← België

Arrest 193379 - Penitentiair recht - 18/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.379 Rolnummer: A. 181909/IX-5610 Zaak: Arrest 193379 - Penitentiair recht - 18/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:08 Fiche Arrest nr 193.379 van 18 mei 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.379 van 18 mei 2009 in de zaak A. 181.909/IX-

  1. In zake : Johan DIELS, die woonplaats kiest bij advocaat C. DEVLIES, kantoor houdende te LEUVEN, Bondgenotenlaan 132 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan DIELS op 23 maart 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 31 januari 2007 van de directeur van de strafinrichting Leuven-Centraal waarbij hem de tuchtsanctie wordt opgelegd van eenmalig bezoek achter glas bij het eerstvolgend bezoek en van de dienstnota 15.07/2 van 26 januari 2007 van de directeur van de strafinrichting Leuven-Centraal; Gelet op de beschikking van 27 maart 2007 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5610-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. KINAT die, loco advocaat C. DEVLIES, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat C. RAYMAEKERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  2. Verzoeker was gedetineerde in de strafinrichting Leuven-Centraal. 1.
  3. Zijn rechtspositie wordt onder meer geregeld door de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (hierna: de basiswet). Artikel 108 van de basiswet, dat bij koninklijk besluit van 28 december 2006 in werking is gesteld op 15 januari 2007, luidt als volgt: “§
  4. De gedetineerde mag wanneer dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid noodzakelijk is, aan zijn kledij onderzocht worden door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen. Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. §
  5. Indien er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij van de gedetineerde niet volstaat om het doel, zoals omschreven in § 1, tweede lid te bereiken, kan de directeur, bij afzonderlijke beslissing, een fouillering op het lichaam bevelen, zo nodig met ontkleding en het uitwendig schouwen van de openingen en de holten van het lichaam. De fouillering op het lichaam mag enkel plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden en moet uitgevoerd worden door minimum twee daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden van hetzelfde geslacht als de gedetineerde. (...)” IX-5610-2/11 1.
  6. Bij dienstnota 15.07/1 van 14 januari 2007 voert de directeur van de strafinrichting een voorlopige regeling inzake lijfonderzoek in, teneinde de manier van werken in de centrale gevangenis in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de basiswet. 1.
  7. Bij dienstnota 15.07/2 van 26 januari 2007 voert de directeur van de strafinrichting een nieuwe voorlopige regeling inzake lijfonderzoek in, die de dienstnota 15.07/1 wijzigt, naar aanleiding van concrete richtlijnen vanuit het Directoraat-generaal van de Penitentiaire Inrichtingen (hierna: het hoofdbestuur) die in afwachting van een ministeriële omzendbrief zijn medegedeeld en die in alle gevangenissen dienen te worden toegepast. Dienstnota 15.07/2 is de tweede bestreden beslissing. Zij bevat onder meer volgende maatregel ten aanzien van gedetineerden die terugkeren van bezoek: “De gedetineerde wordt onderworpen aan een onderzoek van de kledij. Dit betekent dat de gedetineerde zich volledig dient uit te kleden en al zijn kledij ter controle dient te overhandigen aan de penitentiair beambte, belast met de controle. De beambte dient er zich van te vergewissen of de gedetineerde alle kledij heeft afgegeven. Hij moet met andere woorden de gedetineerde naakt zien. De gedetineerde mag evenwel met de rug naar de beambte staan en/of zijn geslachtsdeel met de handen bedekken.” 1.
  8. Op 30 januari 2007 dient verzoeker zich na het bezoek van een familielid volledig uit te kleden en naakt voor de penitentiaire beambten te verschijnen. Hij weigert dit evenwel te doen. 1.
  9. Op 31 januari 2007 beslist de directeur van de strafinrichting om verzoeker hiervoor de tuchtsanctie op te leggen van het eenmalig bezoek achter glas bij het eerstvolgend bezoek. Dit is de eerste bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd: “Betrokkene weigert een onderzoek aan de kledij na het bezoek. Dergelijk onderzoek na het bezoek is nodig in het belang van de orde en veiligheid van de inrichting en heeft als doel na te gaan of betrokkene in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Elke gedetineerde die terugkeert van het bezoek is aan deze maatregel onderworpen. IX-5610-3/11 Per 15 januari 2007 werden een aantal artikelen van de basiswet van toepassing, onder andere titel VI m.b.t. de orde en de veiligheid. In afwachting van een ministeriële circulaire worden inzake het onderzoek aan de kledij de concrete richtlijnen van het hoofdbestuur toegepast (richtlijnen die aan de gevangenisdirectie mondeling werden meegedeeld op een vergadering van 24 januari 2007): de gedetineerde dient zich volledig uit te kleden en al zijn kledij ter controle te overhandigen aan de penitentiair (beambte) belast met de controle; de penitentiair beambte dient er zich van te vergewissen of de gedetineerde alle kledij heeft afgegeven; hij moet met andere woorden de gedetineerde naakt zien; de gedetineerde mag evenwel met de rug naar de beambte staan en/of zijn geslachtsdeel met de handen bedekken. Deze concrete werkwijze werd ter kennis gebracht aan de gedetineerden via een ‘mededeling’ die op 26 januari 2007 aan alle gedetineerden op cel werd bezorgd. Weigeren een bevel en richtlijn op te volgen is niet de gepaste reactie; betrokkene moet als hij niet akkoord gaat met de procedure de wettelijke kanalen aanwenden.” Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  10. De verwerende partij werpt op dat de Raad van State “onbevoegd” is om een dienstnota van de directeur van de strafinrichting te vernietigen, aangezien zulke nota maatregelen behelst met het oog op de goede werking van en de goede orde in de strafinrichting en uitsluitend ingegeven is door veiligheids- en voorzich- tigheidsoverwegingen. Bovendien stelt zij dat de Raad van State onbevoegd is om te oordelen of de bestreden dienstnota de door verzoeker ingeroepen artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) schendt. Voorts werpt de verwerende partij op dat verzoeker niet langer over het rechtens vereiste belang beschikt bij deze zaak. Enerzijds heeft hij de tuchtsanctie reeds ondergaan en kan het beoogde doel van het annulatieberoep, met name het afwenden van het nadeel van de tuchtsanctie, niet meer bewerkstelligd worden. Anderzijds is de bestreden dienstnota niet normerend en heeft ze geen wettelijke gevolgen, is ze reeds vervangen door dienstnota 15.07/3, en is ze enkel van toepassing in de strafinrichting Leuven-Centraal, terwijl verzoeker intussen reeds overgebracht is naar de gevangenis te Antwerpen waar hij het regime van beperkte detentie ondergaat. 2.2.
  11. In zoverre de verwerende partij aanvoert dat de Raad van State onbevoegd is om de bestreden dienstnota te toetsen aan de artikelen 3 en 8 van het EVRM, betwist zij geenszins de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep, maar slechts de ontvankelijkheid van een middel. IX-5610-4/11 De overige door de verwerende partij opgeworpen excepties hebben wel betrekking op de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep. 2.2.
  12. De directeur van een strafinrichting is belast met de zorg voor de goede werking van en de goede orde in de strafinrichting. Hij kan te dien einde ten aanzien van wie in de strafinrichting is opgenomen een veelheid van maatregelen nemen die zekere ongemakken of onaangenaamheden kunnen meebrengen. In zoverre die maatregelen uitsluitend of hoofdzakelijk zijn ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, doen zij zich voor als loutere maatregelen van inwendige orde en staat hiertegen in principe geen annulatieberoep open. Uit de bestreden dienstnota blijkt evenwel dat deze tot doel heeft de manier van werken in de strafinrichting in overeenstemming te brengen met de nieuwe wettelijke bepalingen en met de concrete richtlijnen die vanuit het hoofdbestuur werden meegedeeld en die voortaan in alle gevangenissen dienen te worden toegepast. Het betreft dus geen maatregel die de directeur van de strafinrich- ting heeft uitgevaardigd omdat hij van oordeel is dat deze de veiligheid en de voorzichtigheid in de strafinrichting verhoogt. De directeur van de strafinrichting vaardigt nieuwe instructies uit waarvan wordt verwacht dat ze door het personeel en de gedetineerden worden nageleefd. Hij heeft de bevoegdheid om instructies te geven aan het personeel en de gedetineerden en hij beschikt over de middelen om de handhaving van die instructies af te dwingen, zoals tuchtsancties. De bestreden dienstnota heeft dan ook een verordenend karakter en brengt rechtsgevolgen teweeg. Ze kan bijgevolg niet worden beschouwd als een loutere maatregel van inwendige orde. Een dergelijke dienstnota is een voor vernietiging vatbare handeling. 2.2.
  13. De verwerende partij stelt terecht dat de bestreden dienstnota inmiddels vervangen is door de dienstnota 15.07/
  14. Zij voert ook aan dat verzoeker intussen is overgeplaatst naar de gevangenis te Antwerpen waar hij het regime van de beperkte detentie ondergaat. Aldus is de bestreden dienstnota niet meer van toepassing op verzoeker. IX-5610-5/11 De bestreden dienstnota gaf echter uitvoering aan de concrete richtlijnen van het hoofdbestuur die in alle gevangenissen dienen te worden toegepast. Blijkens het administratief dossier heeft het hoofdbestuur met een collectieve brief nr. 86 van 19 februari 2007 opnieuw dergelijke richtlijnen geformuleerd. Hierin voorziet zij onder meer in de mogelijkheid om bij bezoek zonder geïndividualiseerde motivering over te gaan tot een “volledig onderzoek aan de kledij”, bestaande uit het zich ontkleden door de gedetineerde in een kleedruimte of achter een kamerscherm waarbij de beambte nagaat of alle kledij is afgegeven. Vermits, zoals hierna zal blijken, verzoeker in de door hem aangevoerde middelen precies die handelwijze van de verwerende partij, die ook in de bestreden dienstnota is bepaald, aanvecht en hij, gelet op de toepassingssfeer van de collectieve brief, ook in de gevangenis te Antwerpen het voorwerp kan uitmaken van zulke behandeling, is zijn belang bij de vernietiging van de bestreden dienstnota nog niet teloorgegaan. 2.2.
  15. Wat de bestreden tuchtsanctie betreft, gaat het rechtens vereiste belang niet teloor door het enkele feit dat de bestreden beslissing is uitgevoerd en haar effect heeft gehad. Bovendien beschikt verzoeker, zelfs wanneer hij zich niet langer in detentie zou bevinden, in elk geval over een moreel belang om de beslissing aan te vechten waarbij middels een tuchtsanctie zijn gedrag in de gevangenis werd afgekeurd. Voorts doet verzoeker blijken van een belang bij het aanvechten van de bestreden tuchtstraf, in zoverre deze eventueel in aanmerking zou kunnen worden genomen bij het opleggen van een nieuwe tuchtstraf, voor nieuwe feiten, of bij de beoordeling van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. De gegrondheid van het beroep 3.
  16. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 108 van de basiswet, doordat hij verzocht werd zich te ontkleden, teneinde naakt te verschijnen voor de penitentiaire beambten, terwijl overeenkomstig die bepaling een fouillering op het lichaam slechts kan plaatsvinden bij individuele en gemotiveerde beslissing van de directeur van de strafinrichting en bij gebrek aan zulke beslissing, zoals te dezen, enkel een onderzoek aan de kledij mogelijk is. De standaardmaatregel van het “onderzoek aan de kledij” kan volgens verzoeker IX-5610-6/11 geenszins inhouden dat de gedetineerde zich volledig dient te ontkleden teneinde naakt te verschijnen voor een penitentiair beambte die vervolgens de overhandigde kledij onderzoekt. In dat geval is er volgens verzoeker wel degelijk sprake van een “fouillering op het lichaam”. 3.
  17. De verwerende partij antwoordt dat noch in de wet zelf noch in de parlementaire voorbereiding ervan de begrippen “onderzoek aan de kledij” en “fouillering op het lichaam” gedefinieerd worden. Zij stelt dat het onderscheid tussen beide onderzoeksmaatregelen er niet in bestaat of de gedetineerde al dan niet naakt is, maar wel is gelegen in het voorwerp van het onderzoek, met name de kledij of het lichaam. Volgens haar is er slechts sprake van een onderzoek aan de kledij en dus niet van een fouillering op het lichaam wanneer de gedetineerde op een zeker ogenblik naakt is, na afgifte van al zijn kledij, dit door de penitentiaire beambte geverifieerd wordt en vervolgens enkel de kledij onderzocht wordt, waarbij de lichaamsholtes van de gedetineerde niet onderzocht worden op de aanwezigheid van voorwerpen, hij zijn haar niet dient los te maken, zijn voetzolen niet moet tonen, niet voorover dient te buigen en niet door de knieën dient te gaan en zijn geslachtsdelen niet hoeft te tonen. Zij betoogt dat het loutere feit dat enkel in paragraaf 2 van artikel 108 van de basiswet, waarin sprake is van de fouillering op het lichaam, melding wordt gemaakt van “ontkleding”, niet volstaat om te besluiten dat ontkleding door de wetgever uitgesloten is bij een onderzoek aan de kledij. Zij verwijst naar een arrest van 11 december 2007 van het Hof van Beroep te Brussel, zetelend in kort geding, waarin dat hof tot dezelfde bevindingen is gekomen en hieraan toegevoegd heeft dat het feit dat de eerste dienstnota andere richtlijnen bevatte niet wegneemt dat de bestreden dienstnota aan de wet beantwoordt. Voorts stelt zij dat, nu de wet geen uitsluitsel biedt, de administratie en het inrichtingshoofd verplicht zijn om zelf een concrete invulling te geven aan de wet en dat zij daarbij enerzijds de persoon en het recht op een menswaardige behandeling van de gedetineerde dienen te respecteren en anderzijds overeenkomstig de artikelen 2 en 105 van de basiswet moeten instaan voor de handhaving van de orde en veiligheid in de instelling. Het volledig onderzoek aan de kledij waarbij de gedetineerde zich volledig dient te ontkleden, geschiedt volgens haar met respect voor de integriteit van de gedetineerde, nu deze plaats neemt in een douchecabine of achter een kamerscherm, hij zijn kledij afgeeft over de deur of het scherm en de visuele controle op de afgifte van alle kledij plaatsvindt met de rug naar de beambte die van hetzelfde geslacht is. Dit volledig onderzoek aan de kledij IX-5610-7/11 is volgens haar onontbeerlijk om de veiligheid en de orde binnen de inrichting te kunnen garanderen, nu bij het bezoek aan tafel de bezoekers vrij contact hebben met de gedetineerden en allerlei voorwerpen kunnen doorgeven, zodat, met het oog op preventie en ook wanneer er geen individuele aanwijzingen zijn, het louter aftasten van kledij op het lichaam en het uitdoen van de jas onvoldoende zijn na het bezoek. 3.3.
  18. Artikel 108, § 1, van de basiswet voorziet in de mogelijkheid voor de penitentiaire beambten om zonder afzonderlijke beslissing van de directeur van de strafinrichting een onderzoek aan de kledij van de gedetineerde uit te voeren teneinde na te gaan of deze in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Overeenkomstig artikel 108, § 2, van die wet is voor “een fouillering op het lichaam (...) zo nodig met ontkleding en het uitwendig schouwen van de openingen en de holten van het lichaam” wel een individuele en gemotiveerde beslissing van de directeur van de strafinrichting vereist. 3.3.
  19. Te dezen heeft verzoeker geweigerd de door de bestreden dienstnota voorgeschreven instructies na bezoek te volgen. Volgens die instructies diende hij zich te onderwerpen aan “een onderzoek aan de kledij”, waarbij hij zich volledig diende uit te kleden, zijn kledij diende te overhandigen aan de penitentiair beambte en die laatste zich ervan diende te vergewissen dat alle kledij afgegeven was. Het feit dat de directeur van de strafinrichting geen individueel bevel had gegeven om verzoeker aan het onderzoek in kwestie te onderwerpen, wordt door de verwerende partij niet betwist. Bijgevolg dient te worden nagegaan of dit onderzoek wel degelijk beschouwd kan worden als “een onderzoek aan de kledij” zoals bedoeld in voormeld artikel 108, § 1, waarvoor geen individuele beslissing van de directeur van de strafinrichting vereist is, dan wel of het beschouwd moet worden als een “fouillering op het lichaam”, in de zin van artikel 108, § 2, waarvoor een dergelijke beslissing wel vereist is. 3.3.
  20. De verwerende partij stelt terecht dat noch de basiswet noch de parlementaire voorbereiding van die wet de begrippen “onderzoek aan de kledij” en “fouillering op het lichaam” omschrijven. IX-5610-8/11 In de ministeriële omzendbrief nr. 1749 van 17 september 2002 (“Veiligheid - controlemaatregelen - fouillering”) wordt evenwel een onderscheid gemaakt tussen drie vormen van fouillering: een summiere, een grondige en een volledige fouillering. De werkwijze bij de summiere fouillering wordt als volgt omschreven: “De penitentiair beambte licht de gedetineerde in over wat hij gaat doen. De penitentiair beambte vraagt aan de gedetineerde om zijn jas te overhandigen, waarna hij deze controleert. Hij betast de broekzakken en broekspijpen van de gedetineerde. Hij controleert zorgvuldig de bagage van de gedetineerde.” De werkwijze bij de grondige fouillering luidt als volgt: “De penitentiair beambte licht de gedetineerde in over wat hij gaat doen. De penitentiair beambte maakt gebruik van handschoenen. De penitentiair beambte vraagt aan de gedetineerde om zijn jas te overhandigen, waarna hij deze controleert. De penitentiair beambte vraagt aan de gedetineerde om zijn armen te spreiden, de handpalmen open en gericht naar de beambte. De gedetineerde dient zijn benen ver te spreiden zodat hij zich moet verplaatsen indien hij een steunbeen zoekt. Het fouilleren gebeurt door te voelen met de vingertoppen waarbij een lichte druk wordt uitgeoefend zonder te wrijven. De penitentiair beambte gaat door het haar van de gedetineerde, fouilleert schouders, nek, kraag, rug, rugwervel en rugholte. De penitentiair beambte fouilleert vervolgens met beide handen eerst bijvoorbeeld de rechterzijde: onderarm, bovenarm, oksel, buik, lenden, heup en gordel. Het rechterbeen wordt gefouilleerd vanonder naar boven: kuit, onderbeen, knieholte en dij. Vervolgens wordt dan dezelfde procedure toegepast voor de linkerzijde.” De werkwijze bij de volledige fouillering is de volgende: “De fouillering gaat door op een plaats die een discreet onderzoek toelaat. Deze ruimte dient net en hygiënisch te zijn. De penitentiair beambte dient tijdens de volledige fouillering permanent handschoenen te dragen. Hij licht de gedetineerde in over wat hij gaat doen. De penitentiair beambte geeft aan de gedetineerde de opdracht zich volledig te ontkleden. Bij de volledige fouillering maken de gedetineerden verplicht gebruik van een slip toebehorend aan de inrichting. De afgelegde kledij wordt aan een grondige controle onderworpen (zakken omkeren, grondig nazicht van naden en omslagen, controle van binnenzool, zool en hiel van schoenen,...). IX-5610-9/11 Juwelen, broeksriem en andere voorwerpen worden eveneens aan een grondige controle onderworpen. Prothesen worden gecontroleerd maar in het bezit gelaten van de gedetineerde. Indien nodig wordt de hulp ingeroepen van een lid van het verplegend personeel (bijvoorbeeld indien de gedetineerde een verband draagt). Vervolgens voert de penitentiair beambte een visuele controle uit op het lichaam van de gedetineerde. De mondholte wordt hierbij vluchtig nagekeken. Indien de gedetineerde zijn haar gebonden draagt, wordt hem gevraagd dit los te maken. De voetzolen, oksels en vingers worden gecontroleerd en er wordt aan de gedetineerde gevraagd om 360/ rond te draaien. De penitentiair beambte vraagt aan de gedetineerde om enkele malen door de knieën te buigen.” Bij het opstellen van artikel 108 van de basiswet lijkt de wetgever deze drieledige indeling voor ogen te hebben gehad. Artikel 108, § 1, voorziet in een onderzoek aan de kledij (summiere fouillering), waarvoor geen individuele beslissing van de directeur van de strafinrichting vereist is. Artikel 108, § 2, voorziet in een fouillering op het lichaam (grondige fouillering), “zo nodig met ontkleding en het uitwendig schouwen van de openingen en de holten van het lichaam” (volledige fouillering), waarvoor, gelet op de aanzienlijke aantasting van de fysieke integriteit die beide vormen van fouillering inhouden, wel een individuele en gemotiveerde beslissing van de directeur van de strafinrichting vereist is. In elk geval blijkt uit voormelde omzendbrief dat het naakt verschijnen voor een penitentiair beambte enkel plaatsvindt bij een volledige fouillering en allerminst bij een summiere fouillering. Ook in voormeld artikel 108 is er enkel bij de fouillering op het lichaam sprake van eventuele ontkleding. De instructies na bezoek, opgenomen in de bestreden dienstnota en te dezen geweigerd door verzoeker, waarbij de gedetineerde zich volledig dient uit te kleden, zijn kledij ter controle dient te overhandigen aan de penitentiair beambte en deze laatste zich ervan dient te vergewissen of de gedetineerde alle kledij heeft afgegeven, zij het dat de gedetineerde met de rug naar de beambte mag staan en/of zijn geslachtsdelen met de handen mag bedekken, zijn door de verwerende partij dan ook ten onrechte beschouwd als een onderzoek aan de kledij in de zin van artikel 108, § 1, van de basiswet. 3.3.
  21. Het middel is gegrond, wat de dienstnota 15.07/2 van 26 januari 2007 betreft, zodat ook de eerste bestreden beslissing wordt vernietigd, omdat zij haar rechtsgrond vindt in de tweede bestreden beslissing. IX-5610-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Vernietigd worden: - de dienstnota 15.07/2 van 26 januari 2007 van de directeur van de strafinrichting Leuven-Centraal; - de beslissing van 31 januari 2007 van de directeur van de strafinrichting Leuven- Centraal waarbij aan Johan DIELS de tuchtsanctie wordt opgelegd van eenmalig bezoek achter glas bij het eerstvolgend bezoek. Artikel
  23. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 mei 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5610-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.379 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.