id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.425 Rolnummer: A. 129655/X-11193 Zaak: Arrest 193425 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:08 Fiche Arrest nr 193.425 van 19 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.425 van 19 mei 2009 in de zaak A.129.655/X-11.
- In zake :
- Rosalie VAN DE KELFT (overleden), Rechtsgeding hervat door :
- Chris WALTHERY,
- Cynthia WALTHERY,
- Henriette VAN DE KELFT,
- Marie-Josée VAN DE KELFT (overleden), Rechtsgeding hervat door :
- Robert BODSON,
- Paul BODSON, die woonplaats kiezen bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- verzoekende partij tot tussenkomst : het college van burgemeester en schepenen van de gemeente EDEGEM, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rosalie VAN DE KELFT, Henriette VAN DE KELFT en Marie-Josée VAN DE KELFT op 22 november 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 september 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij hun administratief beroep wordt verworpen en hun de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het aanleggen van wegenis en riolering en een ontbossing op een terrein gelegen aan de Richard Goossensstraat te Edegem, kadastraal bekend sectie C, nrs. 253/r en 272/b; X-11.193-1/11 Gelet op het arrest nr. 116.827 van 10 maart 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 14 april 2003 ingediend door de verzoeksters; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 3 juni 2003 ingediend door de gemeente Edegem; Gelet op de beschikking van 1 juli 2003 die de tussenkomst van de gemeente EDEGEM toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2007, datum waarop de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 9 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; X-11.193-2/11 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging Met een verzoekschrift van 10 februari 2009 verklaren Robert BODSON en Paul BODSON het geding te hervatten voor Marie-Josée VAN DE KELFT. Met een verzoekschrift van 11 februari 2009 verklaren Chris WALTHERY en Cynthia WALTHERY het geding te hervatten voor Rosalie VAN DE KELFT.
- De gegevens van de zaak 2.
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen zijn de kwestieuze percelen gelegen in woongebied. Het terrein is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het bij koninklijk besluit van 27 februari 1991 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg nr. 2 “Terelst”, waar het, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, in een zone voor gegroepeerde woningbouw ligt. 2.
- Op 25 februari 1999 beslist de gemeenteraad van de gemeente Edegem, op basis van een ontwerp van verkaveling van het kwestieuze terrein ingediend door de Studiegroep Omgeving en de kerkfabriek Sint-Paulus, het wegentracé van de voorziene verkaveling goed te keuren. Er wordt een overeenkomst gesloten tussen de gemeente Edegem enerzijds en de Studiegroep Omgeving en de kerkfabriek Sint-Paulus anderzijds omtrent de aanleg van de straten en de inrichting van de openbare groenvoorzieningen horende bij de geplande verkaveling. X-11.193-3/11 2.
- Op 16 maart 1999 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem tot de afgifte van een verkavelingsvergunning aan de Studiegroep Omgeving en de voornoemde kerkfabriek. 2.
- Op 14 maart 2000 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem tot de afgifte van een bouwvergunning aan de b.v.b.a. Ilpalona voor het bouwen van zes woningen op het perceel nr. 253/r. Op 6 juni 2000 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem tot de intrekking van de voornoemde bouwvergunning van 14 maart
- 2.
- Op 24 november 2000 dient de Studiegroep Omgeving een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van wegenis en riolering en voor de ontbossing op de percelen nrs. 253/r en 272/b. Op 30 januari 2001 verklaart het college van burgemeester en schepenen zich in hoofdorde onbevoegd voor deze aanvraag en verwijst het naar recente nieuwe gegevens die een vergunning van het beoogde voorwerp in de weg staan. Inzake de onbevoegdheid merkt het op dat de loten waarop de wegenis- en rioleringswerken zullen uitgevoerd worden, in onverdeeldheid toebehoren aan de huidige verzoeksters en aan de kerkfabriek Sint-Paulus en dat, aangezien een kerkfabriek een openbare instelling is, de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening en stedenbouw zelf exclusief bevoegd is om de stedenbouwkundige vergunning te verlenen. Ondergeschikt merkt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem op dat er gevaar is voor wateroverlast en dat het gebied een zeer hoge natuurwaarde heeft als bosgebied. 2.
- Op dezelfde datum verklaart het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem de aanvraag voor de bouw van zes woningen op het perceel nr. 253/r onontvankelijk. Als grond wordt onder andere vermeld dat nog geen uitspraak is gedaan over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning inzake het aanleggen van wegenis en riolering en een ontbossing, aangevraagd door de Studiegroep Omgeving, en dat de verkavelingsvergunning nog geen uitvoerbaarheid heeft. X-11.193-4/11 2.
- Op 5 maart 2001 wordt administratief beroep aangetekend bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen de weigeringsbeslissing inzake de aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van wegenis en riolering en de ontbossing door de huidige verzoeksters enerzijds, en tegen de weigeringsbeslissing voor de bouw van de zes woningen door de n.v. VERMEULEN anderzijds. 2.
- Bij gebrek aan beslissing van de bestendige deputatie richten de n.v. VERMEULEN en de huidige verzoeksters zich tot de minister. Op 13 september 2002 verwerpt de minister het beroep, ingesteld door de n.v. VERMEULEN, en weigert hij de vergunning voor het bouwen van de zes woningen op het perceel nr. 253/r. Op dezelfde datum wordt ook het beroep, ingesteld door de huidige verzoeksters, verworpen en wordt de vergunning geweigerd voor het aanleggen van wegenis en riolering en een ontbossing op de percelen nrs. 253/r en 272/b. Dit is het bestreden besluit. Het is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen is in een woongebied; dat overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat de aanvraag strekt tot het ontbossen van een terrein en het aanleggen van een weg, in uitvoering van de op 16 maart 1999 goedgekeurde verkavelingsvergunning; dat overigens de gemeenteraad het wegtracé reeds op 25 februari 1999 heeft goedgekeurd; dat de aan te leggen weg eveneens volledig in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bijzonder plan van aanleg ‘Terelst’; dat echter dit bijzonder plan van aanleg in herziening is gesteld, en dat deze herziening op 28 juni 2001 voorlopig werd vastgesteld door gemeenteraad; dat overeenkomstig dit herziene plan het terrein waarop de verkaveling werd goedgekeurd, nu bestemd wordt voor groengebied waarbij de verkavelingsvergunning wordt opgeheven; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen zich op 30 januari 2001 in eerste instantie (...) onbevoegd verklaarde om te oordelen over voorliggende aanvraag; dat immers de grond waarop de weg moet worden aangelegd, voor de helft eigendom is van de familie Van De Kelft, en voor de andere helft van de Kerkfabriek Sint-Paulus; dat de Kerkfabriek een publiekrechtelijke rechtspersoon is, zodat de stedenbouwkundige vergunning X-11.193-5/11 voor deze Kerkfabriek dient te worden afgeleverd door de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening en de stedenbouw of door diens gemachtigde, overeenkomstig het artikel 127, §1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd; Overwegende dat de appellant deze stelling van de gemeente betwist, argumenterend dat niet de eigendomssituatie van belang is maar wel het statuut van de aanvrager; dat in casu de aanvraag werd ingediend door de Studiegroep Omgeving, zijnde een privaat persoon en ‘dat deze perfect een bouwaanvraag kan doen in eigen naam, aangezien in iedere vergunning impliciet is opgenomen dat deze pas kan uitgevoerd worden indien men over een bouwrecht beschikt; dat dit laatste door de eigenaar van het terrein ook na de procedure voor de bouwvergunning kan worden verleend’; Overwegende dat echter deze stelling niet kan worden gevolgd; dat dan het bestaan van de hypothese van een publiekrechtelijke rechtspersoon als aanvrager in artikel 127 totaal geen nut meer heeft; dat dan immers elke publiekrechtelijke rechtspersoon die een stedenbouwkundige aanvraag wenst te doen zich naar eigen goeddunken kan laten vertegenwoordigen door een privaat persoon en aldus de toepassing van artikel 127 vermijden; dat het op die manier zelfs mogelijk zou zijn dat de gemeente zichzelf een stedenbouwkundige vergunning zou geven, door simpelweg zich te laten vertegenwoordigen door een privaat persoon; Overwegende dat advocaat P. Jongbloet arrest nr. 95.618 d.d. 18 mei 2001 van de Raad van State aanhaalt om de ontvankelijkheid van zijn beroep te staven; dat in dit arrest het feit dat de procedure van artikel 46 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996 (het huidige artikel 127 van het Decreet d.d. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zoals later gewijzigd) werd gebruikt terwijl de aanvrager, de n.v. Gemeentekrediet van België, geen publiekrechtelijke rechtspersoon is als ernstig middel wordt weerhouden; dat in casu men gebruik maakte van de procedure van voornoemd artikel 46 omdat de n.v. Gemeentekrediet slechts optrad als financierder van het beoogde multifunctioneel centrum terwijl de gemeente, wel een publiekrechtelijke rechtspersoon, eigenaar was van de grond, tijdens de onroerende leasing (het financieringsmiddel) het exclusieve gebruik van de gebouwen zou hebben en er van rechtswege na betaling eigenaar van zou worden; dat raadsman P. Jongbloet nu stelt dat als zelfs in zulk flagrant geval waarbij de aanvrager louter optreedt als financierder en het dossier zo sterk aan de gemeente als publiek rechtspersoon is gelinkt, de toepassing van voornoemd artikel 46 niet gerechtvaardigd is, dat dan zeker in huidig dossier, waarbij het verband met de publiekrechtelijke rechtspersoon, met name de kerkfabriek, (eigenaar van de helft van de gronden) minder duidelijk is, het niet-volgen van de procedure vervat in artikel 127 niet kan leiden tot de onontvankelijkheid van het dossier; Overwegende dat vooreerst dient opgemerkt dat het slechts gaat om één arrest en het dus niet gaat om een ‘vaste’ rechtspraak van de Raad van State; dat ten tweede het arrest een uitspraak betreft over een vordering tot schorsing en nog geen uitspraak over een vordering tot nietigverklaring, hetgeen maakt dat hier het niet-volgen van de juiste procedure slechts beoordeeld is als ernstig middel tot schorsing en niet als middel tot nietigverklaring; dat ten derde het betreffende arrest vooral de nadruk legt op de gebrekkige motivering van het wel toepassen van de procedure vervat in artikel 46 ondanks het feit dat de n.v. Gemeentekrediet van België geen publiekrechtelijke rechtspersoon is; dat de Raad van State enkel stelt dat met de in het bestreden besluit vermelde overwegingen rekening kan worden gehouden en dat ze niet zondermeer zegt dat de verkeerde procedure is gebruikt; dat ten vierde men tegenover het aangehaalde arrest een ander vrij recent arrest van de Raad van State kan X-11.193-6/11 stellen, namelijk het arrest nr. 41.964 d.d. 11 februari 1993; dat in dit arrest zogezegd de Vlaamse Gemeenschap de aanvrager was (dus een publiekrechtelijke aanvrager) zodat de procedure van artikel 46 werd gevolgd, maar bij ambtshalve vaststelling uit de concrete gegevens van de zaak blijkt dat de werkelijke bouwaanvrager het Vlaams Commissariaat-generaal voor Toerisme is, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is; dat op basis van deze verkeerde procedure alleen al het bestreden besluit onwettig verklaard en vernietigd werd; Overwegende dat overigens ook het arrest nr. 78.465 van de Raad van State d.d. 11 februari 1999 niet louter gaat kijken naar de aanvrager van de bouwvergunning, in casu Monseigneur Schreurs, een natuurlijke persoon, om te besluiten dat voornoemd artikel 46 niet mocht toegepast worden; dat ze integendeel aanneemt dat de bisschop is opgetreden als vertegenwoordiger van het bisdom; dat ze met andere woorden gaat kijken naar het statuut van de eigenlijke aanvrager; dat pas wanneer dàn blijkt dat een bisdom niet als een publiekrechtelijke rechtspersoon kan beschouwd worden, ze concludeert dat de verkeerde procedure is gevolgd; Overwegende dat uit beide aangehaalde arresten blijkt dat de Raad van State steeds gaat kijken naar de werkelijke bouwaanvrager en niet louter naar de formele indiener van de aanvraag; dat de Raad van State naar de concrete gegevens van de zaak en dus naar de actoren achter het scherm gaat kijken om te duiden wie nu de aanvrager is en welke procedure moet gevolgd worden; Overwegende dat als men nu in onderhavig dossier gaat kijken naar de concrete gegevens, dan moet men vaststellen dat de Studiegroep Omgeving C.V.B.A. optreedt namens enerzijds de familie Van De Kelft en anderzijds namens de kerkfabriek, die een publiekrechtelijke rechtspersoon betreft en eigenaar is van de helft van de gronden; dat in voorliggend dossier wel degelijk de procedure vervat in artikel 127 van het Decreet d.d. 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zoals later gewijzigd, moet worden gevolgd; dat bijgevolg het college van burgemeester en schepenen zich terecht onbevoegd verklaarde; dat alleen al om deze reden het beroep van de particulier dient afgewezen; Overwegende dat in bijkomende orde wordt opgemerkt dat om de aanleg van de weg mogelijk te maken, het terrein eerst dient te worden ontbost; dat zulks, ingevolge artikel 90bis van het bosdecreet, in principe verboden is en slechts mogelijk is voor werken van algemeen belang of in zones met bestemming woongebied of industriegebied, mits naleving van de voorschriften van de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de stedenbouw en na advies van het bosbeheer; dat artikel 2 van het besluit van 26 november 1999 van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing verder bepaalt dat de bouwvergunning voor het ontbossen niet kan verleend worden vooraleer het voorstel tot compensatie van de ontbossing is goedgekeurd; dat bijgevolg een advies van de bevoegde afdeling bos en groen verplicht is en dat tevens een voorstel tot ontbossing dient te worden goedgekeurd; dat naar aanleiding van voorliggende aanvraag de afdeling Bos en Groen op 5 januari 2001 een omstandig gemotiveerd ongunstig advies heeft gegeven; dat evenwel de voorgestelde compensatiemaatregelen voldoen aan het besluit van de Vlaamse regering van 26 november 1999, zodat deze wel werden goedgekeurd; Overwegende dat het ongunstig advies van Bos en Groen ook nog enkele andere punten aanhaalt waarop de voorliggende aanvraag niet in orde is; Overwegende dat in eerste instantie wordt uiteengezet dat de vegetatie ter plaatse beantwoordt aan het vegetatietype ‘Vc = Elzen-essenbos van bronnen en bronbeken’, zoals bedoeld in bijlage V van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998; dat artikel 7, §1 een verbod oplegt tot wijziging van deze vegetatie; dat artikel 7, §2 bepaalt dat hiervan slechts kan worden X-11.193-7/11 afgeweken in een bouwvergunning, mits voorafgaandelijk advies van de Afdeling Natuur, en dat bij een eventuele bouwvergunning artikel 16 van het Natuurdecreet van 21 oktober 1997 moet nageleefd worden; Overwegende dat de bevoegde afdeling Natuur op 31 januari 2001 volgend ongunstig advies heeft verleend: (...); Overwegende dat weliswaar de beoogde weg overeenstemt met de verkavelingsvergunning, die regelmatig werd verleend op 16 maart 1999 en niet vervallen is; dat inderdaad een verkavelingsvergunning zekere rechten toekent aan de eigenaars van de gronden; dat echter hiërarchisch gezien het natuurbehouddecreet boven de verkavelingsvergunning staat; dat slechts op grond van artikel 7, § 2, 2/ van het vermelde besluit de rechten van de eigenaar gevrijwaard kunnen worden door een stedenbouwkundige vergunning te verlenen mits advies van de Afdeling Natuur en waarbij artikel 16 van het Natuurbehouddecreet gerespecteerd moet worden; dat uit het advies van de afdeling Natuur echter duidelijk blijkt dat de voorliggende plannen niet voldoen aan artikel 14 van het natuurbehouddecreet (zorgplicht die gericht is tot de burger en de overheid) en aan artikel 16 van ditzelfde decreet (integratiebeginsel uitsluitend gericht tot de overheid); dat uit het advies van de Afdeling Natuur blijkt dat het aanleggen van de weg ernstige schade zou toebrengen aan het elzen-broekbos; dat overeenkomstig de vermelde bepalingen van het natuurbehouddecreet zowel de aanvrager als de, in casu vergunningverlenende, overheid moet trachten deze schade te vermijden; dat zoals de bouwaanvraag nu voorligt de vermelde schade niet kan vermeden worden en dat het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, weliswaar binnen de voorschriften van de verkavelingsvergunning, een schending zou betekenen van de hierboven vermelde bepalingen; dat ook om deze reden de bouwaanvraag dient geweigerd te worden; Overwegende dat verder de helft van de oppervlakte voor de aangevraagde wegeniswerken (lot 14) eigendom is van de Kerkfabriek Sint-Paulus, een openbare boseigenaar; dat artikel 90 van het Bosdecreet bepaalt dat een openbare eigenaar geen bos mag vervreemden zonder machtiging van de Vlaamse regering; dat zulke machtiging nog niet werd aangevraagd voor lot 14; Overwegende dat tenslotte de Dorpsloop, die bij de aangevraagde werken zou ingebuisd worden, een waterloop is van 3/ categorie; dat een dergelijke waterloop niet mag worden ingebuisd zonder voorafgaandelijke toelating van de bestendige deputatie; Overwegende dat om al deze redenen het gevraagde niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de particulier dient te worden verworpen”.
- Het belang in hoofde van de verzoekende partij tot tussenkomst 3.1.
- De verzoeksters werpen het volgende op aangaande de ontvankelijkheid van het verzoek tot tussenkomst : “I. MET BETREKKING TOT HET VERZOEK TOT VRIJWILLIGE TUSSENKOMST VANWEGE HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE EDEGEM Blijkens het verzoek tot tussenkomst is het het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Edegem qualitate qua dat verzoekt vrijwillig in de annulatieprocedure te mogen tussenkomen, en niet het College van Burgemeester en Schepenen namens de gemeente Edegem. X-11.193-8/11 Nochtans wordt in het verzoek tot vrijwillige tussenkomst op geen enkele wijze aangeduid welk het (functioneel) belang zou zijn dat het College van Burgemeester en Schepenen als gemeente-orgaan zou hebben om vrijwillig in de procedure tot nietigverklaring tussen te komen. In het verzoek tot tussenkomst wordt immers niet aangetoond op welke wijze het College van Burgemeester en Schepenen door de tussenkomst de zijn door de wet erkende prerogatieven zou verdedigen. In tegendeel wordt in het verzoekschrift enkel verwezen naar het belang van de gemeente zelf als administratief bestuur. Blijkens het verzoek tot tussenkomst is het echter niet de gemeente Edegem die verzoekt in de annulatieprocedure te mogen tussenkomen. Het verzoek tot tussenkomst van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Edegem is dan ook onontvankelijk bij gebrek aan belang”. 3.1.
- De verzoekende partij tot tussenkomst omschrijft haar belang als volgt in haar verzoekschrift tot tussenkomst : “Het is evident dat verzoekende partij in tussenkomst als bestuur op wiens grondgebied de aangevraagde vergunning gelegen is, een belang heeft om tussen te komen in een procedure waarbij de door haar geweigerde stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een wegenis, een riolering en een voorafgaande ontbossing wordt aangevochten bij Uw Raad. De gemeente heeft een belang bij een goede ruimtelijke ordening van haar grondgebied. A fortiori heeft ze dat ook met betrekking tot het rioleringsbeleid en het beheersen van de waterafvoer, zowel hemelwater als afvalwater. Het gaat hier om een algemeen gemeentelijk belang”. 3.
- Op 27 mei 2003 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem “Meester Hugo C. Sebreghts (...) aan te stellen als raadsman van het gemeentebestuur om de belangen van de gemeenteraad te verdedigen in de procedure tot vernietiging van de Raad van State ingesteld door de erven Van De Kelft”. Het verzoekschrift tot tussenkomst in de annulatieprocedure blijkt evenwel te zijn ingesteld voor “Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Edegem”, en dus niet voor de gemeente Edegem. Met de verzoeksters dient te worden vastgesteld dat “In het verzoek tot tussenkomst (...) niet (wordt) aangetoond op welke wijze het College van Burgemeester en Schepenen door de tussenkomst de zijn door de wet erkende prerogatieven zou verdedigen”. Het verzoek tot tussenkomst is bijgevolg niet ontvankelijk.
- Aangaande de middelen Indien een bestreden beslissing op verschillende motieven steunt die elk op zich die beslissing kunnen verantwoorden, moeten die motieven alle X-11.193-9/11 onwettig zijn om een nietigverklaring bij gebrek aan deugdelijke motivering te verantwoorden. Het bestreden besluit bevat vier duidelijke weigeringsmotieven. Het derde en het vierde weigeringsmotief luiden als volgt : “Overwegende dat verder de helft van de oppervlakte voor de aangevraagde wegeniswerken (lot 14) eigendom is van de Kerkfabriek Sint-Paulus, een openbare boseigenaar; dat artikel 90 van het Bosdecreet bepaalt dat een openbare eigenaar geen bos mag vervreemden zonder machtiging van de Vlaamse regering; dat zulke machtiging nog niet werd aangevraagd voor lot 14; Overwegende dat tenslotte de Dorpsloop, die bij de aangevraagde werken zou ingebuisd worden, een waterloop is van 3/ categorie; dat een dergelijke waterloop niet mag worden ingebuisd zonder voorafgaandelijke toelating van de bestendige deputatie; Overwegende dat om al deze redenen het gevraagde niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de particulier dient te worden verworpen”. Deze motieven volstaan op zich om het bestreden besluit in zijn geheel te gronden. De verzoeksters voeren in hun verzoekschrift vier middelen aan die enkel gericht zijn tegen de eerste twee weigeringsmotieven van het bestreden besluit. Er wordt derhalve geen kritiek uitgeoefend op het derde en het vierde weigeringsmotief. In tegenstelling tot wat de verzoeksters voorhouden in hun laatste memorie zijn dit motieven die elk op zich genomen de weigering kunnen schragen. De inhoudelijke kritiek op het derde en het vierde motief in de laatste memorie is laattijdig. De eventuele gegrondheid van de door de verzoeksters aangevoerde middelen tegen de eerste twee weigeringsmotieven kan derhalve niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden, zodat het beroep dient te worden verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomt van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem wordt afgewezen. X-11.193-10/11 Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1050 euro, komen ten laste van de tweede verzoekster, de nalatenschap van de eerste verzoekster, en de nalatenschap van de derde verzoekster, ieder voor een derde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de verzoekende partij tot tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.193-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.425 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.116.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div