id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.389 Rolnummer: A. 192549/IX-6356 Zaak: Arrest 193389 - Penitentiair recht - 18/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-22 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:08 Fiche Arrest nr 193.389 van 18 mei 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.389 van 18 mei 2009 in de zaak A. 192.549/IX-
- In zake : Wim DEBUY, die woonplaats kiest bij advocaat V. VAN GORP, kantoor houdende te HASSELT, Kuringersteenweg 209 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wim DEBUY op 13 mei 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de directeur van de strafinrichting te Hasselt van 7 mei 2009 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : “3 maanden individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten) + geen gemeenschappelijke eredienst”; Gelet op de beschikking van 13 mei 2009 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2009, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. VAN GORP, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6356-1/6 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker gedetineerd in de gevangenis te Hasselt. 1.
- In de nacht van 5 op 6 mei 2009 wordt vastgesteld dat hij zwaar onder invloed is van drugs. Hij wordt op veiligheidscel geplaatst. Naar aanleiding van dit incident worden twee rapporten aan de directeur opgesteld. Op 7 mei 2009 beslist de directeur om een tuchtprocedure op te starten. Dezelfde dag worden de verzoeker en zijn raadsman door de directeur gehoord. Blijkens het verslag van de hoorzitting verklaren zij hetgeen volgt : “Betrokkene : ik weet dat ik hiervoor gestraft kan worden. Ik hoop wel dat ik uit de veiligheidscel mag en dat ik mijn werk kan behouden, want dat is heel belangrijk voor mij. Raadsman: we weten allemaal dat drugs in de gevangenis een kwelling is. Hij heeft nog nooit tucht gehad voor drugsgerelateerde feiten. Hij is ook niet verslaafd aan drugs, want anders zou hij niet zo hard kunnen werken in de keuken. Hij gaat dat ook niet meer doen. Zijn werk is het allerbelangrijkste voor hem. Hij wil strafeinde doen en zijn werk is zijn enige houvast. Hij is ondertussen ook geen gevaar meer voor zichzelf of voor anderen, dus denk ik dat een verblijf op de veiligheidscel niet meer aangewezen is. Ik hoop dat u met al deze feiten rekening wil houden in het nemen van een sanctie.” IX-6356-2/6 Dezelfde dag beslist de directeur om aan de verzoeker de volgende tuchtstraf op te leggen : “3 maanden individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten) + geen gemeenschappelijke eredienst”. De motivering van de tuchtstraf luidt als volgt : “- Overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan bezit van harddrugs, nl. heroïne, - dat dergelijke feiten absoluut niet kunnen worden getolereerd en een gepaste sanctie zich opdringt, - dat hij de feiten toegeeft, - [dat] het bezit en gebruik van drugs in de gevangenis een overtreding van de leefregels is, - [dat] drugs nefaste neveneffecten hebben in de gevangenis, nl. afpersingen, bedreigingen, schulden, vechtpartijen, - de mogelijke nefaste gevolgen voor de gezondheid van betrokkene.” Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. In rechte
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van artikel 143 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. In de eerste plaats voert hij aan dat overeenkomstig artikel 143 van voormelde wet bij de keuze van de aard en de omvang van de tuchtsanctie rekening gehouden dient te worden met onder meer verzachtende omstandigheden. Volgens de verzoeker heeft de tuchtoverheid geen rekening gehouden met verzachtende omstandigheden. Hij wijst erop dat zijn detentie tot aan de litigieuze feiten uitstekend verliep, dat hij nog nooit in aanraking is gekomen met drugs en voor drugsgerelateerde feiten dan ook nog nooit een tuchtstraf heeft gekregen, en IX-6356-3/6 dat hij zijn werk in de keuken naar behoren uitvoert. Door geen rekening te houden met verzachtende omstandigheden schendt de bestreden beslissing het redelijkheids- beginsel. Voorts voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing ook het evenredigheidsbeginsel schendt. De opgelegde straf is immers onevenredig met het doel dat de straf wil bereiken. De bestreden beslissing heeft uiteraard tot doel alle drugs uit de gevangenis te bannen. De aard van de opgelegde straf is echter niet afgestemd op dat doel, aangezien het verbieden van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten en met name het onmogelijk maken van tewerkstelling in de keuken niet bijdragen tot het weren van drugs in de gevangenis. De verzoeker heeft eenmalig drugs gebruikt. De opgelegde straf van drie maanden individueel regime is onevenredig met de overtreding die hij heeft begaan. 4.
- Artikel 143 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden is nog niet in werking gesteld. De verzoeker kan zich dan ook niet op de bepalingen ervan beroepen. 4.
- In zoverre de verzoeker een schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, dient te worden opgemerkt dat het de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht niet toekomt om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten is gegaan. Aldus kan hij nagaan of de overheid in redelijkheid tot haar oordeel is kunnen komen en, meer bepaald, of zij geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Te dezen is de verzoeker bestraft wegens effectief gebruik van drugs. Uit het dossier en uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat hij is aangetroffen in een toestand die mogelijk nefaste gevolgen had voor zijn eigen gezondheid. De directeur heeft in redelijkheid kunnen oordelen, met name gelet op de in de bestreden beslissing vermelde “nefaste neveneffecten”, dat dergelijke feiten absoluut niet getolereerd kunnen worden en dat een passende sanctie noodzakelijk is. Hij beschikt bovendien over een zekere beoordelingsruimte bij het bepalen van wat, in het licht van de omstandigheden van de zaak, een passende straf uitmaakt. IX-6356-4/6 Anders dan de verzoeker aanvoert, kan een strenge straf, door het ontradend effect ervan, wel degelijk bijdragen tot het weren van drugs uit de gevangenis. Het is juist dat de verzoeker tijdens de hoorzitting gewezen heeft op een aantal verzachtende omstandigheden en dat hij uitdrukkelijk gevraagd heeft om daarmee rekening te houden. De directeur heeft niettemin geopteerd voor een straf die, gelet op de reikwijdte van de ontzegde gunsten en de duur van de ontzeggingen, als relatief streng beschouwd moet worden. De verwerende partij wijst er echter terecht op dat niet alle rechten aan de verzoeker ontzegd worden, dat het de verzoeker evenmin verboden is om individueel te wandelen en individuele activiteiten te ontwikkelen, dat hij aldus individueel werk op de cel kan aanvragen, en dat hij zijn recht op bezoek behoudt, zij het dat dit achter een glaswand moet verlopen. Zij wijst ook op de relatief beperkte duur van de straf, namelijk drie maanden. Gelet op het geheel van de aangehaalde omstandigheden maakt de verzoeker voorshands niet aannemelijk dat de opgelegde straf dermate zwaar is dat ze steunt op een kennelijk onredelijke beoordeling van de feiten of dat ze kennelijk onevenredig is met de gepleegde inbreuk. Het middel is niet ernstig. 4.
- Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-6356-5/6 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 mei 2009, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6356-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.389 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.742 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.