← België

Arrest 193329 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.329 Rolnummer: A. 132631/IX-3691 Zaak: Arrest 193329 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-27 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Fiche Arrest nr 193.329 van 14 mei 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.329 van 14 mei 2009 in de zaak A. 132.631/IX-

  1. In zake : Wilfried DE NIJS, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest, thans de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Wilfried DE NIJS op 3 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “het besluit d.d. 28 november 2002 van de Directieraad van [de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest] waaruit blijkt dat de heer Wilfried DE NIJS niet beschikt over de vereiste generieke competenties van afdelingshoofd, en het impliciet daarin gelegen besluit om de heer Wilfried DE NIJS niet in aanmerking te nemen voor de aanwijzing van afdelingshoofd van de afdeling ‘bodemonderzoek en attestering’”; Gelet op het arrest nr. 163.304 van 9 oktober 2006 waarbij de debatten worden heropend en aan de algemene vergadering van de afdeling administratie twee prejudiciële vragen worden gesteld; Gelet op de beschikking van 4 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-3691-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaten D. LINDEMANS en T. EYSKENS, die verschijnen voor de verzoeker, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : Procedurevoorgaanden
  3. Naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. Het arrest nr. 119.868 van 26 mei 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt verworpen, is met een schrijven van 13 juni 2003 op 18 juni 2003 betekend aan het adres waarop de verzoeker keuze van woonplaats heeft gedaan. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 11 juli 2003, d.i. binnen de termijn van dertig dagen bepaald in voormeld artikel 17, § 4ter. Dat verzoekschrift was evenwel niet voorzien van de vereiste fiscale zegels. Met toepassing van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State heeft de griffie vervolgens, op 11 augustus 2003, aan de verzoeker meegedeeld dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. Volgens de verzoeker heeft hij op 13 augustus 2003 telefonisch contact genomen met de griffie om te vernemen waarop die mededeling was gesteund, en is hem toen meegedeeld dat de vereiste fiscale zegels ontbraken. Op IX-3691-2/12 14 augustus 2003 heeft de verzoeker ter griffie een gezegeld exemplaar van het verzoekschrift aan het dossier toegevoegd.
  4. Met een op 19 augustus 2003 ter post aangetekend schrijven vraagt de verzoeker om te worden gehoord. In zijn verzoekschrift voert de verzoeker aan dat, zo artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist dat het verzoek tot voortzetting wordt ingediend binnen een termijn van dertig dagen, geen enkele wets- of reglementsbepaling daarentegen voorschrijft dat ook de fiscale zegels binnen die termijn op het verzoekschrift tot voortzetting moeten worden aangebracht. Bij gebreke van een dergelijke wetsbepaling volstaat het dan ook dat het recht wordt gekweten binnen een redelijke termijn, welke begint te lopen vanaf het ogenblik dat de verzoeker er kennis van heeft dat zijn verzoekschrift niet is gezegeld. Volgens de verzoeker heeft hij die redelijke termijn geëerbiedigd. Subsidiair vraagt de verzoeker dat de kamer met toepassing van het op dat ogenblik vigerende artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een aantal prejudiciële vragen zou stellen aan de algemene vergadering van de afdeling administratie. De door de verzoeker gesuggereerde vragen hebben betrekking op de verenigbaarheid van de artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ter zitting van 19 december 2005 vraagt de verzoeker, onder verwijzing naar het arrest nr. 146.889 van de algemene vergadering van de afdeling administratie van 28 juni 2005, De Caestecker, om ook aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen, in dezelfde zin als de vraag gesteld bij dat arrest. Hij bevestigt zulks schriftelijk in een aanvullende memorie. De prejudiciële vraag zou betrekking hebben op de verenigbaarheid van artikel 30, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat aan de Koning opdracht geeft om de essentiële gegevens te bepalen in verband met het recht verschuldigd voor een beroep bij de Raad van State, met de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet.
  5. Bij arrest nr. 163.304 van 9 oktober 2006 beslist de Raad van State dat een gedeelte van de voorgestelde vraag niet meer moet worden gesteld aan IX-3691-3/12 de algemene vergadering, nu dit identiek is aan een vraag waarover de algemene vergadering zich reeds heeft gebogen in het arrest nr. 129.112 van 10 maart 2004 inzake Nuyens. Bij datzelfde arrest nr. 163.304 beslist de Raad van State eveneens dat er geen aanleiding meer is om de voorgestelde vraag te stellen aan het Arbitragehof, nu het Hof bij arrest nr. 124/2006 van 28 juli 2006 een antwoord heeft gegeven op de vraag gesteld door de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State bij het genoemde arrest nr. 146.889 van 28 juni
  6. Bij datzelfde arrest nr. 163.304 heropent de Raad van State wel de debatten en stelt hij, met toepassing van artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een prejudiciële vragen aan de algemene vergadering van de afdeling administratie.
  7. Het genoemde artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is opgeheven bij artikel 49 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Die laatste bepaling is op 1 december 2006 in werking getreden. Op het ogenblik van de opheffing van artikel 93 van de gecoördineerde wetten had de algemene vergadering over de gestelde prejudiciële vragen geen uitspraak gedaan. 5.
  8. Nadat de voorliggende zaak is vastgesteld op de terechtzitting van de IXde kamer van 30 juni 2008, heeft de verzoeker op 19 juni 2008 een schrijven tot de Raad van State gericht, waarin hij in hoofdorde aanvoert dat de algemene vergadering van de afdeling administratie, ondertussen de afdeling bestuursrechtspraak genoemd, nog steeds bevoegd is om over de prejudiciële vragen uitspraak te doen, niettegenstaande de opheffing van artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Subsidiair vraagt de verzoeker dat de kamer de zaak naar de algemene vergadering zou verwijzen, met toepassing van artikel 92 van de gecoördineerde wetten, teneinde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren. Nog meer subsidiair vraagt de verzoeker dat de artikelen 70, § 1, tweede lid, en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedurereglement buiten toepassing gelaten zouden worden, wegens de strijdigheid van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. IX-3691-4/12 5.
  9. Ter terechtzitting verklaart de verwerende partij zich op het punt van de toepassing van artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te gedragen naar de wijsheid van de Raad. Zij verklaart voorts van oordeel te zijn, met de verzoeker, dat de zaak niet onttrokken is aan de bevoegdheid van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak. Het komt aan de algemene vergadering toe om zelf uitspraak te doen over haar bevoegdheid. Gevolg van de opheffing van artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
  10. Het vroegere artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidde als volgt: “Op vraag van de verzoeker, die ten laatste moet gebeuren bij het indienen van zijn memorie van wederantwoord, doet de algemene vergadering van de afdeling administratie, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op de vragen omtrent de schending van de artikelen 6, 6bis en 17 [thans de artikelen 10, 11 en 24] van de Grondwet door een akte of een verordening van een administratieve overheid. Wanneer een dergelijke vraag door de verzoeker wordt opgeworpen voor een kamer van de afdeling administratie waarbij een bij artikel 14 bedoeld beroep is ingesteld, moet deze de algemene vergadering verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Zij is daartoe echter niet gehouden: 1) wanneer het beroep onontvankelijk is; 2) wanneer de nietigverklaring van de aangevochten akte kan worden uitgesproken op grond van de schending van een andere norm dan die welke in het eerste lid vermeld zijn. De prejudiciële vragen worden bij de algemene vergadering aanhangig gemaakt door de indiening bij de hoofdgriffier van een door de voorzitter en de griffier van de kamer ondertekende uitgifte van het arrest van verwijzing. Er wordt van het arrest van verwijzing kennis gegeven aan de partijen. De kamer die de prejudiciële vraag heeft gesteld moet voor de oplossing van het geschil, naar aanleiding waarvan ze werd gesteld, zich voegen naar het arrest van de algemene vergadering.” Ten gevolge van de inwerkingtreding, op 1 december 2006, van artikel 49 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, is artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State op die datum opgeheven. Op dat ogenblik waren de prejudiciële vragen aanhangig bij de algemene vergadering van de afdeling administratie, voortaan genoemd de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak. IX-3691-5/12 De vraag rijst dan ook of de algemene vergadering nog uitspraak moet doen over de prejudiciële vragen, dan wel of de IXde kamer voor het geheel van de zaak bevoegd is.
  11. Luidens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de in dat wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. Artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de werking in de tijd regelt van nieuwe regels van procesrecht, luidt voorts als volgt: “De wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging zijn van toepassing op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.” Bij gebreke van enige overgangsregeling in de wet van 15 september 2006, geldt de opheffing van artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingevolge artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek niet enkel voor de gedingen die na 1 december 2006 aanhangig worden gemaakt, maar ook voor de gedingen die op dat ogenblik aanhangig waren. De regel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe procedureregel op de hangende gedingen wordt weliswaar getemperd door de regel dat “de hangende rechtsgedingen [niet] worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn” (in het Frans: “sans dessaisissement cependant de la juridiction qui, à son degré, en avait été valablement saisie”). Op grond van die bepaling blijft een zaak aanhangig bij het gerecht waarbij ze onder de toepassing van de oude regeling aanhangig is gemaakt, mits dat gerecht op dat ogenblik bevoegd was, ook als dat gerecht onder de toepassing van de nieuwe regeling niet meer bevoegd is. De voorliggende zaak is evenwel niet “onttrokken”, in de zin van artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Raad van State, waarbij ze door het beroep van de verzoeker aanhangig is gemaakt. De wet van 15 september 2006 heeft de Raad van State immers niet onbevoegd gemaakt voor beroepen als het voorliggende. Er bestaat dan ook geen aanleiding om toepassing te maken van enige IX-3691-6/12 regel die tot gevolg heeft dat de zaak volgens de oude regeling moet worden afgewerkt. Bij gebreke van overgangsbepaling in de wet van 15 september 2006 is de nieuwe regeling met andere woorden van onmiddellijke toepassing op de voorliggende zaak. Ook al is onder de toepassing van de oude regeling een prejudiciële vraag gesteld aan de algemene vergadering van de afdeling administratie, het komt thans niet meer toe aan de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak om die vraag te beantwoorden, en het komt integendeel toe aan de betrokken kamer van de afdeling bestuursrechtspraak -de IXde kamer- om de zaak in haar geheel te behandelen en daarover uitspraak te doen. Regelmatigheid van het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging
  12. Voor de beoordeling van de regelmatigheid van het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, ingediend op 11 juli 2003, wordt uitgegaan van twee feitelijke vaststellingen: het verzoek zelf is ingediend binnen de termijn, maar het betrokken verzoekschrift was niet voorzien van de vereiste fiscale zegels; de fiscale zegels zijn inmiddels wel aangebracht, zij het buiten de termijn voor het indienen van een verzoek tot voortzetting. De regelmatigheid van het verzoekschrift dient voorts beoordeeld te worden in het licht van de op het ogenblik van de indiening ervan vigerende artikelen 70 en 71 van het algemeen procedurereglement. Die bepalingen luidden als volgt: “Art.
  13. §
  14. Geven aanleiding tot de betaling van een recht van 175 EUR: 1) de verzoekschriften die een aanvraag inleiden tot vergoeding voor een buitengewone schade ontstaan uit een door de Staat, de provincie of de gemeente genomen of gelaste maatregel; 2) de verzoekschriften die een beroep tot nietigverklaring inleiden tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden of tegen de administratieve beslissingen in betwiste zaken alsook de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid, onder de in het tweede lid bepaalde voorwaarden; 3) de verzoekschriften met betrekking tot het verbreken en het herzien van sommige vóór of tijdens de oorlog afgesloten contracten; 4) de verzoekschriften tot verzet, tot derdenverzet of tot herziening. Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid wordt gevorderd, wordt het recht, vastgesteld in het eerste lid, 2), slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing ongeacht of deze al dan niet samen met een verzoekschrift tot nietigverklaring werd ingediend. In dit geval is het recht van het verzoekschrift IX-3691-7/12 tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure, bedoeld bij de artikelen 15bis en 15ter van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 3 van dit artikel en artikel 68, tweede lid. [...]. §§ 2-
  15. [...] Art.
  16. De rechten bedoeld in het voorgaande lid (sic) worden betaald door middel van plakzegels, van het type voorzien zoals bij de heffing van zegelrechten, aangebracht in hun geheel, naargelang van het geval: a) op het origineel van het verzoekschrift; b) op het origineel van de vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij artikel 70, § 1, tweede lid. Deze zegels worden onbruikbaar gemaakt op de wijze voorgeschreven door artikel 13 van het besluit van de Regent van 18 september 1947, tot uitvoering van het Wetboek van zegelrechten. Wanneer in de vordering tot schorsing de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, moet het recht verschuldigd bij artikel 70, § 1, 2), en § 2, eerste lid, betaald worden, indien dit niet gebeurd is op het origineel van de vordering of van het verzoekschrift tot tussenkomst, voordat de bevoegde kamer uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing. Het arrest dat, in de gevallen die bedoeld worden in artikel 17, § 1, derde en vierde lid, van de gecoördineerde wetten, de voorlopige schorsing of de bevestiging daarvan weigert, doet uitspraak over de kosten van de schorsingsprocedure. In dit geval is de hoofdgriffier, overeenkomstig artikel 69, tweede lid, belast met de inning van het recht dat niet betaald zou zijn op het origineel van de vordering tot schorsing of van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Zo de verzoeker zijn woonplaats heeft buiten 's Rijks grondgebied kan het recht betaald worden door middel van een storting op de postrekening van de griffie van de Raad van State. In dit geval worden de zegels door de griffier aangebracht en onbruikbaar gemaakt, zoals voorgeschreven bij het tweede lid.” De artikelen 70 en 71 zijn inmiddels opgeheven bij koninklijke besluiten van respectievelijk 25 april 2007 en 19 juli
  17. De betaling van rechten is thans onderworpen aan een nieuwe regeling, vervat in artikel 30, §§ 5 tot 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en nader uitgewerkt in artikel 68 van het algemeen procedurereglement.
  18. In een aantal arresten, uitgesproken op 10 maart 2004, heeft de algemene vergadering van de afdeling administratie geoordeeld dat een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, ingediend met een verzoekschrift waarop geen fiscale zegels zijn aangebracht, niet regelmatig is (arresten nr. 129.110, nv Stevan, nr. 129.111, Van de Vijver, en nr. 129.112, Nuyens, van 10 maart 2004). IX-3691-8/12 Inmiddels heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens evenwel een arrest gewezen dat de gestelde problematiek in een nieuw daglicht stelt. In het arrest van 24 februari 2009, vzw L’Erablière t. België, nr. 49230/07, heeft het Hof zijn rechtspraak in verband met het ongeoorloofd karakter van bepaalde ontvankelijkheidsvereisten toegepast op één van de ontvankelijkheidsvereisten opgelegd bij het algemeen procedurereglement van de Raad van State, meer bepaald het vereiste dat het verzoekschrift een “uiteenzetting van de feiten” moet bevatten (artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement, thans artikel 2, § 1, 3/, van dat reglement). Volgens het Hof mag de toepassing van dat vereiste er niet toe leiden dat het recht van toegang tot de Raad van State wordt beperkt op een wijze die niet in evenredigheid staat met het doel dat met het betrokken ontvankelijkheidsvereiste wordt nagestreefd, zijnde de rechtszekerheid en de behoorlijke rechtsbedeling (§§ 39-44).
  19. Te dezen rijst de vraag of het vereiste om op het verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging fiscale zegels te kleven, of althans om deze zegels binnen de termijn voor de voortzetting van de rechtspleging daarop aan te brengen, op straffe van een onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding, evenredig is met het doel dat met dat vereiste nagestreefd wordt. In zijn arrest nr. 124/2006 van 28 juli 2006 heeft het Grondwettelijk Hof vastgesteld dat het recht verschuldigd door de partij die om de voortzetting van de rechtspleging voor de Raad van State verzoekt, na een arrest dat uitspraak doet over de vordering tot schorsing, een belasting vormt en dat het eveneens een element van de rechtspleging is (overweging B.8). Het vereiste om fiscale zegels aan te brengen heeft dan ook een fiscaal oogmerk én een oogmerk van procedurele aard. Tot aan de wijziging van de artikelen 70 en 71 van het algemeen procedurereglement bij het koninklijk besluit van 17 februari 1997 gaven de vorderingen tot schorsing geen aanleiding tot de betaling van een recht, en waren alleen de verzoekschriften tot nietigverklaring die ermee gepaard gingen, daaraan onderworpen. Zoals is uiteengezet in het verslag aan de Koning dat het genoemde koninklijk besluit voorafgaat (Belgisch Staatsblad van 27 februari 1997, pp. 4134- 4136), beoogde de regering de toepassing van de rechten uit te breiden naar het administratief kort geding. Voortaan moesten fiscale zegels worden aangebracht op het verzoekschrift tot schorsing. Indien de schorsing werd afgewezen en de verzoeker of eender welke andere belanghebbende persoon de voortzetting van de IX-3691-9/12 procedure tot nietigverklaring vroeg, diende deze verzoeker of deze persoon het voor het verzoekschrift tot nietigverklaring verschuldigde recht te betalen. Indien het arrest van de Raad van State over de vordering tot schorsing daarentegen geen aanleiding gaf tot een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging tot nietigverklaring, was geen enkel recht verschuldigd met betrekking tot het verzoekschrift tot nietigverklaring, ook al was dit samen met de vordering tot schorsing ingediend. Het is duidelijk dat de regering met het uitstel en eventueel het afstel van de betaling van de zegelrechten voor het annulatieberoep het voortzetten van de rechtspleging ten gronde wilde ontmoedigen. Onder meer uit het genoemde verslag aan de Koning blijkt dat die ontmoedigingspolitiek was ingegeven door de vaststelling dat bij de Raad van State een achterstand was ontstaan, ten gevolge van het grote aantal ingediende vorderingen tot schorsing. Een verzoeker die een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging indient is het desbetreffende recht verschuldigd, ongeacht of het verzoekschrift binnen of buiten de termijn is ingediend, en ongeacht of de fiscale zegels al dan niet op het verzoekschrift zelf zijn aangebracht. Door een dergelijk verzoekschrift in te dienen, geeft de verzoeker meteen te kennen dat de verplichting om een recht te betalen hem niet ervan weerhouden heeft de voortzetting van de rechtspleging ten gronde te vragen. De verplichting om binnen een bepaalde termijn een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging in te dienen beantwoordt aan legitieme vereisten van rechtszekerheid en behoorlijke rechtsbedeling. Het onregelmatig verklaren van een verzoekschrift dat buiten de termijn is ingediend, is niet onevenredig met de aldus nagestreefde doelstellingen. De verplichting om fiscale zegels aan te brengen op het verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging heeft niet enkel een fiscaal doel, maar ook, zoals hiervóór is uiteengezet, een ontradend oogmerk. Wordt een verzoekschrift effectief ingediend, dan blijkt dat het ontradend effect niet bereikt is. Alleen het fiscale doel blijft dan nog over. In het licht van de beginselen die het Europees Hof in de zaak L’Erablière in herinnering heeft gebracht, kan niet meer worden staande gehouden dat een zodanige beperking nog evenredig is met de doeleinden van rechtszekerheid en behoorlijke rechtsbedeling. De evenredigheid wordt wel nog geëerbiedigd indien wordt aangenomen dat de verzoeker over een redelijke termijn beschikt om zijn verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging vanuit fiscaal oogpunt te regulariseren. IX-3691-10/12
  20. De kamer kan te dezen tot deze conclusie komen, zonder de zaak met toepassing van artikel 92, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te moeten verwijzen naar de algemene vergadering. Om te beginnen steunt deze conclusie op een nieuw feit, namelijk een arrest dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft gewezen in verband met de toepassing van het algemeen procedurereglement van de Raad van State. Op dit punt bestaan er alsnog geen tegenstrijdige uitspraken van de Raad van State en is er geen aanwijsbare reden om te vrezen voor de eenheid van de rechtspraak. Voorts gaat het in de voorliggende zaak om de toepassing van een regeling die inmiddels is opgeheven. De kamer acht het niet opportuun om de algemene vergadering te belasten met het beslechten van geschilpunten die, behalve voor de rechtstreeks betrokken partijen, nog enkel een historisch belang hebben.
  21. Te dezen blijkt dat de verzoeker het fiscaal recht gekweten heeft op 14 augustus 2003, nauwelijks een maand na het indienen van zijn verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging en -vooral- slechts drie dagen nadat hij door een mededeling van de griffie geattendeerd was op een onregelmatigheid in verband met zijn verzoek tot voortzetting van de rechtspleging en één dag nadat hem duidelijk gemaakt was dat de onregelmatigheid bestond in het verzuim om de fiscale zegels op zijn verzoekschrift te kleven. De Raad van State is van oordeel dat het recht aldus binnen een redelijke termijn is gekweten, en dat het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging op regelmatige wijze is ingediend. Er bestaat aanleiding om de rechtspleging voort te zetten. Met het oog daarop worden de debatten heropend. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. De debatten worden heropend. IX-3691-11/12 Artikel
  23. De zaak wordt voortgezet volgens de gewone procedure. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 mei 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3691-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.329 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.119.868 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.304 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.