← België

Arrest 193408 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.408 Rolnummer: A. 167079/X-12536 Zaak: Arrest 193408 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-02 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:08 Fiche Arrest nr 193.408 van 19 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.408 van 19 mei 2009 in de zaak A. 167.079/X-12.

  1. In zake :
  2. de c.v.a. FIELTJENS,
  3. Guido SELS,
  4. Denise DIERCKX, die woonplaats kiezen bij advocaat E. EMPEREUR, kantoor houdende te 2600 BERCHEM, Uitbreidingstraat 2 tegen : de gemeente SCHILDE, die woonplaats kiest bij advocaat A. MEEUSEN, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1, bus
  5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.a. FIELTJENS, Guido SELS en Denise DIERCKX op 21 oktober 2005 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het proces-verbaal van 9 mei 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schilde waarbij het verval van de verkavelingsvergunning met nummer 1965504 (113/015

(1)) van 26 januari 1966 afgeleverd aan C. Van Havre voor een perceel gelegen Victor Frislei - Wijnegemsteenweg, kadastraal bekend sectie C, nrs. 150/k, 151/f-g-h-k-l-e, 187/h-n- m-y-f-t-z, 186/d, 183/f, 185/d, 154/b, 153/b, 176/f, 187/x, 176/g en 177/b wordt vastgesteld; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur P. T’KINDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2009; X-12.536-1/8 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VAN GIEL, die loco advocaat E. EMPEREUR verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat R. RICOUR, die loco advocaat A. MEEUSEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  1. Feiten 1.
  2. Sinds 30 september 1996 zijn de verzoekende partijen mede- eigenaar van een aantal percelen gelegen te Schilde, kadastraal bekend 3de afdeling ’s Gravenwezel, sectie C, nrs. 153/b, 187/x en 176/f. 1.
  3. De betrokken gronden stemmen overeen met de kavels 66 en 67 van een op 26 januari 1966 door het gemeentebestuur van ’s Gravenwezel aan Christine Van Havre verleende verkavelingsvergunning voor 102 loten. 1.
  4. Bij proces-verbaal van 9 mei 2005 wordt door het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij het verval van deze verkavelingsvergunning van 26 januari 1966 voor onder meer de percelen van de verzoekende partijen vastgesteld. Dit is de bestreden akte.
  5. Ontvankelijkheid 2.
  6. Standpunt van de partijen 2.1.
  7. Betreffende de ontvankelijkheid van hun vordering stellen de verzoekende partijen in hun verzoekschrift het volgende: X-12.536-2/8 “De bestreden beslissing houdt de vaststelling in van het beweerde verval van de verkavelingsvergunning dd. 26 januari 1966 zoals afgeleverd aan C. Van Havre voor een perceel gelegen Victor Frislei - Wijnegemsteenweg, kadastraal gekend onder Afdeling 3, Sectie C, nrs. 105K, 151F-G-H-K-L-E, 187H-N-M-Y-F-T-Z, 186D, 183F, 185D, 154B, 153B, 176F, 187X, 176G, 177B. Deze bestreden beslissing brengt rechtsgevolgen met zich, aangezien de uitvoering van de verkavelingsvergunning erdoor onmogelijk wordt gemaakt. Verdere beslissingen met betrekking tot de aanwending van de percelen van de verzoekende partijen zullen onmiddellijk en determinerend worden bepaald door de thans bestreden beslissing. Het proces-verbaal van verval van de verkaveling heeft rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg dat de betrokken percelen niet meer kunnen worden verkocht of bebouwd in het kader van de verkaveling. Zo ontneemt de bestreden beslissing de mogelijkheid om voor de betrokken percelen een latere stedenbouwkundige vergunning te bekomen. De bestreden beslissing houdt bovendien onmiskenbaar een onjuiste vaststelling in, zodat de bestreden beslissing niet kan worden aangemerkt als een zuiver declaratieve, maar wel als een constitutieve rechtshandeling die in hoofde van de verzoekende partijen rechtsgevolgen doet ontstaan en die in elk geval verder gaat dan het beweerdelijk vaststellen van bepaalde feiten. Aangezien de bestreden beslissing aangeeft dat de verkavelingsvergunning waarbinnen de percelen van de verzoekende partijen waren opgenomen, zou zijn vervallen, wordt aan deze percelen een rechtsgeldige ontwikkeling als verkavelde percelen door de verzoekende partijen ontnomen. In gelijkaardige gevallen oordeelde Uw Raad eerder reeds dat indien de vaststelling van de overheid onjuist is, de handeling kan worden aangevochten, aangezien het in dat geval noodzakelijkerwijze niet om een declaratieve, maar om een constitutieve handeling gaat die eigen rechtsgevolgen beoogt te doen ontstaan en verder gaat dan het louter vaststellen van het bestaan ervan (...) Tevens is het duidelijk dat aan dit proces-verbaal van verval van de verkaveling verdere rechtsgevolgen zullen worden verleend, nu met dit attest van verval van de vergunning rekening zal worden gehouden bij de opmaak van het vergunningenregister van de gemeente Schilde. De bestreden beslissing heeft derhalve wel degelijk rechtsgevolgen voor de verzoekende partijen. De bestreden beslissing kan derhalve met een afzonderlijk beroep tot nietigverklaring bij Uw Raad worden bestreden”. 2.1.
  8. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij de volgende exceptie van niet-ontvankelijkheid op: “II.
  9. Gebrek aan een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling Verzoekende partijen houden ten onrechte voor dat het PV van verval (bestreden beslissing) rechtsgevolgen genereert. Teneinde tot een ontvankelijke aanvechtbare beslissing te besluiten dienen verzoekende partijen evenwel (...) aan te tonen dat deze vatbaar is voor vernietiging overeenkomstig art. 14 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State. Het proces verbaal van vaststelling is echter geen administratieve handeling zoals bedoeld in art. 14; dit heeft de Raad in meerdere arresten reeds gesteld. De inhoud van een proces verbaal is immers beperkt, wat geenszins wordt betwist door verzoekende partijen, tot feitelijke vaststellingen. Welnu, hebben feitelijke vaststellingen niet tot gevolg dat de rechtsorde wordt gewijzigd. X-12.536-3/8 Luidens bovenvermeld artikel doet de Raad van State uitspraak over beroepen tot nietigverklaring tegen akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden waarbij de ‘akte’ wordt beschouwd als een handeling met individuele draagwijdte die rechtsgevolgen beoogt tot stand te brengen of te beletten dat deze tot stand komen. Aldus dient de bestreden beslissing uit zichzelf rechtsgevolgen te ressorteren. Een proces verbaal van vaststelling heeft niet die juridische kwalificatie. In casu, strekt het proces verbaal van verval er niet toe om rechtsgevolgen te doen ontstaan, doch enkel het bestaan van rechtsgevolgen vast te stellen ! Dit werd bovendien expliciet bevestigd in het arrest LAPEIRRE : ‘Overwegende dat het verval van een verkavelingvergunning van rechtswege ingaat door de enkele afloop van de termijn; dat het zogenaamde ‘proces-verbaal’ dat het verval vaststelt enkel de betekenis heeft van een loutere waarschuwing, en louter declaratief van aard is;’ Deze stelling steunt bovendien op de wet: ‘dat zulks niet alleen blijkt uit de op zichzelf duidelijke tekst van de wet, maar tevens bevestiging vindt in de parlementaire voorbereiding ervan (Verslag van de Verenigde Commissies voor de Justitie en de Openbare Werken, Parl. St. Senaat 1969-70, nr. 525, 53);’ (...) Het PV is dan ook geen constitutieve rechtshandeling of een rechtshandeling die rechten doet ontstaan. De redenering van verzoekende partijen en de verwijzing naar de rechtspraak van uw Raad is dan ook volledig naast de kwestie. De bestreden beslissing kan derhalve niet het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverklaring voor uw Raad”. 2.1.
  10. In hun memorie van wederantwoord betwisten de verzoekende partijen de opgeworpen exceptie als volgt: “Verwerende partij beweert dat de bestreden beslissing een louter declaratieve beslissing zou zijn en aldus geen administratieve rechtshandeling in de zin van art. 14, R.v.St.-Wet. Hiervoor verwijst verwerende partij -onvolledig en onterecht- naar BAERT en DEBERSAQUES. BAERT en DEBERSAQUES stellen immers duidelijk: ‘Zo kan tegen een zuiver declaratieve bestuurshandeling geen annulatieberoep worden ingesteld aangezien dergelijk handeling er niet toe strekt rechtsgevolgen te doen ontstaan, doch enkel het bestaan van rechtsgevolgen vast te stellen (...). Indien de vaststelling van de overheid echter onjuist is, dan kan de handeling toch worden aangevochten, omdat het dan noodzakelijk niet meer om een zuivere declaratieve maar om een constitutieve handeling gaat die eigen rechtsgevolgen beoogt te doen ontstaan en verder gaat dan het louter vaststellen van het bestaan ervan (...)’. (...) Deze leer werd tevens door Uw Raad reeds vertolkt in de arresten De Rouck en Richard. Verwerende partij verwijst op p. 4 onterecht naar het arrest-Lapeirre, aangezien het in dat arrest een proces-verbaal betrof met een juiste vaststelling, hetgeen in casu niet het geval is. De bestreden beslissing stelt vast dat de verkavelingsvergunning van 26 januari 1966 zou vervallen zijn omdat niet aan de vereisten van art. 129, van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (het DROG), zou zijn voldaan. X-12.536-4/8 Deze vaststelling is onjuist: de verkavelingsvergunning van 26 januari 1966 is noch vervallen op grond van het in de bestreden beslissing vermelde art. 129, DROG, noch op grond van enige andere rechtsregel. Dit werd in het verzoekschrift reeds omstandig uiteengezet”. Ten slotte stellen de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog het volgende: “(...) Verzoekende partijen betwisten niet dat, indien voldaan is aan de voorwaarden van verval, dit verval van rechtswege ingaat en dat het proces- verbaal van verval in dat geval een loutere waarschuwing is. Indien echter niet voldaan is aan de voorwaarden van verval, kan het verval niet van rechtswege ingaan. Het proces-verbaal van verval dat -verkeerdelijk- het verval van de verkaveling zou vaststellen, kan dan uit de aard van de zaak onmogelijk de loutere bevestiging zijn van een verval, nu dat verval niet heeft plaatsgevonden. Integendeel creëert het proces-verbaal van verval een -verkeerde- rechtstoestand voor de betrokkene, namelijk de rechtstoestand van een vervallen verkaveling. Zulk een proces-verbaal is dus wel degelijk constitutief en zou bij uitstek aanvechtbaar moeten geacht worden. De teweeggebrachte rechtstoestand is verder zeer nadelig. Aan een dergelijk proces-verbaal kleeft immers het ‘privilège du préalable’. De beslissing wordt geacht juist en wettig te zijn en is tegenwerpelijk aan eenieder, tot de onwettigheid of de nietigheid ervan door een rechtscollege wordt vastgesteld. De bestreden beslissing heeft een rechtstreekse en constitutieve impact op de rechtstoestand van de verzoekende partijen. Waar verzoekende partij(en) voordat de bestreden beslissing werd genomen eigenaar waren van gronden waarop een goedgekeurd(e) verkaveling rustte met alle rechten vandien, is dit thans, ten gevolge van de bestreden beslissing, niet meer het geval. De bestreden beslissing grijpt dan ook rechtstreeks en schadelijk in op de rechtstoestand van de verzoekende partijen. (...) De bestreden beslissing is dan ook helemaal geen ‘mededeling van of waarschuwing voor een bepaald rechtsgevolg’, maar integendeel een constitutieve en autonome beslissing tot verval van de verkavelingsvergunning, in strijd met het Decreet Ruimtelijke Ordening. De bestreden beslissing schept dan ook, zoals reeds aangehaald, een nieuwe rechtstoestand tussen bestuurde en bestuurder: Verzoekende partijen kunnen ten gevolge van de bestreden beslissing geen beroep doen op de verkavelingsvergunning teneinde de gronden te verkopen of een stedenbouwkundige vergunning aan te vragen, hetgeen ze, vooraleer het verval door verwerende partij was vastgesteld, wel konden. (...)”. 2.
  11. Beoordeling 2.2.
  12. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling X-12.536-5/8 dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. Om ontvankelijk te zijn moet het beroep een handeling tot voorwerp hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partijen. 2.2.
  13. In casu wordt de nietigverklaring gevorderd van het proces- verbaal van 9 mei 2005 waarbij het verval van de verkavelingsvergunning van 26 januari 1966 voor onder meer de percelen van de verzoekende partijen wordt vastgesteld. 2.2.
  14. Het verval van een verkavelingsvergunning gaat van rechtswege in door de enkele afloop van de termijn. Het zogenaamde “proces-verbaal” dat het verval vaststelt heeft enkel de betekenis van een waarschuwing, en is louter declaratief van aard. Aldus is het verval van de verkavelingsvergunning niet het gevolg van de bestreden akte en brengt deze akte geen wijzigingen aan in de rechtstoestand van de verzoekende partijen. Het betoog van de verzoekende partijen dat ze “ten gevolge van de bestreden beslissing geen beroep (kunnen) doen op de verkavelingsvergunning teneinde de gronden te verkopen of een stedenbouwkundige vergunning aan te vragen, hetgeen ze, vooraleer het verval door verwerende partij was vastgesteld, wel konden” mist elke grondslag. Voorts is de vraag of de vaststelling in het bestreden proces- verbaal al dan niet juist is, in dit opzicht irrelevant, nu de bestreden akte zelf geen rechtsgevolgen sorteert, maar louter het krachtens het decreet ingegane verval vaststelt. 2.2.
  15. Het bestreden proces-verbaal is geen voor vernietiging vatbare akte. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. X-12.536-6/8 X-12.536-7/8 Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-12.536-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.