← België

Arrest 193330 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.330 Rolnummer: A. 137788/IX-3816 Zaak: Arrest 193330 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 14/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Fiche Arrest nr 193.330 van 14 mei 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.330 van 14 mei 2009 in de zaak A. 137.788/IX-

  1. In zake : Wilfried DE NIJS, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest, thans de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. Tussenkomende partij: Eddy VAN DYCK, die woonplaats kiest bij advocaat M. VAN DIEVOET, kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Wilfried DE NIJS op 10 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van: “- het besluit d.d. 3 maart 2003 van de administrateur-generaal tot aanwijzing van de heer Rudolf Meeus voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Afvalstoffenbeheer, zoals bekrachtigd door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw bij besluit d.d. 28 maart 2003; - het besluit d.d. 3 maart 2003 van de administrateur-generaal tot aanwijzing van de heer Herman Gobel-Van Damme voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Projectontwikkeling Afvalstoffen, zoals bekrachtigd door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw bij besluit d.d. 28 maart 2003; - het besluit d.d. 3 maart 2003 van de administrateur-generaal tot aanwijzing van de heer Eddy Van Dyck voor de functie van afdelingshoofd van de afdeling Bodemonderzoek en Attestering, zoals bekrachtigd door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw bij besluit d.d. 28 maart 2003”; IX-3816-1/17 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Eddy VAN DYCK; Gelet op de beschikking van 15 september 2003 die de tussenkomst van Eddy VAN DYCK toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaten D. LINDEMANS en T. EYSKENS, die verschijnen voor de verzoeker, van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. VAN DIEVOET, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-3816-2/17 OVERWEEGT WAT VOLGT : I. Feiten
  4. Verzoeker treedt op 1 oktober 1981 in dienst bij de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) als vastbenoemd ambtenaar met de graad van inspecteur-generaal.
  5. Ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de OVAM en de regeling van de rechtspositie van het personeel, organiseert de directieraad in 1996 een procedure voor de aanwijzing van vijf afdelingshoofden. In het kader van die procedure ondergaat de verzoeker op 11 september 1996 een gedragsgerichte test, waarvoor hij slaagt. Bij beslissingen van de administrateur-generaal van 24 oktober 1996 worden de afdelingshoofden aangewezen. De verzoeker is één van hen; hij wordt aangewezen als afdelingshoofd van de afdeling bodemonderzoek en attestering. Bij arrest nr. 81.375 van 28 juni 1999 worden de aanstellingen tot afdelingshoofd door de Raad van State vernietigd. De vernietiging steunt op het feit dat het voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 bij ontstentenis van bekendmaking in extenso in het Belgisch Staatsblad niet verbindend is en derhalve niet als rechtsgrond voor de aanstelling van afdelingshoofden kan worden ingeroepen. Om in de continuïteit van de werking van de OVAM te voorzien, wordt bij ministerieel besluit van 9 juli 1999 voorzien in de mogelijkheid voor de leidend ambtenaar van de OVAM om bepaalde taken en bevoegdheden te delegeren. Bij besluiten van 12 juli 1999 en 23 februari 2000 verleent de administrateur- generaal vervolgens delegatie van allerlei taken en bevoegdheden aan de adjunct- administrateur-generaal en de ambtenaren van de rangen A2 en A1, waaronder de verzoeker. De verzoeker blijft aldus de facto belast met de leiding van de afdeling bodemonderzoek en attestering.
  6. Op 29 oktober 1999 wordt door de Vlaamse regering het besluit houdende organisatie van de OVAM en de regeling van de rechtspositie van het personeel aangenomen. Bij dit besluit wordt het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 opgeheven. IX-3816-3/17 Op 30 juni 2000 wordt door de Vlaamse regering het besluit houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen (afgekort : stambesluit VOI) aangenomen. Het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 wordt opgeheven, met dien verstande dat “in afwachting van de vaststelling van instellingsspecifieke besluiten (...) (de) opgeheven personeelsstatuten van toepassing blijven voor de onderdelen die niet in strijd zijn met dit besluit” (artikel XV 4). 4.
  7. In het kader van de procedure tot aanwijzing van afdelingshoofden stelt de directieraad op 22 februari 2002 de lijst vast van de generieke competenties waaraan de kandidaten voor de betrekking van afdelingshoofd moeten voldoen. Hij bepaalt ook de voorwaarden waaraan de gedragsgerichte test tot meting van deze generieke competenties moet voldoen. Met een nota van 5 augustus 2002 wordt aan het personeel bekendgemaakt dat de volgende vier betrekkingen van afdelingshoofd vacant zijn: - afdelingshoofd van de afdeling Afvalstoffenbeheer; - afdelingshoofd van de afdeling Projectontwikkeling afvalstoffen; - afdelingshoofd van de afdeling Bodemonderzoek en Attestering; - afdelingshoofd van de afdeling Interventie, Verwijdering en Sanering. De nota vermeldt onder meer dat de ambtenaren van wie de directieraad heeft vastgesteld dat zij aan de generieke competenties voldoen, gedurende zeven jaar na de beëindiging ervan worden vrijgesteld van de test. Kandidaten die van deze mogelijkheid gebruik wensen te maken, dienen zulks bij hun kandidaatstelling aan te geven. 4.
  8. Op 28 september 2002 stelt de verzoeker zich kandidaat voor elk van de vier vacante betrekkingen. Hij deelt mee dat hij zich wenst te onderwerpen aan een test door een extern bureau betreffende de competenties, ook al is in de nota van 5 augustus 2002 vermeld dat er een mogelijkheid is van vrijstelling van die test. 4.
  9. Op 14 oktober 2002 neemt de verzoeker met het oog op de beoordeling van de generieke competenties deel aan een assessment center bij het extern bureau Linking nv. In zijn verslag komt het bureau tot de conclusie dat de verzoeker “in onvoldoende mate beschikt over de generieke competenties vereist voor de functie van Afdelingshoofd bij OVAM”. IX-3816-4/17 Op 14 november 2002 maakt de directieraad een potentieelinschatting van elk van de kandidaat-afdelingshoofden, “op basis van de intern beschikbare informatie over de loopbaan en de beoordeling van de door de gegadigde (kandidaat-afdelingshoofd) aangereikte informatie”. De potentieelinschatting voor de verzoeker bevat overwegend kritische beschouwingen. Op 28 november 2002 beoordeelt de directieraad de generieke competenties van de kandidaten. In verband met de verzoeker beslist de directieraad dat deze niet beschikt over de vereiste generieke competenties voor de functie van afdelingshoofd. Die beslissing steunt “op de vaststelling dat de resultaten van de potentieelinschatting op basis van de intern beschikbare informatie over de loopbaan en de elementen die door de gegadigde werden aangereikt en de resultaten van de potentieelinschatting op basis van de gedragsgerichte test, afgenomen door Linking NV, gelijklopend zijn”. Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 2 december 2002 aan de verzoeker ter kennis gebracht. Met verzoekschriften van 3 februari 2003 vordert de verzoeker de schorsing en de vernietiging van de beslissing van 28 november 2002 (zaak A.132.631/IX-3691). De vordering tot schorsing wordt bij arrest nr. 119.868 van 26 mei 2003 verworpen. Met betrekking tot het beroep tot nietigverklaring wijst de Raad van State heden het arrest nr. 193.329, waarbij de debatten worden heropend. 4.
  10. Bij besluiten van 3 maart 2003 wijst de administrateur-generaal de volgende ambtenaren aan tot afdelingshoofd: - afdeling Afvalstoffenbeheer: Rudolf Meeus; - afdeling Projectontwikkeling Afvalstoffen: Herman Gobel-Van Damme; - afdeling Bodemonderzoek en Attestering: Eddy Van Dyck. Er volgt geen aanwijzing van een afdelingshoofd voor de afdeling Interventie, Verwijdering en Sanering. De verzoeker zou de enige kandidaat voor die betrekking geweest zijn. De drie besluiten worden bekrachtigd bij besluiten van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 28 maart
  11. IX-3816-5/17 De aanwijzing van de drie afdelingshoofden wordt met een dienstnota van 9 april 2003 aan de personeelsleden bekendgemaakt. In die nota wordt ook aangekondigd dat de procedure voor de aanduiding van een afdelingshoofd voor de afdeling Interventie, Verwijdering en Sanering de volgende week van start zal gaan. De aanwijzingsbesluiten worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 april
  12. De besluiten van 3 maart 2003, bekrachtigd bij de besluiten van 28 maart 2003, vormen het voorwerp van het voorliggende beroep.
  13. In mei 2003 wordt de procedure gestart voor de aanwijzing van een afdelingshoofd voor de afdeling Interventie, Verwijdering en Sanering. De verzoeker stelt zijn kandidatuur, daarbij uitdrukkelijk aanvoerend dat hij vrijgesteld is van de gedragsgerichte test, gelet op de resultaten van de op 11 september 1996 afgelegde test. Op 4 juli 2003 beslist de directieraad evenwel dat de verzoeker op basis van de genoemde test geen vrijstelling kan genieten. Aangezien de verzoeker voorts weigert deel te nemen aan de statutair verplichte gedragsgerichte test, wordt zijn kandidatuur niet verder in aanmerking genomen. Bij besluit van de administrateur-generaal van 5 augustus 2003, bekrachtigd bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 3 september 2003, wordt Eddy Wille met ingang van 1 december 2003 aangewezen tot afdelingshoofd van de afdeling Interventie, Verwijdering en Sanering. Ook tegen die besluiten stelt de verzoeker een beroep tot nietigverklaring in (zaak A. 145.287/IX-4012). Tijdens het beraad door de Raad van State doet hij afstand van het geding. Bij arrest nr. 193.331 van heden worden de debatten heropend. II. Verzoek tot samenvoeging van de zaken A.132.631/IX-3691, A.137.788/IX- 3816 en A. 145.287/IX-4012
  14. In zijn verzoekschrift in de zaak A.137.788/IX-3816 stelt de verzoeker dat de in die zaak aangevoerde onwettigheid voortvloeit uit de onwettigheid van de akte die het voorwerp vormt van de zaak A.132.631/IX-
  15. Hij suggereert om de twee zaken samen te voegen. IX-3816-6/17 In zijn verzoekschrift in de zaak A. 145.287/IX-4012 stelt de verzoeker dat de in die zaak aangevoerde onwettigheid “verwant” is met de onwettigheid van de door hem in de zaken A.132.631/IX-3691 en A.137.788/IX-3816 aangevochten akten. Hij suggereert om de drie zaken samen te voegen.
  16. De verwerende partij heeft geen bezwaar tegen een samenvoeging van de drie zaken, althans voor zover het annulatieberoep in de zaak A.132.631/IX-3691 niet onontvankelijk zou zijn.
  17. In de zaak A.132.631/IX-3691 vordert de verzoeker de nietigverklaring van de beslissing van de directieraad van 28 november 2002 waarbij geoordeeld wordt dat hij niet beschikt over de vereiste generieke competenties voor de functie van afdelingshoofd, en van de daarin vervatte impliciete beslissing om zijn kandidatuur niet in aanmerking te nemen voor de aanwijzing van afdelingshoofd van de afdeling bodemonderzoek en attestering. In de zaak A.137.788/IX-3816 vordert hij de nietigverklaring van de daaropvolgende besluiten van de administrateur-generaal van 3 maart 2003 tot aanwijzing van drie afdelingshoofden, bekrachtigd bij ministeriële besluiten van 28 maart
  18. In de zaak A. 145.287/IX-4012 vordert de verzoeker de nietigverklaring van het besluit van de administrateur-generaal van 5 augustus 2003 tot aanwijzing van een vierde afdelingshoofd, bekrachtigd bij ministerieel besluit van 3 september 2003, en van de daarin vervatte impliciete beslissing dat hij niet beschikt over de vereiste generieke competenties. Te dezen is een behoorlijke rechtsbedeling niet gediend door een samenvoeging van de voorliggende zaak met de twee andere zaken. Uit het arrest nr. 193.329 dat de Raad van State heden uitspreekt in de zaak A.132.631/IX-3691 blijkt dat in die zaak nog geen eindbeslissing kan worden genomen, terwijl dat in de voorliggende zaak wel het geval is. In de zaak A. 145.287/IX-4012 wordt voorts afstand van geding gedaan, reden waarom de Raad van State bij arrest nr. 193.331 van heden de debatten eveneens heropent. Op het verzoek tot samenvoeging wordt dan ook niet ingegaan. IX-3816-7/17 III. Ontvankelijkheid van het beroep A. Eerste exceptie
  19. De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid op, in de hypothese dat het annulatieberoep in de zaak A. 132.631/IX-3691 zou worden afgewezen. Indien de beslissing van de directieraad van 28 november 2002, waarbij geoordeeld is dat de verzoeker niet over de vereiste generieke competenties beschikt, aldus definitief zou worden, zou komen vast te staan dat de verzoeker niet aan de voorwaarden voldoet om tot afdelingshoofd te worden aangewezen. Het beroep tegen de aanwijzing van andere kandidaten als afdelingshoofd zou dan ook onontvankelijk zijn.
  20. In de zaak A. 132.631/IX-3691 is op dit ogenblik nog geen uitspraak ten gronde gedaan. Zoals hiervóór is vermeld, zijn de debatten in die zaak bij arrest nr. 193.329 van heden heropend. De hypothese waarop de exceptie steunt, blijkt zich aldus niet voor te doen. Die vaststelling volstaat om te concluderen dat de exceptie feitelijke grondslag mist. B. Tweede exceptie
  21. De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het ontbreken van samenhang tussen de drie aangevochten aanwijzingsbesluiten en de daarmee gepaard gaande bekrachtigingsbesluiten. Volgens de verwerende partij kon de verzoeker de drie aanwijzingen niet met één verzoekschrift aanvechten. De eerste procedureronde die de generieke competenties betreft is weliswaar gelijklopend voor alle kandidaten, maar daarna worden de kandidaten beoordeeld op hun afdelingsspecifieke competenties, die verschillend zijn naargelang de afdeling waarover het gaat. De verwerende partij voert aan dat, bij gebreke van samenhang tussen de drie voorwerpen, het beroep slechts ontvankelijk is wat het eerste voorwerp betreft, zijnde het besluit tot aanwijzing van Rudolf Meeus als afdelingshoofd van de afdeling Afvalstoffenbeheer en het daarmee gepaard gaande bekrachtigingsbesluit van 28 maart
  22. IX-3816-8/17
  23. Hoewel in beginsel slechts één beroep per verzoekschrift kan worden ingesteld, kan de nietigverklaring van verscheidene beslissingen worden gevorderd indien die beslissingen samenhangend zijn en de beroepen in het belang van een goede rechtsbedeling samen behandeld kunnen worden. De drie bestreden beslissingen betreffen de aanwijzing in drie betrekkingen van afdelingshoofd, waarvan de vacature gelijktijdig werd bekendgemaakt en waarvoor dezelfde generieke competenties gelden. De verzoeker voert in het enig middel aan dat zijn kandidatuur voor die betrekkingen ten onrechte niet in aanmerking is genomen omdat hij niet over de vereiste generieke competenties voor de functie van afdelingshoofd beschikt. De omstandigheid dat de afdelingsspecifieke competenties voor die functies verschillend zijn, sluit niet uit dat de vernietiging van de drie aanwijzingsbeslissingen die volgens de verzoeker door dezelfde onwettigheid zijn aangetast, bij één verzoekschrift kan gevorderd worden. De exceptie kan niet aangenomen worden. IV. Ten gronde Enig middel
  24. De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet juncto de artikelen II 1, II 5, § 2, VIII 69, § 3, en VIII 71 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen (stambesluit VOI), het zuinigheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel, het beginsel van fair play, de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de directieraad van de OVAM bij beslissing van 28 november 2002 -waarvan wegens schending van de verder in het middel vermelde rechtsregels de vernietiging wordt gevorderd in de zaak A. 132.631/IX-3691- heeft besloten dat de verzoeker niet over de vereiste generieke competenties van afdelingshoofd zou beschikken, en hij derhalve zijn kandidatuur heeft geweerd uit de verdere aanwijzingsprocedure, terwijl de overheden bevoegd tot aanwijzing en tot bekrachtiging beslissingen dienen te nemen op grond van een objectieve vergelijking van titels en IX-3816-9/17 verdiensten van alle kandidaten voor de vacante betrekkingen, en na een zorgvuldige verzameling van alle relevante feitelijke gegevens. In de toelichting bij het middel zet de verzoeker uiteen dat de onwettigheid van de bestreden aanwijzingen voortvloeit uit het feit dat zijn kandidatuur op een onwettige wijze niet in aanmerking is genomen. Tot staving van zijn stelling dat de beslissing van de directieraad van 28 november 2002 onwettig is, verwijst hij naar de drie middelen die hij tegen die beslissing heeft ingeroepen in de zaak A. 132.631/IX-
  25. Die middelen, die beschouwd moeten worden als middelen die ook als zodanig worden ingeroepen in de voorliggende zaak, en die hier duidelijkheidshalve “deelmiddelen” worden genoemd, zijn de volgende: - eerste deelmiddel, afgeleid uit de schending van de artikelen II 1, II 5, § 2, VIII 69, § 3, en VIII 71, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen (stambesluit VOI) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat, eerste onderdeel, de directieraad bij de vaststelling van de generieke competenties en de beoordeling van de kandidaten enkel was samengesteld uit de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal, terwijl de directieraad slechts wettig kan beraadslagen in aanwezigheid van de helft plus één van haar leden, en doordat, tweede onderdeel, de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal de generieke competenties hebben vastgesteld en de kandidaturen hebben beoordeeld, terwijl enkel de directieraad bevoegd is om de generieke competenties vast te stellen en de beoordeling van de kandidaten door te voeren, en doordat, derde onderdeel, de directieraad blijkbaar heeft beslist bij de enkele aanwezigheid van de administrateur-generaal en de adjunct- administrateur-generaal, terwijl minstens moet worden gemotiveerd waarom besluiten worden genomen met miskenning van het aanwezigheidsvereiste; - tweede deelmiddel, afgeleid uit de schending van artikel VIII 71, § 2, van het stambesluit VOI, artikel II 9ter, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 houdende organisatie van de OVAM en de regeling van de rechtspositie van het personeel, het zuinigheidsbeginsel en het IX-3816-10/17 redelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de verzoeker bij de aanstellingsprocedure onderworpen werd aan een assessment test en de beslissing van de directieraad van 28 november 2002 (mede) gemotiveerd wordt op grond van de negatieve assessment test, terwijl de bevoegde overheid hem had moeten vrijstellen van de assessment test, en de nog geldende gunstige assessment test in haar beoordeling had moeten betrekken, minstens had moeten motiveren waarom de verzoeker alsnog aan een nieuwe assessment test moest worden onderworpen; - derde deelmiddel, afgeleid uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de beslissing van de directieraad van 28 november 2002 is gesteund op de potentieelinschattingen doorgevoerd op 14 november 2002 door de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal namens de directieraad, en op 20 november 2002 door de nv Linking, die ronduit negatief zijn voor de verzoeker, terwijl de materiële motivering redelijkheidshalve vereist dat de potentieelinschatting zoals die is gegeven door twee personen in plaats van een wettig samengestelde directieraad, in overeenstemming is te brengen met de impliciete waardeoordelen die betreffende personen in het nabije verleden ten opzichte van de verzoeker naar voor hebben gebracht, en dat de potentieelinschatting van de nv Linking het resultaat is van het interview dat dit bedrijf heeft gevoerd met de verzoeker. Ontvankelijkheid van het middel
  26. De tussenkomende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Zij voert aan dat, als het beroep van de verzoeker in de zaak A. 132.631/IX-3691 wordt verworpen, deze geen belang meer heeft bij het middel.
  27. Om de reden die hiervóór is uiteengezet, bij het onderzoek van de eerste exceptie van onontvankelijkheid gericht tegen het beroep in de zaak A. 137.788/IX-3816 (overweging 10), mist de exceptie feitelijke grondslag. IX-3816-11/17
  28. Ambtshalve merkt de Raad van State in dit verband op dat een kandidaat voor een bepaalde functie een beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen de beslissing om zijn kandidatuur niet in aanmerking te nemen. Hoewel deze beslissing voorbereidend is ten opzichte van de uiteindelijke beslissing tot aanwijzing, verschijnt ze ten aanzien van deze kandidaat niet als een louter voorbereidende beslissing, maar als een “voorbeslissing”, omdat zij voor hem definitieve rechtsgevolgen heeft, en is ze, wat hem betreft, dan ook onmiddellijk grievend. De mogelijkheid voor een geweerde kandidaat om onmiddellijk een beroep tot nietigverklaring in te stellen ten aanzien van de beslissing om zijn kandidatuur niet in aanmerking te nemen, neemt echter niet weg dat de onrechtmatigheden welke deze kandidaat tegen deze beslissing inbrengt, nog op ontvankelijke wijze mogen worden ingeroepen tegen latere beslissingen die genomen worden in het kader van de aanwijzingsprocedure. Te dezen kan de verzoeker derhalve, tot staving van zijn beroep tegen de besluiten tot aanwijzing van drie afdelingshoofden, de onwettigheid inroepen van onder meer de beslissing van de directieraad van 28 november 2002 om zijn kandidatuur niet in aanmerking te nemen. De desbetreffende grieven kunnen in het kader van het voorliggende beroep ook onderzocht worden, ook al is het beroep tegen die beslissing van de directieraad thans nog aanhangig bij de Raad van State. Hieruit volgt overigens ook dat er geen reden is om de behandeling van de voorliggende zaak uit te stellen totdat uitspraak is gedaan over het beroep in de zaak A. 132.631/IX-
  29. Onderzoek van de deelmiddelen 17.
  30. In het eerste deelmiddel betwist de verzoeker de regelmatigheid van de samenstelling van de directieraad, toen deze op 22 februari 2002 de vereiste generieke competenties vaststelde en op 28 november 2002 besliste over de generieke competenties van de kandidaten. In de toelichting bij dit middel zet de verzoeker uiteen dat de directieraad onder meer bestaat uit de afdelingshoofden en dat de waarnemend afdelingshoofden derhalve aanwezig hadden moeten zijn bij het vaststellen en beoordelen van de generieke competenties. In zijn laatste memorie wijst hij erop dat er voor de onregelmatige samenstelling van de directieraad geen enkel rechtsgeldig excuus is. Na de vernietiging door de Raad van State van de aanwijzing van afdelingshoofden, bij arrest nr. 81.375 van 28 juni 1999, heeft de OVAM gewerkt met delegaties van IX-3816-12/17 bevoegdheid en heeft ze pas na jaren de procedure aangevat om afdelingshoofden aan te wijzen en dus om de samenstelling van de directieraad te regulariseren. 17.
  31. Volgens artikel VIII 69, § 3, van het te dezen toepasselijke stambesluit VOI stelt de directieraad de lijst van de generieke competenties voor de betrekking van afdelingshoofd vast. Volgens artikel VIII 71, § 1, van dat besluit bepaalt hij ook de voorwaarden waaraan de gedragsgerichte test moet voldoen, en beoordeelt hij de vereiste generieke competenties van de kandidaten. Artikel II 1 van het stambesluit VOI luidt als volgt : “Behoudens andersluidende instellingsspecifieke bepalingen is de directieraad samengesteld uit:
  32. de leidend ambtenaar, die tevens voorzitter is;
  33. de adjunct-leidend ambtenaar of ambtenaren;
  34. de afdelingshoofden.” Bij arrest nr. 81.375 van 28 juni 1999 zijn de aanstellingen van de afdelingshoofden, waartoe ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de OVAM en de regeling van de rechtspositie van het personeel was overgegaan, door de Raad van State vernietigd. Ingevolge dit vernietigingsarrest waren er bij OVAM geen afdelingshoofden meer en bestond de directieraad, in afwachting van een nieuwe aanstelling van afdelingshoofden, slechts uit de leidend ambtenaar en de adjunct- leidend ambtenaar. Er blijkt niet dat waarnemend afdelingshoofden waren aangesteld. Dezen zouden trouwens slechts kunnen gekozen worden onder de ambtenaren waarvan de directieraad had geoordeeld dat ze aan de generieke competenties voor de betrekking van afdelingshoofd voldeden (artikel VIII 76, § 1, tweede lid, van het stambesluit VOI). Om te voorzien in de aanwijzing van afdelingshoofden, en om aldus de samenstelling van de directieraad in overeenstemming te brengen met het stambesluit VOI, kwam het bijgevolg toe aan de directieraad, op dat ogenblik samengesteld uit de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar, om de lijst van de generieke competenties voor de functie van afdelingshoofd vast te stellen, de voorwaarden waaraan de gedragsgerichte test moest voldoen te bepalen, en de IX-3816-13/17 generieke competenties van de kandidaten voor de functie van afdelingshoofd te beoordelen. Het feit dat de directieraad na het genoemde vernietigingsarrest niet met de nodige spoed gezorgd zou hebben voor de regularisering van zijn samenstelling, neemt niet weg dat de beslissingen in verband met de aanwijzing van afdelingshoofden genomen zijn door een regelmatig samengestelde raad. Het deelmiddel faalt naar recht. 18.
  35. In het tweede deelmiddel voert de verzoeker aan dat de directieraad hem had moeten beoordelen op grond van het resultaat van de assessment test die hij in 1996 met succes had ondergaan, en dat de raad hem had moeten vrijstellen van een nieuwe assessment test. In de toelichting bij het middel zet hij uiteen dat hij bij het indienen van zijn kandidatuur voorbehoud heeft gemaakt omtrent de weigering om hem vrijstelling van de gedragsgerichte test te verlenen. Bovendien werd bij de bekendmaking van de vacatures (nota van 5 augustus 2002) uitdrukkelijk op de vrijstellingsregel gewezen. De vernietiging van zijn aanstelling tot afdelingshoofd was volgens de verzoeker geen reden om hem aan een nieuwe assessment test te onderwerpen. 18.
  36. Luidens artikel VIII 71, § 2, eerste lid, van het stambesluit VOI worden de ambtenaren van wie de directieraad heeft vastgesteld dat zij aan de generieke competenties voldoen, gedurende zeven jaar na de beëindiging van de gedragsgerichte test, afgenomen door een externe instantie, vrijgesteld van die test, tenzij hun functioneringsevaluatie met de vermelding “onvoldoende” werd besloten. Volgens de verwerende partij werkt de genoemde bepaling enkel voor de toekomst, en heeft ze niet tot gevolg dat kandidaten zich kunnen beroepen op tests die ze hebben afgelegd vóór de inwerkingtreding van het stambesluit VOI. Op die kwestie hoeft te dezen niet nader ingegaan te worden. Het beroep op artikel VIII 71, § 2, eerste lid, kan immers in elk geval niet slagen, om de volgende reden. Het enkele feit dat de verzoeker in 1996 een gedragsgerichte test heeft afgelegd kan -nog daargelaten de vraag of de resultaten van die test wel gunstig waren voor de verzoeker- niet volstaan voor het verkrijgen van een vrijstelling. Vereist is dat de directieraad heeft vastgesteld dat de betrokkene aan de generieke competenties voldeed. Te dezen blijkt niet dat de directieraad destijds een IX-3816-14/17 beslissing heeft genomen waarbij werd vastgesteld dat de verzoeker aan de generieke competenties voldoet. Volgens de verwerende partij was de test in 1996 trouwens niet bindend en slechts informatief. De voorwaarden om vrijstelling van de gedragsgerichte test te genieten waren dan ook in het geval van de verzoeker in elk geval niet vervuld. Het deelmiddel kan niet aangenomen worden. 19.
  37. In het derde deelmiddel betwist de verzoeker de objectiviteit van de interne potentieelinschatting door de administrateur-generaal en de adjunct- administrateur-generaal, enerzijds, en de objectiviteit van de assessment test door de nv Linking, anderzijds. In de toelichting bij het middel voert de verzoeker aan, in verband met de interne potentieelinschatting, dat deze berust op een subjectieve beoordeling door de administrateur-generaal en de adjunct-administrateur-generaal, die niet gestaafd wordt door enig stuk en die is gebeurd zonder dat de overige afdelingshoofden bij de beoordeling betrokken werden. Bovendien mist de potentieelinschatting elke geloofwaardigheid, aangezien de verzoeker na het vernietigingsarrest nooit ontzet is uit zijn functie van afdelingshoofd, maar hem door de administrateur-generaal integendeel verschillende bevoegdheden zijn gedelegeerd. De potentieelinschatting is dus volstrekt willekeurig geschied. Ook het assessment door de nv Linking kon geen aanleiding geven tot een objectieve beoordeling. Tijdens het interview werd gepeild naar de stand van de procedures die de verzoeker voor de Raad van State heeft gevoerd. Er werd ook uitgebreid ingegaan op de studieperiode tijdens verzoekers tienerjaren, terwijl hij zich tijdens een dertigjarige loopbaan als specialist in de materie ontwikkeld heeft. Bij brief van 3 december 2002 heeft de verzoeker zijn grieven over het assessment aan de administrateur-generaal medegedeeld, maar deze werden niet onderzocht. Redelijkerwijze kan met het resultaat van de test geen rekening worden gehouden, nu dat niet de conclusie kan zijn van het interview. 19.
  38. In de interne potentieelinschatting die op 14 november 2002 door de directieraad werd opgemaakt, wordt geoordeeld dat de verzoeker “niet beantwoordt aan het beeld van wat van een leidinggevende op afdelingsniveau, handelend volgens moderne managementprincipes, mag verwacht worden”. Dit oordeel wordt geïllustreerd aan de hand van allerlei feitelijke gegevens die telkens IX-3816-15/17 in verband gebracht worden met welbepaalde generieke competenties (teamleiderschap, motiverend optreden, zin voor efficiëntie en organisatie, voorbeeldgedrag, resultaatgerichtheid, zin voor initiatief, conceptueel en analytisch denken). Het enkele feit dat de interne potentieelinschatting steunt op een beoordeling door twee personen, de administrateur-generaal en de adjunct- administrateur-generaal, doet op zich geen afbreuk aan de objectiviteit ervan. Ter weerlegging van de inhoud van de potentieelinschatting beperkt de verzoeker zich in feite ertoe aan te voeren dat deze niet strookt met het feit dat de administrateur-generaal hem nog in februari 2000 allerlei taken heeft gedelegeerd. Het feit dat de administrateur-generaal de verzoeker bij besluit van 23 februari 2000 een aantal taken en bevoegdheden heeft gedelegeerd, doet echter aan de potentieelinschatting geen afbreuk. De potentieelinschatting houdt immers een beoordeling in van de wijze waarop de verzoeker bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden blijk heeft gegeven van de generieke competenties. 19.
  39. Wat betreft de kritiek op de externe potentieelinschatting, kan de verzoeker gevolgd worden in zoverre hij aanvoert dat vragen omtrent de door hem ingestelde procedures bij de Raad van State niet op hun plaats zijn bij een interview waarin naar de generieke competenties van de betrokkene gepeild wordt. De omstandigheid dat dergelijke vragen gesteld zouden zijn toont evenwel niet aan dat zijn generieke competenties verkeerd beoordeeld werden. Het feit dat bij het interview aan de technische onderlegdheid van de verzoeker geen aandacht werd besteed, toont evenmin de onjuistheid van de potentieelinschatting aan. De technische onderlegdheid van de kandidaat heeft immers geen uitstaans met de generieke competenties. 19.
  40. De conclusie is dat de beslissing van de directieraad van 28 november 2002 die door de gelijkluidende conclusies van de interne en de externe potentieelinschatting gedragen wordt, aan de materiële motiveringsplicht voldoet. Het deelmiddel kan niet aangenomen worden. IX-3816-16/17 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  41. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  42. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 14 mei 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3816-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.330 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.