is om tot een immissiewaarde van 50 dB(A) te komen opzichtens de op deze afstand gelegen woningen (...): p. 29 ‘Dat motorcrossterreinen tot de grote lawaaimakers kunnen worden gerekend blijkt wel uit het feit dat een gemiddeld crossterrein met circa 20 crossmotoren, die gedurende 6 uur crossen, een totale emissierelevante bronsterkte heeft van ongeveer 122 à 130 dB(A), afhankelijk van de ligging in het vrije veld of in de bossen en de aanwezigheid van geluidswallen of ingegraven banen. ... In tabel 2 ziet U dat een motorcrossbaan, waar 10 motoren op het circuit aanwezig zijn en de totale emissierelevante bronsterkte Lwr ongeveer 125 dB(A) bedraagt, een afstand tot woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen dient aan te houden van circa 1500 m, om aan de geluideis van 50dB(A) te voldoen. ... Het zal eenieder duidelijk zijn dat motorcrossterreinen een zeer grote geluidruimte nodig hebben.’ p. 44 ‘Met name race- en crosscircuits worden als zeer hinderlijk beschouwd. Van degenen die race- en crosslawaai horen, blijkt ruim één op drie gehinderd te worden. ...’ De woningen van verzoekers liggen zonder uitzondering op een afstand die geringer is dan deze minimumafstand van 1500 meter.
- het ernstig nadeel vloeit voort uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing Bovendien vloeit dit ernstige - op zeer korte termijn - dreigende nadeel rechtstreeks voort uit de bestreden beslissing. De bestreden beslissing schept immers het kader om de nodige stedenbouwkundige vergunningen af te leveren om het exploitatieverbod op te heffen. X-14.157-13/16 De bestreden beslissing maakt het met andere woorden mogelijk om de exploitatie van het circuit onmiddellijk te hervatten, met alle gevolgen van dien voor verzoekers. Het PRUP is immers de basis voor het afleveren van de verdere vergunningen en vormt als het ware de rechtsgrond voor het gebruik van het circuit overeenkomstig de vastgestelde bestemming ‘recreatiegebied’ (...) Uit de stukken van het dossier blijkt dat dit ook de bedoeling is van verweerders en van de exploitant : - Minister Crevits - eveneens vertegenwoordiger van eerste verweerder - wacht op de beslissing van Minister Van Mechelen betreffende het PRUP vooraleer te beslissen over het beroep tegen de milieuvergunning van 10 juli 2008, niettegenstaande het vernietigende advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie zou moeten/kunnen volstaan om de milieuvergunning te weigeren (...) - Tweede verweerster heeft zelfs de vaststelling van het PRUP niet afgewacht om alvast over te gaan tot het verlenen van een milieuvergunning (...) - De exploitant nam al contact met de stad Maaseik om stedenbouwkundige aanvragen in te dienen, minsten voor te bereiden (...) - De exploitant plande alvast een wedstrijd in op 11 juli 2009, wat minstens de intentie bewijst om het circuit tegen die datum volledige geregulariseerd te hebben (...) Beslissingen die betrekking hebben op de regularisatie van de exploitatie van dit hinderverwekkend circuit - zoals in casu de bestreden beslissing - hebben derhalve een directe weerslag op de woonomgeving van verzoekers. In casu heeft de bestreden beslissing tot gevolg dat de hinderverwekkende exploitatie onmiddellijk kan worden geregulariseerd en hervat. Het beroep tegen de reeds eerder afgeleverde milieuvergunning dreigt afgewezen te worden, waardoor het litigieuze circuit onmiddellijk beschikt over een exploitatievergunning. Bovendien kunnen ook onmiddellijk de nodige stedenbouwkundige vergunningen worden afgeleverd tot regularisatie van de illegale reliëfwijzigingen op het circuit. Tot slot dreigt het exploitatieverbod niet te worden gehandhaafd indien de bestreden beslissing overeind blijft. Eén en ander heeft tot gevolg dat het circuit op zeer korte tijd terug zal worden opengesteld voor activiteiten, waaronder de wedstrijd van 11 juli
- 3.Moeilijk te herstellen karakter van het ernstig nadeel. De hinder waaraan verzoekers worden blootgesteld door de onmiddellijke hervatting van de exploitatie van het circuit is onomkeerbaar en kan onmogelijk post factum worden vergoed in geld. Verzoekers boeten immers zodanig in op hun levenskwaliteit dat hun gemoedsrust en hun gezondheid eronder zou lijden, en er inderdaad sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De metingen van het MIER en van Ecolas hebben immers uitgewezen dat de geluidsnormen voor woongebied in geen geval zullen kunnen worden gerespecteerd (...), en dat de hinder voor de omwonenden, waaronder verzoekers, niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht”. 2.3.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland is het betrokken terrein bestemd tot natuurgebied. Het bestreden PRUP wijzigt deze bestemming hoofdzakelijk in een “kernzone voor grondgebonden gemotoriseerde sporten” en een “verwevingszone voor grondgebonden gemotoriseerde sporten”. Het bestreden PRUP vormt aldus de noodzakelijke rechtsgrond voor later af te leveren vergunningen ter realisatie van X-14.157-14/16 deze bestemmingen. Het bestreden PRUP zal mede van determinerende invloed zijn op de uitspraak over het administratief beroep tegen de milieuvergunning en het beroep tegen het opgelegde exploitatieverbod. Het aangevoerde nadeel vindt dan ook zijn rechtstreekse oorzaak in het bestreden PRUP. Uit de MER-rapporten evenals uit het door de verzoekende partijen bijgebrachte advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie blijken de in het PRUP opgenomen milderende maatregelen niet te volstaan om de geluidshinder in het aangrenzende woongebied tot een aanvaardbaar niveau te reduceren. Met niet in het PRUP opgenomen maatregelen kan geen rekening worden gehouden bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 2.3.
- De uiteenzetting van de verzoekende partijen bevat voldoende concrete en precieze gegevens die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden PRUP een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 2.
- Er is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van :
- het besluit van 17 december 2008 van de deputatie van de provincieraad van LIMBURG houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor een omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten “Waterloos” te Maaseik, met het bijhorende onteigeningsplan, en
- het besluit van 31 maart 2009 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende de goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Waterloos” te Maaseik van de provincie Limburg bestaande uit twee verordenende grafische plannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, een weergave van de bestaande en juridische toestand en een bijhorend onteigeningsplan. X-14.157-15/16 Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het tweede vernietigde besluit. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien mei 2009, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-14.157-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.287 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div