← België

Arrest 193296 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.296 Rolnummer: A. 159452/XII-4362 Zaak: Arrest 193296 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Fiche Arrest nr 193.296 van 14 mei 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.296 van 14 mei 2009 in de zaak A. 159.452/XII-

  1. In zake : Henny DE BAETS, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-72 tegen : de STAD DENDERMONDE, die woonplaats kiest bij advocaat D. D’Hooghe, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Henny De Baets op 24 januari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 oktober 2004 van de gemeenteraad van Dendermonde waarbij geweigerd wordt haar op proef te benoemen tot diensthoofd-coördinator personeelsdienst; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4362-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Devers, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat L. Schellekens, die loco advocaat D. D’Hooghe verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  3. Bij besluit van 16 oktober 2002 van de gemeenteraad van de stad Dendermonde wordt de betrekking van diensthoofd-coördinator personeelsdienst (A4a-A4b) vacant verklaard; aan Jobpunt Vlaanderen wordt de opdracht gegeven het desbetreffend vergelijkend aanwervingsexamen te organiseren. Na een eerste oproep om kandidaten krijgt geen enkele kandidaat een gunstige beoordeling. Na een tweede oproep slaagt één kandidaat voor het vergelijkend examen, maar aanvaardt die kandidaat de functie niet. Na een derde oproep slaagt geen enkele kandidaat.
  4. Met een e-mailbericht van 4 februari 2004 bezorgt Jobpunt Vlaanderen een “samenwerkingsvoorstel diensthoofd-coördinator A4 personeels- dienst” aan de stadssecretaris. Met een e-mailbericht van 10 februari 2004 deelt deze aan Jobpunt Vlaanderen mee dat het college van burgemeester en schepenen zijn akkoord heeft gegeven aan dat samenwerkingsvoorstel. In het voorstel wordt onder meer bepaald dat de publicatie van een advertentie door Jobpunt Vlaanderen zal gebeuren in het eerste kwartaal van 2004 en dat de Accord Group gelijktijdig start met een searchopdracht om de slaagkans van het project te garanderen, dat het examenprogramma vooreerst bestaat uit een schriftelijke proef, dat de Accord Group voor de correctie van het schriftelijk gedeelte een beroep doet op twee vakexperten die onafhankelijk van elkaar corrigeren, dat, indien beide scores significant van XII-4362-2/11 elkaar afwijken, de verantwoordelijke consultant binnen Accord Group als moderator optreedt, dat alleen de kandidaten die minstens 24 punten op 40 behalen worden uitgenodigd voor het mondeling gedeelte, dat voor het mondeling gedeelte een beroep wordt gedaan op dezelfde vakexperten, dat de verantwoordelijke consultant binnen Accord Group de coördinatie regelt, waarbij grote aandacht wordt besteed aan objectivering en standaardisering door het voorzien in scorings- instructies en een interviewleidraad, dat de kandidaten op dit onderdeel 24 punten op 40 moeten behalen om te slagen, en dat de eerste drie gerangschikte kandidaten na het mondeling gedeelte worden uitgenodigd voor het assessment center dat wordt georganiseerd door Accord Group. De betrokken -vierde- oproep voor kandidaten gebeurt via publicatie in het Belgisch Staatsblad van 9 maart 2004 en 30 maart 2004 en via www.jobpunt.be. Verzoekster stelt zich op 25 maart 2004 kandidaat voor de functie van diensthoofd-coördinator personeelsdienst. Volgens haar curriculum vitae is zij sedert 1 januari 1992 adjunct-administrateur-generaal van OVAM en sedert 1 december 1996 afdelingshoofd van de afdeling Algemene Diensten, in welke hoedanigheid zij de personeelsdienst, de dienst HRM, de dienst informatica, de juridische dienst, de dienst communicatie en de dienst financieel beheer leidt.
  5. Wat het examenonderdeel “schriftelijke proef” betreft, bestaat de jury uit S. Vanblaere, afdelingshoofd van de afdeling Personeel, departement Leefmilieu en Infrastructuur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, I. Van Laer, organisatieadviseur van de stad Mechelen en L. Hanssens, afgevaardigd bestuurder van de Accord Group. De schriftelijke proef betreft een gevalstudie omtrent een probleemsituatie die zich tijdens de uitoefening van de functie kan voordoen en het oplossen van een juridisch probleem. Vijf van de twaalf kandidaten, onder wie verzoekster, slagen. Voor het examenonderdeel “mondelinge proef” bestaat de jury uit dezelfde personen als bij de schriftelijke proef, worden in het jurygesprek de overeenstemming van het profiel van de kandidaat met de functievereisten, de motivatie van de kandidaat en de interesse voor het werkterrein getoetst en slagen twee van de vijf kandidaten, met name verzoekster en M. De Rouck. De conclusie met betrekking tot verzoekster, die een score van 33/40 behaalt, luidt: “Mevrouw XII-4362-3/11 De Baets is een zeer gemotiveerde kandidate die een bijzonder brede bagage voor deze functie meebrengt. Zowel inhoudelijk als qua ervaring (HRM, management, administratief en sociaal recht, informatica, overheid) is deze kandidate zeer geschikt voor de functie van diensthoofd coördinator personeel. Mevrouw De Baets straalt bovendien rust en persoonlijkheid uit waardoor zij gemakkelijk draagkracht zal creëren”. De conclusie met betrekking tot Marijke De Rouck, die een score van 26,5/40 behaalt, luidt: “Mevrouw De Rouck heeft momenteel nog een beperkte ervaring HRM- en managementtechnieken maar toont aan over voldoende potentieel te beschikken om zich hier grondig in te verdiepen. Ze is assertief, spreekt gestructureerd maar straalt niet echt leiding uit. Ze overtuigt echter wel en zal allicht slagen draagkracht voor haar ideeën te creëren”. Voor het examenonderdeel “psychotechnische proef inclusief assessment-center” bestaat de jury uit L. Hanssens, afgevaardigd bestuurder van de Accord Group, en F. Roelant, consultant van de Accord Group, en krijgt verzoekster een beoordeling “gunstig” en Marijke De Rouck een beoordeling “ongunstig”. Nadat de twee kandidaten werden getoetst aan een competentieprofiel dat uit twaalf criteria bestaat, wordt met betrekking tot verzoekster geconcludeerd: “Op basis van haar intrinsieke kwaliteiten, verrijkt met een veelzijdige en diepgaande professionele ervaring terzake (HRM - Overheid - leidinggeven - complexe problemen oplossen): gunstig”. Wat M. De Rouck aangaat is de conclusie: “Mevrouw De Rouck is een ambitieuze en communicatieve kandidate. Ze beschikt over voldoende algemene theoretische kennis. Ze komt het best tot haar recht in de rol van projectmanager. Het potentieel is aanwezig, haar interesse is groot, maar de beperkte praktijkkennis mbt HRM aangelegenheden voornamelijk, maar tevens het tekort aan een brede en diepgaande leidinggevende ervaring, doen ons besluiten: ongunstig”.
  6. Op 14 juli 2004 staat de “benoeming op proef tot voltijds diensthoofd-coördinator personeelsdienst” op de agenda van de gemeenteraad, verlaat de burgemeester de zitting, verlaten ook de gemeenteraadsleden van de oppositie, na een tussenkomst van gemeenteraadslid Willems, de zitting, en stelt vervolgens de schepen-voorzitter vast dat het vereiste aanwezigheidsquorum om geldig te kunnen vergaderen niet meer is bereikt. Op 15 september 2004 staat de “benoeming op proef tot voltijds diensthoofd-coördinator personeelsdienst” opnieuw op de agenda, verlaat de burgemeester weer de zitting, verlaten de gemeenteraadsleden van de oppositie XII-4362-4/11 opnieuw de zitting, en stelt de schepen-voorzitter opnieuw vast dat het vereiste aanwezigheidsquorum om geldig te kunnen vergaderen niet meer is bereikt. Finaal beslist de gemeenteraad op 20 oktober 2004, nadat de burgemeester de zitting verlaten heeft, met 17 stemmen “ja”, 17 stemmen “neen”, 0 onthoudingen en 0 blanco stemmen, dat verzoekster “niet de volstrekte meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen [bekomt] om benoemd te worden op proef voor één jaar tot voltijds diensthoofd-coördinator personeelsdienst (A4a- A4b)”. De ontvankelijkheid
  7. In de laatste memorie werpt verwerende partij de niet- ontvankelijkheid van het beroep op omdat het origineel van het verzoekschrift niet ondertekend is, zodat het verzoekschrift juridisch onbestaande is. Noch de handtekening op de fiscale zegel op het voorblad van het verzoekschrift, noch de omstandigheid dat het begeleidend schrijven wel werd ondertekend, kunnen dat volgens haar verhelpen.
  8. Overeenkomstig artikel 1 van het algemeen procedurereglement, zoals het ten tijde van het indienen van de onderhavige vordering luidde, moet het verzoekschrift “getekend” zijn door de partij of een advocaat. Is het verzoekschrift te dezen niet onderaan of aan het eind ondertekend -boven de naam van de advocaat die het “Voor de verzoekster” opstelde-, diens handtekening komt wel voor op de fiscale zegel die op het eerste blad van het verzoekschrift werd gekleefd. Zoals verwerende partij opmerkt, heeft de raadsman met die handtekening klaarblijkelijk gewild de zegel “onbruikbaar” te maken. Het staat er niet aan in de weg dat de handtekening tevens wordt aangezien als een signatuur waarmee hij het verzoekschrift claimt en bekrachtigt. Twijfel hierover zou alleszins in de concrete omstandigheden van de zaak misplaatst zijn, namelijk gelet op het door dezelfde advocaat ondertekend begeleidend schrijven waarin de advocaat verklaart als raadsman van verzoekster een verzoekschrift in origineel en vier voor eensluidend verklaarde afschriften aan de Raad van State te doen toekomen, én gelet XII-4362-5/11 op het feit dat ook deze afschriften door hem ondertekend zijn, onder de vermelding “Voor eensluidend verklaard afschrift”. De exceptie mist feitelijke grond. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
  9. Verzoekster put een enig middel “uit de materiële motiverings- plicht, op zichzelf gezien en samen gelezen met de artt. 10 e[n] 11 van de Grondwet (het gelijkheidsbeginsel en de gelijke toegang tot het openbaar ambt), de artt. 8 en 12 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de artt. 23 en 25 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) en de artt. 71 t.e.m. 78 N.Gem.W.”. Uiteengezet wordt dat de drie groepen van motieven waarop de bestreden beslissing berust, teruggaan op verzoeksters huwelijk met N. De Batselier, toentertijd burgemeester van de stad Dendermonde en voorzitter van het Vlaams Parlement. De eerste groep motieven doet dat op rechtstreekse wijze. Deze motieven strijden met het gelijkheidsbeginsel gelezen samen met de aangevoerde verdrags- artikelen en met de artikelen met betrekking tot de onverenigbaarheden in de nieuwe gemeentewet die immers geen enkele onverenigbaarheid, tussen echtgenoten, inhouden tussen enerzijds het ambt van burgemeester, wat de ene huwelijkspartner aangaat, en anderzijds de hoedanigheid van (statutair) personeelslid van dezelfde gemeente, wat de andere huwelijkspartner betreft. De tweede groep motieven, legt verzoekster uit, heeft te maken met de inschakeling via Jobpunt Vlaanderen van het selectiebureau Accord Group. Er is geen enkele gegronde reden om te twijfelen aan de objectiviteit of deugdelijkheid van de door Accord Group, overigens met medewerking van een jury bestaande uit vakexperten, gevoerde selectieprocedure. Van geen enkele persoon die bij de eigenlijke selectieprocedure van verzoekster betrokken was, wordt aangevoerd dat hij een verboden graad van bloed- of aanverwantschap zou hebben of een rechtstreeks belang. Wil men de objectiviteit van de gevoerde procedure rechtens kunnen betwijfelen, dan moet in die omstandigheden een concreet bewijs XII-4362-6/11 voorliggen, wat niet het geval is, aangezien inhoudelijk geen enkel element uit één van de onderdelen van de selectieprocedure wordt aangeduid dat op een begin van een gebrek aan objectiviteit zou kunnen wijzen. Ten slotte betoogt en beargumenteert verzoekster dat ook geen van de motieven van de derde groep enig begin van deugdelijkheid ten aanzien van de bestreden beslissing vertoont of feitelijk juist is.
  10. In de memorie van antwoord doet verwerende partij met betrekking tot de eerste groep motieven onder meer gelden dat er geen rechtsplicht bestaat om over te gaan tot een benoeming, dat het bestuur rekening heeft gehouden met de concrete inhoud en de draagwijdte van de functie van verzoekster om te besluiten dat die situatie onwerkbaar zou zijn, dat het zowel voor de politieke bestuurders, als de diverse stadsdiensten, vele personeelsleden, de vakbonden, “een moeilijke situatie kan opleveren wanneer zij geplaatst worden tegenover een leidinggevende die tevens de echtgenote is van de burgemeester”, vermits “hier mogelijk conflicten rijzen en druk zou kunnen worden uitgeoefend door de burgemeester, haar echtgenoot”, dat het gelijkheidsbeginsel, het recht op het privé- leven of het recht om te huwen trouwens niet absoluut zijn en beperkingen erop wel degelijk mogelijk zijn in het algemeen belang, dat het technisch-juridisch juist is dat er te dezen geen door de nieuwe gemeentewet verboden onverenigbaarheid bestaat, dat dit echter niet wegneemt dat een bestuur nog altijd om redenen van algemeen belang kan beslissen een enige kandidaat niet te benoemen. Wat de tweede en derde groep motieven betreft stelt verwerende partij samenvattend : “dat er een geheel van elementen is dat minstens duidt op een schijn van partijdigheid en onzorgvuldigheid : - het selectiebureau Accord Group wordt maar ingeschakeld bij de vierde oproep voor de kandidaten, de oproep waarop de echtgenote van de burgemeester kandideert; - de jury wordt, bij de vierde oproep, anders samengesteld dan bij de drie vorige oproepen - het selectiebureau Accord Group heeft bewezen bijzonder nauwe banden met de echtgenoot van verzoekster; - het stilzwijgen van het selectiebureau over de impact van de huwelijksrelatie van verzoekster met de burgemeester, nochtans een bijzonder belangrijk gegeven in verband met de mogelijkheid van verzoekster om goed te kunnen functioneren; - het jurylid dat geen onbekende kan zijn van de burgemeester en zijn echtgenote”. XII-4362-7/11 Beoordeling
  11. De auditeur stelt in zijn verslag vast dat het eerste motief om verzoekster niet te benoemen louter gebaseerd is op haar burgerlijke staat en dat dit motief zich niet verdraagt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 25 van het BUPO, gelet inzonderheid op de afwezigheid van een uitdrukkelijke tekst waarop de gemeenteraad zich kon steunen om verzoekster niet te benoemen om reden van haar burgerlijke staat. Wat het tweede motief betreft, namelijk dat de voorgestelde kandidate zou zijn voorgedragen via een procedure “waarbij minstens het vermoeden bestaat dat niet alle deontologische regels inzake objectiviteit werden nageleefd”, wordt in het verslag geoordeeld dat het “inhoudelijk niet draagkrachtig” is, nu geen van de aangevoerde argumenten ter staving ervan dit vermoeden wettigt. Deze argumenten worden in het verslag als volgt besproken : “Als eerste argument wordt ‘het veranderen door Jobpunt Vlaanderen van het bureau dat de selectie moet organiseren” aangevoerd. In het samenwerkingsvoorstel dat door het college van burgemeester en schepenen werd goedgekeurd wordt gesteld dat het een procedure betreft waarbij een statutair examen wordt gecombineerd met een searchopdracht en dat, gelijktijdig met de publicatie van een advertentie, de Accord Group met een searchopdracht start om de slaagkans van het project te garanderen. Met een brief van 19 november 2004 bezorgde Jobpunt Vlaanderen aan de stadssecretaris een aan Luc Hanssens gerichte brief van 20 juli 2000 waarin hem wordt meegedeeld dat hem het ‘segment 12: alle profielen-search’ werd toegekend, alsook het bestek op basis waarvan die opdracht werd toegekend. Op het ogenblik dat het samenwerkingsvoorstel werd geformuleerd, was er van de kandidatuur van verzoekster nog geen sprake. Het feit dat voor het voor de vierde maal organiseren van de selectieprocedure werd gekozen voor de Accord Group leidt dan ook niet tot het vermoeden ‘dat niet alle deontologische regels inzake objectiviteit werden nageleefd’. Als tweede argument wordt opgegeven dat Luc Hanssens, afgevaardigd bestuurder bij Accord Group, elk jaar de top van de Vlaamse administratie onderzoekt en hierover rechtstreeks verslag uitbrengt bij de minister-president en de andere ministers en dat men voor de openstaande betrekking ‘directeur HRM en Financiën bij de Vlaamse administratie’ contact moet opnemen met Luc Hanssens. In het bestreden besluit en in de memorie van antwoord wordt niet verduidelijkt, en verslaggever ziet al evenmin spontaan in, om welke reden het feit dat de afgevaardigde bestuurder van Accord Group de Vlaamse regering adviseert bij de evaluatie van topambtenaren en als selectiebureau betrokken is bij aanwervingen door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, in de onderhavige zaak tot het vermoeden zou moeten leiden ‘dat niet alle deontologische regels inzake objectiviteit werden nageleefd’. XII-4362-8/11 Als derde argument wordt verwezen naar de notulen van het Bureau van het Vlaams Parlement, die ‘ten overvloede de prominente rol van Luc Hanssens bij het Vlaams Parlement bevestigen’. Met name wordt verwezen naar een beslissing van het Uitgebreid Bureau van 28 mei 2004 (lees: 28 mei 2001), een beslissing van het Vast Bureau van 15 december 2003, een beslissing van het Uitgebreid Bureau van 16 februari 2004, een beslissing van het Vast Bureau van 22 maart 2004 en een beslissing van het Uitgebreid Bureau van 17 mei
  12. Uit het feit dat het Vlaams Parlement tussen 28 mei 2001 en 17 mei 2004 vijf opdrachten toekende aan Accord Group kan niet zomaar, zoals de bestreden beslissing doet, worden afgeleid dat dit selectiebureau een prominente rol vervult bij het Vlaams Parlement, of nog, zoals de memorie van antwoord doet, dat het Vlaams Parlement ‘één van zijn belangrijkste broodheren is’. Daarenboven werden die beslissingen telkens eenparig genomen door hetzij het Vast Bureau, dat uit acht leden bestaat, hetzij het Uitgebreid Bureau, dat bestaat uit het Bureau en de voorzitters van de erkende fracties. De banden van Accord Group met het Vlaams Parlement in het algemeen en met de voorzitter ervan in het bijzonder zijn dan ook niet van die aard dat zij in de onderhavige zaak tot het vermoeden leiden ‘dat niet alle deontologische regels inzake objectiviteit werden nageleefd’”. Ten slotte is volgens het auditoraatsverslag ook het derde motief, dat de voorgestelde kandidate is voorgedragen via een procedure “waarbij een aantal aspecten niet werden onderzocht”, “inhoudelijk niet draagkrachtig”. De auditeur bespreekt aldus de argumenten die in de bestreden beslissing ter ondersteuning van het motief zijn aangevoerd : “Als eerste argument wordt aangevoerd dat men het functioneren van verzoekster bij haar vorige werkgever niet heeft onderzocht. De schriftelijke proef omvatte een gevalstudie omtrent een probleemsituatie die zich tijdens de uitoefening van de functie kan voordoen en het oplossen van een juridisch probleem. Tijdens de mondelinge proef werden de volgende elementen getoetst: de overeenstemming van het profiel van de kandidaat met de functievereisten, de motivatie van de kandidaat en de interesse voor het werkterrein. Tijdens het assessment center werden de kandidaten beoordeeld aan de hand van een competentieprofiel (organisatievaardigheden, rapporteringstechnieken enz.). In de bestreden beslissing wordt niet verduidelijkt, en verslaggever ziet al evenmin spontaan in, om welke reden het van onzorgvuldigheid zou getuigen indien daarnaast niet wordt nagegaan op welke wijze de kandidaten functioneren bij hun huidige werkgever. Daarenboven ziet ook de verwerende partij het blijkbaar inmiddels anders dan ten tijde van de bestreden beslissing, vermits zij in haar memorie van antwoord stelt : ‘Terecht stelt verzoekster dat het selectiebureau geen inlichtingen diende in te winnen bij de huidige werkgever van verzoekster’. Als tweede argument wordt aangevoerd dat ‘het impact op het functioneren als diensthoofd-coördinator personeelszaken als echtgenote van de burgemeester’ niet werd onderzocht. Met betrekking tot dat argument kan verslaggever kort zijn: hetgeen [in verband met het eerste motief] werd vastgesteld geldt niet alleen voor de XII-4362-9/11 gemeenteraad die de kandidaten benoemt, maar ook voor het bureau dat de kandidaten selecteert. Als derde argument wordt gewezen op de samenstelling van de jury. Van het jurylid Vanblaere, afdelingshoofd van de afdeling personeel, departement Leefmilieu en Infrastructuur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, wordt gesteld dat zij mogelijks geen onbekende kan zijn van de gewezen minister van Leefmilieu (zijnde de burgemeester, tevens voorzitter van het Vlaams Parlement) en van de kandidate, tweede in bevel bij OVAM en echtgenote van de gewezen minister van Leefmilieu. Zoals verzoekster terecht opmerkt, volstaat het vermoeden dat een jurylid weleens geen onbekende zou kunnen zijn van de gewezen minister van Leefmilieu en van verzoekster niet om het besluit te wettigen dat er bij de samenstelling van de jury onvoorzichtig werd tewerk gegaan. Trouwens, ook al zou Vanblaere, vanuit haar functie van afdelingshoofd van de afdeling personeel, departement Leefmilieu en Infrastructuur, contacten hebben gehad met de gewezen minister van Leefmilieu en/of met ‘de tweede in bevel bij OVAM’ dan nog zou zulks niet inhouden dat zij niet in staat zou zijn om verzoekster tijdens het mondeling examen onbevooroordeeld te kunnen beoordelen. Van Luc Hanssens, afgevaardigd bestuurder van Accord Group, wordt enkel gesteld : ‘zie wat hierover werd gezegd in vorige alinea’. Verslaggever verwijst dan ook naar hetgeen hij heeft vastgesteld en geconcludeerd [in verband met het eerste motief]”.
  13. In zijn verslag heeft de auditeur, ter uitvoering van de opdracht in artikel 24 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 12 van het algemeen procedurereglement, een beredeneerd voorstel tot oplossing van de zaak gegeven. Uit zijn aard nodigt dit voorstel de partijen -in het bijzonder de partij die in het ongelijk wordt gesteld- uit om, in zoverre zij het met dat voorstel niet eens zijn, in de laatste memorie nader te beargumenteren waarom dan wel. Op die uitnodiging is verwerende partij evenwel niet ingegaan. Weliswaar pakt zij in de laatste memorie voor het eerst uit met een exceptie van onontvankelijkheid bij gebrek aan een behoorlijk ondertekend verzoekschrift tot nietigverklaring, maar ten gronde is haar reactie op de afwijzing door de auditeur van haar verweer in de memorie van antwoord beperkt tot een loutere verwijzing naar diezelfde memorie van antwoord. Maakt zij zo doende wel duidelijk de vordering van verzoekster nog altijd te betwisten, zij laat niettemin in het ongewisse waarin en waarom precies de beoordeling van de verschillende standpunten door de auditeur, wat de grond van de zaak aangaat, foutief zou zijn.
  14. Aangezien de Raad van State dat evenmin spontaan inziet, wordt de zienswijze in het auditoraatsverslag bijgevallen. XII-4362-10/11 Verwerende partij had geen geldige redenen om te weigeren verzoekster, enige voor de benoeming op proef tot diensthoofd-coördinator personeelsdienst in aanmerking komende kandidate, ook effectief in die betrekking te benoemen. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  15. Vernietigd wordt de beslissing van 20 oktober 2004 van de gemeenteraad van Dendermonde waarbij geweigerd wordt Henny De Baets op proef te benoemen tot diensthoofd-coördinator personeelsdienst. Artikel
  16. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien mei 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4362-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.296 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.