id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.407 Rolnummer: A. 172790/X-12816 Zaak: Arrest 193407 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:08 Fiche Arrest nr 193.407 van 19 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.407 van 19 mei 2009 in de zaak A. 172.790/X-12.
- In zake : Valentin KNOPS, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Valentin KNOPS op 9 mei 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 maart 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 3 juli 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hem de vergunning wordt verleend voor het regulariseren van het verbouwen van een woning met aangebouwde garage op een perceel gelegen aan de Diestersteenweg 75 te Sint-Truiden, kadastraal bekend sectie G, nr. 242/a02; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. SPEYBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-12.816-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. SPEYBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.
- Ambtshalve dient te worden onderzocht of de verzoeker nog het vereiste actueel belang heeft bij de ingestelde vordering. 1.
- Bij arrest, gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen op 1 juni 2005, werd onder meer de afbraak bevolen van de woning met aangebouwde garage, die het voorwerp uitmaakt van de geweigerde regularisatievergunning. Het door de verzoeker ingestelde cassatieberoep werd verworpen bij arrest van 25 oktober
- Intussen is de verzoeker ter uitvoering van bovenvermeld arrest overgegaan tot de integrale afbraak van de niet-vergunde bouwwerken, hetgeen onder meer blijkt uit het “proces-verbaal van vaststelling van uitvoering arrest” van 27 oktober 2006 van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur. 1.
- Met een brief van 25 maart 2008 van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat werd de verzoeker gevraagd zijn actueel belang bij de vordering te willen toelichten. Bij een schrijven van 10 april 2008 heeft de raadsman van de verzoeker geantwoord als volgt: “De ontwikkeling die u mij meldt was natuurlijk wel te voorzien toen het beroep werd ingesteld, vermits de administratie de uitvoering van veroordelingen pleegt te eisen onder dreiging van inning van de dwangsom. Mijn cliënt kon dan ook moeilijk iets anders doen dan de bevolen herstelmaatregel uitvoeren. Of met de uitvoering van een rechterlijk bevel tot afbraak het belang bij de nietigverklaring verdwijnt, is evenwel niet zo’n evident gegeven. Als die stelling juist zou zijn, dan is de rechtsonderhorige waaraan onterecht een regularisatievergunning wordt geweigerd, volslagen rechteloos als hij intussen wordt vervolgd en wordt veroordeeld tot het herstel in de vorige toestand. Ik verklaar mij nader. Wanneer de strafrechter in stedenbouwzaken wordt geconfronteerd met verweer van een beklaagde, die wordt bedreigd met een afbraak als X-12.816-2/5 herstelmaatregel, dat hem onterecht een regularisatievergunning is geweigerd, en dat hij die weigering bij de Raad van State heeft bestreden, dan kan de rechter aan dat verweer voorbijgaan. Het kan er mee volstaan vast te stellen dat, in de periode waarover de betichting loopt, de betrokkene niet over een stedenbouwkundige vergunning beschikte. Hij moet dus niet wachten op een arrest van de Raad van State (...). De rechter kán natuurlijk de behandeling van de strafzaak wel uitstellen, maar hij moet dat niet doen. Een regularisatievergunning maakt overigens de overtreding niet ongedaan (voor het verleden), maar zij houdt wel in dat de herstelmaatregel van herstel in de vorige staat niet (meer) verantwoord is (...). Wie geconfronteerd wordt met een herstelvordering behoudt dan ook een evident belang bij het bekomen van een regularisatievergunning. Weliswaar heeft niemand een subjectief recht op een vergunning, maar wel een subjectief recht op de wettige behandeling van zijn aanvraag door de overheid. Als nu zou aangenomen worden dat een persoon zijn belang verliest bij een procedure tot nietigverklaring van een beweerd onwettig geweigerde regularisatievergunning, en hij intussen wordt veroordeeld tot afbraak omdat de strafrechter geen rekening wenst te houden met een mogelijke onwettigheid van de weigeringsbeslissing, dan houdt dit in dat de betrokkene geheel rechteloos wordt t.a.v. die mogelijk onwettige overheidshandeling. Dit creëert immuniteiten in hoofde van de overheid, die ‘straffeloos’ onwettigheden m.b.t. een regularisatieaanvraag zou kunnen begaan: de betrokkene verliest toch zijn belang bij het bestrijden van die onwettigheid als er intussen kan bekomen worden dat de rechter over de herstelvordering uitspraak doet. Die conclusie valt niet te verantwoorden. De betrokkene behoudt dan ook wel degelijk een belang bij de nietigverklaring, zelfs al heeft hij intussen de afbraak als herstelmaatregel uitgevoerd. Weliswaar zal, na eventuele nietigverklaring van de weigering gevolgd door een nieuwe ditmaal gunstige beslissing, deze vergunning formeel geen uitspraak over een aanvraag om een regularisatievergunning meer zijn, maar wel over een aanvraag om een vergunning om te bouwen. Maar dat is niet relevant, nu beide vormen van vergunningen juridisch van éénzelfde aard zijn. Mijn cliënt heeft er dus een blijvend belang bij dat de onwettige weigering uit de rechtssfeer zou verdwijnen opdat hij opnieuw de kans zou kunnen krijgen de vergunning te bekomen voor de werken die hij nu niet langer meer kan wensen te behouden, maar die hij wel opnieuw wil realiseren”. In zijn laatste memorie voegt de verzoeker hier nog het volgende aan toe: “Er is echter meer. Het komt de Raad van State niet toe om in plaats van de minister te oordelen wat deze moet beslissen na de gebeurlijke vernietiging van zijn beslissing. De verzoekende partij heeft in deze zaak een vergunning aangevraagd voor een renovatie van een bestaand gebouw. De minister heeft deze aanvraag geherkwalificeerd naar een aanvraag die ‘minstens’ betrekking heeft op veel verregaandere verbouwingswerken. Indien de minister zich na een gebeurlijke vernietiging van de vergunning dient uit te spreken over de aanvraag, zal hij zich moeten uitspreken over de integrale herbouw van de woning. Het moet benadrukt worden dat die vergunning kan worden verleend. Artikel 145bis, §1, 2/ van het DORO verleent een decretale basis voor het verlenen van een vergunning voor de herbouwing op dezelfde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande volume, waarbij er met toepassing van X-12.816-3/5 artikel 145bis, §1, 6/ DORO ook over kan worden gegaan tot een uitbreiding, mits die de 1.000 m³ niet overschrijdt. Het opnieuw oprichten van de woning kan perfect het voorwerp uitmaken van een vergunning op grond van artikel 145bis, §2, 1/ en 2/ DORO. Het moet daarbij worden opgemerkt dat een toepassing van die bepaling vereist dat het gebouw nog bestaat, en bovendien niet verkrot is. Die vereiste moet echter op grond van artikel 145bis, §1, derde lid, worden beoordeeld op het ogenblik dat de eerste aanvraag tot vergunning werd ingediend. Bovendien biedt artikel 195quinquies van het DORO een grondslag om totaal af te wijken van de vereiste van het bestaand karakter van de woning indien het gaat om werken die uitgevoerd werden aan een woning die bij de aanvang van de werken bestond en geacht worden vergund te zijn, voor zover de aanvraag ingediend werd voor 1 februari 2003, wat hier het geval is. Bij nader inzien dateert het ontvangstbewijs in dit dossier van 15 januari 2003 (in het verzoek tot nietigverklaring werd verkeerdelijk vermeld dat de aanvraag dateerde van januari 2000, maar de aanvraag werd in werkelijkheid nadien opnieuw ingediend. Die nieuwe aanvraag heeft geleid tot de nieuwe beslissing). Artikel 195quinquies DORO voegt hieraan toe dat de vereiste van het bestaand karakter van de woning al evenmin geldt voor aanvragen die na die dat ingediend werden, op voorwaarde dat het gaat om een aangepaste aanvraag die volgt op een weigering van een vergunning die tussen 13 juli 2001 en 1 februari 2003 werd aangevraagd. De verzoekende partij kan op grond van die bepalingen nog steeds van de minister een vergunning verkrijgen om de woning te herbouwen. Een herbouwing is in wezen niets meer dan de combinatie van een afbraak met het bouwen van een nieuwe constructie. De afbraak heeft al plaatsgehad. Dit gebeurde op bevel van een rechter, en was daarom niet aan een vergunning onderworpen. Bijgevolg is enkel dit onderdeel van de vergunningsaanvraag zonder voorwerp geworden. De verzoekende partij behoudt dan ook haar belang bij het verzoek”. 1.
- De verzoeker betwist niet dat werd overgegaan tot de integrale afbraak van de niet-vergunde bouwwerken waarvoor hij een regularisatievergunning had aangevraagd, vergunning die met het thans bestreden besluit werd geweigerd. Het wezen zelf van een vergunning voor de regularisatie van niet-vergunde bouwwerken, houdt de aanwezigheid in van een niet-vergund bouwwerk. Aangezien in casu de bouwwerken zijn afgebroken, wordt ambtshalve vastgesteld dat de verzoeker niet meer doet blijken van het vereiste actueel belang om de vernietiging van het bestreden besluit te verkrijgen. De argumentatie van de verzoeker dat hij er nog “een blijvend belang bij (heeft) dat de onwettige weigering uit de rechtssfeer zou verdwijnen opdat hij opnieuw de kans zou kunnen krijgen de vergunning te bekomen voor de werken die hij nu niet langer meer kan wensen te behouden, maar die hij wel opnieuw wil realiseren”, vermag geen afbreuk te doen aan deze conclusie. Het door de verzoeker aangehaalde “blijvend belang” is geen belang dat is verbonden aan de nietigverklaring en derhalve aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de X-12.816-4/5 rechtsorde, maar een belang dat er uitsluitend in bestaat één of meerdere middelen gegrond te horen verklaren. Een dusdanig belang is een onrechtstreeks belang dat niet volstaat om tot de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring te besluiten. Derhalve is het beroep niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatrsaad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-12.816-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div