← België

Arrest 193429 - Monumenten en Landschappen - 19/05/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.429 Rolnummer: A. 151651/VII-37793 Zaak: Arrest 193429 - Monumenten en Landschappen - 19/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 03:09 Fiche Arrest nr 193.429 van 19 mei 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Voortzetting Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 193.429 van 19 mei 2009 in de zaak A. 151.651/X-11.881. In zake : de n.v. COMPAGNIE HET ZOUTE, die woonplaats kiest bij advocaten D. VAN HEUVEN en S. RONSE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedeypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. COMPAGNIE HET ZOUTE op 10 mei 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 januari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij ondermeer de villa “Maeger Scorre” bestaande uit een gebouwencomplex rond binnenkoer met omgevende aangelegde tuin en fonteinen gelegen te Knokke-Heist, Caddiespad 14, kadastraal bekend sectie F, nrs. 681 en 682, als monument worden beschermd “voor zover daarin begrepen zijn de schilderijen ‘Promenade à travers le Zoute en 1930’ en ‘Ballade le long de la digue de Comte Jean’ van de Belgische kunstenaar Edgard Tytgat”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 april 2009; X-11.881-1/19 Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN PRAET, die loco advocaten D. VAN HEUVEN en S. RONSE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P.-J. STAELENS, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoekende partij is eigenares van de percelen van het golfterrein “Royal Zoute Golf Club” aan het Caddiespad 14 te Knokke-Heist. Zij is eveneens eigenares van het clubhouse, zijnde de villa “Maeger Scorre”, dat door het bestreden besluit als monument wordt beschermd. Zij is eveneens eigenares van twee schilderijen van de schilder Tytgat, die gelijktijdig met de woning in 1945 aan haar verkocht werden middels een verkoopakte waarin de schilderijen worden vermeld als “les panneaux de l’entrée peints par Tytgat” die als ‘objets mobiliers’ ‘font partie de la vente’ (vrij vertaald: die als roerende goederen deel zijn van de verkoop). 1.2. Met een motiveringsnota van 4 november 2002 adviseert de afdeling monumenten en landschappen, na een situering en schets van de historische achtergrond van de residentiële badplaats het Zoute en een uitvoerige beschrijving van de villa “Maeger Scorre” aan het Caddiespad 14 te Knokke, wat volgt: “Dient te worden beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de artistieke waarde, de historische waarde, de historische in casu de architectuurhistorische waarde en de socio-culturele waarde : De villa ‘Maeger Scorre’, bestaande uit gebouwencomplex rond binnenkoer met omgevende aangelegde tuin en fontein, gelegen te Knokke-Heist, Knokke, Caddiespad 14, bekend ten kadaster, Knokke-Heist, 2de Afdeling, Sectie F, perceelnummers 681 en 682. De artistieke waarde wordt gevormd door : - Het opmerkelijke kunstwerk ‘Panorama du Zoute’ van de belangrijke X-11.881-2/19 Belgische kunstenaar Edgard Tytgat (1879-1957), geschilderd in 1929-1930 voor de woonst van de heer Franz Thys, de bouwheer van de villa ‘Maeger Scorre’. Bestaat uit twee grote schilderijen, met name ‘Promenade à travers Le Zoute en 1930’ en ‘Ballade le long de la digue de Comte Jean’. Op beide werken wordt een panoramisch zicht op Knokke getoond, met telkens de villa ‘Maeger Scorre’ op de voorgrond afgebeeld. Door de thematiek zijn zij ook documentair zeer belangrijk cf. uitbeelding van de geografische en architecturale context van Knokke in de late jaren 1920, de periode waarin de villa is opgetrokken. De historische waarde wordt als volgt omschreven : - Als zijnde het nieuwe clubhouse van de golf; een belangrijke historische getuige van de uitbouw van Knokke-Het Zoute als badplaats van allure met exclusieve recreatieve voorzieningen. - Als zijnde getuige van de introductie van de golfsport op het continent, cf. op Brits initiatief aanleg van één van de eerste golfterreinen op het continent in de Zoutepolder in 1900. Wegens groot succes dient een tweede golfterrein te worden aangelegd ten zuiden van de Zoutelaan (1912-1914) met bouw van een eerste clubhouse in 1910. De leiding en organisatie van de golf in de jaren 1920 komt stilaan meer en meer in handen van lokale vooraanstaanden. Oorspronkelijk opgetrokken als privé-domein, doet de villa reeds snel dienst als nieuw clubhouse en secretariaat van de golf, om ruimere en betere accommodatie te kunnen bieden aan de steeds talrijker wordende liefhebbers en beoefenaars van de golfsport. De historische, in casu de architectuurhistorische waarde, wordt als volgt omschreven : - Als zijnde een uitzonderlijk voorbeeld van een geïndividualiseerd duinhuis dat wordt opgetrokken aan de Oostkust, meer bepaald in Het Zoute, in het tweede kwart van de 20ste eeuw bij de verdere uitbouw van de badplaats, in casu de residentiële villawijk. Het huidige clubhouse van de golf wordt opgetrokken in 1928 aan het oostelijke einde van het Caddiespad, als het ware op het centraal punt tussen beide parcours van het golfterrein dat aangelegd is in 1912-1914. - Als zijnde een enorm gebouwencomplex in regionalistische stijl met integratie van elementen uit de landelijke bouwstijl, gelegen in groot domein met aangelegde tuin; fontein naar ontwerp van kunstenaar Thianche. Het geheel is ontworpen volgens het principe van een soort ‘jachtslot met neerhuizingen’, cf. o.m. poortgebouw geflankeerd door dienstvleugels, gekasseide binnenkoer, hoofdgebouw met zijvleugels en diverse aanhorigheden. Opmerkelijk is de oriëntatie naar het golfterrein ten zuiden ervan, wat de inplanting van de diverse gebouwen heeft beïnvloed. Het imposante ensemble oogt evenwichtig door o.m. de zuivere architecturale proporties, het sobere materiaalgebruik (baksteen) en de beperkte ornamentiek, (o.m. muurankers). Typerende bekronende bedaking. Het interieur behoudt zijn luxueuze aankleding, voornamelijk het houtwerk, o.m. trap, binnendeuren, lambriseringen en wandmeubilair. - Als zijnde getuige van het oeuvre van de Brusselse architect Mario Knauer, die hiermee één van zijn meest significante werken realiseert. Bij het ontwerp voor de villa ‘Maeger Scorre’ houdt hij zeer veel rekening met inplanting en oriëntatie, waarbij hij elk detail ondergeschikt maakt aan het ensemble en waardoor het geheel in harmonie is met de ruimtelijke omkadering. De socio-culturele waarde wordt als volgt omschreven : - Als ‘document’ uit de toeristische periode in het interbellum, wanneer de residentiële badplaats Het Zoute verder uitgebouwd wordt en nieuwe villa’ s en hotels worden opgetrokken voor het steeds groeiend aantal X-11.881-3/19 badgasten. Hier in casu het nieuwe - huidige- clubhouse van de tweede golf, aangelegd in 1912-1914 ten zuiden van de Zoutelaan, ter verbetering en verruiming van de accommodatie van de liefhebbers en beoefenaars van de golfsport. Tot op de dag van vandaag versterkt de mogelijkheid om de golfsport te beoefenen nog steeds het exclusief karakter van de badplaats Knokke-Het Zoute”. 1.3. Op 10 februari 2003 beslist de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken, op grond van de voormelde motieven in de motiveringsnota, om onder meer “de villa ‘Maeger Scorre’, bestaande uit gebouwcomplex rond binnenkoer met omgevende aangelegde tuin en fontein” op een ontwerp van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Een afschrift van dat besluit wordt bij aangetekende brief van 27 februari 2003 aan onder meer de verzoekende partij verstuurd. 1.4. Tijdens het openbaar onderzoek dient de verzoekende partij een bezwaarschrift in. Zij laat vooreerst gelden dat de betekening van het voorlopig beschermingsbesluit is gedaan op haar vroegere maatschappelijke zetel en derhalve onrechtmatig is. Voorts stelt zij daarin dat de voorlopige bescherming van de villa ten onrechte werd “uitgebreid tot deze twee schilderijen” en “mede gegrond op de aanwezigheid van kwestieuze schilderijen” en dat de schilderijen geenszins van nationaal belang zijn. Zij betwist daarin tevens de historische en sociaal-culturele waarde van de villa. 1.5. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knokke brengt op 11 april 2003 een ongunstig advies uit. 1.6. Met een nota van 7 mei 2003 weerlegt de afdeling monumenten en landschappen het ongunstig advies van de gemeente Knokke en de bezwaren van de verzoekende partij respectievelijk als volgt: “2. 1. De artistieke waarde Betreffende het begrip monument in de wet-, decreet- en regelgeving : in artikel 3 van het Decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998 werden de woorden ‘inbegrepen de zich erin bevindende roerende zaken, onroerend door bestemming’ vervangen door de woorden ‘met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen’. Ingevolge voormeld decreet is een nieuw element in de wetgeving het feit dat roerende goederen op zich ook in aanmerking komen om als cultuurgoederen X-11.881-4/19 beschermd te worden, samen met het gebouw. Het gaat hier om voorwerpen die een onverbreekbare historische band hebben met het gebouw, die wezenlijk en direct moet zijn en die moet worden aangetoond in de motivatie voor de bescherming van het onroerend goed. Er wordt van uitgegaan dat de cultuurgoederen in principe in situ bewaard blijven en dat de monumentenzorg instaat voor het beheer. De twee grote panoramische schilderijen, daterend van 1929-1930 en gemaakt door de gekende schilder Edgard Tytgat, zijn bij uitstek cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het gebouw, d.w.z. dat zij wezenlijk en essentieel tot het onroerend goed, in casu de villa ‘Maeger Scorre’, behoren. Dit wordt o.m. gestaafd door de specifieke opdracht door de bouwheer tot het maken van de schilderijen vlak na de bouw van het woonhuis. Tevens duidt de afbeelding van het woonhuis op de voorgrond van de schilderijen, tegelijk dienend als basis/vertrekpunt van waaruit Tytgat zijn panorama's opbouwt, op de ontegensprekelijke directe band van de werken met het gebouw. Het betreft hier dus geen privé-collectie die eerder toevallig in een bepaald gebouw tot stand is gekomen omwille van bvb. familiebezit of verzamelwoede, doch wel degelijk cultuurgoederen waarbij de band met het gebouw wezenlijk/fundamenteel en direct/rechtstreeks is, zoals aangetoond in het gemotiveerd advies. De documentaire betekenis waarvan sprake, is een toegevoegd element bij de artistieke waarde in het gemotiveerd advies, cf. ‘[...] zijn zij ook documentair belangrijk [...]’. 2.2. De historische waarde Nergens in het inhoudelijk dossier wordt gesteld dat de villa ontworpen is als nieuw clubhouse van de golf. Integendeel wordt zelfs het contrast uitvoerig toegelicht met de villa aan het Binnenhof (nr. 9-11-13), die wel als dusdanig werd ontworpen, en later in gebruik werd genomen als een private eigendom. De villa ‘Maeger Scorre’ heeft een relevante betekenis betreffende de golfsport in Knokke, die aldaar in het begin van de 20ste eeuw op het continent geïntroduceerd werd. Wegens toenemend succes ervan met de uitbreiding van de golf tot gevolg en door het feit dat de leiding meer en meer in handen komt van lokale vooraanstaanden, wordt bestaande infrastructuur, in casu een privaat woonhuis, aangekocht om dienst te doen als clubhouse en secretariaat. 2.2.1. en 2.2.2. BPA Wijk Berkenlaan en Ontwerp BPA golfterrein De wet-, decreet- en regelgeving betreffende monumentenzorg is niet in tegenspraak met de wetgeving op de ruimtelijke ordening, doch een aanvulling en verfijning ervan. Dat de bescherming van het huidig clubhouse de mogelijkheden tot aanpassingen i.f.v. de hedendaagse noden betreffende de golfsport zou hypothekeren, komt overeen met de inhoud van de randvoorwaarden geformuleerd in het advies van de WVI van 14 oktober 2002 m.b.t de studie van monumenten en landschappen ‘Inventaris van het cultuurbezit in België, Knokke-Heist’, en kan bijgevolg op eenzelfde manier worden weerlegd (cf supra). Bovendien stelt men zelf in het ontwerp BPA golfterrein dat het uitgangspunt tot de opmaak ervan het behoud is van de bestaande golf en bijgaande infrastructuur, zoals aangehaald in punt 2.2.2. 2.3. De architectuurhistorische waarde Bij de opmaak van de beschermingsvoorstellen door de dienst Monumenten en Landschappen werd de inventaris van het Sint-Lucasarchief (zowel van Duinbergen als Knokke-Het Zoute) (1994-1996) uitvoerig bestudeerd, doch niet als exclusief richtlijngevend beschouwd bij het opstellen van een lijst beschermingsvoorstellen in deze wijken. Het is nl. zo dat in de inventaris van het Sint-Lucasarchief voornamelijk de X-11.881-5/19 architectuurhistorische waarde van een pand wordt geëvalueerd aan de hand van een codering, terwijl in de definitie van een monument, id est een gebouw van algemeen belang, nog diverse andere waarden belangrijk zijn, o.m. de artistieke, historische en socio-culturele waarde, cf. aangehaald in het gemotiveerd advies van dit dossier. Er wordt gesteld dat het gemeentebestuur de studie opgemaakt door het Sint-Lucasarchief onderschrijft, en bijgevolg de stelling steunt dat geen enkel gebouw met codering 3(= gedenkwaardig) een nationale betekenis heeft en dus niet in aanmerking komt voor bescherming als monument. De dienst Monumenten en Landschappen wil erop wijzen dat het gemeentebestuur nochtans gunstig advies geeft voor de bescherming van de overige panden in het dossier van Het Zoute, die door het Sint-Lucasarchief eenzelfde codering (of lager) toegewezen kregen, met uitzondering van de villa ‘Paquebot’ in de Sparrendreef 44 (codering 2). Bijgevolg weerlegt deze opmerking zelf het bezwaar en bij uitbreiding het besluit zoals geformuleerd in 2.5. In het inhoudelijk dossier wordt een korte toelichting gegeven betreffende de architect Mario Knauer met vermelding van de door hem behaalde prijzen, zijn lidmaatschap van het vooraanstaande SCAB (nationale betekenis!) en de melding van een van zijn overheidsopdrachten, ons inziens voldoende relevante en belangrijke referenties. 2.4. De socio-culturele waarde Ons inziens is de aangehaalde socio-culturele waarde van de villa ‘Maeger Scorre’ van tweeërlei aard. Aangezien de villa is opgetrokken tijdens het interbellum, kan deze zonder meer als een document beschouwd worden van de periode waarin de luxueuze badplaats Het Zoute verder uitgebouwd wordt voor het steeds groeiend aantal badgasten. Ook de golf wordt uitgebreid ten behoeve van het groeiend aantal beoefenaars, waardoor op termijn ook de nood aan een nieuw clubhouse ontstaat waarna de in oorsprong private villa ‘Maeger Scorre’ aan het Caddiespad in gebruik wordt genomen. (...) I. Formele bezwaren - Bij de individuele betekening van de eigenaars, erfpachthouders, opstalhouder: vruchtgebruikers, zoals bedoeld in artikel 5 par. 2, 3/ van het betreffende decreet van 3 maart 1976, wordt door onze diensten gebruik gemaakt van de actuele voorhanden zijnde gegevens zoals gekend in de kadastrale bescheiden, in casu de actuele leggers met vermelding van de eigenaars etc. hetzij van de gegevens zoals gekend bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen. Regelmatig gebeurt het dat deze gegevens niet geactualiseerd zijn, wat hier blijkbaar het geval was, gezien de verandering van domiciliëring van de nv Compagnie Her Zoute twee jaar terug. Indien wij de betekening terug ontvangen met de melding dat de betekende op betreffend adres niet meer gedomicilieerd is, doen wij na verificatie (indien adres gekend) een herbetekening. In dit geval echter is het schrijven door de betrokkenen ontvangen en hadden onze diensten geen weet van het nieuwe adres doordat er niet onmiddellijk melding werd gedaan van de gewijzigde adresgegevens. Bijgevolg hebben betrokkenen tijdig het besluit tot ontwerp van lijst ontvangen en tijdig hun bezwaarschrift kunnen indienen. - De nieuwe adresgegevens zullen opgenomen worden waardoor de definitieve individuele betekening correct kan gebeuren. 2. Inhoudelijke opmerkingen en bezwaren In het bezwaar wordt verkeerdelijk vermeld dat het algemeen belang van de villa ‘Maeger Scorre’ wordt gevormd door de artistieke en historische waarde. Evenwel wordt tevens ook nog de socio-culturele waarde van het pand X-11.881-6/19 toegelicht, cf. gemotiveerd advies. Ons inziens lijken deze elk afzonderlijk met een uitbreiding bij de historische, in casu architectuurhistorische waarde, afdoende gemotiveerd. 2.3. Wat het bezwaar aangaande de artistieke waarde betreft, komt de respectievelijke inhoud en weerlegging ervan overeen met deze geformuleerd in punt B. Openbare besturen, 3. Gemeentebestuur, met name in de ‘Standpuntbepaling inzake de beschermingsprocedure van de villa ‘Maeger Scorre’ (punt 2.1) (cf. supra). - Aanvullend merken wij op dat in de verkoopsakte dd. 12 december 1945 verleden voor notaris Scheyven (Brussel) de twee schilderijen van Tytgat inderdaad bij de roerende goederen worden vermeld, doch dat dit ons inziens duidt op de intentie van de verkopers, in casu de weduwe van de bouwheer Frans Thys en haar dochter, om de kunstwerken niet te scheiden van de woonst waarvoor ze gemaakt zijn en ze aldus bij akte over te dragen aan de nieuwe eigenaar in casu de SA Compagnie Immobilière Le Zoute. - Bijkomend willen wij meedelen dat een mogelijke bescherming als monument op generlei wijze het eigendomsrecht van de eigenaars aantast. Betreffende het vrij verkeer van kunstvoorwerpen kunnen wij stellen dat het opportuun is dat de werken in situ bewaard blijven, doch in principe eventueel bvb. in bruikleen gegeven worden, mits dit ter advies wordt voorgelegd aan onze diensten. - De verkoopswaarde van elk van de schilderijen is niet zonder meer objectief te bepalen, of het ware dat men in veilingcatalogi de veilingprijs van andere werken van Tytgat gaat vergelijken, wat zeer arbitrair is gezien o.m. de verschillende aspecten die de economische waarde kunnen bepalen (cf. grootte, onderwerp, mate van belangstelling, etc.) Bovendien dient men beide werken samen te zien, als dusdanig het ‘Panorama du Zoute’ vormend - Kunstwerken van de gekende Belgische schilder Edgard Tytgat, vermeerderd met het uitzonderlijke onderwerp en de specificiteit van de opdracht, slechts van lokaal belang beschouwen is zonder meer een onderwaardering. 2.4. Wat het bezwaar betreft inzake de historische, de historische -in casu architectuurhistorische- en sociaal-culturele waarde van de villa, komt de respectievelijke inhoud en weerlegging ervan grosso modo overeen met deze geformuleerd in punt B. Openbare besturen, 3. Gemeentebestuur, met name in de ‘Standpuntbepaling inzake de beschermingsprocedure van de villa ‘Maeger Scorre’ (punt 2.2, 2.3 en 2.4) (cf. supra). - Aangaande de ‘luxueuze aankleding’ dient evenwel te worden opgemerkt dat dit inderdaad nog voorkomt bij andere aan de kust opgetrokken woonhuizen of cottages, evenwel niet steeds van dezelfde kwaliteit of in dezelfde mate behouden als bij betreffend pand Dit aspect is een - evenwel niet onbelangrijk- onderdeel uit de totaliteit van de historische -in casu architectuurhistorische- waarde zoals geformuleerd in het gemotiveerd advies. 3. Indien bij het definitieve besluit tot bescherming van de villa ‘Maeger Scorre’ het precieze voorwerp afwijkt van dit geformuleerd in het besluit tot ontwerp van lijst, zal dit alleszins meegedeeld worden aan de betrokken eigenaars, o.m. in de definitieve betekening en in het voormelde definitieve besluit. - Alleszins houdt bescherming van een pand geen bevriezing in. De wijzigingen die men wil aanbrengen aan een gebouw dienen voorgelegd te worden ter advies aan de dienst Monumenten en Landschappen. De procedures voor onderhouds- en restauratiepremies worden begeleid door de dienst Monumenten en Landschappen; de financiële X-11.881-7/19 tegemoetkomingen liggen vast in de betreffende wet-, decreet- en regelgeving”. 1.7. Op 3 juli 2003 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) eenparig een gemotiveerd gunstig advies uit. De KCML neemt de motieven voor de bescherming in de voormelde motiveringsnota over. 1.8. Met het bestreden besluit van 27 januari 2004 beslist de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken tot bescherming als monument van de villa “Maeger Scorre” bestaande uit een gebouwencomplex rond binnenkoer met omgevende tuin en fontein. De minister neemt ter verantwoording de motieven van de KCML over in de bestreden akte. 1.9. Desgevraagd, antwoordt de afdeling monumenten en landschappen dat de voormelde schilderijen wel deel uitmaken van de bescherming: “Dit houdt in dat betreffende villa is beschermd met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, zijnde in casu - cf. gemotiveerd advies - o.m. de twee panoramische schilderijen m.n. ‘Promenade à travers Le Zoute en 1930’ en ‘Ballade le long de la digue de Comte Jean’ van de hand van de Belgische schilder Edgard Tytgat, niet afzonderlijk vermeld gezien deel uitmakend van de in het dossier vermelde kadastrale perceelnummers. In het inhoudelijk dossier en in het gemotiveerd advies wordt de band met de villa toegelicht, cf. geschilderd in 1929-1930 voor de woonst van de heer Frans Thys (bouwheer van de villa) met afbeelding ervan als basis voor de panoramische zichten”. 2. Ten gronde 2.1.1. Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 5, § 2, 2/ van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), de materiële motiveringsplicht, het rechtszekerheids- en redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij betoogt in het eerste onderdeel dat “in de bestreden beslissing geenszins (kan) gelezen worden of en waarom de twee bewuste schilderijen (...) als monument dienen beschermd te worden”, “uit de bestreden beslissing helemaal niet blijkt dat verweerster ook de twee desbetreffende schilderijen heeft beschermd of willen beschermen”, blijkens de motieven van het X-11.881-8/19 bestreden besluit “de twee bewuste schilderijen van Tytgat een artisitieke waarde hebben, doch niet (...) van historische en socio-culturele waarde zijn” terwijl “ieder onderdeel van het beschermde monument (onroerend goed, maar ook eventuele roerende goederen) dient te beantwoorden aan” de in het bestreden besluit drie aangenomen waarden, de motieven met betrekking tot de artistieke waarde van de schilderijen niet afdoende zijn en het “kennelijk onredelijk (

  1. is)te stellen dat deze werken als een cultuurgoed in de zin van artikel 2, 2/ van het decreet van 3 maart 1976 dienen te worden beschouwd”. In het tweede middelonderdeel laat de verzoekende partij gelden dat “het voorlopige beschermingsbesluit zonder meer identiek is aan de bestreden beslissing”, “in de bestreden beslissing geen weerlegging is terug te vinden van de bezwaren die zij nochtans heeft geuit tijdens het openbaar onderzoek”, het haar opgestuurd “niet-ondertekend, en dus obscuur verslag (...) op geen enkele wijze (werd) betrokken in de bestreden beslissing” zodat het is aangetoond “dat verwerende partij op geen enkele wijze – toch op geen controleerbare – rekening heeft gehouden met verzoeksters bezwaren”. 2.1.2. Uit de bestreden akte en meer bepaald de aldaar concreet omschreven artistieke waarde van het “opmerkelijk kunstwerk ‘panorama du Zoute’” blijkt duidelijk “of en waarom” beide schilderijen deel zijn van het beschermde monument. In zoverre is er geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel of van de motiveringswet. Anders dan de verzoekende partij stelt, is niet vereist dat de bescherming van elk onderdeel van het monument, te dezen de villa “Maeger Scorre” verantwoord wordt door alle in het bestreden besluit aangenomen waarden. Het volstaat dat die afzonderlijke waarden van die onderdelen samen de bescherming van het monument in zijn geheel verantwoorden. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel als monument beschermingswaard is. In zoverre de verzoekende partij stelt dat de in de bestreden akte omschreven artistieke waarde beide schilderijen niet beschermingswaard maken, plaatst zij haar zienswijze tegenover die van de overheid en valt deze kritiek van de verzoekende partij buiten het wettigheidstoezicht van de Raad van State. Deze kritiek van de verzoekende partij is beperkt tot de in het middelonderdeel aangehaalde blote beweringen. Gelet op het marginale toezicht terzake, dient te worden vastgesteld dat deze beweringen weliswaar blijk geven van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de beslissende overheid, X-11.881-9/19 maar dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat het bevoegde bestuur in verband met de beoordeling van de villa als monument, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. De verzoekende partij toont niet aan dat het bevoegde bestuur bij de beoordeling van de villa als monument, de grenzen van de hem wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt blijkt uit de omschrijving in de bestreden akte van de artistieke waarde van de schilderijen dat zij integrerend deel uitmaken van de villa “Maeger Scorre”. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. 2.1.3. Wanneer de overheid een onroerend goed als monument beschermt, dient zij, om te voldoen aan de motiveringswet in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden waarop het gesteund is. Deze formele motiveringseis verplicht de administratieve overheid er niet toe in de akte expliciet de opmerkingen en bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht. Het recht om bezwaar in te dienen brengt voor de overheid de verplichting mee de regelmatig ingediende bezwaren en opmerkingen te onderzoeken en te beoordelen. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij op 28 maart 2003 een bezwaarschrift heeft ingediend. De verzoekende partij gaat er in het tweede middelonderdeel van uit dat de door haar ingediende bezwaren niet werden onderzocht. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt evenwel dat het door de verzoekende partij ingediende bezwaarschrift door het bestuur Monumenten en Landschappen op 7 mei 2003 werd onderzocht en beantwoord. Geen wettelijke bepaling legt aan de overheid de verplichting op de beantwoording van de bezwaren en opmerkingen aan de indiener ervan mede te delen. Eventuele onregelmatigheden met betrekking tot het openbaar onderzoek kunnen bij het aanvechten van de beslissing over de bescherming als monument, stads- en/of dorpsgezicht worden aangevoerd. Het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is blijkens de aanhef ervan mede gegrond op het voormelde verslag van 7 mei 2003 van het bestuur monumenten en landschappen. De door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen van het monumentendecreet van 3 maart 1976 verplichten de administratieve overheid er niet toe in de akte expliciet de bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. X-11.881-10/19 2.2.1. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het E.V.R.M., artikel 16 van de Grondwet, en het evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij betoogt dat ingevolge de toepasselijkheid van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten “een principieel verbod (geldt) om de twee bewuste schilderijen die zich in de villa “Maeger Scorre” bevinden afzonderlijk nog te verkopen, verhuren, in pand te geven of zelfs nog maar in bruikleen te geven” waardoor “de economische waarde van deze schilderijen (...) volkomen teniet (wordt) gedaan”, “de potentiële koper of huurder van de villa waarin de schilderijen zich bevinden (...) verplicht (zal) zijn om deze schilderijen over te nemen en hen in situ te bewaren” en zij “te maken heeft met een de facto onteigening van haar schilderijen nu de hierboven aangehaalde overheidsinmenging (zonder welkdanige effectieve vergoeding) in de beschikking en het beheer van deze werken volstrekt disproportioneel is en buiten verhouding staat met het nagestreefde doel”. 2.2.2. Uit de bescherming als dorpsgezicht vloeien beperkingen voort die rechtens geen onteigening en evenmin een eigendomsberoving zijn, doch wel als een beperking van het “recht op het ongestoord genot van hun eigendom”, zoals het wordt omschreven in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, dienen te worden aangemerkt. Een beperking van “het ongestoord genot” van het eigendom is evenwel niet ipso facto een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. Het tweede lid van artikel 1 bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”. Het monumentendecreet maakt de bescherming van een dorpsgezicht mogelijk “omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang (...)”. De auteurs van het bedoeld decreet hebben de bescherming en het behoud van monumenten, stads- en dorpsgezichten noodzakelijk geacht omdat “de grote bevolkings- en bewoningsdichtheid, de snel voortschrijdende industrialisering en de vlugge verstedelijking van het gehele grondgebied dit patrimonium (het materieel kunstpatrimonium) meer en meer bedreigen” (Memorie van Toelichting, Parl. St., Ned. Cult. R., 1973-1974, 122/1, p. 1). Een beschermingsbesluit zoals te dezen om reden van de artistieke, historische en socio-culturele waarde kan dan ook worden X-11.881-11/19 ingepast in artikel 1, tweede lid, van het Eerste Aanvullend Protocol. 2.2.4. De eigenaars van een beschermd monument worden niet van hun eigendom ontzet. Artikel 16 van de Grondwet garandeert geen onbeperkte vrijheid van gebruik van eigendom. Wetten en verordeningen kunnen beperkingen op het gebruik van eigendom opleggen. In meerdere arresten heeft het Grondwettelijk Hof er op gewezen dat beperkingen van het gebruik van een goed niet onderworpen zijn aan de in artikel 16 van de Grondwet voorziene waarborgen (o.m. de arresten nr. 40/95 van 6 juni 1995, nr. 24/96 van 27 maart 1996, nr. 34/2001 van 13 maart 2001, en nr. 94/2003 van 2 juli 2003). 2.2.5. In de mate dat de schending van het evenredigheids- en van het redelijkheidsbeginsel worden aangevoerd is het middel evenmin gegrond omdat het, gezien het voorgaande, ten onrechte uitgaat van “een de facto onteigening”. 2.3.1. Het vierde middel is genomen uit de schending van artikel 2 van het monumentendecreet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, “de artikelen 28-30 van het EG-verdrag”, artikel 2, 2/ van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse staten zijn gebracht, de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij stelt dat, anders dan in het monumentendecreet, in de voormelde wet van 28 oktober 1996 een definitie gegeven wordt van het begrip “cultuurgoederen”, dat in die wet ook de financiële waarde van het roerend goed als een criterium voorop wordt gesteld om een schilderij te kunnen erkennen als nationaal bezit, en uit de parlementaire voorbereiding bij de wijziging aan artikel 2, 2/ van het monumentendecreet duidelijk blijkt dat de decreetgever het begrip “cultuurgoederen” uit deze wet heeft willen overnemen. De verzoekende partij leidt hieruit af dat het bestuur ook in voorliggende zaak hiermee rekening had dienen te houden en minstens een raming van de waarde van beide schilderijen had dienen te laten opmaken alvorens haar besluit te nemen. Door zulks niet te doen, stelt verzoekende partij, kon het bestuur onmogelijk met voldoende kennis van zaken het bestreden besluit nemen. 2.3.2. Artikel 2 van het monumentendecreet bepaalt wat volgt: “Dit decreet verstaat onder: (…) X-11.881-12/19 2/ monument : een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen”. Uit deze bepaling volgt niet dat een cultuurgoed dat integrerend deel uitmaakt van een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, een bepaalde financiële waarde moet hebben opdat het geheel een monument in de zin van die bepaling zou kunnen vormen. 2.3.3. Het begrip “cultuurgoederen” in de voormelde omschrijving van een monument, is afgeleid uit “de Europese wetgeving in verband met uitvoer” (Parl. St., Vl. Parl. 1997-97, 1129/11, 3), meer bepaald uit de Europese verordening 3911/92/EEG van de Raad van 9 december 1992 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen die in artikel 1 stelt wat volgt: “Onverminderd de bevoegdheden waarover de Lid-Staten uit hoofde van artikel 36 van het verdrag beschikken, wordt in de zin van deze verordening onder ‘cultuurgoederen’ verstaan de cultuurgoederen die in bijlage vermeld zijn”. Onder punt 3 van de lijst van cultuurgoederen in Bijlage I wordt het volgende vermeld: “3. Afbeeldingen en schilderijen die geheel met de hand zijn vervaardigd, ongeacht op welke ondergrond en van welke materialen”. 2.3.4. De kwestieuze schilderijen in het bestreden besluit vormen aldus cultuurgoederen in de zin van art. 2, 2/ van het monumentendecreet. Het feit dat slechts cultuurgoederen met een bepaalde financiële waarde onder het toepassingsgebied van de Europese verordening 3911/92/EEG vallen, doet daar niets aan af. 2.3.5. Het middel is in al zijn onderdelen ongegrond. 2.4.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 4, 4/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2003 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, en de motiveringsplicht. De verzoekende partij betoogt dat de minister “weliswaar ook X-11.881-13/19 bevoegd is voor de materies bedoeld in artikel 4, 4/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen” maar “het bestreden besluit enkel getekend heeft in zijn hoedanigheid van Vlaams minister van monumenten en landschappen, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, 7/” van dezelfde bijzondere wet terwijl “de bestreden beslissing – in zoverre zij betrekking heeft op beide schilderijen van Edgard Tytgat, die zuiver roerende goederen zijn, - diende genomen te worden door de gemeenschapsminister die bevoegd is voor het culturele patrimonium in de zin van artikel 4, 4/” van de voormelde bijzondere wet. 2.4.2. Toen artikel 1 van het decreet van de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap van 13 juli 1972 tot wijziging van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen werd aangenomen, waren de Cultuurraden op grond van het toenmalige artikel 59bis, § 2, eerste lid, 1/ van de Grondwet bevoegd om, ieder wat hem betreft, bij decreet de culturele aangelegenheden te regelen die overeenkomstig artikel 59bis, § 2, tweede lid van de Grondwet werden vastgesteld bij een wet, aangenomen met de in § 1, tweede lid van dat artikel bepaalde meerderheid. Ter uitvoering van die grondwetsbepalingen werd de wet van 21 juli 1971 betreffende de bevoegdheid en de werking van de Cultuurraden voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap en voor de Franse Cultuurgemeenschap aangenomen, waarvan artikel 2, 4/, luidde : “De culturele aangelegenheden, bedoeld in artikel 59bis, § 2, 1/, van de Grondwet, zijn de volgende : (...) 4. cultureel patrimonium, musea en andere wetenschappelijk-culturele instellingen; (...)”. 2.4.3. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp waaruit die bepaling is voortgekomen, werd de bevoegdheidstoewijzing inzake het cultureel patrimonium als volgt omschreven : “Onder ‘cultureel patrimonium’, waarmede zowel het roerend als het onroerend patrimonium is bedoeld, dient onder meer begrepen te worden het vaststellen van regels betreffende uitvoer van kunstwerken; (...) het behoud van monumenten, landschappen en plaatsen die een historisch belang vertonen; het reglementeren van de aanplakking en publiciteit op of in de onmiddellijke nabijheid van monumenten, landschappen en plaatsen van historisch belang, ook langs toeristische wegen; het bepalen van de toekenningsvoorwaarden van toelagen voor X-11.881-14/19 de aankoop en de instandhouding van monumenten, landschappen of plaatsen met historisch belang” (Gedr. St., Senaat, 1970-1971, nr. 400, p. 4-5). Voorafgaand aan die beschrijving werd opgemerkt dat de aanduidingen in de memorie van toelichting bij elk van de in artikel 2 vermelde culturele aangelegenheden louter exemplatief waren, en ook uit de aanhef van de geciteerde omschrijving blijkt dat de opsomming niet limitatief mag worden opgevat (Gedr. St., Senaat, 1970-1971, nr. 400, p. 4). Nadien is ook door de wetgever bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 bevestigd dat het behoud van monumenten en landschappen steeds als culturele aangelegenheid was beschouwd. Immers, de bijzondere wetgever heeft de bevoegdheden inzake monumenten en landschappen aan de Gewesten overgedragen wegens hun verwantschap met de stedenbouw en de ruimtelijke ordening, waarbij zij uitdrukkelijk werden uitgesloten van de gemeenschapsbevoegdheid inzake het cultureel patrimonium als bedoeld in artikel 4, 4/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Luidens de memorie van toelichting bij het ontwerp van wat de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot hervorming der instellingen is geworden, slaat de bevoegdheid inzake monumenten en landschappen “op het geheel van de maatregelen die de identificatie, het behoud, de classering, het onderhoud, de restauratie, de instandhouding, de valorisatie, het beheer, de promotie en de subsidiëring van monumenten, architecturale gehelen en landschappen beogen.” (Gedr. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 6). 2.4.4. Artikel 2, 2/ van het monumentendecreet verstaat onder: “monument: een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen”. Vóór de wijziging van artikel 2 van het monumentendecreet bij decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998, verstond het monumentendecreet onder: “monument: een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, inbegrepen de zich erin bevindende roerende X-11.881-15/19 zaken, onroerend door bestemming”. In de memorie van toelichting wordt deze wijziging als volgt verantwoord: “Het lijdt geen twijfel dat bepaalde voorwerpen uit hun aard zozeer met een monument verbonden zijn en er mede de culturele waarde van bepalen dat zij samen met het monument beschermd moeten worden. Om deze goederen te definiëren heeft de decreetgever van 1976 uit het Burgerlijk Recht het begrip “roerend, onroerend door bestemming” overgenomen. Deze juridische constructie is evenwel erg moeilijk hanteerbaar waar het om het cultuurbezit van monumenten gaat. De formulering is te algemeen, en kan in die zin tot ongewenste toestanden leiden. Zo zou de bescherming van een hoevegebouw impliceren dat de levende have mee beschermd wordt. Ook kan een eenvoudige wilsbeschikking van de eigenaar om de bestemming van een kunstvoorwerp te wijzigen door het terug roerend te maken, de bescherming van dat goed teniet doen. Anderzijds zal het begrip “roerend, onroerend door bestemming” steeds tot interpretatiemoeilijkheden leiden. Daarom is het verkieselijk de definitie een andere wending te geven, en meteen in overeenstemming te brengen met de definitie van monumenten zoals opgenomen in artikel 1, 1/ van het Europees Verdrag ter bescherming van het bouwkundig erfgoed van Europa, opgemaakt te Granada op 3 oktober 1985. Dit verdrag werd door België geratificeerd bij de wet van 8 juni 1992 (Belgisch Staatsblad 29 oktober 1993)” (Parl. St., Vl. Parl., 1997-98, nr. 1129/1, 3). Het begrip “bijhorende uitrusting” wordt er als volgt toegelicht: “Het begrip “bijhorende uitrusting” moet ruim geïnterpreteerd worden. Het kunstbezit, schilderijen, prenten, beelden, archieven, toestellen, machines, meubilair, tekstielen, decoratieve elementen en installaties worden alle geacht tot de bijhorende uitrusting van een monument te behoren” (Parl. St., Vl. Parl., 1997-98, nr. 1129/1, 3). 2.4.5. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het in het beschermde monument begrepen “kunstwerk ‘Panorama du Zoute’ van de belangrijke Belgische kunstenaar Edgard Tytgat” als roerend goed tot een cultuurgoed dat integrerend deel uitmaakt van de beschermde villa “Maeger Scorre” wordt gewaardeerd en om die reden begrepen is in de bescherming als monument krachtens het monumentendecreet. 2.4.6. De verzoekende partij stelt in de laatste memorie in ondergeschikte orde voor om de navolgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 3 van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse X-11.881-16/19 bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998 in zoverre cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en decoratieve elementen van een monument mee beschermd kunnen worden met het monument, de artikelen 4, 4/ en 6, §1, I, 7/ van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in zoverre het de uitoefening van een gewestbevoegdheid uitmaakt?’”. In de voormelde omstandigheden is er aanleiding, vooraleer over de gegrondheid van het middel uitspraak te doen, om de debatten te heropenen en de hiernavolgende geherformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Het onderzoek van het middel moet nadien voortgezet worden door het auditoraat. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : Schendt artikel 2, 2/ van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, zoals gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten ? Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt er mee gelast, na ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof het onderzoek van de zaak voort te zetten. X-11.881-17/19 X-11.881-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.881-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.429 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.